04 Bijlage 1. Keuzenotitie omgevingsplan versie 1.0
Tekst van het document
De gemeente kan wel verduidelijken waar het omgevingsplan zich op richt, met andere woorden: welke doelen, met het oog op de doelen van artikel 1.3 Omgevingswet worden nagestreefd. Als in het omgevingsplan geen uitwerking van de doelen is opgenomen, gelden de maatschappelijke doelen van de wet. Het opnemen van een specifieke doelstelling kan de beheerslasten verlagen aangezien de doelstelling doorwerkt in het VTH-proces op grond van het omgevingsplan. Bijvoorbeeld bij het opstellen van maatwerkvoorschriften op basis van het omgevingsplan of bij het beoordelen van gelijkwaardige maatregelen. De doelstelling kan daarnaast ook doorwerken in de zorgplicht. Bij het bepalen of aan de zorgplicht is voldaan, kan betekenis toekomen aan de doelstelling. Tot slot kan de doelstelling van het omgevingsplan doorwerken in de manier waarop activiteiten worden gereguleerd. Voor de beginfase wordt er voor gekozen om in artikel 2.1 uit te gaan van de vaste, en relevante, doelen die voortvloeien uit de Omgevingswet en de gemeentelijke Omgevingsvisie. Dit is in beginsel 6 Dit betreft de bruidsschat die van rechtswege in het tijdelijke omgevingsplan staat
23
een vaste opsomming van doelen die in zekere mate in elk gebied relevant zijn. In artikel 2.2 is ruimte om doelen die specifiek relevant zijn voor de betreffende wijziging van het omgevingsplan op te nemen. Dit zijn optionele doelen die per gebied kunnen verschillen. Deze worden alleen opgenomen als de algemene doelen hierin onvoldoende voorzien of als een nadere concretisering gewenst is. Algemene doelen Het omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op: a. het beschermen van Roerdalen als een landelijke en groene gemeente; b. het waarborgen van een prettig woon-, werk- en reactief klimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; g. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; h. het behoud van cultureel erfgoed; i. de natuurbescherming; j. het tegengaan van klimaatverandering en waarborgen van duurzaamheid; k. de kwaliteit van bouwwerken; l. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; m. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; n. het beheer van infrastructuur; o. het beheer en behoud van watersystemen; p. het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; q.
het beheer van natuurlijke hulpbronnen; r. het beheer van natuurgebieden; s. het gebruik van bouwwerken; t. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. 4.3 Basisregelset Om van het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege tot het daadwerkelijke omgevingsplan te komen wordt, zoals in hoofdstuk 3 al aangegeven, voorgesteld om te starten met de transformatie van de huidige bestemmingsplanregels (al dan niet fasegewijs per type gebied). Aansluitend bij de voorgestelde inhoudsopgave worden dan de huidige ruimtelijke regels uit onze huidige bestemmingsplannen gegroepeerd en vertaald naar de juiste plek in de structuur van het omgevingsplan (met name de hoofdstukken 4 en 5). Deze regels vormen dan de (beleidsneutrale) basisregelset. Het voordeel van het werken met een basisregelset is dat wij als gemeente zelf de opzet en inhoud van het (eerste) nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen en dit niet overlaten aan de eerste initiatiefnemer die voor een bepaald project het tijdelijke omgevingsplan moet wijzigen in een nieuw deel en hierbij dan zelf de opzet bepaalt. De wetgever heeft namelijk bepaald dat er maar één omgevingsplan voor het gehele ambtsgebied van de gemeente mag zijn.
4.4 Vervolgproces vullen omgevingsplan Nadat de basis regelset is opgesteld, dit kan eventueel in de vorm van een pilot bij een eerste project, en verankerd in het DSO is de vervolgstap om op basis van de keuzes over de ontwerpvragen uit hoofdstuk 3 deze basis regelset verder aan te vullen door het toevoegen van de onderdelen/regels van de verordeningen en beleidsregels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en daarna de bruidsschat. 24
Het opstellen van het omgevingsplan is en blijft voorlopig echter een proces waarbij we al doende zullen leren. Dit leidt onherroepelijk tot gewijzigde inzichten. Het proces dat we volgen zal dus vooral lerend zijn. Het blijft altijd mogelijk om ook de opbouw van het omgevingsplan weer aan te passen. Als dat noodzakelijk en aan de orde is, zal hierover afzonderlijke besluitvorming plaatsvinden. Het is overigens wel onze ambitie de regels van het omgevingsplan uiteindelijk zodanig vorm te geven dat de regelgeving kan bijdragen aan betere en snellere besluitvorming. Denk bijvoorbeeld aan een beter inzicht vooraf over vergunningplichten en indieningsvereisten. Wij zullen daarom vanuit de bedoeling van de Omgevingswet voor alle regels (zoveel als mogelijk beleidsneutraal) nagaan of ze nodig zijn (deregulering), of ze begrijpelijk zijn (juridisch) en of ze toepasbaar gemaakt moeten worden. Toepasbare regels zijn een vertaling van de juridische regels voor activiteiten in de vorm van een vragenboom. Initiatiefnemers kunnen door deze vragenbomen in het DSO direct hun initiatief toetsen. Het maken van toepasbare regels op basis van het omgevingsplan is echter geen verplichting. In de overgangsfase wordt daarom de nadruk eerst gelegd op het stapsgewijs opbouwen van het volwaardige nieuwe omgevingsplan.
Pas daarna zal worden bekeken of op basis van het omgevingsplan toepasbare regels kunnen worden opgesteld. Te wijzigen en vast te stellen onderdelen van het omgevingsplan zullen voor besluitvorming worden voorgelegd aan de gemeenteraad of het college (indien hiervoor een delegatiebesluit is genomen).
25
5.
Bruidsschat en verordeningen
5.1 De bruidsschat Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit Omgevingswet voor dat deze regels, voor gemeenten, automatisch in het tijdelijke omgevingsplan komen. Deze regels noemt men de 'bruidsschat'. De bruidsschat bestaat uit regels die ruwweg kunnen worden ingedeeld in drie thema’s: • activiteiten met betrekking tot bouwen, open erven en terreinen; • milieubelastende activiteiten; • overige activiteiten. Het overzetten van deze rijksregels is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. Wel is de bruidsschat aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Ze voldoen echter nog niet aan álle eisen van de Omgevingswet. Bovendien kunnen de regels afwijken van lokale regels. De bruidsschat is, zoals eerder al beschreven, onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan en staat al in het omgevingsloket van het DSO. De bruidsschat vormt daardoor digitaal gezien het eerste omgevingsplan en bestaat uit: • een hoofdstuk 1 met artikel 1.1 waarin de begripsbepalingen zijn opgenomen; • een hoofdstuk 22 waarin regels over activiteiten zijn opgenomen. Een (deel)omgevingsplan dat in het omgevingsloket van het DSO wordt geplaatst, vormt samen met de bruidsschat digitaal gezien één geconsolideerd omgevingsplan.
Dat omgevingsplan bestaat dan uit een tijdelijk deel (de bruidsschat) en een nieuw deel. De begripsbepalingen in de hoofdstukken 1 van de bruidsschat en het (deel)omgevingsplan dienen op elkaar aan te sluiten c.q. mogen geen overlap hebben. Hoofdstuk 22 van de bruidsschat zal in het begin van de overgangsfase als een apart tijdelijk hoofdstuk in het geconsolideerde omgevingsplan blijven staan. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen we de bruidsschatregels omzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. We mogen zelf bepalen of we de regels van de bruidsschat ongewijzigd omzetten, ze aanpassen en omzetten of laten vervallen. Enkele redenen om de regels uit de bruidsschat kritisch te bekijken zijn: • het aanpassen van de regels aan de situatie in de gemeente. Bijvoorbeeld indien er sprake is van een gebied waarin handhavers niet makkelijk kunnen werken met bijvoorbeeld de standaard geluidvoorschriften uit de bruidsschat; • het vereenvoudigen of verruimen van de regels en normen. Denk hierbij aan een bedrijventerrein waarbij de set geluidvoorschriften uit de bruidsschat wordt vervangen door een voorschrift om inpandig te laden en te lossen; • het schrappen van regels over activiteiten die niet in de gemeente voorkomen.
Door specifieke zorgplichten in de bruidsschat is er altijd een vangnet voor gevallen waarin zo'n regel toch nodig blijkt; • het opstellen van maatwerkvoorschriften voor bijzondere situaties. Denk aan een enkel bedrijf dat op korte termijn niet kan voldoen aan de regels van de bruidsschat. Hiervoor kunnen maatwerkvoorschriften worden opgesteld; • het aanpassen van de regels aan nieuwe ontwikkelingen. Denk aan technische ontwikkelingen of milieu gerelateerde aspecten.
26
Gezamenlijk met de MER gemeenten en Omgevingsdienst is een werkgroep bruidsschat samengesteld die bezig is met de inhoudelijke beoordeling van de bruidsschat. De voorstellen en keuzes die uit deze werkgroep naar voren komen en moeten leiden tot een inpassing in het nieuwe omgevingsplan en worden nog afzonderlijk voor besluitvorming voorgelegd. Indien de uitvoeringspraktijd met zich meebrengt dat bepaalde onderwerpen uit de bruidsschat eerder gewijzigd moeten worden vastgelegd in het omgevingsplan dan wordt dit onderdeel naar voren gehaald in de planning. Niet alle regels uit de bruidsschat voldoen namelijk aan de eisen van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betreft met name de regels voor geur, geluid en trillingen. Indien noodzakelijk wordt deze onderdelen eerder in een afzonderlijk wijzigingsbesluit voorbereid. Op dit moment is deze noodzaak er overigens niet. 5.2 Verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven maakt een aantal verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving van rechtswege deel uit van het tijdelijke omgevingsplan: 1. de regels uit de gemeentelijke verordening over de archeologische monumentenzorg (artikel 38 eerste lid van de Monumentenwet 1988 zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet); 2. de gemeentelijke geurverordening (artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij); 3.
de gemeentelijke verordening over het afvloeien van hemelwater (artikel 10.32a Wet milieubeheer). Daarnaast zijn er regels voor de fysieke leefomgeving die nu nog in andere dan de hierboven genoemde gemeentelijke verordeningen staan, bijvoorbeeld in de APV en de Bouwverordening. Deze maken geen deel uit van het tijdelijke Omgevingsplan en worden ook niet zichtbaar in het DSO. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt voor alle in werking zijnde verordeningen, nadere regels en ook beleidsregels voor Roerdalen, die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, geïnventariseerd welke grondslag deze hebben en welke verwijzingen naar wet- en regelgeving er in deze verordeningen en regels staan en komen te vervallen als gevolg van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze technische aanpassingsronde is nodig om de rechtsgeldigheid van deze verordeningen in stand te houden na inwerkingtreding van de Omgevingswet voor zolang dat deze nog niet zijn verankerd in het nieuwe omgevingsplan. Dit wordt middels een afzonderlijk raadsbesluit aan de gemeenteraad voorgelegd. Stap 2 is vervolgens een inventarisatie van de regels uit verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving en overheveling hiervan naar het omgevingsplan. Tot dat de verordeningen zijn verwerkt in het Omgevingsplan, blijven de verordeningen gewoon gelden.
De gemeente heeft tot eind 2029 de tijd om de noodzakelijke regels uit de verordeningen om te zetten naar het Omgevingsplan.
27
De gemeentelijke verordeningen die van rechtswege onderdeel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan zijn niet zonder meer in het omgevingsloket (als aparte laag) zichtbaar en het is dus aan de gemeente om te bepalen hoe ze daarmee om gaat. Het is bijvoorbeeld mogelijk om deze verordeningen als het type beheersverordening alsnog op www.ruimtelijkeplannen.nl te plaatsen door middel van een werkingsgebied met daaraan een PDF gekoppeld. Dan worden ook deze regelingen automatisch via de overbruggingsfunctie in het omgevingsloket van het DSO getoond. Er ontstaat dan een vergelijkbare situatie als voor bestemmingsplannen; de laag ‘verordeningsregels’ is apart in het omgevingsloket zichtbaar als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Een andere mogelijkheid om de zichtbaarheid van deze gemeentelijke verordeningen te regelen, is om bij het opstellen van het eerste (deel)plan meteen de regels die zien op de fysieke leefomgeving uit deze gemeentelijke verordeningen over te hevelen uit het tijdelijke deel naar het volwaardige omgevingsplan. Vanwege capaciteit richten we ons nu eerst op de minimale acties die vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten worden uitgevoerd en het opstellen van en basisregelset. Vooralsnog worden er geen werkzaamheden uitgevoerd wat betreft de zichtbaarheid van de bedoelde gemeentelijke verordeningen in het omgevingsloket.
28
6. Omgevingswaarden en programma’s 6.1 Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is één van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stellen en meetbaar zijn. De rijksomgevingswaarden zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met een omgevingswaarde legt de gemeente de kwaliteit vast die ze voor de fysieke leefomgeving wil bereiken. Gemeenten mogen alleen omgevingswaarden vaststellen op terreinen waar het Rijk of de provincie dat niet hebben gedaan. In sommige gevallen mag de gemeente wel aanvullende of strengere omgevingswaarden vaststellen. Het Rijk of de provincie geeft bij de omgevingswaarde aan of deze mogelijkheid bestaat. Een gemeente kan geen strengere omgevingswaarde vaststellen als dat leidt tot onevenredige nadelen voor andere aspecten van de leefomgeving. Afwijkende omgevingswaarde Een afwijkende omgevingswaarde is een norm die afwijkt van een omgevingswaarde van het Rijk, bijvoorbeeld als de gemeente een strengere norm voor fijnstof wil hanteren. Aanvullende omgevingswaarde Een aanvullende omgevingswaarde geeft een norm die van belang is voor een onderwerp dat het Rijk regelt, terwijl die norm toch niet afwijkt van wat het Rijk regelt. Emissie van roet bijvoorbeeld, is een onderdeel van het onderwerp luchtkwaliteit. Het Rijk stelt eisen aan luchtkwaliteit.
De eisen gaan echter niet specifiek over roet, dus hier is een aanvullende omgevingswaarde mogelijk. Strengere afwijkende omgevingswaarde De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit, zwemwater en grond- en oppervlaktewaterkwaliteit komen voort uit Europese richtlijnen. Deze Europese normen hebben een minimale resultaat- of inspanningsverplichting. Een afwijkende omgevingswaarde mag daarom alleen strenger zijn. Provincies en gemeenten krijgen daarmee extra ruimte om vorm te geven aan lokale of regionale kwaliteitsambities. Provincies en gemeenten mogen aanvullende en afwijkende (strengere) omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit. Bij een aanvullende of afwijkende omgevingswaarde moet de gemeente of provincie ook de economische effecten betrekken. Het gaat dan om effecten op vestigingsklimaat, werkgelegenheid en bereikbaarheid. Voor zwemwater en grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mag alleen de provincie afwijkende waarden vaststellen. Andere omgevingswaarden dan het Rijk heeft vastgesteld Een provincie of gemeente kan zelf besluiten om een omgevingswaarde te stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Zo stelt het Bkl geen omgevingswaarde voor geurof lichthinder. Een provincie of gemeente kan hier wel voor kiezen. Hierbij weegt de overheid de samenhang van het beschermen en benutten van de leefomgeving af (artikel 2.1, lid 3 en 4 Omgevingswet).
Als een gemeente zelf omgevingswaarden vaststelt, moet ze hiervoor onderzoek laten doen door een onafhankelijk deskundige. Behalve als de omgevingswaarden worden gesteld op grond van instructieregels van het Rijk of de provincie. Op dit moment zijn er vanuit de diverse specialismen/milieuthema’s nog geen definitieve keuzes gemaakt om voor het grondgebied van de gemeente Roerdalen een afwijkende omgevingswaarde vast te leggen. Indien dit in een latere fase nodig blijkt/wenselijk is, wordt dit afzonderlijk ter besluitvorming voorgelegd.
29
Botsende belangen Een omgevingswaarde heeft direct invloed op de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld op wat er gebouwd mag worden. Daarom kan een omgevingswaarde botsen met andere belangen. De overheid moet altijd rekening houden met de samenhang tussen al die verschillende aspecten en belangen. Dit volgt uit artikel 2.1 lid 2 van de Omgevingswet. Een overheid mag geen strengere omgevingswaarde vaststellen als dat tot onevenredige nadelen voor andere aspecten van de leefomgeving leidt. Gemeenten mogen geen decentrale omgevingswaarden stellen die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg of hoofdspoorweg rechtstreeks belemmeren (artikel 5.163 Bkl).
Verplichte omgevingswaarde Het geluidsproductieplafond bij industrieterreinen is de enige verplichte omgevingswaarde die opgenomen moet worden in het omgevingsplan. Roerdalen heeft 3 gezoneerde industrieterreinen. Voor alle gezoneerde industrieterreinen moeten de huidige geluidzones worden omgezet naar de systematiek van geluidproductieplafonds (GPP’s). Dit zijn referentiepunten gelegen rondom het industrieterrein. Het moment waarop de zonering van industrieterreinen uiterlijk moet zijn omgezet is nu nog niet bekend. Waarschijnlijk wordt dat ook 31-12-2029 (einde van de overgangsfase). De industrieterreinen moeten in ieder geval zijn omgezet wanneer voor een industrieterrein een omgevingsplan wordt opgesteld. Op dat moment is het noodzakelijk dat de zoneboekhoudingen van de industrieterreinen geüpdatet en geactualiseerd zijn. Een extern adviesbureau zal de berekeningen en rapportages voor het bepalen van de GPP’s moeten maken, tenzij in RUD-verband werkzaamheden worden opgepakt. Voor zover bekend zijn er op dit moment geen gezoneerde industrieterreinen waarbij op voorhand aanpassing eerder dan het einde van de overgangsfase gewenst is. 6.2 Programma’s Het instrument programma is, evenals de omgevingsvisie, een beleidsinstrument.
Het programma is een flexibel instrument dat de gemeente kan toepassen om de ambities en opgaven die zijn opgenomen in de omgevingsvisie nader uit te werken. In een programma formuleert de gemeente maatregelen die leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 30
Er zijn onder de Omgevingswet vier soorten programma’s, twee daarvan zijn verplicht: • verplichte programma’s vanwege Europese richtlijnen; • verplichte programma’s bij het overschrijden van een omgevingswaarde; • programmatische aanpak; • vrijwillig programma. De gemeente Roerdalen hoeft geen verplicht programma op te stellen, maar kan er dus wel voor kiezen om een vrijwillig programma op te stellen. Een vrijwillig programma wil zeggen dat dit type programma uit eigen initiatief en behoefte inzetbaar is. Het zijn programma’s waarmee je als gemeente kunt laten zien welke doelen je belangrijk vindt en graag binnen een bepaalde termijn wilt behalen, waarbij concreet gemaakt moet worden hoe je dat doel precies wilt behalen. Het vrijwillige programma komt het meest voor en is een flexibel instrument. Je kunt bijvoorbeeld de inzet van andere instrumenten aankondigen, aangeven dat je een subsidieregeling wilt starten, beleidsregels wil opstellen, een communicatiecampagne beginnen, een samenwerkingsverband wil aangaan of de uitvoering van projecten ter hand wil nemen. Onderwerpen als energietransitie, klimaatadaptatie, gebiedsontwikkeling, verkeer en vervoer lenen zich goed om uit te werken in een programma. Programma's kunnen gelijktijdig met of volgend op een omgevingsvisie door het college worden vastgesteld.
Met een programma committeert een overheid zich niet alleen aan het nemen van concrete, samenhangende maatregelen, het zorgt ook voor kenbaarheid van beleid. Het programma is zelfbindend. Dit betekent dat het alleen het bestuur zelf bindt. Een programma kan wel burgers en bedrijven stimuleren om die dingen te doen die helpen om de doelstellingen te halen. Er is geen sprake van direct toezicht of handhaving op een programma. Wel is er een monitoringsplicht voor het bindende orgaan. 6.2.1 Uitvoeringsprogramma Omgevingsvisie Roerdalen 2050 In 2020 en 2021 is in samenspraak met inwoners, ondernemers, bezoekers, ketenpartners en raadsleden de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 tot stand gekomen. De omgevingsvisie is op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Daarmee is de omgevingsvisie het belangrijkste ruimtelijke strategische kader voor de komende jaren. Om de doelen uit omgevingsvisie te kunnen realiseren zijn bij de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie (hoofdstuk 6: Werken met de Omgevingsvisie) maatregelen genoemd. Eén van deze maatregelen is het opstellen van een projectenlijst met daarin fysieke projecten (passend in de Omgevingsvisie Roerdalen 2050) die de komende jaren uitgevoerd gaan worden. De projectenlijst is verankerd in het Uitvoeringsprogramma Omgevingsvisie Roerdalen 2050.
In dit programma wordt de gemeentelijke projectenlijst, als concrete uitwerking van de omgevingsvisie, nader uitgewerkt en toegelicht en per project een relatie gelegd met de omgevingsvisie. Buiten het realiseren van projecten die bijdragen aan het bereiken van de doelen uit de omgevingsvisie is een projectenlijst ook noodzakelijk in het kader van kostenverhaal. In de omgevingsvisie is het Kwaliteitskader Roerdalen opgenomen, waarin voor projecten buiten de contour een (financiële) tegenprestatie wordt gevraagd. Voor deze te ontvangen financiële middelen moet worden aangetoond op welke wijze deze worden ingezet. Ook daarvoor dient het programma, omdat het projecten in samenhang met de omgevingsvisie en onderling tussen de projecten brengt. Tevens kan dit programma als opstap worden beschouwd voor de nadere uitwerking van het kostenverhaal binnen de gemeente. Hiermee kunnen we kostendragers (winstgevende projecten) inzetten voor de realisatie van projecten die geld kosten (zoals bijvoorbeeld de verdunningsgebieden). 31
Eén van de maatregelen die in een programma kan worden opgenomen, is het sturen op de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving door het opnemen van juridische bindende regels in het omgevingsplan. Uit het uitvoeringsprogramma Omgevingsvisie Roerdalen 2050 volgen geen juridische regels die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Indien er in de toekomst wel van zulke regels zijn vanuit andere/nieuwe uitvoeringsprogramma’s dan worden die verwerkt in het omgevingsplan.
32
7.
Instructieregels
7.1 Hoofdstuk 5 Besluit kwaliteit leefomgeving Een omgevingsplan moet worden opgesteld en gewijzigd conform de eisen van de Omgevingswet en voldoen aan de provinciale instructieregels en aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl stelt kaders aan het omgevingsplan. Hoofdstuk 5 van Het Bkl bevat de normen en instructieregels die gelden voor omgevingsplannen en die zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over het uitvoeren van taken en het gebruiken van instrumenten. De inhoud van het omgevingsplan wordt dus niet alleen bepaald door de onderdelen die er van rechtswege in zijn ondergebracht, maar ook door instructieregels van rijk en provincie. Deze instructieregels maken het noodzakelijk of juist onmogelijk, regels in het omgevingsplan op te nemen over activiteiten.
Hoofdstuk 5, afdeling 5.1, van het Bkl stelt regels met betrekking tot de volgende onderwerpen: • waarborgen van de veiligheid – externe veiligheid - (paragraaf 5.1.2) • beschermen van de waterbelangen, zoals primaire watergangen (paragraaf 5.1.3) • beschermen van de gezondheid en van het milieu - kwaliteit van de buitenlucht, geluid, trillingen, bodemkwaliteit, geur - (paragraaf 5.1.4) • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) • behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) In afdeling 5.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. De instructieregels in de genoemde afdelingen zijn inhoudelijk van aard en dus niet zozeer van invloed op de opbouw van het omgevingsplan. Wel moeten de instructieregels doorwerken, en dus een plek krijgen, in het omgevingsplan. De mate en de wijze waarop met deze instructieregels in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden is afhankelijk van de gekozen formulering.
Instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving kennen drie formuleringen: • betrekken bij – wat wil zeggen dat ze in de afweging moeten worden betrokken; • rekening houden met – wat wil zeggen dat er gemotiveerd van kan worden afgeweken als wel rekening wordt gehouden met de belangen van de instructieregels; • in acht nemen – wat wil zeggen dat de instructieregels dwingend zijn voorgeschreven zonder beoordelingsruimte of ruimte om daarvan af te wijken. De diverse instructieregels zijn grotendeels afkomstig uit bestaande wetgeving, zoals de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en betreft veelal zaken waarmee nu, bij het opstellen van een bestemmingsplan, ook rekening moet worden gehouden. In overleg met de specialisten van de MER-OD wordt een overzichtslijst opgesteld waarin de hiervoor genoemde onderwerpen zijn opgenomen. Uit deze lijst zal moeten blijken welke onderwerpen relevant zijn voor Roerdalen en dus terug moeten komen in het omgevingsplan.
33
7.2 Instructieregels provincie Limburg Alle provinciale regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in de Omgevingsverordening Limburg. Dit zijn regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels: 1. instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; 2. regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is inmiddels vastgesteld. Deze treedt in werking op het moment dat ook de Omgevingswet inwerking treedt. Bij het opstellen/wijzigen van het omgevingsplan moet met deze instructieregels rekening worden gehouden.
34
8.
Deregulering
De Omgevingswet geeft de decentrale overheid ruimte om verder te dereguleren met minder vergunningplicht als gevolg. De Omgevingswet gaat dus uit van het principe ‘decentraal, tenzij...’, De bevoegdheid om regels te stellen ligt daarmee voor een groot deel bij de gemeente. Zo kan er maatwerk geleverd worden dat past bij de lokale omstandigheden. Alleen als dat niet anders kan, stelt het Rijk regels. De Omgevingswet verwacht ook van de provincies dat die alleen in noodzakelijke gevallen regels stellen. Regels kunnen op verschillende manieren worden opgesteld: a. Algemene zorgplicht. De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en dus niet alleen de overheid. De algemene zorgplicht is vooral een vangnet als er geen specifieke decentrale regels of rijksregels van toepassing zijn. b. Specifieke zorgplicht voor bepaalde activiteiten. Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. c. Algemene regels waaraan degene die de activiteit uitvoert zich moet houden. Algemene regels zijn regels die voor iedereen gelden. Met 'iedereen' bedoelen we iedereen die iets doet of wil doen waarop de regels van toepassing zijn.
Activiteiten in het omgevingsplan kunnen worden geregeld door middel van een algemeen geldende regel, ook wel direct werkende regel. In een dergelijke regel staan concrete voorwaarden waar eenieder die de activiteit uitvoert, aan moet voldoen. d. Regels die stellen dat het verboden is een activiteit uit te voeren zonder dit vooraf te melden (meldingsplicht). Aan een algemene regel kan een informatie- of meldplicht worden gekoppeld. Bij het opnemen van een informatieplicht moet helder zijn wat er met de informatie gebeurt. Voorkomen moet worden dat initiatiefnemer onnodig informatie moet aanleveren. e. Regels die stellen dat het verboden is een activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning (vergunningplicht). Een vergunningplicht is geschikt voor activiteiten die uniek zijn. Ze komen niet vaak voor en het loont vaak niet de moeite om er algemene regels voor op te stellen. De keuze tussen een melding- of vergunningplicht roept onder meer de vraag op tussen toetsing vooraf of toezichthouden en handhaving achteraf. f. Regels die een activiteit verbieden (verbod). Dereguleren (mate en wijze) heeft sterke invloed op de benodigde gemeentelijke capaciteit, maar ook op de leges. De effecten werken tegengesteld, dus er is eigenlijk per saldo geen positief financieel effect (voor de gemeentelijke organisatie) te creëren door deregulering.
Bij het omzetten en vastleggen van de diverse ruimtelijke regels in het nieuwe omgevingsplan wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de uitgangspunt van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor deregulering. Vragen die we ons hierbij moeten stellen zijn hoe ontstaat er meer ruimte voor nieuwe ontwikkelingen (uitnodigingsplanologie) door bijvoorbeeld deregulering (minder regels en minder vergunningplichten), globaler bestemmen en het inbouwen van flexibiliteit door middel van afwegingsruimte.
35
9.
Overgangsrecht
Onder de oude wetgeving (voor inwerkingtreding van de Omgevingswet) is het op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht om standaardregels voor overgangsrecht in een bestemmingsplan op te nemen. 9.1
Het huidige overgangsrecht
Als er een nieuw planologisch kader wordt vastgesteld, kan de bestemming van een perceel veranderen. De mogelijkheden die een eigenaar had op zijn perceel, kunnen dan beperkt worden. Bijvoorbeeld een bestaand café dat niet meer is toegestaan, omdat de bestemming wijzigt van horeca naar wonen. Een café exploiteren is dan in strijd met het bestemmingsplan. Voor deze situaties bestaat overgangsrecht. Het overgangsrecht zorgt ervoor dat de bestaande legale situatie niet strijdig is met het bestemmingsplan. Een voorbeeldbepaling uit het bestemmingsplan ‘1e herziening Kernen Roerdalen’: “Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.” Ook voor bouwwerken is er overgangsrecht opgenomen. Het Besluit ruimtelijke ordening verplicht gemeenten om standaardregels zoals hierboven op te nemen in bestemmingsplannen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verdwijnt deze verplichting om standaard overgangsrecht op te nemen. Gemeenten kunnen zelf het overgangsrechtelijke regime bepalen voor het omgevingsplan. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om meer differentiatie aan te brengen in het overgangsrecht, zodat maatwerk kan worden geboden. 9.2
Waarom geen verplicht standaard overgangsrecht meer?
Het loslaten van verplicht standaard overgangsrecht heeft ermee te maken dat het omgevingsplan een ander uitgangspunt heeft dan het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat uit van toelatingsplanologie: er kunnen enkel verbodsbepalingen in het bestemmingsplan staan opgenomen. Een eigenaar kan daarom niet verplicht worden om een bestemming uit te voeren. Evenmin kan hij verplicht worden om bestaand gebruik te wijzigen. Het omgevingsplan heeft een ander karakter dan het bestemmingsplan. De gemeente mag in het omgevingsplan gebodsbepalingen opnemen. Een gebodsbepaling is een plicht om een bestaande feitelijke situatie te wijzigen. Het belang van de fysieke leefomgeving kan de plicht rechtvaardigen om een bestaande toestand te wijzigen. Standaard overgangsrecht kan dit beperken. De toelichting bij het Omgevingsbesluit vermeld hierover het volgende: “Overgangsrecht beperkt de mogelijkheid voor gemeenten die het gebruik van gronden wilden wijzigen om zelf locatie specifieke afwegingen te maken en, binnen de grenzen van de beginselen van rechtszekerheid, evenredigheid en zorgvuldigheid, tot maatwerkoplossingen te komen. Zeker nu het omgevingsplan ook onderwerpen zal reguleren waarvoor het niet nodig en ook niet wenselijk is om altijd eerbiedigend overgangsrecht op te nemen, kan er geen gestandaardiseerd eerbiedigend overgangsrecht meer worden voorgeschreven.”. 9.3
Vertaling naar het omgevingsplan
Geen verplicht standaard overgangsrecht betekent niet dat er geheel geen overgangsrecht meer mogelijk is in het omgevingsplan. Er wordt maatwerk geboden en per geval bekeken of er overgangsrecht in het omgevingsplan moet worden opgenomen en, zo ja, wat de inhoud van dat overgangsrecht moet zijn. Hierbij zal er steeds een belangenafweging moeten worden gemaakt. Ook blijft het overgangsrecht zoals we dat onder het Besluit ruimtelijke ordening kennen bruikbaar. Het wordt alleen niet meer als standaard voorgeschreven. 36
De verdere juridische uitwerking en vertaling naar het omgevingsplan word nader bekeken bij de verder uitwerking van de opbouw van het omgevingsplan c.q. de eerste wijziging van het omgevingsplan (maatwerk per geval). Enkele aandachtspunten op voorhand zijn de volgende: Algemene beginselen Het is niet zo dat bij het ontbreken van een wettelijke plicht tot het opnemen van overgangsbepalingen in een omgevingsplan, in iedere situatie zonder meer van dergelijke bepalingen kan worden afgezien. Of en in hoeverre een overgangsbepaling nodig is, vereist een door de planwetgever te maken belangenafweging in de context van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Overgangstermijn stellen Aandachtspunt bij het variëren met de duur van de overgangstermijn is dat, indien er bijvoorbeeld voor een overgangstermijn van vijf jaar wordt gekozen, het overgangsrecht na die vijf jaar eindigt. Het gebruik van de betreffende locatie zal dan in overeenstemming moeten zijn met de nieuwe regels van het omgevingsplan. Indien dat niet het geval is, is in beginsel sprake van strijdig gebruik waartegen handhavend kan worden opgetreden. Zoals hiervoor aan de orde is gekomen, kan deze situatie zich binnen de huidige regeling onder het Bro niet voordoen, omdat overgangsrecht nu niet beperkt is in de tijd.
37
10.
Kostenverhaal
10.1 Waarom kosten verhalen? De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om de kosten te verhalen op de initiatiefnemers, het zogenaamde kostenverhaal, zoals dit ook onder de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro) bekend is. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. 10.2 Wanneer kosten verhalen? De gemeente mag alleen kosten verhalen als sprake is van: a. kosten die toerekenbaar zijn en proportioneel zijn in verhouding tot het profijt; b. een kostenverhaalsplichtige activiteit. De afdeling kostenverhaal in de Omgevingswet mag alleen worden toegepast bij de volgende besluiten: • een omgevingsplan, • een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of; • een projectbesluit.
De mogelijkheid voor kostenverhaalregels of kostenverhaalvoorschriften geldt alleen voor nieuwe bouwactiviteiten of functieveranderingen, niet voor al eerder mogelijk gemaakte bouwactiviteiten. Bouwactiviteiten waarvan kosten moeten worden verhaald, zijn: a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; b. de bouw van een of meer hoofdgebouwen, anders dan gebouwen met een woonfunctie; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft of f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m² bedraagt. Als er geen sprake is van kostenverhaalplichtige activiteit dan is er geen kostenverhaal mogelijk.
Belangrijkste verschil/ wijzigingen Omgevingswet en Wet ruimtelijke ordening Het publiekrechtelijk kostenverhaal in de Omgevingswet wijkt op onderdelen af van de regeling in de Wro. Zo is er geen exploitatieplan meer. Publiekrechtelijk kostenverhaal is geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse 38
omgevingsplanactiviteit. In plaats van een exploitatieplan komen kostenverhaalregels in het omgevingsplan of kostenverhaalvoorschriften in de omgevingsvergunning of het projectbesluit. De plicht tot jaarlijkse actualisering van de cijfers is vervallen. De term grondexploitatie wordt niet meer gebruikt. De term grondexploitatiekosten is vervangen door kosten die gemaakt zijn voor werken, werkzaamheden en maatregelen. De verplichting uit de Wro om een expliciet besluit te nemen dat kostenverhaal anderszins verzekerd is, is ook vervallen. Bestaande exploitatieplannen die betrekking hebben op een bestemmingsplan of wijzigingsplan gaan op in het omgevingsplan. Een exploitatieplan maakt dus onderdeel uit van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet. Roerdalen heeft geen exploitatieplannen. 10.3 Hoe kosten verhalen? Kostenverhaal kan op twee manieren plaatsvinden: 1. Via het privaatrecht door een anterieure overeenkomst te sluiten. De overeenkomst bevat afspraken over kostenverhaal. Er zijn geen eisen aan de inhoud van de afspraken over kostenverhaal. Partijen mogen één totaalbedrag afspreken, of werken met deelbedragen per kostensoort of activiteit. De term anterieur (voorafgaand) wordt gebruikt omdat de overeenkomst voorafgaat aan een besluit tot wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning. 2.
Via het publiekrecht: in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. Voor publiekrechtelijk kostenverhaal zijn er binnen de Omgevingswet 2 systemen: kostenverhaal met en zonder tijdvak. Het systeem van kostenverhaal met tijdvak is het systeem van kostenverhaal uit de Wro. De plannen hebben dan een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum. Daardoor is het goed mogelijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Er is een nieuw systeem voor kostenverhaal toegevoegd. Dit heet kostenverhaal zonder tijdvak. Dit systeem is bestemd voor organische gebiedsontwikkeling. Dus voor plannen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum. Het gaat om plannen met globale functieaanduidingen die op verschillende manieren kunnen worden uitgewerkt. Dat maakt het moeilijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is dan geen gedetailleerde raming van kosten en opbrengsten vereist, maar een kostenplafond. Het bevoegd gezag kan rekening houden met verschillende scenario's van gebiedsontwikkeling. Het kostenplafond wordt bepaald op basis van een scenariostudie, waarin scenario's voor het gebied worden vergeleken. Bij dit kostenverhaal zonder tijdvak worden de kosten en bijdragen pas bij de aanvraag geconcretiseerd.
Voor privaatrechtelijk kostenverhaal gelden de volgende aandachtspunten: • de verschuldigde kosten zijn de kosten zoals genoemd in artikel 13.11 Ow jo. Ob en alleen voor aangewezen activiteiten; • de overeenkomst bevat afspraken over kostenverhaal. Er zijn geen eisen verbonden aan de inhoud van de afspraken. Dus je mag één totaal bedrag afspreken of werken met deelbedragen per kostensoort of activiteit; • degene die kosten is verschuldigd is degene aan wie de kostenverhaalsbeschikking moet worden gericht: de initiatiefnemer van de activiteit; • er is geen expliciet besluit meer nodig om af te zien van kostenverhaal door de raad, wel moet gemotiveerd worden dat kostenverhaalsregels niet meer nodig zijn (er is sprake van een anterieure overeenkomst); • als de ontwikkelaar de kosten nog niet heeft voldaan voor de besluitvorming, moet de gemeente nagaan of er afdoende zekerheid is over betaling (bijvoorbeeld met een bankgarantie). Als er geen zekerheid is, is kostenverhaal niet verzekerd en zal dit alsnog 39
•
•
publiekrechtelijk geregeld moeten worden. Dit is dus een belangrijke toets bij het opstellen van het omgevingsplan; de gemeente plaatst de kennisgeving van de inzage van de overeenkomst in het elektronisch gemeenteblad binnen twee weken na het aangaan van de overeenkomst. Er is geen verplichting voor publicatie in een huis-aan-huisblad. De uitzonderingsgrond uit de Woo is toepasbaar op bedragen, maar de afspraken moeten dus openbaar worden gemaakt. samenloop met nadeelcompensatie (planschade): de Ow biedt een zelfstandige grondslag voor het sluiten van een overeenkomst over nadeelcompensatie (incl. planschade). Het is echter niet nodig om een afzonderlijke overeenkomst over nadeelcompensatie te sluiten op grond van artikel 13.3c Ow als de kosten van nadeelcompensatie van besluiten volgens artikel 15.1 lid 1 Ow (lees: omgevingsplan, bopa en projectbesluit) deel uitmaken van de kostensoortenlijst in het Omgevingsbesluit.
Schematisch overzicht mogelijkheden kostenverhaal
Keuze Het verhalen van kosten kan nog steeds geregeld worden in een overeenkomst, zoals dat nu ook de gebruikelijke werkwijze is in Roerdalen. Voorgesteld wordt de huidige werkwijze van anterieur kostenverhaal dan ook zoveel mogelijk (en waar mogelijk) in stand te houden. Alleen als dit niet mogelijk is, worden regels over kostenverhaal opgenomen in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wanneer kostenverhaal via het omgevingsplan of de omgevingsvergunning aan de orde is, zijn in hoofdzaak de volgende acties nodig: a. bepaal het kostenverhaalsgebied; b. kies de kostenverhaalsmethode (met of zonder tijdvak); c. stel kostenverhaalsregels in omgevingsplan of kostenverhaalsvoorschriften in omgevingsvergunning of projectbesluit. 40
De wijze waarop kostenverhaalregels opgesteld moeten worden, wordt nader uitgewerkt. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de voorbeeldregels die hiervoor inmiddels door het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) beschikbaar zijn gesteld.
41
11.
Participatie en procedure omgevingsplan
Het opnemen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan gebeurt met een wijzigingsbesluit. De regels in het wijzigingsbesluit moeten voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Ze moeten voldoen aan de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en provinciale instructieregels in de provinciale omgevingsverordening. 11.1 Voorbereiding omgevingsplan (participatie) Bij het opstellen van (onderdelen van) het omgevingsplan is participatie belangrijk om de opzet en inhoud te staven. Bij het opstellen van het plan kan op diverse manieren gebruik worden gemaakt van participatie: 1. Via een raadswerkgroep en/of 2. door het samenwerken met inwoners en/of 3. door middel van de formele terinzagelegging van het ontwerp wijzigingsbesluit (zie paragraaf 11.2). Raadswerkgroep Omgevingswet Vanuit de raadsadviescommissie- en raadsleden is er een raadswerkgroep Omgevingswet samengesteld. In deze raadswerkgroep worden raadsbesluiten die zien op Omgevingswet gerelateerde onderwerpen voorbereid. Het omgevingsplan wordt in de overgangsperiode omgebouwd van het van rechtswege ontstane tijdelijke omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan.
Onderdeel van de wijzigingen is het overhevelen van huidige regels die zien op de fysieke leefomgeving uit verordeningen, het vertalen van de bruidsschat en het toevoegen van nieuwe thema’s, zoals gezondheid, in het omgevingsplan. Daar waar sprake is van het wijzigen van het omgevingsplan met nieuwe, niet technische, onderdelen en die nieuw zijn onder de Omgevingswet worden deze voorgesproken in de raadswerkgroep. Dit geldt dus niet voor het wijzigen van het omgevingsplan voor projecten of plannen van derden. Deze onderwerpen worden, net als nu, voorbereid in het reguliere raadsproces. Samenwerking met inwoners Roerdalen zoekt al enige jaren nadrukkelijk de samenwerking met inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen binnen en buiten de gemeente. Met als doel actieve inwoners die meedoen, ambtenaren die luisteren naar ideeën, denken in kansen en lokale initiatieven ondersteunen. Omdat inwoners met initiatieven zelf hun fysieke en sociale leefomgeving willen invullen. En dit ook doen. De doelen van de Omgevingswet (integraliteit en minder regels) vormen de basis voor het Participatiebeleid Omgevingswet gemeente Roerdalen (vastgesteld door de gemeenteraad op 29 september 2021). Daarnaast gaan we uit van de vier kernwaarden van onze gemeente: vertrouwen, respect, gelijkwaardigheid en verantwoordelijkheid. In het participatiebeleid onderscheiden we twee vormen: 1.
beleid en plannen van de gemeente (burgerparticipatie); 2. plannen van andere organisaties of personen (overheidsparticipatie). Burgerparticipatie • Bij het opstellen van de Omgevingsvisie, Programma of Omgevingsplan is er voor onze gemeente een motivatieplicht op basis van artikelen 10.2, 10.7 en 10.8 Omgevingsbesluit. • Op basis van ‘Andere Overheid’ en ‘Samen Doen’ vinden we de inbreng van inwoners en ondernemers bij onze plannen belangrijk. Hierin hebben we de afgelopen jaren geïnvesteerd en deze manier van (samen)werken zetten we ook bij de Omgevingswet door. 42
•
Bij ruimtelijke plannen (waaronder omgevingsplannen) informeren we belanghebbenden en betrokkenen altijd over onze gemeentelijke plannen. Wanneer mogelijk mogen ze meedenken over of meewerken aan de planvorming.
Overheidsparticipatie • Op basis van artikel 7.4 Omgevingsregeling moeten initiatiefnemers aangeven op welke wijze belanghebbenden betrokken zijn bij de planvorming. • Participatie is wettelijk niet verplicht (‘nee’ is dus ook een antwoord). • We vertrouwen erop dat initiatiefnemers zelf de meerwaarde van tijdige participatie inzien en stellen daarom nog geen ‘Lijst verplichte participatie’ op. • Om initiatiefnemers te faciliteren wordt er een handreiking Participatiebeleid opgesteld. Deze kunnen initiatiefnemers gebruiken als inspiratiedocument bij het organiseren van participatie. In het proces van wijzigen van het tijdelijke omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan (in de overgangsfase) willen we voortborduren op de wijze waarop wij nu als gemeente al werken. Daarom stellen we voor, zodra de eerste contouren voor het nieuwe deel van het omgevingsplan bekend zijn en het plan ook visueel is, een of meerdere informatieve bijeenkomsten voor onze inwoners te organiseren. Enerzijds om ze kennis te laten maken met het nieuwe instrument omgevingsplan en anderzijds om ze ook inhoudelijk te informeren over de omzetting van de huidige regels.
In het kader van het wijzigen van het omgevingsplan voor inpassing van nieuw beleid of gemeentelijke projecten wordt per geval, en met in acht name van het hiervoor genoemde beleid voor burgerparticipatie, bekeken of voor een toelichting op het betreffende plan een afzonderlijke informatieavond noodzakelijk is of dat het volgen van de wettelijke mogelijkheden voor inspraak, zoals in de volgende paragraaf toegelicht, voldoende zijn. Wel zal altijd een kennisgeving met participatieparagraaf worden gedaan in het elektronisch gemeenteblad en op onze website. Hiermee wordt voldaan aan het participatiebeleid dat we altijd informeren. Als er ruimte voor is, bieden we de daarnaast mogelijkheid tot ‘meedenken’ en eventueel ‘meewerken’. In het geval een wijziging van het omgevingsplan nodig is voor plannen van derden (overheidsparticipatie), is het niet mogelijk om af te dwingen dat derden omwonenden mee laten denken, mee laten werken of zelfs mee laten beslissen. De ruimte die een initiatiefnemer geeft aan participanten om mee te denken of mee te werken is een eigen verantwoordelijkheid. Wij vinden het wel belangrijk dat de belanghebbenden in ieder geval wel tijdig worden geïnformeerd. 11.2 Procedure omgevingsplan In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit staan regels voor het vaststellen van het omgevingsplan.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten, zoals eerder aangegeven, feitelijk al een (tijdelijk) omgevingsplan. Dit ontstaat door samenvoeging van alle ruimtelijke regels uit bestaande instrumenten en de zogenoemde bruidsschat. In de praktijk zal dus steeds sprake zijn van een wijziging van het omgevingsplan in plaats van het opstellen van een nieuw omgevingsplan. De gemeente zet dan een deel van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan om naar het nieuwe deel. Of regels over de fysieke leefomgeving uit gemeentelijke verordeningen. Of ze stelt regels over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Kennisgeving voornemen wijzigen omgevingsplan De gemeenteraad moet een kennisgeving doen van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. Voor de publicatie van deze kennisgeving geldt artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat de kennisgeving gepubliceerd moet worden in het gemeenteblad. In de kennisgeving moet de gemeenteraad aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken 43
(participatie). Als bij de wijziging van het een omgevingsplan een milieueffectrapportage (mer) moet worden gemaakt, kan dat ook in de kennisgeving worden opgenomen. Voorbereidingsbesluit De gemeente kan een voorbereidingsbesluit vaststellen voor het opnemen van voorbeschermingsregels in het omgevingsplan. Voorbeschermingsregels beschermen het betreffende gebied tegen ongewenste ontwikkelingen in de tijd dat de wijziging van het omgevingsplan in procedure is. Ook het Rijk en de provincie kunnen voorbeschermingsregels in het omgevingsplan opnemen. Dit kan als het Rijk of de provincie een projectbesluit wil voorbereiden. Of als het Rijk of de provincie een instructie wil geven of een instructieregel wil stellen gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan. Voorbereidingsprocedure Op de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan is Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Daarnaast geven de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit aanvullende procedurele regels. Ontwerp-omgevingsplan en zienswijzen De gemeente maakt een ontwerpversie van de wijziging van het omgevingsplan. Er wordt, gelijk aan de huidige situatie, niet gewerkt met voorontwerp wijzigingsplannen. De gemeente maakt het ontwerp bekend door kennisgeving in het elektronisch gemeenteblad.
Iedereen kan gedurende 6 weken (schriftelijk of mondeling) zienswijzen indienen tegen het ontwerp. Zienswijzen kunnen geen betrekking hebben op het deel van het ontwerp dat zijn grondslag vindt in een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De gemeente moet bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan in de motivering ingaan op de ingediende zienswijzen. Deze procedurestap wijkt niet af van de bekende procedure voor bestemmingsplannen onder de Wro. Vaststellen omgevingsplan De gemeenteraad stelt de wijziging van het omgevingsplan vast. Los van de gebruikelijke motiveringsplicht van artikel 3:46 Awb, geeft de gemeenteraad ook aan welke rol publieksparticipatie heeft gespeeld. De gemeente geeft in ieder geval aan: • hoe ze aan publieksparticipatie heeft gedaan; • wat de resultaten daarvan zijn; • hoe ze invulling heeft gegeven aan haar participatiebeleid. Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad en neemt de gemeenteraad het besluit tot vaststelling binnen vier weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken. Soms kan het college van burgemeester en wethouders de wijziging van het omgevingsplan vaststellen.
Dit kan alleen als de gemeenteraad dit in haar delegatiebesluit heeft vastgelegd (artikel 2.8 Omgevingswet). Zie voor het delegatiebesluit van Roerdalen het raadsbesluit 2022/03/10/16, zaaknummer Z21-026489 van 10 maart 2022. De gemeente maakt het vastgestelde omgevingsplan bekend door kennisgeving in het elektronisch gemeenteblad. Daarnaast stuurt het bevoegd gezag een exemplaar van het besluit aan degenen die zienswijzen over het ontwerpbesluit hebben ingediend en aan een adviseur als het bevoegd gezag van zijn advies afwijkt. Het bevoegd gezag vermeldt hierbij door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep mogelijk is. Tegen de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan staat beroep open. 44
Reactieve interventie De provincie kan in bijzondere situaties ingrijpen na de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente. Dit heet een reactieve interventie (artikel 16.21 Omgevingswet). Het inzetten van de reactieve interventie kan alleen als dat nodig is voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet er sprake zijn van een provinciaal belang dat door de provincie in een openbaar document is aangegeven. De provincie kan de reactieve interventie alleen inzetten als ze over de ontwerpversie van de wijziging van het omgevingsplan een zienswijze heeft ingediend en de gemeente die zienswijze niet volledig heeft overgenomen. De provincie kan de reactieve interventie ook inzetten als de gemeente ten opzichte van de ontwerpversie wijzigingen aanbrengt in een onderdeel waarover de provincie geen zienswijze heeft ingediend. Beroep en voorlopige voorziening Als beroep wordt ingesteld tegen de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan geeft de rechter in de beroepsprocedure een oordeel over dit besluit. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is de aangewezen rechter voor een wijziging van het omgevingsplan. Tijdens de beroepsprocedure kan degene die in beroep gaat een verzoek om voorlopige voorziening doen. Inwerkingtreding Een omgevingsplan treedt 4 weken na publicatie van de vaststelling in werking.
Tenzij de gemeente in het vaststellingsbesluit een later tijdstip heeft opgenomen. Als tijdens de beroepsprocedure een voorlopige voorziening is aangevraagd, kan de rechter de wijziging van het omgevingsplan schorsen tot de uitspraak in de beroepsprocedure (ook wel bodemprocedure genoemd). De wijziging van het omgevingsplan treedt dan nog niet in werking. De uitspraak in de bodemprocedure heft de schorsing van de wijziging van het omgevingsplan op en het omgevingsplan treedt vanaf dat moment in werking. De rechter kan in de beroepsprocedure ook besluiten de wijziging van het omgevingsplan te vernietigen. In dat geval treedt de wijziging van het omgevingsplan dus niet in werking. Tenslotte kan de rechter bepalen dat een deel van de wijziging van het omgevingsplan wordt vernietigd. In dat geval treedt dat deel niet in werking en de overige delen wel. 11.3 Beschikbaar stellen van het omgevingsplan Het beschikbaar stellen van het omgevingsplan in het DSO (zie ook paragraaf 2.5) wordt als volgt beoogd: De regels van het omgevingsplan worden zichtbaar in het DSO. De wijziging van het omgevingsplan publiceren we digitaal via de LVBB, het landelijke publicatieplatform. De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket, zodat iedereen op een kaart kan zien welke regels waar gelden.
Bij het opstellen van het omgevingsplan gebruiken we een nieuwe standaard, de Standaard officiële publicaties met toepassingsprofielen (STOP/TPOD). Via vragenbomen kunnen initiatiefnemers in het Omgevingsloket controleren of ze een vergunning nodig hebben of een melding moeten doen. Ook vullen ze in het Omgevingsloket gegevens in voor een aanvraag of melding. Daarvoor kunnen we onze juridische regels omzetten in toepasbare regels. Hiervoor gebruiken gemeenten de Standaard toepasbare regels (STTR). Werkwijze aanpassen omgevingsplan door bureau De werkwijze voor het opstellen van een omgevingsplan verschilt van die van een bestemmingsplan. Een bestemmingsplan wordt geheel nieuw ontwikkeld, het omgevingsplan wordt steeds gewijzigd. Om een wijziging van het omgevingsplan te kunnen verzorgen, moet het adviesbureau dat het 45
‘wijzigingsplan’ (regels en motivatie) opstelt de beschikking hebben over de actuele versie van het omgevingsplan. De gemeente en adviesbureaus hebben ieder hun eigen plansoftware die van verschillende softwareleveranciers kan zijn. Het adviesbureau moet daarom de actuele versie van het omgevingsplan, de zogenaamde geconsolideerde versie, uit het DSO verkrijgen door gebruik te maken van de downloadfunctie in het DSO. Beoogde uitwisseling bestanden met adviesbureau’s Na doorvoering van de wijzigingen in haar versie van het omgevingsplan toetst het adviesbureau de technische juistheid van dit omgevingsplan door gebruik te maken van een specifiek hiervoor in te richten validatiefunctie van het DSO. Deze toets verschaft duidelijkheid of het STOP/TPOD-bestand waarin het adviesbureau het gewijzigde omgevingsplan heeft vastgelegd correct is. Het adviesbureau levert tot slot het gehele gewijzigde omgevingsplan in STOP/TPOD-formaat aan de gemeente. De gemeente verwerkt dit met haar plansoftware in haar versie van het omgevingsplan en start de besluitvorming. Daarbij houdt de software er rekening mee dat de versie van het omgevingsplan bij de gemeente niet dezelfde hoeft te zijn als de versie waarmee het adviesbureau begonnen is. Ondertussen kunnen er andere wijzigingstrajecten gelopen hebben die al geleid hebben tot publicaties van nieuwe versies van het omgevingsplan.
Met het doorlopen van dit werkproces kan, op een vergelijkbare werkwijze als bij bestemmingsplannen, het wijzigen van het omgevingsplan worden uitbesteed aan ruimtelijk adviesbureaus. 11.4 TAM-IMRO Op dit moment (oktober 2022) zijn er nog enkele onduidelijkheden rondom het DSO en de werking hiervan. De grootste onzekere factor is misschien wel de werkzaamheid van het systeem in zijn geheel. Er zijn daarom Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) opgesteld. Deze zijn er voor het geval overheden niet op tijd kunnen aansluiten op het DSO of wanneer het DSO bijvoorbeeld op een onderdeel niet op tijd klaar is. Met behulp van TAM’s kan worden voorkomen dat bij gemeenten eventuele woningbouwontwikkelingen of ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van de energietransitie vertraging oplopen. Op het moment dat de Omgevingswet inderdaad op 1 juli 2023 in werking treedt terwijl er nog onduidelijkheden zijn rondom de werking van het DSO (en er ook nog niet/nauwelijks geoefend is met het DSO) kunnen er dus, zoals het er nu naar uit ziet, alternatieve mogelijkheden worden aangewend om te voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet. TAM-IMRO staat voor ‘Tijdelijke Alternatieve Maatregel opstellen van Omgevingsdocumenten op basis van de IMRO2012 standaard’.