CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting

Gemeenteraad 4 februari 2021, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Hippisch Centrum Montfort14.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’ Gemeente Roerdalen Vaststelling

Bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’ Gemeente Roerdalen Vaststelling

Identificatienummer:

NL.IMRO.1996.BPMFT2020BPHIPCNTR-VG01

Rapportnummer BRO:

P00687_8

Datum:

7 december 2020

Opdrachtgever:

Hippisch Centrum Montfort

Projectteam BRO:

SSh, SRo

Ontwerp:

24 augustus 2020

Vaststelling:

Januari 2021

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, Hippisch centrum, Montfort, De Boshoeve, renovatie, gemeente Roerdalen.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 14

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de herontwikkeling van het Hippisch Centrum aan de Waarderweg 20 in Montfort.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer

3 3 4 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

7 7 8 9

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

12 12

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

12 12 12 13 14

3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 3.2.3 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu 3.3 Gemeentelijk beleid

14 15 15 16

3.3.1 Structuurvisie Roerdalen 2030 3.3.2 Horecavisie 3.3.3 Gemeentelijk kwaliteitsmenu - LKM+

16 16 17

4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten

19 19 19

4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.2.6 Geurhinder 4.2.7 M.e.r.-plicht 4.3 Archeologie en cultuurhistorie

19 20 20 22 26 28 29 31

Inhoudsopgave

1

4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Waterhuishouding

34 34 36 38

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

41 41 41 41

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

41 42 44 45

6. PROCEDURE 6.1 Procedure 6.2 Vooroverleg en inspraak 6.3 Zienswijzen

46 46 46 46

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsschets Bijlage 3: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4: Archeologisch onderzoeksrapport Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 6: Stikstofdepositieberekening Bijlage 7: beschikking Wnb-vergunning Bijlage 8: Beschouwing verkeersgeneratie Bijlage 9: Akoestisch onderzoek Industrielawaai Bijlage 10: Tekening planvoornemen met afstandcirkels Bijlage 11: Bodemonderzoek Bijlage 12: Nota van zienswijzen

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer is voornemens om ter hoogte van de Waarderweg 20 in Montfort het Hippisch Centrum te renoveren en herontwikkelen. Naast een aantal bouwkundige aanpassingen die passen binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan, gaat het om: 1. Het na sloop van de bestaande paardenstallen, realiseren van twee nieuwe paardenstallen. 2. Een verdichting van het bouwvlak met een extra paardenstal en een nieuwe hooiopslag, en het realiseren van een bed & breakfast met 5 kamers in de bestaande bedrijfswoning. De nieuwe hooiopslag, alsmede de bestaande rijhal, worden aan de achterzijde uitgebreid tot buiten het bouwvlak. Op het achterterrein worden 10 paddocks gerealiseerd, alsmede een stapmolen en longeercirkel. Hier is ruimte voor parkeren voorzien. Aan de westzijde worden een buitenpiste, een losrijpiste en dressuurring gerealiseerd, met daarbij een jurylokaal. Tevens is hier een paardenwei aanwezig. Binnen het Hippisch Centrum zijn indoor en outdoor spring- en dressuurvoorzieningen aanwezig ten behoeve van het houden van concoursen, wedstrijden en shows. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in de exploitatie van een kleinschalige ondergeschikte horecavoorziening ten behoeve van het hippisch centrum in lijn met de gemeentelijke horecavisie.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 1

3

In het plan voor het Hippisch Centrum wordt er ten opzichte van de huidige situatie nieuwe bebouwing en verharding toegevoegd, maar ook geamoveerd. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan op basis van het vigerend bestemmingsplan, aangezien onder meer het maximaal toegestane bebouwingspercentage binnen het bouwvlak van 50% wordt overschreden. Daarnaast wordt middels dit plan mede voorzien in de legalisering van in het verleden gerealiseerde functies en verharding die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan. De gemeente Roerdalen heeft middels de beoordeling van het ingediend principeverzoek laten weten onder voorwaarden mee te werken aan het initiatief. De gemeente Roerdalen wil deze ontwikkeling mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader. In voorliggend bestemmingsplan wordt het ‘nieuwe’ Hippisch Centrum juridisch-planologisch geregeld en vastgelegd binnen bouwvlakken, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het besluitgebied ligt aan de rand van de kern Montfort, grenzend aan het buitengebied van de gemeente Roerdalen in Montfort. Het besluitgebied wordt gevormd door het perceel kadastraal bekend als gemeente Montfort, sectie E, nummer 1121. De projectlocatie is circa 4,2 hectare groot. Het perceel betreft een hippisch centrum (voorheen bekend als ‘’De Boshoeve’’) en bestaat uit diverse voorzieningen.

Uitsnede kadastrale kaart met blauw gearceerd de projectlocatie

Hoofdstuk 1

4

De bijbehorende boerderij aan de voorzijde van het perceel bestaat uit een woning. Aan de achterzijde van deze boerderij is een stal aangebouwd met daarin circa 15 paardenboxen en een paar wasplaatsen. Het geheel is slecht onderhouden en toe aan renovatie. De omgeving van het besluitgebied bestaat voornamelijk uit agrarische weilanden. Het gebied wordt aan twee zijden omringd door bos. Dit zijn de uitlopers van bosgebied ‘Het Sweeltje’. Aan de overzijde van het hippisch centrum ligt een woongebied.

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’ zoals door de gemeenteraad van Roerdalen is vastgesteld op 21 april 2016. In dit bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van de opstallen bestemd tot ‘Sport’ met de functieaanduiding ‘manege’. De overige gronden binnen het plangebied hebben de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden -1’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ en de maatvoering ‘maximum bebouwingspercentage 50%’.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’ met rood omlijnd onderhavig plangebied

De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van de functieaanduiding ‘manege’ bestemd voor een manege. Een manege is een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor

Hoofdstuk 1

5

paarden en/of pony's houdt, in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende ondergeschikte activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en/of pony's, ondergeschikte activiteiten (kantine, foyer en dergelijke), verenigingsaccommodatie ondergeschikt aan het bedrijf en het ondergeschikt houden van wedstrijden of andere evenementen. Tot slot mogen de aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘manege’ mede worden gebruikt voor horeca in de vorm van een ondergeschikte functie ten dienste van de manege. Voor wat betreft evenementen en horeca geldt derhalve dat deze al reeds mogelijk zijn binnen de vigerende bestemming In het kader van het voorliggende initiatief wordt er ten opzichte van de huidige situatie nieuwe bebouwing en verhardingen toegevoegd, maar ook geamoveerd. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan, aangezien onder meer het maximaal toegestane bebouwingspercentage binnen het bouwvlak van 50% wordt overschreden. Daarnaast vallen een aantal bebouwingen en activiteiten buiten de reeds vigerende bestemming ‘Sport’ en binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden -1’.

Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen die dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld en groter zijn dan 1.000 m 2. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 vindt tot slot een beschrijving van de procedure plaats.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen ter hoogte van de Waarderweg 20 in Montfort. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Montfort in de gemeente Roerdalen, tussen de kern Montfort en het beekdal van de Vlootbeek. Het gebied ligt aan de rand van de kern en wordt aan twee zijden omringd door bos. Dit zijn de uitlopers van bosgebied ‘Het Sweeltje’. Aan drie zijden grenst het plangebied aan een gesloten rand, in het noorden is dit de aangrenzende kern en aan de west- en zuidzijde is dit de bosrand.

Luchtfoto van de projectlocatie en de directe omgeving met de projectlocatie rood omlijnd weergegeven.

De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische weilanden. Het perceel betreft een hippisch centrum (voorheen bekend als ‘’De Boshoeve’’) bestaande uit een buitenbak, twee binnen rijhallen, opslagruimte, een kantine met keukengelegenheid, bar en toilettengroepen. De bijbehorende boerderij aan de voorzijde van het perceel bestaat uit een woning. Het gebouw met de rijhallen

Hoofdstuk 2

7

en de bijbehorende boerderij zijn centraal op het terrein gelegen en prominent zichtbaar vanaf de Waarderweg. Aan de achterzijde van deze boerderij is een stal aangebouwd met daarin circa 15 paardenboxen en een paar wasplaatsen. Tussen het hoofdgebouw en de Waarderweg bevindt zich het parkeerterrein. Aan de oostzijde van het terrein zijn enkele buitenrijbakken voor paarden gesitueerd. Het geheel is slecht onderhouden en toe aan renovatie.

2.2 Toekomstige ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens aan de Waarderweg 20 een Hippisch Centrum te realiseren. In het plan voor het Hippisch Centrum wordt er ten opzichte van de huidige situatie nieuwe bebouwing en verhardingen toegevoegd, maar ook geamoveerd. Zo worden onder andere de bestaande paardenstallen gesloopt en worden twee nieuwe paardenstallen gerealiseerd.

Impressie van de toekomstige ontwikkeling

De extra paardenstal, de nieuwe hooiopslag, alsmede de bestaande rijhal, worden aan de achterzijde uitgebreid tot buiten het bouwvlak. Op het achterterrein worden 10 paddocks gerealiseerd, alsmede een stapmolen en longeercirkel. Tevens is hier ruimte voor parkeren voorzien. Aan de westzijde worden een buiten-piste, een losrijpiste en dressuurring gerealiseerd, met daarbij een jurylokaal. Aan de

Hoofdstuk 2

8

rechterzijde van het perceel ligt een grote buitenbak die middels onderhavig bestemmingsplan wordt gelegaliseerd. Tevens is hier een paardenwei aanwezig. Daarbij komend is initiatiefnemer voornemens een bed & breakfast te realiseren met 5 kamers in de bestaande bedrijfswoning en in het hippisch centrumhal een lichte horecavoorziening van circa 400 m 2 in de vorm van een kleinschalige ondergeschikte horeca. De ruimte wordt daarnaast ook beschikbaar gesteld voor vergaderingen en borrels. Deze functie betreft een kleinschalige en ondergeschikte horecavoorziening in lijn met de gemeentelijke Horecavisie. Daarnaast is binnen het Hippisch Centrum ruimte gereserveerd ten behoeve van indoor en outdoor spring- en dressuurvoorzieningen voor het houden van concoursen, wedstrijden en shows binnen de kaders van dit bestemmingsplan. Het totale planvoornemen leidt tot een verdichting van de bebouwingsconcentraties binnen het perceel. Voor deze ontwikkeling is daarom een landschappelijke inpassing (basiskwaliteit) met een aanvullende kwaliteitsverbetering noodzakelijk in het kader van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). In paragraaf 2.3 en paragraaf 3.3.2 wordt nader ingegaan op het landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De projectlocatie betreft een hippisch centrum (voorheen bekend als ‘’De Boshoeve’’) bestaande uit diverse voorzieningen. De bijbehorende boerderij aan de voorzijde van het perceel bestaat uit een woning. Aan de achterzijde van deze boerderij is een stal aangebouwd met daarin circa 15 paardenboxen en een paar wasplaatsen. Het geheel is slecht onderhouden en toe aan renovatie. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Montfort in de gemeente Roerdalen, tussen de kern Montfort en het beekdal van de Vlootbeek en wordt aan twee zijden omringd door bos. Aan drie zijden grenst het plangebied aan een gesloten rand, in het noorden is dit de aangrenzende kern en aan de west- en zuidzijde is dit de bosrand. De beoogde ontwikkeling van het Hippisch Centrum past zowel vanuit ruimtelijk, functioneel als stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving, aangezien sprake is van de ligging aan de rand van de kern en het plangebied aan twee zijden wordt omringd door bos. Daarnaast zal de ontwikkeling plaats vinden binnen het perceel van de reeds bestaan het hippisch centrum (voorheen bekend als ‘’De Boshoeve’’). Het perceel is circa 4,2 hectare groot. Binnen het perceel is nog steeds voldoende ruimte voorhanden om in de uitbreidingsvraag te voorzien.

Onderhavige planvoornemen leidt bovendien tot een kwaliteitsverbetering van de bestaande (vervallen) situatie. Door een deel van de bestaande bedrijfsgebouwen te slopen en door de bedrijfsgebouwen in zuidelijke richting uit te breiden, weg van de bestaande woonbebouwing aan de aangrenzende kern en de enkele nabijgelegen woning Waarderweg 18, wordt gepoogd negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Om negatieve effecten zoveel mogelijk tot het minimum te beperken is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.

Hoofdstuk 2

9

Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Provinciaal en gemeentelijk beleid is erop gericht dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. De zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit omvat dat er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik, er rekening wordt gehouden met de omgeving en de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap.

Impressie landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering

In de landschappelijke inpassing wordt de omgeving bestudeerd en aan de hand daarvan worden ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan de voorgestelde ontwikkeling op een natuurlijke en verzorgde wijze worden ingepast en aansluiten op de aanwezige landschapsstructuren. De inpassing en vormgeving van het perceel aan de Waarderweg 20 richt zich op de overgang van het perceel naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie zijn vormgegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het landschappelijke inpassingsplan in bijlage 1 en 2. In het plan voor het Hippisch Centrum wordt er ten opzichte van de huidige situatie nieuwe bebouwing en verhardingen toegevoegd, maar ook geamoveerd. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan op basis van het bestemmingsplan, aangezien onder meer het maximaal toegestane bebouwingspercentage binnen het bouwvlak van 50% wordt overschreden. Voor deze ontwikkeling is

Hoofdstuk 2

10

daarom een landschappelijke inpassing (basiskwaliteit) met een aanvullende kwaliteitsverbetering noodzakelijk in het kader van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM geeft aan dat bij een uitbreiding van ‘gebiedseigen recreatie en toerisme’ die niet past binnen het bestemmingsplan, de verplichte basiskwaliteit LKM is: ‘ruimtelijke en landschappelijke inpassing’. De aanvullende bijdrage LKM is de richtlijn ‘compensatie verhouding 1:5’. De toename van het verhard oppervlak (in totaal 8.421 m²) moet dus met een compensatie verhouding van 1:5 gecompenseerd worden. Dit komt neer op 42.105 m² (8.421 m² * 5) te realiseren groen. Deze compensatieopgave is onmogelijk in te vullen binnen het plangebied aangezien het gehele plangebied maar een totale grootte heeft van 42.370 m². In het huidige voorstel voor het landschapsplan is 3.305 m² groen opgenomen. Hierdoor blijft er nog 38.800 m² te compenseren over. Dit oppervlak wordt financieel gecompenseerd. De compensatieopgave staat gelijk aan een investering van €64.408,00 (op basis van 38.800 m² * €1,661).

In het kader van het planvoornemen is op extra onderdelen in het landschap geinvesteerd:  Sanering van het terrein conform een investeringsbedrag van €57.190,00  Afwaardering van gronden naar groenbestemming €10.020,00 Met een bedrag van in totaal €67.189,00 voldoet initiatiefnemer door middel van fysieke investering aan de compensatieopgave. Mede gezien de inrichtingsmaatregelen en de aanleg van 3.305 m 2 aan nieuwe groenelementen kan derhalve worden geconcludeerd dat het plan zowel op korte als op (middel)lange termijn minimale negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten heeft voor de omgeving. Het landschappelijke inpassingsplan en inrichtingstekening zijn als voorwaardelijke verplichting verankerd in de regels van het bestemmingsplan.

1

STIKA normbedragen 2019 op basis van Landschappelijke inpassing Waarderweg 20 – Montfort (BRO, 2019) in bijlage 1

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit beschreven. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Afweging In dit bestemmingsplan werken geen Rijksbelangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte direct door. Het planvoornemen is dan ook niet bezwaarlijk in het kader van het Rijksbeleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Geen van de bovengenoemde belangen is bij de ontwikkeling in het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden en objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Wel is het plangebied

Hoofdstuk 3

12

gelegen binnen het radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel. Gelet op de toegestane hoogtes is dit planvoornemen geen probleem. Afweging Vanuit het Rarro bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is vastgelegd dat de toelichting bij een bestemmingsplan die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. In het kader van onderhavige ontwikkeling is er sprake van een reeds aanwezige functie die wordt uitgebreid. Er is geen sprake van een functiewijziging met een groter ruimtebeslag. De bestaande toegestane bebouwingsoppervlakte binnen de enkelbestemming ‘Sport’ bedraagt 4.894 m2.

Daarentegen bedraagt de toekomstige bebouwingsoppervlakte 7.492 m 2, zie voor meer informatie bijlage 1. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt er nieuwe bebouwing toegevoegd ten behoeve van de reeds toegestane functies binnen het plangebied. Dit betekent dat er met name sprake is van ontwikkeling binnen het bestaande bestemmingsvlak en er sprake is van minimaal nieuwe bebouwing buiten de bestemming. Kortom, in het kader van onderhavige ontwikkeling is er sprake van de uitbreiding van de reeds aanwezige toegestane functie en is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

13

De beoogde uitbreiding past goed binnen het buitengebied aangezien dit soort functies (hippisch centrums en sportvoorzieningen ) door ruimtegebrek niet zouden kunnen passen binnen het stedelijk gebied. Derhalve is er conform de jurisprudentie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) vastgesteld. In het plan staat de toekomst van Limburg beschreven op het gebied van wonen, werken, recreatie, natuur. Maar het plan gaat ook over zaken als milieu en water, en hoe bijvoorbeeld de waterkwaliteit kan worden verbeterd en overstromingen voorkomen. Op de zoneringenkaart van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘Buitengebied’. Voor de zone Buitengebied gelden de volgende doelstellingen:  Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw  Faciliteren landschap en cultuurhistorie  Ontwikkeling landbouw

Uitsnede POL-kaart ‘Zonering Limburg’ met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd)

Afweging Dit bestemmingsplan voorziet in een (her)gebruik en ontwikkeling van de reeds bestaan het hippisch centrum. Een dergelijke functie past goed bij een landelijk gebied/ buitengebied. De ontwikkeling van het Hippisch Centrum met bijbehorende voorzieningen is functioneel inpasbaar. Daarnaast wordt door

Hoofdstuk 3

14

middel van een gedegen landschappelijke inpassing voorzien in een brede overgangszone tussen het Hippisch Centrum en Natuurnetwerk Limburg (NNL) bosgebied ’t Sweeltje, die ten zuiden van het plangebied is gelegen. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling is verder niet van invloed op de overige beleidsdoelstellingen zoals opgenomen in het POL 2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dit hoofdstuk bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Afweging Voor wat betreft de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.4. Vanuit het hoofdstuk Ruimte zijn er ook overigens geen rechtstreeks doorwerkende regels die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied ligt binnen de (milieu)beschermingszone Roerdalslenk II. Voor een onderbouwing van deze boringsvrije zone wordt verwezen naar paragraaf 4.7.

Daarentegen ligt het plangebied niet binnen een beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu In januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) vastgesteld. Doel van het LKM is om ontwikkelingen in het buitengebied die een inbreuk op de waarden van het buitengebied betekenen te compenseren met een kwaliteitsverbetering die ten goede komt aan hetzelfde buitengebied, waarmee de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt verhoogd. Het Kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Het LKM is derhalve op deze ontwikkeling van toepassing. De gemeente Roerdalen heeft het LKM 'vertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Buitengebied Roerdalen een gemeentelijk kwaliteitskader op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 3.3.2.

Hoofdstuk 3

15

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Roerdalen 2030 De gemeentelijke structuurvisie is vastgesteld in de gemeenteraadsvergadering van 20 december 2012 en is een ontwikkelingsperspectief voor de middellange termijn. Het is een plan met thema’s, zoals leven, wonen en werken, die een samenhangend geheel vormen voor de keuzes van de gemeente Roerdalen, de kernen en het buitengebied. Het plan vormt voor het gemeentebestuur het vertrekpunt bij concrete beslissingen en het vaststellen van plannen. Een van de thema’s betreft “Recreatie en toerisme”. Roerdalen is een levendige plattelandsgemeente waar het imago van toeristisch-recreatief ‘product Roerdalen’ een eigen smoel heeft. Roerdalen heeft reeds een redelijk groot toeristisch-recreatief aanbod waarbij het accent ligt op natuurbeleving en verblijfsparken. Het aantrekkelijke landschap van de gemeente speelt hierin een belangrijke rol. Recreatie en toerisme zijn belangrijk voor Roerdalen. De gemeente wil dan ook graag inzetten op een verdere versterking en ontwikkeling van het toeristisch-recreatief aanbod om hiermee een impuls te kunnen geven aan de plaatselijke economie. Goed passende recreatief-toeristische bedrijven in Roerdalen, zijn belangrijk voor de gemeente, die deze wil behouden. Hier wil de gemeente meewerken aan verdere ontwikkeling.

Het doel van het bestemmingsplan is om het Hippisch Centrum te herontwikkelen. De locatie is slecht onderhouden en toe aan renovatie. In het plan voor het Hippisch Centrum wordt er ten opzichte van de huidige situatie nieuwe bebouwing en verhardingen toegevoegd, maar ook reeds bestaande bebouwing geamoveerd. Met de herontwikkeling wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de omgevingskwaliteit en blijft het hippisch centrum behouden voor de toekomst. Daarnaast wordt met onderhavig initiatief ingespeeld op de gemeentelijke doelstelling op een verdere versterking en ontwikkeling van het toeristisch-recreatief aanbod waardoor een impuls wordt gegeven aan de plaatselijke economie. Afweging Onderhavig initiatief is in lijn met de uitgangspunten van de Structuurvisie Roerdalen 2030. 3.3.2 Horecavisie De gemeente Roerdalen heeft de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in het recreatieve karakter van de gemeente. Met de Horecavisie wil de gemeente de horeca binnen de gemeente stimuleren en ondersteunen met de mogelijkheden die de gemeente heeft. De gemeente wil met het beleid enerzijds een aantrekkelijk horeca-aanbod waarborgen, anderzijds dient de balans tussen levendigheid en overlast gevende situaties bewaakt te worden en te blijven. De Horecavisie staat in nauw verwant met de Structuurvisie Roerdalen 2030. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied.

Voor het buitengebied geldt voor wat betreft horeca-activiteiten dat

Hoofdstuk 3

16

grote en potentieel ontwrichtende (horeca) activiteiten niet passen in het buitengebied van de gemeente Roerdalen. Aan ontwikkelingen van dergelijke omvang en aard zal derhalve dan ook geen medewerking worden verleend. Initiatieven waar wel onder voorwaarden medewerking kan worden verleend betreft de uitsluitend ontwikkelingen van lichte horeca. Van belang bij een vorm van lichte horeca (horeca categorie 1) is dat de horecafunctie wat betreft aard en omvang alleen ondersteunend en ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit. Onder lichte horeca worden activiteiten verstaan die in beginsel alleen overdag en ’s avonds behoeven te zijn geopend (met name verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkt hinder veroorzaken voor omwonenden. Kortom de gemeente Roerdalen wil voorkomen dat er solitaire horecagelegenheden ontstaan in het buitengebied, los van de hoofdfunctie. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in de exploitatie van een kleinschalige horecavoorziening ten behoeve van het hippisch centrum. De ruimte wordt daarnaast ook beschikbaar gesteld voor vergaderingen en borrels. Deze functie vindt plaats in de nabijheid van het hippisch centrumhal en betreft een lichte ondergeschikte horecavoorziening.

Daarnaast is binnen het Hippisch Centrum ruimte gereserveerd ten behoeve van indoor en outdoor spring- en dressuurvoorzieningen voor het houden van concoursen, wedstrijden en shows binnen de kaders van dit bestemmingsplan. Voor meer informatie zie paragraaf 5.3.2. Afweging In het kader van de Horecavisie kan geconcludeerd worden dat deze activiteiten in lijn zijn met het gemeentelijke beleid, aangezien sprake is van een lichte horeca functie conform categorie 1 die ondergeschikt en ondersteunend is aan de hoofdactiviteit. Voor meer informatie zie hoofdstuk 5 en de regels bij dit bestemmingsplan. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief in lijn is met de uitgangspunten van de Horecavisie gemeente Roerdalen. 3.3.3 Gemeentelijk kwaliteitsmenu - LKM+ De provincie verlangt van de Limburgse gemeentes om uitwerking en uitvoering te geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM is uitgewerkt in een gemeentelijk kwaliteitsmenu voor Roerdalen, dat verankerd is inde gemeentelijke structuurvisie. Het LKM stelt voorwaarden aan de gemeentelijke uitwerking. Deze voorwaarden zijn:  De gemeente werkt het LKM als gemeentelijk beleid uit en verankert dit in de gemeentelijke structuurvisie.  De gemeente respecteert de in het LKM opgenomen drempelwaarden.  De gemeente maakt gebruik van een regionale kwaliteitscommissie.

 De gemeente rapporteert aan de provincie.

Hoofdstuk 3

17

Grondprincipe van het kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteit verbeterende maatregel en/of financiële bijdrage. Kwaliteitsverbetering Op de voorliggende planontwikkeling is de module 2 ‘Gebiedseigen recreatie en toerisme’ van toepassing (Structuurvisie Roerdalen 2012). In deze module is aangegeven dat voor ontwikkelingen die niet passen binnen het bestemmingsplan een landschappelijke inpassing (basiskwaliteit) met een aanvullende kwaliteitsverbetering noodzakelijk is in het kader van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Voor de ontwikkeling aan de Waarderweg 20 betekent dit dat er moet worden voorzien in:  Een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing en de parkeergelegenheid;  De realisatie en instandhouding van nieuw groen (inclusief inpassing) van circa 5 keer de oppervlakte van nieuwe bebouwing en verhardingen. Het groen wordt daarbij passend bestemd en beschermd. De benodigde kwaliteitsverbetering in het kader van het LKM wordt berekend op basis van de richtlijnen die in de gemeentelijke structuurvisie worden benoemd. Tijdens het planproces is gebleken dat de berekening van de compensatieopgave en de invulling van deze opgave voor het voorliggende initiatief zeer complex is.

Er zijn namelijk veel factoren die niet eenvoudig binnen de standaardregeling van het LKM toe te passen zijn. Voor de berekening en invulling van de compensatieopgave is maatwerk daarom noodzakelijk. Voor meer informatie wordt verwezen naar het landschappelijke inpassingsplan in bijlage 1 en 2. Afweging Vanwege de complexe en locatie specifieke omstandigheden bij voorliggend initiatief is voor de berekening van de compensatieopgave en de invulling hiervan maatwerk vereist. In onderhavig situatie dient in aanvulling op de fysieke maatregelen een bedrag van minimaal € 64.408,- in het landschap geïnvesteerd te worden. Met een bedrag van € 67.189 (€ 57.169 + € 10.020) voldoet de initiatiefnemer hier ruimschoots aan. Voor meer informatie zie paragraaf 2.3 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Met de voorliggende oplossing is hier de best mogelijke optie op aangesloten en kan het initiatief op een goede manier worden ingepast in het landschap.

Hoofdstuk 3

18

4.

UITVOERINGSASPECTEN

4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen een bouwplan voor de bouw van een of meer woningen. Er is in dit geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt.

Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt hiertoe een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het verhaal van planschade is geregeld.

4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de gronden al reeds zijn bestemd ten behoeve van het gebruik als hippisch centrum en de ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van de bestaande functie van het hippisch centrum, is er geen sprake van een bestemmingswijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een bodemonderzoek uitgevoerd door Wematech B.V.2 Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Het volledig onderzoek is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Het doel van het vooronderzoek is het verkrijgen van een inzicht in het (voormalige) gebruik van de locatie om een inzicht in de verwachte bodemkwaliteit te geven en te bepalen of de locatie al dan niet

Wematech Bodem Adviseurs B.V., ‘Vooronderzoek bij verkennend bodemonderzoek ‘’Hippisch Centrum Montfort’’ Waarderweg 20 Montfort’, kenmerk: AO50200499.R001-0, d.d. 26 augustus 2020. 2

Hoofdstuk 4

19

onverdacht is ten opzichte van een eventuele bodemverontreiniging. Dit in verband met de voorgenomen plannen ter ontwikkeling en exploitatie van de locatie. Bij het opstellen van het vooronderzoek is uit gegaan van de NEN 5725. De NEN 5725 is de leidraad voor het uitvoeren van een historisch (voor)onderzoek dat als basis gebruikt wordt voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek. Er is op basis van het vooronderzoek voldoende informatie verkregen om te concluderen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging te verwachten is. Bij eventuele bouwplannen kan volstaan worden met een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 strategie onverdacht. 4.2.2 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een hippisch centrum is geen geluidsgevoelig object, waardoor akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. In het kader van bedrijf en milieuzonering is daarentegen wel een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor meer informatie zie paragraaf 4.2.5. 4.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1). Als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Hoofdstuk 4

20

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van het Hippisch Centrum te Montfort. Op een wedstrijddag wordt de meeste verkeersgeneratie verwacht (worst-case). Uit de beschouwing verkeersgeneratie blijkt dat het planvoornemen een maximale verkeersgeneratie van in totaal circa 364 lichte motorvoertuigbewegingen per etmaal, circa 60 middelzware vrachtwagens en 60 zware vrachtwagencombinaties tot gevolg heeft op een wedstrijddag. Met de beoogde ontwikkeling wordt ruimschoots onder de aantallen voor woningen gebleven, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’. De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Fijn stof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Fijn stof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wlk

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) lag de concentratie PM2,5 in 2018 ter plaatse tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast leidt onderhavig voornemen niet tot meer potentiële verkeersbewegingen dan de huidige toegestane

Hoofdstuk 4

21

functies. Bovendien draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Daarmee voldoet het plangebied aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c en wordt een nader onderzoek met betrekking tot de luchtkwaliteit niet noodzakelijk geacht. Voor meer informatie zie tevens paragraaf 4.2.7. Kortom, de voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. 4.2.4 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden.

De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet is een aanvulling op de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over de vervoerskant. In de Regeling Basisnet (Stcrt 2014, 8242) zijn de basisnetafstanden voor de weg, het spoor en het water vastgelegd. Verder is de afstand van het plasbrandaandachtsgebied vastgelegd. De basisnetafstand geeft aan voor welke afstand een risicoplafond geldt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een PR-plafond en een GR-plafond. Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is.

Hoofdstuk 4

22

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In de Bevi, Bevt en Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Dit houdt in dat over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico verantwoording moet worden afgelegd (de zogeheten verantwoordingsplicht).

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een hippisch centrum is een kwetsbaar object, aangezien er in het kader van het planvoornemen sprake is van een aantal verblijfsruimtes voor verzorgers van paarden. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist.

Hoofdstuk 4

23

Risicovolle activiteiten

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauw omlijnd)

Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in en in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de inrichtingen in de omgeving weergeven inclusief afstanden tot aan het onderhavige plangebied. Afstand (m) 0 535 350 550

Adres

Functie

Activiteit

Waarderweg 20 Brandlintjesweg 2a Waarderweg 22 Waarderweg 26

Hippisch centrum

Bovengrondse propaantank (5.000 l) Bovengrondse propaantank (12.900 l) Bovengrondse propaantank (5.000 l) Bovengrondse propaantank (5.000 l)

Mooren Rogman Westendorp

Risicoafstand (PR 10-6) (m) 10 25 10 10

Gelet op de risicokaart blijkt dat binnen onderhavig plangebied een propaantank met een inhoud van 5.000 liter aanwezig is. De PR 10-6 contour bedraagt 10 meter. Ter plaatse van deze tank mogen geen kwetsbare objecten geplaatst worden binnen de PR 10-6 contour. Indien deze propaantank wordt verplaatst dient de PR 10-6 in acht worden genomen en mogen er geen kwetsbare objecten geplaatst worden binnen deze contour.

Hoofdstuk 4

24

Kortom, gezien de afstand van het plangebied tot de overige inrichtingen en het feit dat het plangebied niet is gelegen binnen risicocontouren en invloedsgebieden van deze inrichtingen leidt dit niet tot belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. Buisleidingen Volgens de risicokaart en het vigerende bestemmingsplan ligt op 350 meter ten oosten van het plangebied een defensieleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze buisleiding bedraagt 0 meter. Gezien deze grote afstand ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van de betreffende buisleiding. Kortom, in het kader van de voorliggende ontwikkeling vormt de ligging ten opzichte van deze buisleidingen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, water en spoor Er vindt in de wijde omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen, spoorwegen of waterwegen, die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De dichtstbijzijnde gelegen transportroute van gevaarlijke stoffen over spoor en over de weg betreffen respectievelijk de spoortransportroute Roermond – Sittard en de Rijksweg A73. Het plangebied is gelegen op meer dan 2 kilometer afstand van deze transportroutes. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering in het kader van voorliggende initiatief.

Hoofdstuk 4

25

4.2.5 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving van het plangebied komen immers verschillende vormen van gebruik voor, waaronder wonen, sport, recreatie, agrarische activiteiten en dienstverlening. Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in

Richtafstand tot gevoelige

een rustige woonwijk

functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

Het Hippisch Centrum betreft zelf geen functie die gevoelig is voor de hinder van andere inrichtingen/ bedrijven. De beoogde uitbreiding van het Hippisch Centrum, die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is pas mogelijk indien blijkt dat een goed verblijfsklimaat in de omliggende woningen gegarandeerd is, alsmede dat het hippisch centrum niet in haar activiteiten wordt belemmerd. Op basis van de VNG-publicatie worden de activiteiten van het Hippisch Centrum beschouwd als een categorie 3.1-inrichting. Hieraan is respectievelijk een indicatieve milieuzone van 30 meter verbonden voor het milieuaspect geur en 10 meter voor wat betreft de milieuaspecten stof en geluid op basis van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Daarbij komend is initiatiefnemer voornemens een bed & breakfast te realiseren met 5 kamers in de bestaande bedrijfswoning en in het hippisch centrumhal een lichte horecavoorziening van circa 400 m2 in de vorm van een kleinschalige horeca. De ruimte wordt daarnaast ook beschikbaar gesteld voor vergaderingen en borrels. Deze activiteiten zullen ondergeschikt zijn aan het hippisch centrum en worden beschouwd als een categorie 1-inrichting.

Hiertoe geldt een richtafstand van 0 meter op basis van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In dit bestemmingsplan zijn specifieke voorwaarden opgenomen voor het uitoefenen van dergelijke activiteiten, voor meer informatie zie paragraaf 5.3.2.

Hoofdstuk 4

26

In het kader van het planvoornemen worden de bestaande paardenstallen gesloopt en hiervoor in de plaats worden nieuwe stallen gerealiseerd. De dichtstbijzijnde (burger)woning van derden ligt op ca. 25 meter afstand van de planlocatie. Het betreft de woningblokken van Waardenweg 18 en 59a tot en met 63. Derhalve kan een verdere toetsing van geluid op basis van de VNG-handreiking in beginsel achterwege kan blijven. Om de daadwerkelijk optredende geluidsbelasting vanwege de toekomstige bedrijfsvoering van Hippisch Centrum toch inzichtelijk te maken, en om aan te tonen dat ter plaatse van de naastgelegen burger- en bedrijfswoning wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit milieubeheer onder artikel 2.17 lid 1 onder as, is volledigheidshalve een akoestisch onderzoek industrielawaai3 uitgevoerd. De conclusies van het onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor het volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 9. Onderzoeksresultaten Representatieve bedrijfssituatie Gelet op het planvoornemen en de diverse activiteiten die binnen het plangebied plaatsvinden is in het akoestisch onderzoek industrielawaai uitgegaan van een maatgevende representatieve bedrijfssituatie. In beginsel is dit een bedrijfssituatie die vaker voorkomt dan 12 keer per jaar.

In onderhavige situatie betreft het de situaties waarbij wedstrijden en shows die normaliter op zaterdag (andere dag is mogelijk) tijdens het outdoor seizoen in de buitenlucht plaatsvinden. In het onderzoek dient dus in verband met de modellering rekening worden gehouden met het muziekgeluid van buitenspeakers, de verkeersbewegingen gedurende de dag-, avond- en nachtperiode, de akoestiek rondom de ondergeschikte horecafaciliteiten gedurende de concoursen, wedstrijden en shows. Tot slot is rekening gehouden met diverse werkzaamheden op het achterterrein met mobiele werktuigen. Voor meer informatie zie het onderzoeksrapport in bijlage 9. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Voor de toekomstige bedrijfsvoering van het Hippisch Centrum kan worden opgemaakt dat ten hoogste 49 dB(A) etmaalwaarde wordt berekend ter hoogte van de woningen van derden. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Maximale geluidniveaus Uit de rekenresultaten blijkt dat ten hoogste 64/ 60/ 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode wordt berekend ter hoogte van de woningen van derden. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 70/65/60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode uit het Activiteitenbesluit.

Indirecte hinder Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat tijdens de representatieve bedrijfssituatie ter hoogte van de woningen aan de Waarderweg 61a en 63 ten hoogste 48 dB(A) in de dag-, 46 dB(A) in de avond- en 38 dB(A) in de nachtperiode [51 dB(A) etmaalwaarde] wordt berekend. Hiermee wordt tijdens de maatgevende representatieve bedrijfssituatie gedurende de avondperiode niet voldaan aan 3

Akoestisch onderzoek Industrielawaai, Wematech Milieu Adviseurs B.V, Kenmerk : RV60190469.R001-2 d.d. 29 april 2020

Hoofdstuk 4

27

de voorkeursgrenswaarde van 45 dB(A) uit de schrikkelcirculaire. De maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde wordt niet overschreden. Indien de geluidsbelasting zich tussen de voorkeursgrenswaarde en maximale grenswaarde bevindt, dient een binnenniveau in de betrokken woningen van 35 dB(A) etmaalwaarde te worden gegarandeerd. Gezien het feit dat de woningen aan de Waarderweg 61a en 63 in goede staat van onderhoud verkeren, mag worden aangenomen dat de geluidisolatie van de uitwendige scheidingsconstructie (gevels en dak) ten minste 16 dB(A) bedraagt. Het binnenniveau in de woningen als gevolg van de indirecte hinder van het Hippisch Centrum zal derhalve <35 dB(A) bedragen, waardoor de kans op geluidhinder als gevolg van de maatgevende representatieve bedrijfssituatie niet te verwachten valt. Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen effect heeft op het verblijfsklimaat van de omliggende gevoelige functies. De gevoelige functies in de omgeving leveren ook geen belemmering op voor het planvoornemen. Kortom, vanuit het aspect milieuzonering bestaan geen belemmeringen. 4.2.6 Geurhinder Het Activiteitenbesluit geeft regels aan de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (een gebouw geschikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, bijvoorbeeld een woning).

Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden minimaal aan te houden afstanden. Op basis van artikel 3.117, lid 1 van het Activiteitenbesluit geldt dat het uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor, gelegen in het buitengebied, niet plaats mag vinden indien de afstand tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object minder dan 50 meter bedraagt. Daarnaast mag ingevolge artikel 3.119, lid 1 de afstand tussen een buitenzijde van een dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object nooit minder dan 25 meter bedragen. De raad van de gemeente Roerdalen heeft bij besluit van 17 december 2009 de “Verordening Wet geurhinder en veehouderij” vastgesteld. Hierin zijn afwijkende vaste afstanden voor veehouderijen zonder geuremissiefactor vastgesteld (zie navolgende tabel).

Hoofdstuk 4

28

Tabel met betrekking tot de afwijkende afstanden veehouderijen zonder geuremissiefactor conform Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Roerdalen

Impressie van de toekomstige locatie van de nieuwe stallen (grijs gearceerde vlakken), de te slopen bebouwing (groen doorkruiste vlakke) en de richtafstandcontouren van 50 meter van de omliggende geurgevoelige objecten (rode cirkels linksboven in het plangebied)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=54acedad-bd31-4d2c-9174-a99df81249ab