04 Bijlage 2: (Concept) ontwerp ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 49
Afbeelding 31. Het besluitgebied op de gemeentelijke beleidskaart (bron: Ellenkamp, 2021.)
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Roerdalen (Ellenkamp, 2021) ligt het besluitgebied in een zone met waarde- archeologie 2, 3, 5 en 6. Het beleid voor de zone met ‘waarde-archeologie 2’ schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 250 m 2 en dieper dan 40 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Het beleid voor de zone met ‘waarde-archeologie 3’ schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 1.000 m 2 en dieper dan 40 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Het beleid voor de zone met ‘waarde-archeologie 5’ schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Het beleid voor de zone met ‘waarde-archeologie 6’ schrijft voor dat er geen restricties zijn. Ten opzichte van het bureauonderzoek uit 2022 (Gaarthuis & Verhoeven, 2022) zijn er ondertussen concrete gegevens met betrekking tot de omvang en diepte van de geplande ingrepen, zie tabel 1, hieruit blijkt dat het maximale verstoringsoppervlak 726 m² bedraagt. Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 50
Afbeelding 32. De oppervlakte van de elementen in het zonnepark (bron: Solar Provider Group).
Vrijwel het hele besluitgebied van Zonnepark Kleine Bergerweg ligt in een beleidszone met “Waarde archeologie 3”: hiervoor geldt er een horizontale ondergrens van 1. 000 m², en een verticale ondergrens van 40 cm. Een kleine zone ligt in een zone met “Waarde archeologie 2”, met ondergrenzen van respectievelijk 250 m² en 40 cm. De overige zones zijn vrijgegeven volgens het beleid (gezien de zeer hoge vrijstellingsgrens of verstoring). Omdat het verstoringsoppervlak de ondergrenzen in de zones met Waarde archeologie 3 en Waarde Archeologie 2 niet overschrijdt, is nader onderzoek volgens het geldende archeologische beleid niet meer aan de orde. Tot slot blijft te allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekent dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11).
4.4 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het besluitgebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro.
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 51
Afbeelding 33. Cultuurhistorische waardenkaart – Historische geografie - provincie Limburg (bron: Atlas Limburg).
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is het besluitgebied gekenmerkt als ‘nieuw cultuurland 1890-1990’ en ‘nieuw cultuurland 1806/1840-1890’ en ‘bouwland’. Daarnaast is het grotendeels gekenmerkt als ‘cultuurlandschap’ en zijn er diverse cultuurhistorische lijnelementen te vinden. Dit betreffen wegen uit periodes ouder dan 1806 (’s Heerenkampsweg, Oude Montforterweg en Grote Bergerweg) en uit de periode van 1806-1890 (Kleine Bergerweg). Deze wegenstructuur blijft onaangepast in de voorgenomen ontwikkeling. In of in de nabijheid van het besluitgebied staan geen monumenten of andere bouwwerken van cultuurhistorische waarden. Met de realisatie van het zonnepark worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, te beschrijven hoe in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het besluitgebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regels ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit was 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied beheerplannen Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 52
opgesteld. Daarin staan de ambities en maatregelen voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaat adaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: - Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. - We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuust zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. - Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022.
In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer Waterschap Limburg Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het waterbeheerprogramma (WBP). Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur na een uitgebreid participatieproces het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Waterschap Limburg heeft met haar partners de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. De komende jaren gaan zij aan de slag om de doelen uit het waterbeheerprogramma te realiseren.
De succesfactoren voor veilig, schoon en voldoende water zijn: - Verbinding met de omgeving, zodat opgaven vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid en integraal worden opgepakt. - Innovatie om vanuit vernieuwing en verbetering bij te dragen aan een optimaal, integraal, effectief en veilig waterbeheer. - Duurzaamheid om op termijn energieneutraal en circulair te opereren. - Samenwerking met alle belanghebbenden. - Een wendbare organisatie met versterkte uitvoerings- en innovatiekracht. - Kostenbewustzijn, zodat we een betaalbaar waterschap blijven en onze ambities haalbaar zijn.
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 53
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De Legger van waterschap Limburg is geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in hiernavolgend. Daarop zijn langs en binnen het besluitgebied geen watergangen te zien.
Afbeelding 34. Uitsnede Legger oppervlaktewateren, met besluitgebied in zwarte cirkel (bron: waterschap Limburg).
Het voorgenomen plan voor Zonnepark Kleine Bergerweg heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Alleen het oppervlak onder de transformatoren en het inkoopstation wordt verhard. Deze verharding wordt niet aangesloten op de riolering. Daarnaast kan regenwater tussen de panelen infiltreren in de bodem. Hiervoor wordt tussen de pv-panelen een 1-2 centimeter ruimte gehouden, aangezien de pv-panelen niet strak tegen elkaar worden gelegd. Onderstaande collage geeft een impressie van de ruimte tussen de panelen, waardoor regenwater in de bodem kan infiltreren. De opstelling van pv-panelen wordt uitgevoerd met niet-uitlogende materialen, zodat de wateren bodemverontreiniging wordt voorkomen.
Afbeelding 35. Opstelling pv-panelen, waardoor voldoende ruimte is voor infiltratie regenwater (bron: Eelerwoude/TR) Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 54
Digitale watertoets Om het waterschap op de hoogte te stellen van voorliggend plan is op 20 december 2022 de watertoets ingevuld, deze is separaat bijgevoegd. Uit de watertoets is gebleken dat er contact dient te worden opgenomen met waterschap Limburg. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is reeds contact geweest. Hieruit blijkt dat de voorgenomen geen waterschapsbelangen raakt.
4.6 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige archeologische-, cultuurhistorische- en natuurwaarden en de belangen van het waterschap niet aangetast. Het voornemen is hiermee uitvoerbaar.
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 55
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Het plan kan negatieve gevolgen hebben voor het milieu. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • bodem; • geluid; • luchtkwaliteit; • lichtreflectie; • elektromagnetische straling; • kabels en leidingen; • externe veiligheid; • bedrijven en milieuzonering; • verkeer en parkeren; • vormvrije m.e.r.-beoordeling.
5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De percelen binnen het besluitgebied zijn tot op het heden in gebruik geweest als bouwland voor de akkerbouw. Zo zijn er in de afgelopen jaren diverse gewassen zoals asperges, bieten, knolselderij, tarwe en aardappelen verbouwd. Aangenomen kan worden dat dit gebruik van de gronden niet heeft geleid tot bodemverontreiniging. Een zonnepark is geen gevoelige functie. Wat betreft het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling en is nader bodemonderzoek niet aan de orde. Daarnaast wordt rekening gehouden met de mogelijke effecten op de bodem. De zonnepanelen worden middels dunne stalen palen bevestigd in de grond. Hiervoor zijn geen funderingen benodigd. Hiervoor wordt voor het grootste deel gebruik gemaakt van recyclebare materialen en bevatten de zonnepanelen geen uitlogende materialen. Voorafgaand aan de bouwfase van het zonnepark voert de intiatiefnemer altijd een bodemonderzoek uit als nulmeting van het besluitgebied.
5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • De normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen. • Bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. • Op en rond het besluitgebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 56
76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen, die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone ter plaatse van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen, de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie. Met de realisatie van het zonnepark worden ook geen geluidgevoelige functies aangebracht, waardoor het zonnepark zelf geen bescherming tegen geluidsoverlast vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Transformatorstations met een vermogen tot 100 MVA geldt een richtafstand van 50 meter. Binnen het zonnepark worden vijf transformatoren van 3 MVA, een energieopslagsysteem en inkoopstation geplaatst. Binnen het energieopslagsysteem wordt een omvormer van 5 MVA, een transformator van 5 MVA en batterijrekken met veertien batterijen geplaatst. Hier kan tevens een vergelijking worden gemaakt met ‘elektriciteitsdistributiebedrijven’. De dichtstbijzijnde gevoelige (woon)bestemming zijn gelegen aan de overzijde van de Kleine Bergerweg 2,3 en 9.
De technische installaties worden op minimaal 50 meter gerealiseerd vanaf de dichtstbijzijnde woningen, waardoor er geen sprake zal zijn van geluidshinder door de installaties in het zonnepark. Een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geluid kan worden gegarandeerd. Binnen het energieopslagsysteem worden een omvormer, transformator en batterijen geplaatst. Vanwege de geluidsproductie van de batterijen, een bronvermogen van 80 dB(A), geldt hiervoor een richtafstand van 200 meter. Met de plaatsing van de batterijen zal hiermee rekening worden gehouden
Afbeelding 36. Ligging omliggende woningen in relatie tot Zonnepark Kleine Bergerweg.
Geluidsreflectie Hierboven is aangegeven dat de installaties welke geluid produceren niet leiden voor geluidshinder. Hieronder wordt ingegaan op het effect van het zonnepark op de reeds aanwezige geluidsbelasting. Hiervoor zijn de rijksweg A73 en Grote Bergerweg relevant. Het besluitgebied is nabij de A73 gelegen en de Grote Bergerweg betreft een 60 km/u-weg, waarlangs het besluitgebied is gelegen. Onderstaande afbeelding geeft de geluidsbelasting van de A73 en Grote Bergerweg weer (in Lden). Voorliggend zonnepark kan het geproduceerde geluid zowel blokkeren als verder dragen, afhankelijk van de oriëntatie en hellingshoek van de pv-panelen. Vanwege de oriëntatie en hellingshoek van de panelen, wordt geluid omhoog gereflecteerd. De pv-panelen binnen Zonnepark Kleine Bergereweg worden in een zuid-oriëntatie geplaatst. De oriëntatie van de pv-panelen Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 57
is van invloed op de locatie waar reflectie op zou kunnen treden. Echter, als de geluidbron bijzonder groot is wordt dit effect ‘uitgesmeerd’ over een groot gebied. Daardoor is de oriëntatie van beperkte invloed. Daarnaast wordt de geluidsbelasting van de Grote Bergerweg gedempt doormiddel van de landschappelijke inpassing aan de west- en zuidzijde van het besluitgebied. Tevens zijn er geen geluidsgevoelige bestemmingen, zoals (bedrijfs)woningen, gelegen tussen de Grote Bergerweg en het zonnepark. Tussen de A73 en het zonnepark zijn wel (bedrijfs)woningen, maar die afstand is groter, waardoor woningen in een gunstiger geluidsniveau zijn gelegen. Geluidsgevoelige bestemmingen zijn verder gelegen van het zonnepark. De pvpanelen worden in rijen parallel aan elkaar geplaatst zodat de ene rij afschermend werkt ten opzichte van de achterliggende rij met panelen. Er zal dus vrijwel geen waarneembare geluidsreflectie voor de omgeving zijn. Uit eerdere onderzoeken, van onder andere Peutz6 , LBP Sight7 en Bureau Geluid8, is gebleken dat de geluidsbelasting over het algemeen gesproken met niet meer dan 2 dB toeneemt. Wanneer er sprake is van een toename van minder dan 2 dB kan worden gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare toename van de geluidshinder. Gemiddeld genomen ligt de toename tussen de 0,4 en 1,2 dB wat gezien kan worden als een geringe, niet significante toename.
In de hierboven benoemde onderzoeken is tevens sprake van een zonnepark nabij een snelweg, waardoor deze onderzoeken als referentie geschikt zijn. Voor wat betreft het aspect geluidreflectie wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.
Afbeelding 37. Uitsnede kaart 'Geluid van wegverkeer'. (bron: atlasleefomgeving, bewerking: Eelerwoude).
5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Om te berekenen of een wijziging in het aantal verkeersbewegingen een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit, is er een NIBM-tool ontwikkeld. In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden 6https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0296.BGBKampbroek5-VG01/b_NL.IMRO.0296.BGBKampbroek5-VG01_bd10.pdf 7https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1734.0305OVBzonparka15-VSG1/b_NL.IMRO.1734.0305OVBzonparka15-
VSG1_tb5.pdf 8 https://www.lcenergy.nl/wp-content/uploads/2020/09/20214016-notitie-definitiefbijlagen.pdf Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 58
aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen Relatie met voorgenomen ontwikkeling De NIBM-tool is geraadpleegd om te berekenen in welke mate de ontwikkeling bijdraagt aan een vermindering van de luchtkwaliteit. Bij een dagelijks aantal verkeersbewegingen van 800 (waarvan 5% vrachtverkeer) is de ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’. De voorgenomen ontwikkeling betreft een zonnepark. Alleen bij de aanleg- en ontmanteling van het zonnepark vindt een toename van het aantal verkeersbewegingen plaatst. Wel blijft dit aantal ruimschoots onder de 800 per dag. In de exploitatiefase is het aantal verkeersbewegingen zeer beperkt. Deze zijn alleen benodigd in het kader van onderhoud en beheer. Het zonnepark heeft geen verkeersaantrekkende werking. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit wordt niet noodzakelijk geacht. Het onderdeel ‘stikstofdepositie’ wordt behandeld in paragraaf 4.2.2.
5.5 Lichtreflectie Zonlicht kan (hinderlijk) reflecteren op de zonnepanelen. Veruit de meeste inkomende zonnestralen worden door de panelen geabsorbeerd en omgezet in elektriciteit. Doordat de bovenste laag van de panelen van glas is, kan een klein deel (<5%) van het zonlicht worden gereflecteerd. De schittering op omliggende objecten gebeurt vooral bij zonsopgang en -ondergang, wanneer de zon haaks op de panelen schijnt. Het zonlicht dat op de zonnepanelen valt, wordt in één specifieke richting weerkaatst omdat zonnepanelen een glad oppervlak hebben. Hierdoor wordt het aantal invalshoeken waarbij overlast kan worden ervaren van het licht gereduceerd.
Afbeelding 38. Voorbeeld directe schittering (bron: Qing).
Qing heeft een schitteringsonderzoek gedaan, hierin is specifiek gekeken naar de schittering door de panelen naar twee dichtstbijzijnde omwonenden (Kleine Bergerweg 7-1 en 7-2 en Kraamweg 9).
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 59
Afbeelding 39. Omwonenden/ontvangstpunten (paars) en referentiepunten in het zonnepark (geel) (bron: Qing).
Uit het onderzoek is gebleken dat er enkel sprake is van schitteringen in februari en oktober bij zonsondergang. Volgens het model (worstcasescenario) kan de schittering in deze maanden tussen de 1 en 6 minuten bedragen wat op jaarbasis uitkomt op een totale schittering van 21 minuten tot 38 minuten voor de twee huishoudens. Gezien er landschappelijke inpassing aangeplant zal worden en in de realiteit de zon niet altijd schijnt, zal de daadwerkelijk schittering altijd lager zijn. Het volledige onderzoek is toegevoegd in de bijlage bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Er kan worden gesteld dat voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is op gebied van lichtreflectie.
5.6 Elektromagnetische straling Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische (ELF-EM) velden ontstaan. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij bij woningen een grens aan de veldsterkte wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (μT). De GGD adviseert om ook bij ander bronnen van ELF-EM velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonneparken door de afstand van onderstations en transformatorhuisjes tot woningen en gevoelige bestemmingen zo te kiezen dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 μT komt. In het RIVM ‘Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 meter van onderzochte transformatorstations. Gezien de afstand van de transformatoren tot omliggende functies wordt ruim voldaan aan deze richtlijn.
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 60
5.7 Kabels en leidingen Voor de voorgenomen ontwikkeling is rekening gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen. In de beginfase van de planvorming is een KLIC-melding gedaan. Uit de resultaten van deze KLIC-melding blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Kabels die gebruikt worden voor het zonnepark zijn vlamdovend en worden ondergronds aangelegd.
5.8 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval bij de productie, opslag en het transport van gevaarlijke stoffen en de kans dat hierbij dodelijke slachtoffers vallen. In het geval van een ruimtelijk plan dient het milieuaspect externe veiligheid onderzocht te worden. Het planvoornemen kan risicobronnen in het kader van externe veiligheid mogelijk maken en of bestaande risicobronnen kunnen invloed hebben op het plan. Deze risico's moeten worden beschouwd om te onderzoeken of het planvoornemen voldoet aan de geldende normen. Beleidskader Het landelijke beleidskader valt uiteen in verschillende besluiten en regelingen voor de verschillende typen risicobronnen. Risicobronnen in het kader van Externe veiligheid zijn inrichtingen (bedrijven met gevaarlijke stoffen), infrastructuur zoals auto-, spoor- of vaarwegen, en buisleidingen voor het transport van aardgas. • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). • Voor transportroutes over de weg, het water en het spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). • Daarnaast is in sommige gevallen het Activiteitenbesluit milieubeheer en/of het Vuurwerkbesluit van toepassing.
Toetsingskader Externe veiligheid (geldt voor Bevi, Bevt en Bevb) maakt onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Het plaatsgebonden risico kan beperkingen opleggen voor de bouw van (beperkt) kwetsbare objecten. Zoals woningen, kantoren en andere gebouwen waarin personen aanwezig zijn. Voor het bouwen van kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risicocontour van 1*10-6 per jaar als grenswaarde. • Het groepsrisico is de kans dat een groep mensen komt te overlijden in de omgeving van een risicobron. Door de ontwikkeling van een planvoornemen kan het groepsrisico van de risicobron toenemen. Het groepsrisico wordt bepaald voor zowel de huidige situatie als de situatie na ontwikkeling van het planvoornemen. Het groepsrisico wordt weergegeven ten opzichte van de oriëntatiewaarde. • Wanneer sprake is van een toename van het groepsrisico (een verhoging ten opzichte van de oriëntatiewaarde tussen bestaande situatie en toekomstige situatie) is het bevoegd gezag conform de bovengenoemde besluiten (Bevi, Bevt en Bevb) verplicht het groepsrisico in meer of mindere mate te verantwoorden. In de verantwoording groepsrisico motiveert het bevoegd gezag hoe om te gaan met de risico's ten gevolge van externe veiligheid.
Relatie met voorgenomen ontwikkeling De risicokaart is geraadpleegd om in beeld te brengen of in de nabije omgeving van het besluitgebied risicobronnen (productie, transport, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen) aanwezig zijn. Een uitsnede van de risicokaart is weergegeven in onderstaande figuur. De kaartuitsnede laat zien dat er geen risicobronnen in of vlak bij het zonnepark aanwezig zijn. Een buisleiding is gelegen op ruim 330 meter, dit betreft een pijpleiding van Defensie. Ten noordwesten van het zonnepark bevinden zich het spoor en de rijksweg A73. De spoorweg en de A73 zijn onderdeel van het ‘basisnet wegverkeer, zonder PAG-indicatie’. Een zonnepark is geen gevoelig object of inrichting dat formeel een veiligheidscontour kent. Ook is een zonnepark conform het Bevi, Bevt, en/of het Bevb niet te kwalificeren als een risicobron in het kader van externe veiligheid. Tevens is de Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 61
voorgenomen ontwikkeling niet te kwalificeren als een kwetsbaar object conform het Bevi. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling niet relevant is in het kader van externe veiligheid. Wel betreft een zonnepark een inrichting die energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Daarnaast zorgt het energieopslagsysteem (EOS) voor opslag van energie middels batterijen. De technische installaties bij een EOS zijn vergelijkbaar met omvormers en transformatoren van het zonnepark. Voor een EOS wordt gebruik gemaakt van lithium-ion accu’s. Voor deze accu’s is een Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 37-1) in ontwikkeling. Deze PGS-richtlijn heeft betrekking op o.a. energieopslagsystemen. Op dit moment zijn geen veiligheidsafstanden bekend met betrekking tot energieopslagsystemen en de daarbij horende batterijen/accu’s. Verder worden de normen vanuit de PGS 37-1 gevolgd. Net als bij het zonnepark kan, afhankelijk van het type EOS, brand een mogelijk risico zijn. Hiervoor is overleg gevoerd met de veiligheidsregio Limburg-Noord. In overleg met de Veiligheidsregio worden afspraken gemaakt over hoe te handelen wanneer zich een calamiteit voordoet.
Om de veiligheid te waarborgen wordt rondom het zonnepark een hekwerk van maximaal 2,50 meter hoog geplaatst en staat op ruime afstand van de zonnepanelen waardoor onbevoegde personen niet bij de zonnepanelen kunnen. Het hekwerk wordt zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken en achter de beplanting geplaatst. Om de 50 meter wordt een opening in het hekwerk gemaakt, zodat kleine grondgebonden zoogdieren het besluitgebied kunnen betreden. Daarnaast wordt het zonnepark niet openbaar toegankelijk. Toegang tot het terrein voor beheer, onderhoud en calamiteiten wordt gefaciliteerd met een afgesloten poorten. Met hulpdiensten, zoals de brandweer, worden afspraken gemaakt voor toegang in geval van nood. Hiervoor zijn gesprekken met de Veiligheidsregio gevoerd en is het plan aangepast waar nodig. Zo zijn meerdere toegangspoorten gerealiseerd, de transformatoren dichter bij de toegangspoorten geplaatst en worden geboorde putten geplaatst ten behoeve van de toevoer van bluswater.
Afbeelding 40. Uitsnede kaart ‘veilige omgeving’ (bron: Atlas Leefomgeving).
Door de initiatiefnemer is een uitgebreid analyserapport geschreven waarin inzicht wordt verschaft in de verschillende veiligheidsaspecten. Deze rapportage is bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Er is reeds overleg geweest met een gespecialiseerd adviseur Veilige Energietransitie van Veiligheidsregio Limburg-Noord. In samenspraak met de veiligheidsregio zijn risico-reducerende maatregelen genomen die zijn Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 62
verwerkt in het plan. De maatregelen zijn bedoeld om de kans op een incident te verlagen en de gevolgen van een incident te verkleinen. De maatregelen met een ruimtelijk impact zijn: - De transformatoren, omvormers en inkoopstation aan de wegzijde plaatsen zodat ze ingeval van een calamiteit bereikbaar zijn voor de brandweer, conform gemeentelijk beleid bluswatervoorziening en bereikbaarheid. - De transformatoren, omvormers en inkoopstation voorzien van noodschakelaars om de stroomtoevoer vanuit het zonnepaneelveld af te schakelen. - De ondergrond binnen minimaal 1,5 meter van een systeem of station vrij te houden van begroeiing. - De behuizing van de transformatoren en omvormers brandwerend van binnen naar buiten uitvoeren, minimaal 30 minuten brand door en brand overslag. - Langs de perceelgrens en het zonnepaneelveld een strook van minimaal 1 meter vrij te houden van begroeiing. - In het grasland en de paneelvelden compartimentering toepassen met “vakken” van maximaal 2.500 m2, te creëren door panelen minimaal 2 meter uit elkaar te plaatsen en stroken van minimaal 2 meter vrij te houden van begroeiing. - Bekabeling vlamdovend uitvoeren tussen de vakken/compartimenten. - Een bluswatervoorziening met een capaciteit van minimaal 60 m3/uur te realiseren ter hoogte van de inkoopstations en in de nabijheid van de systemen, zoals transformatoren en omvormers.
Positie is nader te bepalen in overleg. Het milieuaspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
5.9 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De realisatie van voorliggend plan levert geen hinder of belemmering op voor omliggende bedrijven en gevoelige functies.
Een zonnepark is geen gevoelige bestemming en behoeft daarmede geen bescherming. Wel worden binnen het besluitgebied transformatoren en omvormers geplaatst. In de VNG-uitgave behoort voorliggende ontwikkeling tot de categorie ‘Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen’. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is zekerheidshalve uitgegaan van een transformatorcapaciteit tot 100 MVA. De grootste richtafstand tot gevoelige bestemmingen is 50 meter. Voor de omvormers is de Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 63
vergelijking gemaakt met de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. Voor de EOS geldt vanwege de geluidsproductie van de batterijen, een bronvermogen van 80 dB(A) een richtafstand van 200 meter. Voor de benodigde technische installaties wordt een richtafstand voor geluid aangehouden van 50 meter. Voor de EOS is een afstand van 200 meter aangehouden. De woning aan de Kleine Bergerweg 3 is op kortere afstand dan 50 meter van het zonnepark gelegen. Datzelfde geldt voor de Kleine Bergerweg 7. Voor de Kleine Bergerweg 7 geldt dat de opstelling van pv-panelen en technische installaties op circa 100 meter van de woning zijn gelegen, aangezien een groot deel wordt gebruikt voor de landschappelijke inpassing. Voor wat betreft de woning aan de Kleine Bergerweg geldt dat technische installaties, welke geluid produceren, op minimaal 50 meter van de woning worden gerealiseerd. De EOS en het inkoopstation zijn op 200 meter van de woning gelegen.
5.10 Verkeer en parkeren Voorliggend plan leidt niet tot een wezenlijke verhoging van de verkeers- en parkeerbelasting in het besluitgebied of de directe omgeving. Gedurende de aanleg- en ontmantelingsfase ontstaat een tijdelijke piek in het aantal verkeersbewegingen van en naar het besluitgebied. Echter is dit van tijdelijke duur. In de exploitatiefase zijn enkel verkeersbewegingen benodigd voor onderhoud en beheer. Deze momenten zijn op zeer geringe basis. Binnen het besluitgebied worden hiervoor parkeerfaciliteiten gecreëerd. Het besluitgebied wordt ontsloten via de Kleine- en Grote Bergerweg en ’s Heerenkampsweg . Dit gebeurt op een veilige wijze en levert geen hinder op voor omwonenden. Tijdens de bouwfase zal de meeste verkeersbeweging plaatsvinden via de Grote Bergerweg en ’s Heerenkampsweg zodat de Kleine Bergerweg wordt ontzien. Hierbij wordt rekening gehouden met de woningen die aan deze wegen zijn gesitueerd.
5.11 Vormvrije m.e.r-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in de ‘D-lijst’ van het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan over activiteiten die voorkomen op de D-lijst beoordeeld moet worden of er een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten.
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 64
Het project maakt een (tijdelijke) functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. Dergelijke ontwikkelingen zijn geen onderdeel van de D-lijst van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. is niet nodig voor het voorgenomen plan. Uit jurisprudentie9 is gebleken dat een zonnepark niet kan worden aangemerkt als een ‘industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water’ (cat. D 22.1), omdat een zonnepark geen thermische (verbrandings)installatie is. In een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie. Daarnaast is uit diezelfde uitspraak gebleken dat een zonnepark evenmin kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (cat. D 11.2). Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een zonnepark kan naar het oordeel van de Afdeling niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de gevolgen voor het milieu van een zonnepark in de kern beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting.
Om dit te voorkomen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld door Eelerwoude (zie separate bijlage en paragraaf 2.4). Een uitwerking van de milieuaspecten is in hoofdstukken 4 en 5 te vinden. Daaruit blijkt dat het zonnepark geen milieugevolgen of hinder veroorzaken voor de omgeving. Het zonnepark wordt aangelegd met respect voor de bodem en door de open cultuur is hier geen schade te verwachten. De constructie wordt zodanig aangelegd dat er geen schade ontstaat en het systeem makkelijk demontabel is. De locatie is onderzocht op het gebied van aanwezige ecologische waarden. Voor de volledigheid verwijzen wij ook naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018 en zaaknummer 18_689, waarin bevestigd wordt dat een vergelijkbaar project niet valt binnen de categorie D van het Besluit m.e.r. en er geen beoordeling nodig is. Deze uitspraak is op 14 augustus 2019 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en na te zien onder het zaaknummer 2019:2770. Gelet op de kenmerken van het project, en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Eén en ander blijkt tevens uit dit hoofdstuk (5) waarbij uitgebreid is ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten.
5.12 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
9
Zie: ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770. Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 65
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan. De ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid worden omschreven.
6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In de voorgaande hoofstukken is omschreven op welke manier het voorgenomen plan past binnen het relevante overheidsbeleid. Hieruit is gebleken dat er voor de uitvoering van het project geen ruimtelijke en milieukundige belemmeringen zijn. Op dit aspect is het project dan ook uitvoerbaar.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Omgevingsproces De initiatiefnemer hecht veel waarde aan de betrokkenheid van de lokale gemeenschap in gemeente Roerdalen. Hiertoe is door de initiatiefnemer een participatieplan opgesteld (zie separate bijlagen). Het procesparticipatieplan beschrijft hoe de omgeving betrokken is gedurende de planvorming. Het financieel participatieplan beschrijft hoe de lokale omgeving financieel kan participeren rondom de voorgenomen ontwikkeling. Communicatie en procesparticipatie Bij de planvorming van Zonnepark Kleine Bergerweg zet de initiatiefnemer in op een goede communicatie en procesparticipatie. Met de aanpak op gebied van participatie sluit de initiatiefnemer aan bij de Gedragscode Zon op Land, hiertoe is een separaat communicatie- en procesparticipatieplan gemaakt. Financiële participatie Solar Provider Group heeft een profijtplan opgesteld om in gesprek te gaan met coöperaties en omwonenden om hen te informeren over de mogelijke opties voor financiële participatie. Hierbij valt te denken aan: - Lokaal (mede)-eigenaarschap - Obligaties - Omgevingsfonds - Korting op de energierekening - Stimulering zon op dak In de separate bijlage wordt nader ingegaan op de verschillende manieren van financiële participatie
6.3.2 Vooroverleg Het Rijk Geoordeeld is dat dit ruimtelijke plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Limburg Het plan wordt voor vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, toegezonden aan de provincie Limburg. Veiligheidsregio Limburg-Noord Er is reeds overleg geweest met een gespecialiseerd adviseur Veilige Energietransitie van Veiligheidsregio Limburg-Noord. De uitkomsten van dit overleg zijn uiteengezet in paragraaf 5.8. Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 66
Waterschap Limburg Het plan wordt voor vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, toegezonden aan Waterschap Limburg.
6.3.3 Crisis- en herstelwet is van toepassing Op het besluit is afdeling 2 hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing, want het betreft een ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie als omschreven in bijlage I bij de Crisis- en herstelwet. Dit betekent onder andere dat belanghebbenden in het beroepschrift gemotiveerd moeten aangeven welke beroepsgronden worden aangevoerd. Het beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard bij het ontbreken van de beroepsgronden binnen de beroepstermijn. Na afloop van de beroepstermijn kunnen de beroepsgronden niet meer worden aangevuld. In het beroepschrift moet worden aangegeven dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is.
6.4 Economische uitvoerbaarheid 6.4.1 Kostenverhaal gemeente Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin onder andere de verhalen van eventuele planschade wordt geregeld. De vaststelling van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.
6.4.2 Financiering zonnepark De realisatie van het zonnepark doet de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico. Daarnaast kan voor de realisatie van het zonnepark een SDE++ worden aangevraagd nadat de omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonnepark is verleend.
6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 67
Bijlagen
Zonnepark Kleine Bergerweg | Eelerwoude | 68