1. Toelichting
Tekst van het document
Zoals uit voorgaande afbeelding en ook uit paragraaf 4.2.5 blijkt, bedraagt de afstand tot de dichtstbijzijnde gelegen geurgevoelige objecten (de woningblokken van Waardenweg 18 en 59a tot en met 63) in de toekomstige situatie meer dan 50 meter. Voor een duidelijke weergave van de richtafstandencontouren zie bijlage 10. Kortom er wordt voldaan aan de richtafstanden waardoor aanvullend onderzoek in relatie tot geurhinder niet noodzakelijk is. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de emissiepunten op voldoende afstand zijn gelegen ten opzichte van geurgevoelige objecten en dat het hippisch centrum niet wordt beperkt als gevolg van de ligging ten opzichte van omliggende woningen. Kortom vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.7 M.e.r.-plicht Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Hoofdstuk 4
29
Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. Aanmeldingsnotitie Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
De conclusies van de aanmeldingsnotitie zijn hieronder samengevat. Voor de volledige aanmeldingsnotitie4 wordt verwezen naar bijlage 3. Op 6 juli 2004 is een vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer verleend ten behoeve van de paardenhouderij aan de Waarderweg 20 te Montfort. Op 23 maart 2006 is een melding 8.19 geaccepteerd. De volgende tabel geeft een weergave van de vergunde situatie. Overzicht vergunde situatie d.d. 6 juli 2004 en melding 8.19 d.d. 23 maart 2006 (bron: Agron Advies, DN92.NB01.04 d.d. 18 mei 2020)
Diersoort Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen Pony’s (3 jaar en ouder)
RAV code – omschrijving stalsysteem K 1.100
Aantal dieren
K 3.100
28
50
Daarnaast beschikt de huidige bedrijfslocatie over een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, deze vergunning is in oktober 2018 verleend (kenmerk 2018-203877). Deze vergunning ziet op de huisvesting van 70 volwassen paarden en 8 paarden in opfok. De initiatiefnemer is voornemens om de veebezetting op het bedrijf aan de Waarderweg 20 te Montfort te wijzigen ten behoeve van de huisvesting van in totaal 62 stuks volwassen paarden, 5 paarden in opfok en 5 volwassen pony’s. De volgende tabel geeft een weergave van de beoogde situatie.
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling, Agron advies, nummer DN92.NB01.04 d.d. 18 mei 2020
Hoofdstuk 4
30
Overzicht beoogde situatie (bron: Agron Advies, DN92.NB01.04 d.d. 18 mei 2020)
Diersoort Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Volwassen paarden (3 jaar en ouder) Paarden in opfok (jonger dan 3 jaar) Volwassen Pony’s (3 jaar en ouder) Volwassen paarden (3 jaar en ouder)
RAV code – omschrijving stalsysteem K 1.100
Aantal dieren
K 1.100
26
K 1.100
16
K 2.100
5
K 3.100
5
K 1.100
6
14
De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Daarnaast worden er geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. De aspecten ammoniak, luchtkwaliteit, geluid, geur, bodem en water en externe veiligheid voldoen aan de geldende Wet- en regelgeving. Derhalve is er dus ook geen sprake van cumulatie. Gezien de ligging van het bedrijf aan de Waarderweg, alsmede de aard en omvang van het bedrijf, zijn er geen relevante cumulatieve effecten. In de directe omgeving van de bedrijfslocatie zijn geen initiatieven bekend waardoor de hiervoor besproken effecten op het milieu worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.
Hoofdstuk 4
31
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Beleid In het vigerend bestemmingsplan is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ opgenomen. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen die dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld en groter zijn dan 1.000 m 2. De bestaande bebouwingsoppervlakte binnen de enkelbestemming ‘Sport’ bedraagt 4.894 m 2. Daarentegen bedraagt de toekomstige bebouwingsoppervlakte 7.492 m 2. Dit betekent dat het nieuwe ruimte beslag 2.598 m2 bedraagt.
Derhalve is in beginsel een archeologisch onderzoek noodzakelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Onderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport5 in bijlage 4. Op basis van dit bureau- en verkennend booronderzoek wordt geconcludeerd In het westelijk deel van het plangebied worden geen archeologische resten meer verwacht. Dit deel kan worden vrijgegeven. In het oostelijk deel van het plangebied kunnen nog archeologische resten aangetroffen worden. Aangezien in dit deel van het plangebied geen voorgenomen bodemingrepen zijn gepland, worden er dus ook geen archeologische resten bedreigd. Dit betekent dat voor dit plan geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Het wordt wel geadviseerd om in dit deel van het plangebied de archeologische dubbelbestemming te handhaven. De maximale verstoringsdiepte in dit deel van het plangebied is 40 cm –mv
5
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, RAAP, rapport 4251 d.d. 9 december 2019
Hoofdstuk 4
32
Echter, mochten tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW of bij de gemeente Beesel conform Artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en Artikel 5.11 (Waarneming) van de Erfgoedwet 2016.
Advies op basis van archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (RAAP-rapport 4251 / versie 09-12-2019)
Hoofdstuk 4
33
Conclusie Vanuit het oogpunt van archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. De archeologische dubbelbestemming, zoals die in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen, wordt deels gehandhaafd op het oostelijk deel van het plangebied en komt te vervallen voor het westelijk deel van het plangebied, nadat het bevoegd gezag hiertoe een selectiebesluit heeft genomen. Cultuurhistorie Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
4.4 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat op provinciaal niveau in structuurvisies en verordeningen is vastgelegd. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Roerdal”, bevindt zich op circa 2,5 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de herontwikkeling van een hippisch centrum betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase
Hoofdstuk 4
34
maar ook door een toename van het aantal aanwezige paarden en de verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening (bijlage 6) uitgevoerd6 of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Om te beoordelen of de beoogde gebruiksfase vergunbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming is een verschilberekening uitgevoerd tussen de gebruiksfase en de situatie zoals deze is vastgelegd in de vigerende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat gedurende de aanlegfase de bijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Gedurende de gebruiksfase wordt een bijdrage van ten hoogste 0,58 mol/ha/jaar berekend. In het verleden is voor de locatie aan de Waarderweg 20 een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming verleend (d.d. 04-10-2018). Deze vergunning zag toe op het houden van 78 paarden en verkeersbewegingen met voertuigen als gevolg van de activiteit. Uit de uitgevoerde verschilberekening tussen de beoogde gebruiksfase en de vergunde situatie is gebleken dat ter plaatse van omliggende Natura 2000-gebieden geen bijdragen van meer dan 0,00 mol/ha/jaar worden berekend. Voor de gewijzigde situatie (gebruiksfase) is bij de provincie Limburg een Wet natuurbescherming vergunning aangevraagd en verleend.
De ontvangstbevestiging en verleende vergunning zijn bijgevoegd in bijlage 7 Het plangebied ligt daarnaast aangrenzend aan Natuurnetwerk Limburg (NNL). In het bosgebied ten zuiden ligt ’t Sweeltje, een buitenzwembad. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zal de hoeveelheid activiteiten bij het hippisch centrum toenemen. Echter, gezien het plangebied niet is gelegen binnen de goudgroene natuurzone, hoeven externe effecten niet getoetst te worden. Op basis van artikel 2.6.2 ‘Bescherming Goudgroene natuurzone’ in de Geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 (versie december 2019) geldt dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt dan wel wijziging van de bestaande activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied kunnen aantasten. Aangezien onderhavig plangebied geen betrekking heeft op (een deel van) de goudgroene natuurzone, is artikel 2.6.2 niet van toepassing. Wel wordt geadviseerd om effecten met betrekking tot licht en geluid richting de naastgelegen goudgroene natuurzone zoveel mogelijk te beperken, zie hiertoe tevens de advisering onder soortenbescherming, eerste punt.
Beschermde houtopstanden Aangezien bij de werkzaamheden geen (onderdelen van) houtopstanden worden verwijderd is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Door een ecoloog van BRO is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport7 in bijlage 5.
6 7
Stikstofdepositieberekening, Wematech Milieu Adviseurs B.V, Kenmerk : FG60190470.R001-0 d.d. 29 april 2020 Quickscan Flora en Fauna, BRO, kenmerk P00687, d.d. 25 maart 2020
Hoofdstuk 4
35
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Licht gericht of uitschijnend op de bossen rondom de locatie en de bomenrijen langs de ontsluitingswegen dient te worden vermeden. Is dit wel het geval dan dient een protocollair onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen uit te wijzen of er een negatief effect plaats zal vinden met betrekking tot foerageer- en vliegroutefuncties; Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dienen werkzaamheden ter plaatse van potentiele nestgelegenheden, om overtreding op voorhand te voorkomen, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Conclusie Voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden zal het bovenstaande en het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht worden genomen. Voor het overige vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de planologisch juridische procedure.
4.6 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied wordt een Hippisch Centrum gerealiseerd, dat in hoofdzaak gericht is op de professionele wedstrijdsport (springsport), met een oppervlakte van ca. 42.380 m 2. Binnen het plangebied zullen diverse activiteiten worden geëxploiteerd, te weten: Bed & breakfast met 5 kamers (maandag t/m zondag). Ondergeschikte horecafunctie met een oppervlakte van circa 400 m 2 (maandag t/m zondag). Trainingsdagen met paarden (maandag t/m vrijdag en zondag). Wedstrijddagen met paarden (zaterdag [incidenteel op zondag]). Op locatie geldt op basis van de voormalige activiteiten reeds een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. Ten behoeve van de voormalige paardenhouderij aan de Waarderweg 20 te Montfort is reeds in het kader van de vergunde situatie rekening gehouden met een aantal voertuigbewegingen per dag. Het betreft - 160 motorvoertuigbewegingen per etmaal wat betreft personenauto’s - 10 motorvoertuigbewegingen per etmaal wat betreft bestelbussen - 100 motorvoertuigbewegingen per etmaal wat betreft vrachtauto’s Mede gezien de diverse functies en uitgangspunten in het kader van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten verkeersgeneratie en parkeerbehoefte
Hoofdstuk 4
36
als gevolg van de ontwikkelingen op de locatie Waarderweg 20 te Montfort. Voor meer informatie wordt verwezen naar de notitie8 in bijlage 8 van deze toelichting. Verkeer Op een wedstrijddag wordt de meeste verkeersgeneratie verwacht (worst-case). Uit de beschouwing verkeersgeneratie blijkt dat het planvoornemen een maximale verkeersgeneratie van in totaal circa 364 lichte motorvoertuigbewegingen per etmaal, circa 60 middelzware vrachtwagens en 60 zware vrachtwagencombinaties tot gevolg heeft op een wedstrijddag. Dit betekent dat er in totaal sprake is van 484 motorvoertuigbewegingen op een wedstrijddag. Gezien de reeds vergunde situatie ten opzichte van de toekomstige situatie kan er geconcludeerd worden dat tijdens een reguliere dag in de toekomstige situatie minder vrachtwagens de inrichting aandoen dan in de vergunde situatie. Ten tijde van wedstrijddagen en concoursen (worst-case scenario) zijn er slechts 10 vrachtwagens meer die het Hippisch centrum bezoeken dan de vergunde situatie. Gelet op het bovenstaande is er kortom sprake van een minimale toename van het verkeersbewegingen ten opzichte van hetgeen wat reeds is vergund. De Waarderweg en omliggende wegen kunnen deze verkeersintensiteiten goed verwerken. De toevoeging van het beperkt aantal verkeersbewegingen op de omliggende wegen is verkeerstechnisch geen probleem.
Het planvoornemen wordt aangesloten op de Waarderweg (50 km/u) middels de bestaande opritten. De opritten kruisen hierbij een fietspad. De aansluitingen moeten derhalve zorgvuldig vormgegeven worden. Parkeren Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen maakt de gemeente Roerdalen in beginsel gebruik van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Op basis van gestelde uitgangspunten en de kengetallen uit de CROW publicatie is voor Hippisch Centrum Montfort het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor een maatgevende dag bepaald. Hierbij is uitgegaan van een worstcase scenario waarbij sprake is van het aantal benodigde parkeerplaatsen tijdens de concoursen, wedstrijden en shows. Overzicht benodigd aantal parkeerplaatsen gehele bedrijfsvoering Hippisch Centrum (Bron: Wematech Milieu Adviseurs B.V., RV60190468.M001-0 d.d. 29 april 2019)
Personenauto’s Lichte vrachtwagens Zware vrachtwagens
8
Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen 104 15 15
Totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen 122 20 20
Beschouwing verkeersgeneratie, Wematech Milieu Adviseurs B.V., RV60190468.M001-0 d.d. 29 april 2019
Hoofdstuk 4
37
Onderstaand en in bijlage 8 is een impressie van de terreinindeling van het aantal beschikbare parkeerplaatsen voor de beoogde situatie tijdens concoursen, wedstrijden en shows weergegeven. Hieruit kan worden opgemaakt dat concoursen, wedstrijden en shows (worst-case situatie) voldoende parkeerplaatsen binnen het Hippisch Centrum aanwezig zijn.
Uitsnede terreinindeling t.b.v. parkeerbehoefte beoogde situatie (worst-case scenario (bron: Wematech Milieu Adviseurs B.V., RV60190468.M001-0 d.d. 29 april 2019)
Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.
4.7 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Hoofdstuk 4
38
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip.
Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater Zoals het bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden’ en de Omgevingsverordening Limburg aantonen ligt de onderzoekslocatie niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Wel ligt het plangebied binnen de Boringsvrije zone Roerdalslenk II. Aangezien geen grondboringen zijn voorzien, vormt dit geen belemmering. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem.
Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op dit natuurgebied.
Hoofdstuk 4
39
Afvalwater Het afvalwater is en blijft aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Hemelwater Er is geen oppervlaktewater op korte afstand van het plangebied. Verder is in de omgeving sprake van een gescheiden rioolstelsel. In de bestaande situatie is het perceel/plangebied reeds deels bebouwd en verhard. Het hemelwater, dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied, zal zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hierin zal geen wijziging optreden ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde ontwikkeling betreft een beperkte toename van het verhard en bebouwd oppervlak, omdat er sprake is van de sloop van de bestaande bebouwing en bouw van een nieuwe bebouwing binnen het plangebied. Om in de afvoer van hemelwater te kunnen voorzien is een greppel voorzien aan de zuidzijde van het perceel. De infiltratie zal moeten plaatsvinden overeenkomstig de richtlijnen van zowel de gemeente als het waterschap. Dit betekent dat hemelwater dient te worden behandeld volgens de trits vasthouden, bergen en dan pas afvoeren. Bij het dimensioneren van een infiltratievoorziening dient uit te worden gegaan van een dynamische buffer die geschikt is om een bui die eenmaal in de tien jaar voorkomt, een bui van 50 mm (T=10), te kunnen bergen.
Bij een bui van 84 mm (T=100) mag de voorziening tot aan de rand gevuld zijn. In de nieuwe situatie komt er 581 m2 aan verhard oppervlak (bebouwing en verhardingen) bij. De waterberging die nodig is bij een T=100 bui komt globaal neer 49 m3. Er is ruimte om een greppel te dimensioneren van 730m² met een diepte van 1.5 m. De bergingscapaciteit van deze greppel is grofweg 489 m3. Dit betekent dat met deze voorziening ook een groot deel van het hemelwater dat op bestaand verhard oppervlak valt kan worden geborgen. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw.
Hoofdstuk 4
40
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’, zoals vastgesteld op 21 april 2016, en het facetbestemmingsplan ‘Vervallen bestemmingsplanregeling huisvesting (buitenlandse) werknemers’, zoals vastgesteld op 23 mei 2019.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.
5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Hoofdstuk 5
41
Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.
De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Sport Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is binnen het grootste deel van het plangebied de bestemming ‘Sport’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd ten behoeve van de hippische sport in de vorm van a. dagrecreatieve voorzieningen; b. een hippisch centrum met rijhallen, paardenstallen, tentstallen, paddocks, wedstrijdpiste, opslag en bijbehorende voorzieningen.
Hoofdstuk 5
42
c.
indoor en outdoor spring- en dressuurvoorzieningen ten behoeve van het houden van concoursen, wedstrijden en shows; d. paardenpension; e. een paardenbak uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'paardenbak'. f. ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' is een bed & breakfast toegestaan met maximaal 5 kamers; g. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan; h. ter plaatse van de aanduiding 'ondergeschikte horeca' is ondergeschikte horeca toegestaan ten dienste van de hoofdfunctie. Ter plaatse van deze aanduiding is maximaal toegestaan: i. ondergeschikte horeca van categorie 1, al dan niet in combinatie met een bar en een terras ten dienste van het hippisch centrum welke is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse; j. besloten bedrijfsactiviteiten, zoals bedrijfspresentaties, productpresentaties en bijeenkomsten voor bedrijfsrelaties, niet zijnde evenementen; k. exploitatie van een restaurant en het beschikbaar stellen van horecaruimte voor vergaderingen en een borrel, ondersteunend aan het hippisch centrum met een oppervlakte van maximaal 400 m2.
met dien verstande dat de ondergeschikte categorie 1 horeca-activiteiten betrekking hebben op de omschrijving zoals opgenomen in Bijlage 4.Ter plaatse van de bestemming ‘sport’ zijn ook toegestaan: tuinen, erven en terreinen; paden, wegen, ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen; voorzieningen van openbaar nut; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; infiltratievoorzieningen; groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen. De buitenactiviteiten van het hippisch centrum, ter plaatse van de bestemming ‘sport’, zijn gericht op het trainen van paarden in de daarvoor bestemde paardenbakken en het ondergeschikt houden van wedstrijden. Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aangegeven functieaanduiding ‘paardenbak’. Ten aanzien van de bouwvoorschriften is onderstaande maatvoeringstabel opgenomen voor de verschillende type bebouwing binnen het plangebied. max. inhoud/oppervlakte max. goothoogte bedrijfswoning 1.000 m3 6 m* bijbehorende bouwwer- 100 m2 -* ken gebouwen trekkershutten volledig 4 m bouwvlak** erf- en terreinafscheidin- gen binnen bouwvlak erf- en terreinafscheidin- gen buiten bouwvlak*** luifels lichtmasten en ballenvangers
Hoofdstuk 5
max. bouwhoogte 9m 3,5 m 8m 2m 1,2 m 7m 12 m
43
* tenzij door middel van de maatvoeringaanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' anders is aangegeven. ** tenzij door middel van de maatvoeringaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' anders is aangegeven. *** ter plaatse van de aanduiding 'paardenbak' zijn paardenbakken toegestaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen maximaal 2 meter bedraagt. - = niet van toepassing Groen-2 De voor 'Groen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd ter bescherming en instandhouding van een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing met in achtneming van de voorwaarden in artikel 7.4. Waarde – Archeologie – 5 Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is binnen het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ opgenomen, ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft.
Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande maten en ondergeschikte bouwonderdelen. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de algemene bouwregels. Ter plaatse van de aanduiding 'landschappelijke inpassing' geldt namelijk dat a. de aangewezen gronden zijn bestemd ter bescherming en instandhouding van een goede landschappelijke inpassing van het Hippisch Centrum in de vorm van groenvoorzieningen en andere maatregelen, overeenkomstig het als bijlagen 1 en 2 bij deze regels toegevoegde landschapsinpassingsplan;
Hoofdstuk 5
44
b. het gebruik van de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen is alleen toegestaan op voorwaarde dat de vereiste landschappelijke inpassing moet zijn verwezenlijkt binnen één jaar nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en dat de landschappelijke inpassing volledig moet zijn gerealiseerd, blijvend onderhouden en in stand gelaten moet worden. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een bepaling omtrent strijdig gebruik opgenomen en zijn enkele bevoegdheden om af te wijken van de gebruiksregels opgenomen. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is een bepaling opgenomen omtrent de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – Roerdalslenk II’ Algemene afwijkingsregels In deze bepaling zijn enkele algemene afwijkingsbevoegdheden opgenomen om te kunnen afwijken van de bouwregels. Overige regels In de overige regels zijn de parkeerregels opgenomen. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
45
6.
PROCEDURE
6.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Vooroverleg met betrokken instanties; Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om
een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2 Vooroverleg en inspraak Het voorontwerp bestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg worden toegestuurd aan belanghebbende instanties.
6.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’ heeft gedurende zes weken - van 11 september 2020 tot en met 22 oktober 2020 - voor eenieder in ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is schriftelijk ingediend op 19 oktober 2020. Indiener heeft
Hoofdstuk 6
46
in deze zienswijze verzocht om nog in de gelegenheid gesteld te worden om de zienswijze aan te vullen. Hiertoe is indiener in de gelegenheid gesteld. Op 10 november 2020 zijn deze aanvullingen ingediend. De zienswijze is hiermee binnen de zienswijzenperiode ingediend en derhalve ontvankelijk. In de Nota van Zienswijzen wordt de ingediende zienswijze samengevat. Vervolgens wordt het gemeentelijk standpunt weergegeven. De Nota van Zienswijzen is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is het plan niet aangepast en wordt het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld.
Hoofdstuk 6
47
SEPARATE BIJLAGEN
Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsschets Bijlage 3: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4: Archeologisch onderzoeksrapport Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 6: Stikstofdepositieberekening Bijlage 7: Ontwerpbeschikking Wnb-vergunning Bijlage 8: Beschouwing verkeersgeneratie Bijlage 9: Akoestisch onderzoek Industrielawaai Bijlage 10: Tekening planvoornemen met afstandcirkels Bijlage 11 Bodemonderzoek Bijlage 12 Nota van Zienswijzen
Hoofdstuk 6
48
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl
Hoofdstuk 6
1