04 Toelichting
Tekst van het document
Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.
het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde
Vastgesteld
24
criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen
Toets Het project voorziet in het verder ontplooien en het herinrichten van de gemeentewerf. Ter plaatse van de Kastanjelaan 10 wordt een gebouw gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuw gebouw opgericht. Het initiatief heeft daarnaast betrekking op het herstellen van een omissie. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken worden de bestemming ‘maatschappelijk’ omgezet naar een bedrijfsbestemmingen. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico
Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitaten Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Toets Maatschappelijk en bedrijf N.v.t.
Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting)
Nee Nee
Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.
Vastgesteld
25
Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied
Toets Nee Nee Nee Nee Ja, het plangebied is gelegen in de bronsgroene landschapszone. Het initiatief wordt landschappelijk ingepast en heeft derhalve geen nadelige effecten op het landschappelijk waardevol gebied
Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden
Ja, plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied Roerdalslenk III. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde
Beschermd monument Belvédère-gebied
Nee Nee
Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage 1. De ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; 3. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.1.2 Bodemkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief.
Bij het wijzigen van de bestemming van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde.
Vastgesteld
26
Dit is in dit geval aan de orde. De locatie Kastanjelaan 10 is bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Het nieuwe gebruik betreft een soortgelijk gebruik enkel wordt de locatie tevens benut als kantine behorende bij de gemeentewerf. Om van beide locaties een geheel te maken bestaat het voornemen om de maatschappelijke bestemming om te zetten naar een bedrijfsbestemming. In de huidige situatie en in de nieuwe situatie is sprake van de bodemfunctieklasse ‘industrie’. Het gebruik in de nieuwe situatie blijft soortgelijk aan de huidige situatie. Daarnaast zal, ter plaatse van de locatie Kastanjelaan 12, een deel van de natuurbestemming worden herbestemd als bedrijfsbestemming om zo de huidige situatie conform vast te leggen. Dit gedeelte van het plangebied is vergund als gemeentewerf en is als zodanig in gebruik echter planologisch is dit niet vastgelegd. Hiervoor is geen bodemonderzoek nodig. 5.1.3
Bedrijven en milieuzoneringen
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Tabel 1.Milieucategorie met bijbehorende richtafstand
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand rustige woonwijk 10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500
Richtafstand gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
De gemeente Roerdalen is voornemens om de naastgelegen locatie (Kastanjelaan 10) bij de gemeentewerf te betrekken. Op basis van de VNG lijst betreft de gemeentewerf een bedrijf in categorie 3.1. Gezien de ligging in een rustig buitengebied kunnen de richtafstanden niet worden verkleind. Voor de gemeentewerf geldt derhalve een richtafstand van 30 meter voor geur, stof en gevaar en een richtafstand van 50 meter voor geluid. De dichtstbijzijnde woning betreft de bedrijfswoning Melickerweg 4. De afstand tussen het plangebied en deze woning bedraagt 170 meter. De dichtstbijzijnde burgerwoning is gelegen in de bebouwde kom van Melick, aan de Groenestraat 106. Deze woning is gelegen op een afstand van 410 meter.
Vastgesteld
27
Gezien de ligging van het plangebied op ruime afstand van milieugevoelige objecten kan gesteld worden dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van alle woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat, ook na de realisatie van het initiatief. 5.1.4
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Diverse wegen in en om het plangebied zijn zoneplichtige wegen in het kader van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat bij het oprichten van een gevoelige bestemming binnen de zone altijd een akoestisch onderzoek is vereist. Het voornemen bestaat om de locatie van Stichting Jong Nederland Melick samen te voegen met de gemeentewerf van de gemeente Roerdalen. Het initiatief heeft zodoende betrekking op een bedrijfslocatie. Een bedrijfslocatie betreft geen geluidsgevoelig object. Vanuit de Wgh bestaan er wat dat betreft geen belemmeringen voor het initiatief. 5.1.5
Luchtkwaliteit
Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang in relatie tot de luchtkwaliteit. Gezien de beoogde situatie is een toename van verkeersbewegingen aannemelijk. Uitgaande van een worst-case benadering genereert de gemeentewerf in de beoogde situatie dagelijks 108,1 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 54,1 voertuigen. Daarnaast genereert het Jong Nederlandpand dagelijks 9,5 verkeersbewegingen veroorzaakt door 4,8 voertuigen. In totaal genereert het initiatief dagelijks 117,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 58,8 voertuigen (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 5.6).
Vastgesteld
28
Deze verkeersbewegingen worden veroorzaakt door de uitbreiding van het personeel. Gezien de aard van het initiatief wordt er dan ook van uitgegaan dat de toename van het aantal verkeersbewegingen wordt veroorzaakt door lichte voertuigen (personenwagens). Het aantal vrachtwagens en tractoren op de gemeentewerf zal niet toenemen. Met behulp van de NIBM-tool 2020 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt. Op basis van voorgaande wordt een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit dan ook niet noodzakelijk geacht.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
58,8
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m
3
0,04
PM10 in μg/m
3
0,01
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 2. Jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Vastgesteld
29
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,0 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief zal nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten.
De Wet geurhinder en veehouderij stelt de gemeente in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Op 17 december 2009 is door de gemeenteraad van de Gemeente Roerdalen de Verordening Wet geurhinder en veehouderij vastgesteld. De grondslag voor het opstellen van de verordening is gelegen in het rapport "Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij" en het rapport "Aanvulling op de gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij". De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. Het plangebied valt onder het buitengebied. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14 Ou/m3 (voorgrondbelasting). Het voornemen bestaat om de locatie van Stichting Jong Nederland Melick samen te voegen met de gemeentewerf van de gemeente Roerdalen. De gebouwen binnen het plangebied zijn geschikt voor menselijk verblijf waardoor deze worden aangemerkt als geurgevoelig objecten. Binnen het plangebied kan geurhinder worden ondervonden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake van één locatie waar een vergunning is verleend voor het houden van dieren.
Dit betreft een paardenhouderij aan de Kempkensweg 1. De afstand tussen het plangebied en de paardenhouderij betreft 80 meter. Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij en paardenhouderij. De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstens 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor de paardenhouderij ruimschoots voldaan. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Vastgesteld
30
5.1.7 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ Inrichtingen; ▪ Transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ▪ Vuurwerkopslagplaatsen; ▪ Opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidsystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied.
Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's.
Propaantank
Buisleiding (2)
Propaantank
Afbeelding 13. Ligging risicovolle bedrijvigheid ten opzichte van het plangebied
Vastgesteld
31
Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in van afbeelding 13 is de ligging van relevante inrichtingen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven. De twee nabijgelegen risicovolle bedrijven betreffen: ▪ J. Claassens, Kempkensweg 1 (propaantank) ▪ Mw. Lucassen & Mw. Claus, Melickerweg 4 (propaantank) Uit afbeelding 13 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van voorgenoemde risicovolle bedrijven. De propaantank aan de Melickerweg 4 heeft een inhoud van 3.000 liter (3 m3) en de propaantank aan de Kempkensweg 1 heeft een inhoud van 5.000 liter (5 m3). Bij een propaantank tot 13 m3 is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico. Voor de beide propaantanks is geen sprake van een invloedsgebied derhalve hoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontouren en de invloedsgebieden van de propaantanks gelegen. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Ten zuidoosten van het plangebied zijn twee buisleidingen gelegen.
De buisleidingen zijn in beheer van I&M transport en betreffen beide aardgasleidingen. Buisleiding A-578 ligt op een afstand van circa 640 meter en buisleiding A-520 ligt op een afstand van circa 650 meter. Tabel 3.Leidingen omgeving plangebied
Id. Leiding A-520 A-578
Diameter (inch) 24 42
Druk (kPa) 6.620 6.620
PR-10-6 (m) 0 0
Letaliteit 100% (m) 140 190
Letaliteit 1% (m) 310 490
De plaatsgebonden risicocontour ligt bij beide leidingen op de leiding. De 1%-letaliteitsgrens van leiding A-520 bedraagt 310 meter en de 100%-letaliteitsgrens bedraagt 140 meter. Voor buisleiding A-578 bedraagt de 1%-letaliteitsgrens 490 meter en de 100%-letaliteitsgrens 190 meter. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontour en buiten de 1%-letaliteitsgrens en 100%-letaliteitsgrens van beide buisleidingen gelegen. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor het initiatief.
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied.
Vastgesteld
32
Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen en het effect van het initiatief hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna2 uitgevoerd. Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de bebouwing buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te slopen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen In de spouw van het gemetselde gebouw (het Jong Nederland gebouw) bevinden zich mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: ▪ 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken); ▪ 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 augustus – 1 oktober (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).
Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten rondom het plangebied op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen 2 Faunaconsult, Quickscan natuurwetgeving aan de Kastanjelaan 10 en 12 te Melick, 6 oktober 2021
Vastgesteld
33
beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 8 vleermuiskasten van types als VK WS 02, VK MP 05 of VK PL 04 Vleermuizenkast (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen of renoveren panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017). Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De bosgebiedjes ten zuidwesten en noordoosten van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Ook de laanbomen aan de Kastanjelaan, net buiten het plangebied, fungeren mogelijk als vaste vliegroute van vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).
Aanvullend onderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de resultaten van de flora- en faunainspectie dient een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd te worden. Middels het opnemen van de aanduiding ‘‘specifieke vorm van natuur – voorwaardelijke verplichting ecologie’ is gewaarborgd dat het beoogde gebruik van de locatie pas is toegestaan indien het aanvullende vleermuisonderzoek is uitgevoerd en een eventuele ontheffing is verleend. 5.3.2
Natura2000
Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: ▪ Roerdal, afstand 890 m ▪ Meinweg, afstand 2,5 km ▪ Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg (Duitsland), afstand 3,1 km ▪ Swalmdal, afstand 7,9 km ▪ Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop, afstand 9,1 km In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van bijna 900 meter of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.
Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. Vastgesteld
34
De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om de stikstofdepositie tijdens de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) te bepalen. Als uit de AERIUS Calculator blijkt dat er geen stikstofdepositie door de gebruiksfase van het project of plan op de Natura2000-gebieden plaatsvindt, hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden en is geen vergunning nodig. Als er wél een toename van stikstofdepositie plaatsvindt is vervolgonderzoek nodig om te beoordelen of een vergunning verleend kan worden. Als gevolg van onderhavig initiatief veranderd de emissie van stikstof vanuit het plangebied vanwege, het nieuwe gebruik van de beide locaties en het verkeer van en naar de locaties. De huidige situatie is in dat kader dan ook afgezet tegen de beoogde situatie. Huidige situatie Verwarming Voor het bepalen van het aardgasverbruik van het Jong Nederland gebouw is gebruik gemaakt van standaarden, zoals onderzocht in het rapport ‘Nieuwe benchmark energieverbruik utiliteitsgebouwen en industriële sectoren’ van ECN (januari 2016).
Oppervlakte 0 – 250 m² 250 – 500 m² 500 – 1.000 m² 1.000 – 2.500 m² 2.500 – 5.000 m² 5.000 – 10.000 m² 10.000 – 25.000 m²
Verbruik per jaar (m³/m²) 17,3 15,0 12,8 10,9 10,7 10,6 10,9
Het Jong Nederland pand heeft een BVO van 315 m2 het Jong Nederland pand verbruikt derhalve gemiddeld 15 m3 per m2 gas. Hiervan uitgaande kan er op de locatie per jaar circa 4.725 m3 gas verbruikt worden. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming van dit deel van het plangebied circa 150 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOx per GJ3 , wat overeenkomt met 2,7 kg NOx per jaar. Voor het bepalen van het aardgasverbruik van de gemeentewerf in de huidige situatie is eveneens gebruik gemaakt van standaarden. De gemeentewerf heeft in de huidige situatie een BVO van circa 2.080 m2. waardoor het pand gemiddeld 10,9 m3 per m2 gas verbruikt. Hiervan uitgaande kan er op de locatie per jaar circa 22.672 m3 gas verbruikt worden. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming van dit deel van het plangebied circa 718 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOx per GJ3 , wat overeenkomt met 12,9 kg NOx per jaar. Verkeer In de huidige situatie is de Kastanjelaan 10 in gebruik als jongeren vereniging (Stichting Jong Nederland Melick.
Op basis van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ genereert de jongeren vereniging in de huidige situatie dagelijks 8,8 verkeersbewegingen veroorzaakt door 4,4 voertuigen. Zie voor een uitgebreide motivering paragraaf 5.6. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de verkeersbewegingen bestaan uit lichte voertuigen dat vanaf de Melickerweg opgaat in het heersende verkeer. Vastgesteld
35
In de huidige situatie is de Kastanjelaan 12 in gebruik als gemeentewerf. Voor de verkeersgeneratie van de gemeentewerf is uitgegaan van de feitelijke kengetallen. In de huidige situatie is de gemeentewerf vijf dagen in de week geopend en is sprake van een verkeersgeneratie van 131 verkeersbewegingen per dag bestaande veroorzaakt door 65,6 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat 20% van de verkeersbewegingen bestaat uit lichte voertuigen, 70% uit middelzware voertuigen en 10% uit zware voertuigen. Het grootste deel van de verkeersgeneratie van de gemeentewerf vertrekt richting Melick (circa 60%) en het overige verkeer vertrekt richting Herkenbosch (circa 40%). Het lichte en middelzware verkeer zal hierbij vanaf de Melickerweg en Groenstraat opgaan in het heersende verkeer. Het zware verkeer zal pas vanaf de kernen opgaan in het heersende verkeer. Beoogde situatie Verwarming In de beoogde situatie zijn de locaties Kastanjelaan 10 en 12 samengevoegd. De Kastanjelaan 10 zal in dat kader overdag worden gebruikt door de gemeentewerf en in de avond door Stichting Jong Nederland Melick. In de beoogde situatie hebben de gemeentewerf en het Jong Nederlandgebouw een BVO van circa 2.950 m2. Het pand verbruikt dan ook 10,7 m3 per m2 gas. Hiervan uitgaande kan er op de locatie per jaar circa 31.565 m3 gas verbruikt worden.
De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming van het plangebied circa 997,3 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOx per GJ3 , wat overeenkomt met 18 kg NOx per jaar. Verkeer In de beoogde situatie zijn de locaties Kastanjelaan 10 en 12 samengevoegd. De locaties zullen overdag worden gebruikt door de gemeentewerf en de nieuwe aanbouw zal enkele avonden per week worden gebruikt door Stichting Jong Nederland Melick. Het verkeer van en naar de gemeentewerf zal in de beoogde situatie niet toenemen derhalve kan worden gerekend met de feitelijke kengetallen van de huidige gemeentewerf. Het Jong Nederland pand heeft in de beoogde situatie een BVO van 340 m2. Uitgaande van een worst-case benadering genereert deze locatie dagelijks 9,5 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,8 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Zie voor een uitgebreide motivering paragraaf 5.6. . Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de verkeersbewegingen bestaan uit lichte voertuigen dat vanaf de Melickerweg opgaat in het heersende verkeer.
Afbeelding 14. Uitsnede berekening AERIUS Calculator
Conclusie Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met het initiatief is gebruik gemaakt van intern salderen. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden (zie bijlage 1).
Vastgesteld
36
5.4
Water
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1
Beleidskader
Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de POL2014-kaart ‘Regionaal water’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een boringsvrije zone. Binnen deze boringsvrije zone is het niet toegestaan om een boorput of bodemenergiesysteem te maken (of te hebben) die dieper zijn dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het niet toegestaan om werken op of in de bodem uit te voeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Met het initiatief wordt geen boorput of bodemenergiesysteem gerealiseerd.
Daarnaast zijn er geen werken op of in de bodem beoogd die de Bovenste Brunssumklei aantasten. 5.4.2
Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)
Bodemgesteldheid De bodem binnen het plangebied bestaat uit holtpodzolgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand en voor een deel bestaande uit lemig fijn zand. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ten zuidwesten van het plangebied stroomt de Melicker Leigraaf en de Roer. Dit betreffen beide primaire watergangen van het waterschap. Daarnaast ligt rondom de Roer een meanderzone en een inundatiegebied.
Vastgesteld
37
Een meanderzone is opgenomen om de natuurlijke verplaatsing van de bedding van wateren langs primaire wateren, in dit geval de Roer, te beschermen. Het inundatiegebied is opgenomen aangezien dit deel onder water gezet kan worden door het openzetten van sluizen of het doorsteken van dijken. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. 5.4.3
Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie)
Hemelwater De realisatie van onderhavig initiatief leidt tot nieuw verhard oppervlak in de vorm van het nieuwe gebouw aan de Kastanjelaan 10, de uitbreiding van een bestaand gebouw aan de Kastanjelaan 12 en de aanleg van 15 nieuwe parkeerplaatsen. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 100 millimeter in 24 uur, met een noodoverlaat. Onderhavig initiatief voorziet in het slopen van het Jong Nederland pand en het te vervangen door nieuwbouw.
Daarnaast wordt de overdekte stalling uitgebreid en er worden 15 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Het Jong Nederland pand beslaat momenteel een oppervlakte van circa 315 m2. Dit gebouw wordt gesloopt en teruggebouwd in de vorm van een aanbouw van de bestaande gemeentewerf. Daarnaast zal de overdekte stalling worden uitgebreid, wordt een extra opslagruimte gerealiseerd en er wordt erfverharding opgericht in de vorm van 15 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie is sprake van nieuw bebouwd oppervlakte van 870 m2 en 500 m2 aan verharding. Deze oppervlakte impliceert een hoeveelheid te bufferen en af te voeren hemelwater van circa 13,2 m³ (1.320 m2 x 100 mm). De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van het civieltechnisch ontwerp.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
5.5.1
Archeologie
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. Vastgesteld
38
De raad van de gemeente Roerdalen heeft binnen dit kader op 10 november 2011 de ´Archeologieverordening 2011’ vastgesteld. In deze verordening is het archeologisch beleid voor het gehele gemeentelijke grondgebied geregeld. Aan het beleid is tevens een archeologische verwachtingskaart gekoppeld. Op deze kaart is te zien aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden zijn toegekend. Daarnaast heeft de raad een onderzoekskader vastgesteld. Afhankelijk van de aan de gronden toegekende (verwachtings)waarden wordt hierbij aangegeven in welke gevallen archeologisch onderzoek vereist is.
Afbeelding 15. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Roerdalen
Op de archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In gebieden met een hoge archeologische verwachting dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 1.000 m2 dieper dan 0,4 m verstoord wordt. De gestelde ondergrens wordt met onderhavig initiatief niet overschreden. Derhalve is thans geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om de archeologische waarde echter te blijven borgen is de vigerende archeologische dubbelbestemming opnieuw voor het plangebied van toepassing verklaard. 5.5.2
Cultuurhistorie
De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of nabijheid het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Met de voorgenomen ontwikkeling gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren.
Vastgesteld
39
5.6
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer Verkeersgeneratie huidige situatie In de huidige situatie is de Kastanjelaan 10 in gebruik als jongeren vereniging (Stichting Jong Nederland Melick). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De CROW-publicatie bevat geen kencijfers voor de verkeersgeneratie van jongeren vereniging. Er is derhalve gekeken naar een soortgelijke functie namelijk die van een tennishal en het gebiedstype buitengebied in een niet stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert een sporthal per etmaal minimaal 3,4 en maximaal 4,9 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO. Het Jong Nederland pand heeft een BVO van 315 m2. Uitgaande van een worst-case benadering genereert deze locatie dagelijks 15,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met het feit dat het Jong Nederland gebouw slechts enkele avonden per week in gebruik is, tijdens de groepsavonden. Vier avonden in de week worden er groepsavonden georganiseerd.
Derhalve is er slechts 60% van de week sprake van verkeersbewegingen voortkomend vanuit deze locatie. Hiervan uitgaande is er sprake van ( (15,4 per dag * 4 dagen) / 7 dagen) 8,8 verkeersbewegingen per dag, veroorzaakt door 4,4 voertuig. In de huidige situatie is de Kastanjelaan 12 in gebruik als gemeentewerf. Voor de verkeersgeneratie van de gemeentewerf is uitgegaan van de feitelijke kengetallen. In de huidige situatie is de gemeentewerf vijf dagen in de week geopend en is sprake van een verkeersgeneratie van 131 verkeersbewegingen per dag bestaande uit 26 lichte verkeersbewegingen, 92 middel zware verkeersbewegingen en 13 zware verkeersbewegingen. Het grootste deel van de verkeersgeneratie van de gemeentewerf vertrekt richting Melick (circa 60%) en het overige verkeer vertrekt richting Herkenbosch (circa 40%). Verkeersgeneratie beoogde situatie In de beoogde situatie is de Kastanjelaan 10 bij de gemeentewerf betrokken. Het verkeer van en naar de gemeentewerf zal in de beoogde situatie niet toenemen derhalve kan worden gerekend met de feitelijke kengetallen van de huidige gemeentewerf. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het Jong Nederland pand in de beoogde situatie is eveneens gebruik gemaakt van de CROW-publicatie. Het Jong Nederland pand heeft in de beoogde situatie een BVO van 340 m2.
Uitgaande van een worst-case benadering genereert deze locatie dagelijks 16,7 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met het feit dat het Jong Nederland gebouw slechts enkele avonden per week in gebruik is, tijdens de groepsavonden. Vier avonden in de week worden er groepsavonden georganiseerd. Derhalve is er slechts 60% van de week sprake van verkeersbewegingen voortkomend vanuit deze locatie. Hiervan uitgaande is er sprake van ( (16,7 per dag * 4 dagen) / 7 dagen) 9,5 verkeersbewegingen per dag, veroorzaakt door 4,8 voertuig. Met het initiatief is sprake van een kleine toename van 1 verkeersbeweging. Zowel de Kastanjelaan 10 als de Kastanjelaan 12 worden ontsloten middels de Kastanjelaan. De Kastanjelaan komt in zuidelijke richting uit op de Melickerweg. Het lichte en middelzware verkeer zal vanaf de Melickerweg / Groenstraat worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het zware verkeer afkomstig van de gemeentewerf zal doorlopen tot aan de kernen. De gemeentewerf en Jong Nederland zijn daarmee goed ontsloten voor de huidige en toekomstige situatie.
Gezien de capaciteit van de omliggende wegen kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen problemen ten aanzien van de afwikkeling van de betreffende verkeersbewegingen te verwachten zijn.
Vastgesteld
40
Parkeren Het voornemen bestaat om de locatie van Jong Nederland bij de gemeentewerf te betrekken. Voor het bepalen van de huidige parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' en van een arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf in een niet stedelijk buiten gebied. In de CROW-publicatie is voor een arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf een parkeernorm opgenomen van 0,8 – 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. De BVO van de gemeentewerf zal in de beoogde situatie 2.950 m2 bedragen. De totale parkeerbehoefte van de gemeentewerf bedraagt derhalve 38,4 parkeerplaatsen. Momenteel zijn reeds 26 parkeerplaatsen aanwezig. In het kader van onderhavig initiatief worden 15 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. In de beoogde situatie zijn 41 parkeerplaatsen aanwezig waarmee ruimschoots wordt voorzien in de parkeerbehoefte. De parkeerplaatsen worden overdag gebruikt door de gemeentewerf en kunnen in de avond worden gebruikt door Stichting Jong Nederland Melick. De parkeerplaatsen kunnen derhalve dubbel gebruikt worden voor beide functies. Gezien het aantal parkeerplaatsen en het dubbelgebruik van de parkeerplaatsen komt de parkeerbehoefte niet in het gedrang.
Vastgesteld
41
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: ▪ Toelichting ▪ Planregels ▪ Verbeelding Met het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: ▪ Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; ▪ PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; ▪ Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012. Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Roerdalen is qua systematiek aangesloten bij het meest recente bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Roerdalen; “Buitengebied Roerdalen – 2e herziening”.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is grotendeels bestemd als ‘Bedrijf’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – gemeentewerf’, ‘specifieke vorm van bedrijf – maatschappelijk’, ‘specifieke vorm van groen – voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing’ en ‘specifieke vorm van natuur – voorwaardelijke verplichting ecologie’. Binnen het bouwvlak is tevens de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage: 50%’ opgenomen zodat niet meer als 50% van het bouwvlak bebouwd kan worden. Een klein deel van het plangebied is bestemd als ‘Natuur’.
De archeologische dubbelbestemming en de gebiedsaanduidingen zijn voor het gehele plangebied opnieuw van toepassing verklaard.
Vastgesteld
42
6.2
Toelichting op de planregels
Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten.
De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van de bouw van een woning mogelijk.
Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
43
7.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Voor de planlocatie is een grondexploitatie opgesteld, waarin de kosten en baten tegen elkaar zijn afgezet. Uit de grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg. Provincie Limburg heeft aangegeven dat er geen provinciale belangen in het geding zijn en zijn akkoord gegaan met onderhavig bestemmingsplan. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 2 mei 2022 t/m 13 juni 2022 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.