CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Bijlage 4. Toelichting

Gemeenteraad 29 februari 2024, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Waterschei 71 Melick12.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gezien de omvang van het project mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2 onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is er sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Conclusie: De ontwikkeling heeft een relatief beperkte omvang en wordt mogelijk gemaakt in het verlengde van de aanwezige lintbebouwing met een overwegend woongebied. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien welke een negatieve invloed hebben op de beoogde 28

ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard omvang milieugevolgen en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. 4.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: ▪ ▪ ▪

▪

het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toeval vondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.

De ontwikkeling is getoetst aan de Wet Archeologische monumentenzorg (Wamz) en de door de gemeente Roerdalen archeologische verwachtingskaart. Het gebied waarin de ontwikkeling ligt heeft een lage verwachtingswaarde. De ontwikkeling blijft binnen de contouren van de huidige bebouwing. Conclusie Vanuit het oogpunt van archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Cultuurhistorie Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.

29

4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplan plichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. 4.4 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat op provinciaal niveau in structuurvisies en verordeningen is vastgelegd. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Roerdal” bevindt zich op circa 0,6 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied (Natura 2000-gebiedskaart (rvo.nl) Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Om zeker te zijn is voor een stikstofdepositie een aeriusberekening voor de aanlegfase alsook voor de gebruiksfase uitgevoerd en als bijlage bij dit plan gevoegd. Uit deze berekeningen blijken geen nadelige effecten op de omgeving. De berekeningen zijn als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Soortenbescherming Het plangebied ligt weliswaar binnen de goudgroene natuurzone echter volgens de nieuwe provinciale omgevingsverordening buiten het Natuurnetwerk. De ontwikkeling van de vakantieappartementen heeft overigens ook geen invloed op dit beleid. Deze blijft binnen de huidige contouren. Vooruitlopend op de uitvoering is al gekeken naar de mogelijke verblijfplaats van de dwergvleermuis. De Laatvlieger vindt in het pand geen enkele mogelijkheid. De koof ( zie bijgevoegde foto bij de pijl) is de enige mogelijkheid tot verblijfplaats van dit zoogdier. Onze verbouwing is geheel inpandig en zal voor geen enkele verstoring zorgen. E.e. a. is geconstateerd/beoordeeld door Dhr P.Vissers onderzoeker bij Fauna Consult te Belfeld. Conclusie: De wijziging blijft binnen de contouren van de huidige bebouwing. Er is geen negatieve invloed op de omliggende natuurwaarden.

30

Beschermde houtopstanden Er zijn geen houtopstanden in het geding. Het betreft een interne bebouwing binnen de huidige contouren. Conclusie Wezenlijke kenmerken en waarden worden niet aangetast. 4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Het voormalige museumgedeelte is een substantieel gedeelte van de in gebruik zijnde oppervlakte voor de horeca. Zowel het begane grond gedeelte alsook de verdieping worden verbouwd en gebruikt door een tiental recreatieve appartementen. Het aantal verkeersbewegingen zal zeker met piekbelastingen beduidend afnemen. Dit is een gevolg van het gewijzigde gebruik waarbij het voormalige museum met een substantiële oppervlakte niet meer voor feesten en partijen gebruikt wordt. Door het nieuwe gebruik zal het aantal verkeersbewegingen gemiddeld 30 personenauto’s per etmaal zijn. De inschatting wordt gemaakt op basis van het gebruik van de te realiseren 10 recreatieve appartementen. Uitgaande van een bezettingsgraad van de appartementen van 50 % rekenen we op 5 personenauto’s met 2 verkeersbewegingen per etmaal. Gemiddeld bezoeken 10 personenauto’s het horecagedeelte met telkens 2 verkeersbewegingen. De rest van onze bezoekers zijn wandelaars en fietsers. Vrachtverkeer neemt niet toe. Parkeren Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen maakt de gemeente Roerdalen in beginsel gebruik van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’.

De beoogde wijziging ligt aan de rand van de bebouwde kom, buiten stedelijk gebied. Parkeercijfers voor niet stedelijk/rest bebouwde kom zijn de volgende: Parkeernorm voor het café/bar/cafetaria met een vloeroppervlak van 75 m2 binnen en 150 m2 buiten is binnen 0.75x6,0 pp=4,5pp, afgerond op 5.pp. en buiten 1.50 x 6,0 pp= 9 pp. Voor de vakantieappartementen wordt 1 parkeerplaats per appartement geteld. In de huidige situatie zijn in totaal 16 parkeerplaatsen aanwezig. We gaan uit van de normen voor café/bar/cafetaria en 10 vakantieappartementen zijn er in totaal 5pp + 9pp + 10pp = 24pp nodig. Dat betekent dat er nog 8 pp bij moeten komen. Met de herinrichting van de tegenoverliggende parkeerplaatsen en met de aanleg van nog 5 parkeerplaatsen aan de zuidoostkant van het gebouw wordt hieraan voldaan. Bij de herinrichting worden 3 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Op basis van gestelde uitgangspunten en de kengetallen uit de CROW publicatie is voor dit gewijzigd gebruik 80 % van het aantal verkeersbewegingen vastgesteld op 8 parkeerplaatsen. Het aantal aanwezige parkeerplaatsen bedraagt aan de overzijde van de weg momenteel 16. Gelet op het huidige gebruik van het café-restaurant gedeelte komen veel bezoekers te voet of met de fiets. In bijlage 3 is een schets gevoegd van de herinrichting en aanleg van parkeerfaciliteiten.

Conclusie Het aantal verkeersbewegingen en parkeerruimte blijft daarmee binnen de huidige vergunning/melding in het kader van de Wet milieubeheer en de parkeernormen. 31

4.6 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast.

Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater Zoals het bestemmingsplan ‘Bebouwde gebieden’ en de Omgevingsverordening Limburg aantonen ligt de onderzoek locatie niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Wel ligt het plangebied binnen de Boring vrije zone Roerdalslenk III. Aangezien geen grondboringen zijn voorzien, vormt dit geen belemmering. Ecosystemen

32

Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op dit natuurgebied. Afvalwater en hemelwater In de bestaande toestand is al rekening gehouden met duurzaam waterbeheer. Er is een gescheiden stelsel met een ruime opvangbak voor regenwater en een groen sedumdak om zoveel mogelijk regenwater op te vangen. Aangezien het dakoppervlak en het bebouwde oppervlak niet toenemen zal uitsluitend rekening gehouden worden met een lichte toename van de droogweerafvoer. De huidige capaciteit van de aansluiting op het gemeentelijk riool zal hierop worden gecontroleerd en zo nodig aangepast worden. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied geen belemmeringen voor het beoogde voornemen.

33

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’, zoals vastgesteld op 21 april 2016, en het facetbestemmingsplan ‘Vervallen bestemmingsplanregeling huisvesting (buitenlandse) werknemers’, zoals vastgesteld op 23 mei 2019. 5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. 5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast.

De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: ▪ ▪ ▪ ▪

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels Voor het plangebied geldt de enkelbestemmingen ‘Horeca’, die overeenkomstig de SVBP2012 is opgesteld. Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De regels van de bestemming ‘Horeca’ zijn als volgt opgebouwd en benoemd: ▪ ▪

bestemmingsomschrijving; bouwregels; 34

▪ ▪ ▪

afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; wijzigingsbevoegdheid;

De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. Zoals bijvoorbeeld dat huisvesting voor langdurig verblijf, dan wel van werknemers niet is toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om het plan ter plaatse van gronden met de bestemming Horeca, zoals genoemd, te wijzigen. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Horeca Om binnen de vigerende bestemming Horeca ook de realisatie van 10 recreatieve appartementen mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden aangepast. In de nieuwe situatie zijn de gronden ter plaatse bestemd voor: a.

horecabedrijven uit categorie 1a en 1b van de Staat van horeca-activiteiten, waaronder een restaurant;

b.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – recreatieve appartementen': 10 recreatieve appartementen;

met de daarbij behorende: c.

voorzieningen, zoals erven, tuinen, speelvoorzieningen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, recreatieve paden en toegangswegen.

Voor de bouwregels, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels en wijzigingsbevoegdheid, zijn de regels uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande maten en ondergeschikte bouwonderdelen.

35

Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een bepaling omtrent strijdig gebruik opgenomen en zijn enkele bevoegdheden om af te wijken van de gebruiksregels opgenomen. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels zijn bepalingen opgenomen omtrent de gebiedsaanduidingen: ▪ ▪ ▪

‘milieuzone – Roerdalslenk III’ ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ ‘geluidzone – industrie’

Algemene afwijkingsregels In deze bepaling zijn enkele algemene afwijkingsbevoegdheden opgenomen om te kunnen afwijken van de bouwregels. Algemene wijzigingsregels Dit artikel bevat een algemene wijzigingsbevoegdheid om de bestemmingsgrenzen 3 meter te verschuiven Overige regels In de overige regels zijn de parkeerregels opgenomen. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

36

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Onderhavig planvoornemen betreft geen bouwplan op basis van artikel 6.2.1 Bro. Derhalve is er van kostenverhaal geen sprake bij onderhavig bestemmingsplan. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: I. het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; II. het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; III.

het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; IV. het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; V. het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De voorliggende bestemmingsplanprocedure heeft betrekking op een particulier initiatief, waarbij de financiële consequenties uitsluitend door die initiatiefnemer zullen worden gedragen. De kosten voor de planontwikkeling komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Aangezien er een anterieure overeenkomst wordt gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Roerdalen, behoeft geen exploitatieplan behorende bij onderhavig bestemmingsplan te worden opgesteld.

Planschade Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Roerdalen wordt een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten zodat eventuele toegewezen aanvragen van een tegemoetkoming in planschade voor rekening van initiatiefnemer komen.

37

7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Vooroverleg met betrokken instanties; Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Vooroverleg en inspraak Het ontwerp bestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg worden toegestuurd aan belanghebbende instanties. Tevens zal de omgeving bij het initiatief worden betrokken middels een informatieavond op locatie. 7.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er één zienswijze ingediend. Een beantwoording van de zienswijze is opgenomen in de Nota van Zienswijzen. Deze is opgenomen onder hoofdstuk 5 van de bijlagen bij de toelichting.

38

Bijlagen bij de toelichting: Bijlage 1: Nota vooroverleg en inspraak Bijlage 2: Vooroverleg - Reactie provincie Limburg Bijlage 3: Aeriusberekening stikstof tijdens bouw- en gebruiksfase Bijlage 4: Situatieschets herinrichting omgeving Prins Bernhardmolen en Oetsjpanning “De Meuleberg” met uitbreiding 8 parkeerplaatsen. Bijlage 5: Nota van Zienswijzen

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=f5f0b826-a72c-48e8-81e8-79037dd296ad