CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

SOL018929ARC-B_-Definitief-_Archeologisch_onderzoek_Verlegging_W-514-01_Rijswijk[1]

Raadsvergadering 1 juni 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan "Verleggen gastransportleiding Van der Kooijweg” (RV 23-038)22.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Afzender: WSP Nederland B.V. Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden

N.V. Nederlandse Gasunie T.a.v. de heer R. Honkoop Postbus 19 9700 MA GRONINGEN

Leeuwarden, 12 juli 2022 Uw kenmerk: I.014493.01 Ons kenmerk: SOL018929ARC-B Status: Definitief Onderwerp: Archeologisch onderzoek verlegging W-514-01 te Rijswijk

Geachte heer Honkoop, Hierbij ontvangt u de rapportage omtrent het archeologisch onderzoek in verband met de geplande verlegging van de gasleiding W-514-01 te Rijswijk. Indien u hierover nog vragen en/of opmerkingen heeft, kunt u contact opnemen met ondergetekende (tel. 06 - 22 915 110 of via mail Anita.Heddes@WSP.com).

Met vriendelijke groet, WSP Nederland B.V.

Mevrouw ing. A.J.M. Heddes Projectmanager

WSP Nederland B.V. Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden tel. +31 (0)88 910 20 00 Iban NL06 ABNA 0440 3394 21 kvk 20045963 btw NL0065.66.832.B.01 wsp.com

Bijlage(n) Archeologisch onderzoek verlegging W-514-01 te Rijswijk

RAAP-RAPPORT 5572

Plangebied Verlegging W-514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk Gemeente Rijswijk Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Colofon Titel: Plangebied Verlegging W-514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Versie: 11-07-2022 Auteur: dr. D. Peeters Projectcode: RYKB Bestandsnaam: RAAPrap_5572_RYKB_20220711 Autorisatie: drs. J.H.F. Leuvering

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2022 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omtrent goed - of afkeuring van het rapport.

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Samenvatting In opdracht van WSP Nederland B.V. heeft RAAP in de periode december 2021-mei 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoe k en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk. In het plangebied is de verlegging van een gasleiding voorzien. De nieuwe leiding wordt middels een HDD (horizontaal gestuurde boring) aangelegd, waarna de bestaande leiding wordt verwijderd (diepteligging: circa 1,55-1,8 m –NAP/circa 95-180 cm –mv bij het in- en uittredepunt). Tevens wordt een parallel aan de gasleiding gelegen BB-leiding verwijderd. Bij het in- en uittredepunt van deze boring vinden, tussen het in-/uittredepunt en de bestaande leiding, ontgravingen plaats in de vorm van aan te leggen werkputten (deelgebieden A en B). De oppervlakte en exacte diepte van deze werkputten is nog niet bekend, maar het betreft waarschijnlijk werkputten van maximaal circa 10-15 m 2 . De nieuwe leiding heeft een lengte van circa 435 m en wordt met een gestuurde boring tot maximaal 27,22 m –NAP aangelegd (bovenkant leiding).

Bureauonderzoek De uitvoering van de HDD-boring en het verwijderen van de bestaande leiding vormen naar verwachting geen bedreiging voor archeologische waarden, vanwege relatief beperkte ingrepen die zullen worden uitgevoerd in reeds geroerde grond en /of worden uitgevoerd in zones met een lage archeologische verwachting op basis van een eerder uitgevoerd (karterend) booronderzoek. Voor deelgebieden A (Van Zijlweg, 5.230 m 2 ) en B (Van der Kooijweg, 1.700 m 2 ) bestaat op basis van het bronnenonderzoek een hoge archeologische verwachting voor het neolithicum in het geval dat in het plangebied duinafzettingen met een goeddeels intact bodemprofiel aanwezig zijn. Voor hooggelegen, goed gerijpte en ontkalkte oeverafzettingen bestond een hoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd-late middeleeuwen. Voor de nieuwe tijd bestond een lage archeologische verwachting op basis van het bronnenonderzoek. Verkennend booronderzoek Op de boorlocaties in deelgebieden A en B is de bodemopbouw respectievelijk minimaal tot 50 cm –mv (tot 0,54 m –NAP) en minimaal tot 80 cm –mv verstoord (tot 0,87 m –NAP).

Op/nabij de locaties van de aan te leggen werkputten bij de in-/uittredepunten van de HDD worden tot 1,26-1,3 m –NAP (deelgebied A; tot 115 cm –mv) en tot 1,45-1,55 m –NAP geen in situ archeologische resten verwacht (deelgebied B; afhankelijk van de maaiveldhoogte tot 80-150 cm –mv). Op enkele van de andere onderzochte locaties op de werkterreinen is de bodemopbouw beter intact. Hier is vanaf 50-110 cm –mv (vanaf 0,54-0,87 m –NAP) een vermoedelijke oude bouwvoor op oeverafzettingen gelegen. In deze lagen worden op basis van historisch kaartmateriaal met name sporen van ‘offsite’ archeologie uit de periode late middeleeuwen -nieuwe tijd verwacht, maar zouden met name uit de eerste fasen van ontginningen ook bewoningslocaties verder weg van latere ontginningsassen kunnen zijn gelegen. Voor het niveau van deze oude bouwvoor bestaat een lage middelhoge archeologische verwachting voor de late middeleeuwen -nieuwe tijd. In de oeverafzettingen van de Gantel, die in vrijwel alle boringen zijn aangetroffen, zijn geen ontkalkte niveaus of lak- of cultuurlagen aangetroffen. Vermoedelijk is de top van deze afzettingen in de

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[3]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

hierboven gelegen oude bouwvoor of anderszins verstoord e lagen opgenomen (en mogelijk afgegraven). Het archeologisch niveau uit de Romeinse tijd lijkt hiermee niet meer intact aanwezig, maar hier kunnen wel nog dieper gelegen archeologische grondsporen als perceleringsgreppels aanwezig zijn. Indien deze in het plangebied hebben gelopen, zal op basis van het uitgevoerde veldonderzoek vermoedelijk echter slechts een klein deel (het onderste) bewaard zijn gebleven. Hierdoor bestaat voor de aangetroffen kalkrijke oeverafzettingen een lage archeologische verwachting . Voor de aangetroffen geul- en beddingafzettingen van het Gantelsysteem bestaat een lage archeologische verwachting voor bewoningssporen en dit is ook het geval voor het Hollandveen en de vermoedelijke kwelder- en wadafzettingen, die in deelgebied B zijn aangetroffen. Advies Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt de kans zeer gering dat op de locaties van de te graven werkputten bij de in-/uittredepunten van de HDD archeologische resten bedreigd worden. Hier kunnen in principe uitsluitend dieper gegraven archeologische grondsporen worden verwacht en de kans dat bijvoorbeeld op de locatie van de relatief kleine werkputten (diepe) Romeinse perceleringsgreppels aanwezig zijn wordt klein geacht.

Daarom wordt in het kader van de aanleg van deze werkputten geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumente nzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Op enkele boorlocaties op de omliggende werkterreinen blijkt de bodemopbouw beter intact en onder meer te bestaan uit een oude bouwvoor op oeverafzettin gen. Er wordt aanbevolen om op de werkterreinen rondom boringen 5 en 9-10 geen bodemingrepen dieper dan 50 cm –mv te laten plaatsvinden (niet dieper dan 0,54 m –NAP rondom boring 5 in deelgebied Van Zijlweg en niet dieper dan 0,8 m –NAP in deelgebied Van der Kooijweg). Deze ‘grens’ van 50 cm –mv is gebaseerd op basis van de resultaten van het veldonderzoek en komt overeen met de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek. Door minder diep dan deze niveaus te graven word t de kans op het verstoren van archeologische resten geminimaliseerd. Indien op deze werkterreinen plaatselijk, in het kader van de huidige of toekomstige plannen, toch diepere bodemingrepen noodzakelijk blijken, wordt geadviseerd om op deze locaties grave nd vervolgonderzoek uit te voeren. Een proefsleuvenonderzoek (conform protocol IVO-P) is de meest geëigende methode voor het toetsen van de aanwezigheid van archeologische sporen en resten uit de periode Romeinse tijd -middeleeuwen.

Voorafgaand aan deze vorm van gravend vervolgonderzoek dient een door de bevoegde overheid goed te keuren PvE te worden opgesteld. Voor het tracé van de HDD-boring en de te verwijderen leiding wordt om eerder genoemde redenen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden ter plaatse van de te graven werkputten of tijdens het verwijderen van de bestaande gasleiding onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[4]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Addendum 11-07-2022 Op basis van informatie verstrekt door de opdrachtgever is de ligging van de HDD iets verschoven ten opzichte van de hierboven beschreven uitgangssituatie en het uitgangspunt van het archeologisch vooronderzoek en bureauonderzoek. Daarnaast is gebleken dat ook ter plaatse van de Van der Kooijweg (en ten westen hiervan) een leiding wordt verwijderd, alsmede op het gehele perceel achter Van Zijlweg 12 (figuur 2). In feite behoren deze zones dus ook tot het plangebied, maar zijn deze niet in het kaartmateriaal van het bureauonderzoek en veldond erzoek als zodanig weergegeven. In de tracédelen waar een bestaande leiding wordt verwijderd buiten het gebied dat in eerste instantie in het bureau- en verkennend booronderzoek is meegenomen (figuur 2), lijkt een kleine kans te bestaan dat op deze locatie in situ archeologische resten aanwezig zijn. Hoewel, in feite geen concrete data voor deze tracédelen zijn verzameld, zal de bodemopbouw minimaal tot de top van de leiding reeds zijn geroerd tijdens de aanleg van de leiding en de gegraven leidingsleuf. Aangezien, op basis van informatie verstrekt door de opdrachtgever, in het algemeen smallere sleuven worden gegraven voor de verwijdering van een leiding dan voor de aanleg, bestaat er een geringe kans dat op deze locatie in situ archeologische resten aanwezig zijn.

Voor de zones waarin deze werkzaamheden plaatsvinden wordt geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Rijswijk, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[5]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 6 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 7 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 7 1.2 Administratieve gegevens ................................................................................................................... 11 1.3 Doel- en vraagstelling ........................................................................................................................ 11

2 Bureauonderzoek ........................................................................................................................... 13 2.1 Methode ............................................................................................................................................ 13 2.2 Aardkundige situatie .......................................................................................................................... 13 2.3 Archeologische gegevens ................................................................................................................... 17 2.4 Historische en topografische situatie ................................................................................................... 26 2.5 Huidige situatie .................................................................................................................................. 29 2.6 Toekomstige situatie .......................................................................................................................... 31 2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting ...................................................................................... 33

3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 35 3.1 Methode ............................................................................................................................................ 35 3.2 Resultaten ......................................................................................................................................... 35 3.3 Archeologische relevantie .................................................................................................................. 42

4 Conclusies en advies ...................................................................................................................... 44 4.1 Conclusie .......................................................................................................................................... 44 4.2 Advies ............................................................................................................................................... 44 4.3 Tot slot .............................................................................................................................................. 45

Literatuur .......................................................................................................................................... 46 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 48

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[6]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van WSP Nederland B.V. heeft RAAP in de periode december 2021-mei 2022 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk in de gemeente Rijswijk (figuur 1). Het onderzoek vond plaats in het kader van een bestemmingsplanwijziging. In het plangebied is de verlegging van een gasleiding voorzien. De nieuwe leiding wordt middels een HDD (horizontaal gestuurde boring) aangelegd, waarna de bestaande leiding wordt verwijderd (diepteligging: circa 1,55 1,8 m –NAP/circa 95-180 cm –mv bij het in- en uittredepunt). Tevens wordt een parallel aan de gasleiding gelegen BB-leiding verwijderd. Bij het in- en uittredepunt van deze boring vinden, tussen het in-/uittredepunt en de bestaande leiding, ontgravingen plaats in de vorm van aan te leggen werkputten. De oppervlakte en exacte diepte van deze werkputten is nog niet bekend , maar het betreft waarschijnlijk werkputten van maximaal circa 10 -15 m 2 . De nieuwe leiding heeft een lengte van circa 435 m en wordt met een gestuurde boring tot maximaal 27,22 m –NAP aangelegd (bovenkant leiding). De te verwijderen leiding hangt ter hoogte van de A4 onder het hier aanwezige viaduct.

Een zone aan de oostkant van de A4 (Van Zijlweg) is gedefinieerd als werkterrein nabij het intredepunt van de boring. In het voorliggende bureauonderzoek worden de werkterreinen rondom het intrede - en alternatieve uittredepunt nabij de Van Zijlweg en Van der Kooijweg meegenomen (deelgebieden A en B; figuur 1), evenals de tussengelegen tracés voor de nieuwe en te verwijderen leiding. Deze werkterreinen, waar onder andere dus werkputten worden gegraven, zullen door middel van verkennende archeologische boringen worden onderzocht en hebben een oppervlakte van respectievelijk 5.2 30 m 2 en 1.700 m 2 . Het booronderzoek richt zich specifiek op de zones nabij de in-/uittredepunten waar werkputten worden aangelegd. Ter plaatse van het tracé van de HDD-boring en de te verwijderen leiding is geen booronderzoek uitgevoerd, aangezien wordt verwacht dat de voorziene werkzaamheden in deze zones tot een relatief beperkte bodemverstoring leiden, (grotendeels) worden uitgevoerd in reeds geroerde grond en/of worden uitgevoerd in zones die reeds middels een archeologisch booronderzoek zijn onderzocht (Coppens & Koot, 2010; zie paragraaf 2.3 voor de resultaten van dit onderzoek).

Addendum 11-07-2022 Op basis van informatie verstrekt door de opdrachtgever is de ligging van de HDD iets verschoven ten opzichte van de hierboven beschreven uitgangssituatie en het uitgangspunt van het archeologisch vooronderzoek en bureauonderzoek. Daarnaast is gebleken dat ook ter plaatse van de Van der Kooijweg (en ten westen hiervan) een leiding wordt verwijderd, alsmede op het gehele perceel achter Van Zijlweg 12 (figuur 2). In feite behoren deze zones dus ook tot het plangebied, maar zijn deze niet in het kaartmateriaal van het bureauonderzoek en veldonderzoek als zodanig weergegeven.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[7]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rijswijk (2013) liggen de delen van het plangebied ten westen en oosten van de A4 in een zone met een hoge verwachting voor het neolithicum en een lage verwachting voor de brons- en ijzertijd (categorie 4). Het beleid voor deze categorie schrijft voor dat er bij bodemingrepen die tot in de top van het Laagpakket van Wormer reiken (vanaf circa 2-5 m –NAP) (minimaal) een archeologisch booronderzoek wordt uitgevoerd. Op de archeologische beleidskaart voor de Romeinse tijd en later ligt het deel van het plangebied ten westen van de A4 in een zone met een hoge verwachting voor de Romeinse tijd en later ( vrijstelling bij plannen tot 50 cm –mv; categorie 10; figuur 5). Het zuidelijk deel van het plangebied aan de oostzijde van de A4 ligt in een zone met een middelhoge verwachting voor de Romeinse tijd en een hoge verwachting voor de late middeleeuwen-nieuwe tijd (vrijstelling bij plannen tot 50 cm –mv; categorie 9).

Het noordelijk deel van het plangebied heeft een lage verwachting voor de Romeinse tijd en later (vrijstelling bij plannen tot 100 m 2 en 50 cm –mv; categorie 2). Voor het deel van het plangebied dat wordt gevormd door de A4 (inclusief op- en afritten en bermen) bestaat geen archeologische verwachting en dit deel is vrijgesteld van onderzoek. Deze voorschriften zijn verankerd in de bestemmingsplannen Steenvoorde (westzijde A4; Waarde – Archeologie 1) en Sion – ’t Haantje, tweede herziening (oostzijde A4; Waarde – Archeologie). Aangezien de voorziene werkzaamheden groter zijn in omvang en/of diepte dan de genoemde vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek is een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden verplicht conform het vigerend beleid. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuu r Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. Voorafgaand aan het onderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld en ter goedkeuring aan de bevoegde overheid voorgelegd (Peeters, 2021b). Dit PvA is goedgekeurd (op 31-01-2022).

Dit PvA diende als uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is bovendien uitgevoerd conform de geldende richtlijnen van de bevoegde overheid. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[8]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 1. Aanduiding uitgangssituatie archeologisch vooronderzoek. Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[9]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 2. Aanduiding (definitieve) locatie en aard van ingrepen behorende tot het plan. Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[10]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Opdrachtgever

WSP Nederland B.V.

Bevoegde overheid

Gemeente Rijswijk

Plaats

Rijswijk

Gemeente

Rijswijk

Provincie

Zuid-Holland

Centrumcoördinaten (X/Y)

81.880/448.865

Toponiem

Van Zijlweg – A4 – Van der Kooijweg

Kadastrale gegevens

RWK01, I, 959, 2050, 2099, 2102 en 2147

Oppervlakte zones werkgebieden in- en uittredepunt

Circa 5.230 m 2 (deelgebied A) en 1.700 m 2 (deelgebied B)

Lengte tracés HDD en te verwijderen leiding

435 m (gestuurde boring) en 460 m (te verwijderen leiding)

Afbakening onderzoeksgebied

Tijdens onderhavig bureauonderzoek is het plangebied inclusief een zone van 250 m rondom het plangebied onderzocht. Het veldonderzoek is toegespitst op deelgebieden Van Zijlweg (A) en Van der Kooijweg (B)

Onderzoeksperiode

December 2021-mei 2022

Uitvoerder

RAAP West

Projectleider

dr. D. Peeters

Projectmedewerkers

F.J. van der Wal

RAAP-projectcode

RYKB

ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer

5142060100

Beheer en plaats documentatie

RAAP regio West te Leiden en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.

Tabel 1. Administratieve gegevens.

1.3 Doel- en vraagstelling De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt inf ormatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd: Bureauonderzoek 1.

Welke gegevens met betrekking tot aardkundige en archeologische waarden en gegevens met betrekking tot bodemverstoringen zijn reeds over het onderzoeksgebied bekend?

2.

Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied?

3.

Is op basis van deze verwachting een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) aan de orde? En zo ja, welke onderzoeksstrategie wordt aanbevolen?

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[11]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Inventariserend veldonderzoek (verkennend fase) 4.

Hoe ziet de geologische/bodemkundige opbouw van deelgebieden A en B eruit?

5.

Wat is de verspreiding en diepte van (recente) bodemverstoringen in deze deelgebieden, bijvoorbeeld als gevolg van de huidige inrichting, kabels en leidingen etc.?

6.

Wat is de verspreiding en de diepte van archeologisch interessante lagen in deelgebieden A en B? Met name, zijn ontkalkte, goed gerijpte oeverafzettingen van de Gantel en/of duinpartijen (Laag van Ypenburg) met een goeddeels intact bodemprofiel in het plangebied aanwezig?

7.

Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting bijgesteld te worden?

8.

Hoe verhouden de resultaten van het onderzoek zich tot de voorgenomen werkzaamheden? Vormen deze voorgenomen ingrepen een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologisch relevante lagen of vindplaatsen?

Algemeen 9.

Is op basis van deze archeologische verwachting (8) in relatie tot de voorgenomen ingrepen archeologisch vervolgonderzoek aan de orde in (delen van) het plangebied?

10. Welke methoden zouden bij het archeologisch vervolgonderzoek ingezet kunnen worden? 11. Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische waarden te worden omgegaan?

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[12]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2 Bureauonderzoek 2.1 Methode Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en d e sporen die het menselijk gebruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedsexperts van RAAP een b eredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische situatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data-archief.

2.2 Aardkundige situatie Geologisch kader De top van de pleistocene zanden en/of rivierafzettingen ligt op ongeveer 16,25-17,25 m –NAP (DINOloket). Vanaf circa 280 m ten noorden van het plangebied lijkt het pleistocene o ppervlak iets hoger op te duiken (vanaf 14-16 m –NAP). 1 Het reliëf van het pleistocene oppervlak is echter slechts globaal bekend. Dit landschap is vanaf het begin van het Holoceen bedekt met jongere sedimenten en lagen veen. De bovenste meters van de bodem zijn tot stand gekomen in het Holoceen. Het begin van het Holoceen, zo’n 10.000 jaar geleden, kenmerkt zich door de stijging van de temperatuur. Hierdoor smolt het landijs dusdanig, dat er veel water vrijkwam. Door de stijging van de zeespiegel kwam een laaggelegen gebied onder water te staan en ontstond aldus de Noordzee. De ligging van de Nederlandse kust is na de laatste ijstijd als gevolg van de relatieve zeespiegelstijging voortdurend in beweging geweest. De kustlijn van Nederland verschoof met de relatieve zeespiegelstijging steeds verder in oostelijke richting. Omstreeks 4.100 voor Chr. kwam hierin verandering. De kustlijn stabiliseerde zich enige tijd en verplaatste zich vervolgens weer terug in westelijke richting. De vo rming van strandwallen was voor de ontwikkeling van een stabiele kuststrook van groot belang.

Strand wallen zijn in feite zandbanken die door de aanvoer van zand door de zee steeds hoger kwamen te liggen. Zodra ze permanent boven gemiddeld hoogwater lagen, vond verstuiving van het zand plaats waardoor duinen ontstonden. Met de zeewaartse uitbreiding van de kustlijn ont stond voor de riviermonding een aaneengesloten lijn van strandwal en duinen. In de loop van de tijd herhaalde dit proces van kustontwikkeling zich enkele keren in westelijke richting zodat er nu landinwaarts, parallel aan de huidige kust, enkele rijen van strandwallen en duinen aanwezig zijn. Tussen de strandwallen en duinen bevinden zich lager gelegen delen, de zogenaamde strandvlaktes. Door gaten in de kustlijn werden in deze strandvlaktes zand en klei afgezet door de zee. Wanneer sprake was van een gesloten kustlijn,

1

Bron: Kaartlaag Top Pleistoceen (RCE; https://services.rce.geovoorziening.nl/toppleistoceen/wfs? ).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[13]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

vond geen sedimentatie vanuit zee meer plaats en kon in de strandvlakte plaatselijk duin- en/of veenvorming plaatsvinden. De vorming van strandwallen, duinen en strandvlaktes werd soms verstoord door periodieke en plaatselijk toegenomen invloed van de zee waarbij (delen van) sommige strandwallen, strandvlakten en duinen weer werden opgeruimd. Van deze oudste holocene kustlijn is door latere kustontwikkelingen slechts een klein deel bewaard gebleven. De restanten van de kustlijn bevinden zich in een zone die zich uitstrekt van de gemeente Westland en door Rijswijk tot in Leidschendam. Het plangebied ligt bovenop deze oude kustlijn. Vanaf circa 1.500 voor Chr. nam de mariene invloed in het achterland toe. Tussen circa 1 .500 en 300 voor Chr. drong de zee vanuit de brede Maasmonding ver het land binnen en er vormden zich (getijden)geulstelsels, zoals die tussen Vlaardingen en Schiedam en de Gantel bij Naaldwijk. T oen de invloed van de zee verminderde, raakten de geulen weer opgevuld met zand en zandige kleien en werden de geulen gedeeltelijk overgroeid met veen. Het Gantelsysteem is rond circa 500 -200 voor Chr. ontstaan. In deze periode werden nieuwe geulsystemen g evormd en werden tevens oudere, inmiddels verlande getijdengeulen opengebroken.

De Gantel is een geulsysteem dat tussen Naaldwijk en Monster begint, van daar in noordoostelijke richting loopt en bij Wateringen in een flauwe bocht afbuigt naar het zuidoosten, in de richting van Delft. Vanuit de hoofdgeul van de Gantel zijn verschillende zijgeulen in noordelijke richting gevormd. De hoofdgeul van de Gantel bestond waarschijnlijk uit meerdere smalle geulen, die mogelijk deels tegelijkertijd actief zijn geweest . Langs deze geultjes zijn lage oeverwallen ontstaan die in de Romeinse tijd geschikt waren voor bewoning. De Gantel is in de Romeinse tijd dichtgeslibd en dit moment kan grofweg tussen 133 en 383 na Chr. worden gedateerd op basis van een C14-datering van een laag rietveen in de dichtgeslibte monding van de Gantel (Hallewas & Van Regteren Altena, 1980). Nieuwe Geologische Kaart van Den Haag en Rijswijk Op basis van de Nieuwe Geologische Kaart van Den Haag en Rijswijk zijn in delen van het plangebied Oude Duinafzettingen te verwachten (Laag van Ypenburg/Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort; Vos e.a., 2007). Het betreft waarschijnlijk een relatief klein duin, dat in het tracé van de A4 opduikt en zich in ieder geval ook richting het oosten hiervan uitstrekt.

In de bredere omgeving zijn mogelijk strandafzettingen te verwachten (Laag van Rijswijk/Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort) en/of hier zijn getijdeafzettingen van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer aanwezig. Deze laatste afzettingen liggen op basis van deze kaart in bepaalde zones ondieper dan 5 m –NAP en in andere zones dieper. In het uiterste oosten van het plangebied zijn diep ingesneden Gantelafzettingen aanwezig (Gantel Laag/Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren), die onderliggende lagen (deels) hebben geërodeerd. In het gehele onderzoeksgebied, behalve het lager gelegen tracé van de A4, worden afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aan of kort onder het maaiveld verwacht. Dit betreft mogelijk niet alleen oeverafzettingen, aangezien onderzoek in de omgeving heeft aangetoond dat geulafzettingen van de Gantel in een veel bredere en omvangrijkere zone aanwezig zijn dan op de Nieuwe Geologische Kaart van Den Haag en Rijswijk is aangegeven (Coppens & Koot, 2010; Wink, 2015; Peeters & Leuvering, 2020; Wolzak & Wink, 2021; Peeters, 2021a). Zodoende worden in het plangebied ook geulafzettingen van dit systeem verwacht (en zijn ze volgens deze kaart in het uiterste oosten ook aanwezig).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[14]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 3. Het plangebied op de Nieuwe Geologische Kaart van Den Haag en Rijswijk.

Geomorfologische en bodemkaart Het deel ten westen van de A4 is op de geomorfologische kaart niet geclassificeerd. Het gebied ten oosten van deze snelweg ligt op een getij-inversierug. In het plangebied en de omgeving zijn volgens de bodemkaart leek -/woudeerdgronden aanwezig. Dit zijn zeekleigronden met een minerale eerdlaag, waarbij roest - en grijze vlekken binnen 50 cm –mv worden aangetroffen. Maaiveldhoogte en grondwaterstand Het maaiveld in deelgebied A (Van Zijlweg) ligt tussen 0 en 0,6 m –NAP en het deel van het tracé van de te verwijderen leiding aan de oostkant van de A4 rond 0,3 -0,4 m -NAP (https://www.ahn.nl/ahn-

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[15]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

viewer). In deelgebied B (Van der Kooijweg) ligt het maaiveld tussen 0 en 0,3 m –NAP. De A4 en de bermen van deze snelweg zijn aanzienlijk lager gelegen (rond 4,8-6,3 m –NAP; figuur 4). De grondwaterstand in het westelijk deel van het plangebied is geclassificeerd als trap II en de grondwaterstand in het oostelijk deel als trap III. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt hierbij ondieper dan 40 cm –mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 50 en 80 cm –mv (trap II) of 80 en 120 cm –mv (trap III). Eventueel aanwezige organische (archeologische) resten zullen vanaf deze gemiddelde laagste grondwaterstanden goed bewaard zijn gebleven.

Figuur 4. Maaiveldhoogte in het plangebied en de omgeving.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[16]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2.3 Archeologische gegevens Gemeentelijk archeologiebeleid Bestemmingsplannen

Grotendeels Waarde – Archeologie 1 (ten westen van de A4) of Waarde – Archeologie (ten oosten van de A4). Zie paragraaf 1.1 voor het hieraan gekoppelde beleid

Gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart (2013)

Hoge verwachting voor het neolithicum en een lage verwachting voor de brons- en ijzertijd (categorie 4). figuur 5: 

Ten westen van de A4 - hoge verwachting voor de Romeinse tijd en later (categorie 10).

Ten oosten van de A4 - voor het zuidelijk deel bestaat een middelhoge verwachting voor de Romeinse tijd en een hoge verwachting voor de late middeleeuwen-nieuwe tijd (categorie 9).

Voor het noordelijk deel bestaat een lage archeologische verwachting voor de Romeinse tijd en later (categorie 2).

Voor het deel van het plangebied dat deel is van de A4 bestaat geen archeologische verwachting.

Tabel 2. Overzicht van het geldende archeologiebeleid en achterliggende verwachtingskaart.

Een algemene bewoningsgeschiedenis van de omgeving De oudste sporen van menselijke activiteiten in het kustgebied van West -Nederland zijn in de zone van strandwallen en duinen aangetroffen. Zo zijn vanaf circa 1983 ter plaatse van het cunet van rijksweg A4 en in de directe omgeving enkele vindplaatsen aangetroffen, waaronder op Ypenburg (Koot e.a., 2008) en in de Harnaschpolder (Louwe Kooijmans e.a., 2006; zie ook beneden). Deze bewoning vond plaats in de periode 3.800- 3.400 voor Chr. De mensen leefden op lage duinen en hielden zich bezig met landbouw en de jacht. Daarnaast verzamelden zij in de omgeving van de woonplaatsen vruchten, knollen etc. Op de duinen bouwden zij hun huizen waarvan resten zijn opgegraven. Zij lieten er afval achter zoals potscherven, slachtafval (botten) en afval van vervaardiging van vuurstenen werktuigen. Op Ypenburg werd zelfs een grafveld gevonden waarin de resten van 42 individuen zijn aangetroffen. In en rond het plangebied zijn verschillende nederzettingen bekend uit de Romeinse tijd. Het plangebied lag op korte afstand van het bestuurscentrum, de stad Forum Hadriani. De meeste nederzettingen bestonden uit een boerderij (woon-stalgebouw) op een erf. Het erf is omgeven met greppels. Soms staan enkele boerderijen dicht bij elkaar en vormen een lintbebouwing.

Buiten het erf zijn greppels of verkavelingssloten aanwezig, die de landbouwpercelen omgeven en in de omgeving was sprake van een ingericht cultuurlandschap. Op basis van een van de aangetroffen greppels is een reconstructie van dit landschap gemaakt, waarbij het plangebied mogelijk door enkele noord -zuid georiënteerde perceleringsgreppels/-sloten wordt doorsneden (figuur 6). De nederzettingen uit deze periode hebben een agrarische functie. De oudste nederzettingen dateren van de eerste eeuw na Chr. De bewoning in Rijswijk-Zuid eindigde (voor zover bekend) aan het einde van de derde eeuw na Chr. Voorbeelden zijn de vindplaatsen in het tracé van rijksweg A4 en in het Wilhelminapark. In het tracé van rijksweg A4 is een nederzetting met een huisplaats onderzocht in 1988 en 1989 (Bloemers, 1985; Koot, 2008). Een bijzondere ontdekking werd gedaan tijdens een opgraving aan de Tubasingel

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[17]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

(‘Rijswijk-De Bult’; Bloemers, 1978). De nederzetting bestond uit maar liefst drie boerderijen, waarvan er één deels in (natuur)steen werd opgetrokken. Naast bewoning op strandwallen, heeft ook bewoning

Figuur 5. Het plangebied op de gemeentelijke archeologische verwachtings - en beleidskaart voor de Romeinse tijd en de late middeleeuwen-nieuwe tijd.

plaatsgevonden op oeverafzettingen van de Gantel, waarbij met name laklagen in goed gerijpte, stevige en/of ontkalkte Gantelafzettingen archeologisch interessant zijn (Coppens & Koot, 2010). Zulke lagen zijn in het Wilhelminapark vanaf circa 1-1,7 m –NAP aangetroffen en plaatselijk ook hoger ( vanaf 0,2-0,3 m –NAP; Wink, 2015). Aan het einde van de 3e eeuw na Chr. stortte het Romeinse gezag tijdelijk ineen. Met het wegtrekken van het Romeinse leger na 400 vertrok ook een groot deel van de inheemse bevolking. De

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[18]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

achterblijvers hebben zich gevestigd op de zandgronden langs de kust. Het klei - en veengebied bleef nagenoeg onbewoond tot aan de 12e eeuw. In de 12e eeuw was er een toenemende vraag naar landbouwgrond. In Rijswijk werd vanuit de strandwal, waarop zich de historische kern van Rijswijk

Figuur 6. Reconstructie van de verkaveling in de Romeinse tijd in de omgeving (Coppens & Koot, 2010). Het huidige plangebied is met een rood kader weergegeven.

bevindt, het naastgelegen klei- en veengebied ontgonnen. Rondom een ontginningsgebied werden kades aangelegd om het ontgonnen gebied te beschermen tegen water van de nog niet ontgonnen gebieden. Binnen de kades groeven de ontginners sloten om de waterhuishouding te kunnen beheersen. Tijdens de eerste middeleeuwse ontginningen werden de boerderijen, ver van de ontginningsassen, diep in het land gebouwd. Evenals in de Romeinse tijd werden ook nu weer natuurlijke hoogtes in het land geselecteerd om er de boerderijen te bouwen (zie Rijswijk -De Bult). Tijdens latere ontginning bevonden huisplaatsen zich voornamelijk dicht langs de ontginningsassen en

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[19]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

belangrijke wegen. In Rijswijk-Zuid zijn bij archeologisch onderzoek enkele laat middeleeuwse woonplaatsen gevonden zoals op Rijswijk-De Bult (Bloemers, 1978), in het Wilhelminapark (Bloemers, 1985), in het tracé van rijksweg A4 (Koot, 2008) en recent op Sportpark Elsenburg (pers. comm. O. Holthausen, zie Peeters, 2021 voor het onderzoeksgebied en het uitgevoerde verkennend booronderzoek). AMK Het westelijk deel van het plangebied is op de Archeologische Monumentenkaart (AMK, 2014) deel van monumentnummer 16190 en het oostelijk deel valt in monumentnummer 16193 (figuur 7). Deze terreinen hebben een zeer hoge archeologische waarde en hier zijn sporen van bewoning uit het neolithicum en de Romeinse tijd aangetroffen. Op basis van de in Archis opgenomen informatie hebben deze terreinen ‘een zeer hoge waarde door de hoge zeldzaamheid van de neolithische sporen, de redelijke kwaliteit, redelijke gaafheid en hoge mate van conservering van de sporen en door de landschappelijke en archeologische context van het terrein met andere waardevolle terreinen in de omgeving en van de Romeinse nederzetting met het verkavelingspatroon ’.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[20]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 7. Het plangebied op de Archeologische Monumentenkaart.

Vondstmeldingen (Archis) Binnen 250 m van het plangebied zijn 10 vondstmeldingen in Archis opgenomen (tabel 3; figuur 8). Op basis van de in Archis opgenomen informatie zijn bij graafwerkzaamheden en archeologisch onderzoek voornamelijk resten uit de Romeinse tijd en late middeleeuwen aangetroffen. Daarnaast zijn ter plaatse van het aangeboorde duin, circa 225 m ten zuidwesten van deelgebied B, mogelijk oudere en/of jongere resten aangetroffen uit de periode neolithicum -nieuwe tijd (Coppens & Koot, 2010).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[21]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 8. Archeologische vondstmeldingen uit de omgeving van het plangebied (Archis3).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[22]

Zaakidentificatienr.

Ligging

Complex

Datering

Resten

Diepte

Verzamelwijze , verwijzing

2732319100

165 m ten

Niet te bepalen

Romeinse tijd

Gedraaid aardewerk

Onbekend

Niet-archeologisch graafwerk

Niet te bepalen

Romeinse tijd

Handgemaakt ‘inheems’ aardewerk, gedraaid ‘import’ aardewerk en baksteen

Onbekend

Archeologisch: opgraving (Asmussen, 1992)

Aardewerk, bot en greppel/sloot

Onbekend

Archeologisch: opgraving

Dakpan en aardewerk

Onbekend

Archeologisch: (veld)kartering

noorden van A 3038118100

100 m ten noorden van A

uit Romeinse tijd in laat middeleeuwse context (boerderij-plaats). Greppel/sloot (waarschijnlijk Romeins)

2883344100

100 m ten

Bewoning

noorden van A

Late middeleeuwen (1.100-1.300 na Chr.)

3079559100

145 m ten

Bewoning

noorden van A 2735770100

210 m ten

Romeinse tijd, Laat Romeinse tijd

Bewoning

Late middeleeuwen

Aardewerk, steengoed, maalsteen, leem

Onbekend

Archeologisch: (veld)kartering

Bewoning

Late middeleeuwen

Aardewerk

Onbekend

Niet-archeologisch graafwerk

noordwesten van A 3187345100

210 m ten noorden van B

2760597100

140 m ten

A Niet te bepalen

Romeinse tijd

Aardewerk

Onbekend

Niet-archeologisch graafwerk

Bewoning

Midden Romeinse

Romeinse tijd: Aardewerk, bot, huisplattegrond. Late middeleeuwen:

Onbekend

Archeologisch: proefputten/proefsleuven

tijd en late

mestkuilen, erfgreppels en waterput

noordoosten van B 2009086100 en

140 m ten zuiden

2001739100

van B

(Hessing, 1990; Asmussen, 1992; Koot,

middeleeuwen 2288529100

225 m ten zuidwesten van

Niet te bepalen

Neolithicum-nieuwe

1993) Aardewerk, bot, glas, kleipijp, houtskool in top van het duin

tijd

B

Tabel 3. Overzicht van archeologische vondstlocaties rond het plangebied.

Vanaf circa 3,5

Archeologisch: boring (Coppens & Koot,

m -NAP

2010)

Onderzoeksmeldingen (Archis) In de directe omgeving van het plangebied zijn veel archeologische veldonderzoeken uitgevoerd ( tabel 4; figuur 9). Voor veel van de in Archis opgenomen onderzoeksmeldingen is geen rap portage aanwezig. Enkele in de directe nabijheid van het plangebied uitgevoerde onderzoeken verschaffen echter waardevolle informatie met betrekking tot de bodemopbouw. Een recent door Antea gegraven proefsleuf vanaf circa 60 m ten zuidwesten van deelgebie d A illustreert dat de bodemopbouw hier bestaat uit een recent opgebracht pakket op een oude bouwvoor op Gantelafzettingen ( Kruijthof e.a., 2021; 4891229100). In het uiterste zuidoosten van deze proefsleuf is een greppel aangetroffen, die mogelijk uit de Romeinse tijd dateert. Het door RAAP uitgevoerde karterend booronderzoek ten zuidwesten van deelgebied A illustreert een vergelijkbare bodemopbouw, waarbij plaatselijk onder de Gantelafzettingen nog Hollandveen en wadafzettingen aanwezig blijken te zijn (Co ppens & Koot, 2010; 2288529100; figuur 10). Deze Gantelafzettingen bestaan uit oeverafzettingen op een dik pakket zandige lagen (geulafzettingen). De bodemopbouw in boringen nabij het tracé van de te verwijderen leiding bestaat (binnen de maximale boordiepte) uitsluitend uit sedimenten van de Gantel en/of is tot diep verstoord.

Figuur 9. Archeologische onderzoeksmeldingen (veldonderzoeken) uit de omgeving van het plangebied (Archis3).

Zaakidentificatienr.

Ligging

Type onderzoek

Resultaten, advies

Verwijzing

4677843100, 4770499100

Deels in het

Verkennend- en

De rapportages van het door Antea uitgevoerde verkennend en karterend

Kruijthof e.a., 2021

en 4891229100

plangebied op basis

karterend

booronderzoek langs de Prinses Beatrixlaan zijn (nog) niet in Archis opgenomen

van Archis.

booronderzoek en

(Archis-zaken: 4677843100 en 4770499 100). Het evaluatieverslag van het uitgevoerde

proefsleuven

proefsleuvenonderzoek vanaf circa 60 m ten zuidwesten van deelgebied A illustreert echter dat de bodemopbouw hier bestaat uit een recent opgebracht pakket op een oude bouwvoor op Gantelafzettingen. In het uite rste zuidoosten van deze proefsleuf is een greppel aangetroffen, die mogelijk uit de Romeinse tijd dateert

2732319100, 2883344100,

Op verschillende

Zie onder andere tabel 3 voor de resultaten. Voor de overige onderzoeksmeldingen is geen informatie/rapportage in Archis en/of DANS

3038118100, 3079559100,

locaties rondom het

Easy opgenomen

2020352100, 2003001100,

plangebied

2735770100, 2760597100, 2007369100, 2289728100, 2370565100, 2038092100, 2275625100, 5091793100, 2369229100, 2073335100 en 2001739100 2288529100

2321057100

Direct ten zuidwesten

Karterend

In de directe omgeving van het plangebied, zo ook in het tracé van de te verwijderen

Coppens & Koot,

van deelgebied A (en

booronderzoek

leiding, zijn binnen de maximale boordiepten voornamelijk Gantelafzettingen

2010

op de locatie van de

aangetroffen. Deze bestaan uit oever- (vanaf circa 50 cm –mv) op geulafzettingen

te verwijderen leiding

(vanaf circa 100 cm –mv). Deze laatste afzettingen bestaan voornamelijk uit zandige

ten oosten van de A4)

lagen. In boring 1048, nabij de gasleiding, bestond de ondergrond tot 260 cm –mv uit

en ten oosten van

verstoorde grond. Plaatselijk zijn ook wadafzettingen en/of veen aangeboord. In de

deelgebied A

directe omgeving van het plangebied zijn geen duinafzettingen aangetroffen ( figuur 10)

Vanaf 200 m ten

Verkennend

Opgebrachte/verstoorde grond op Gantelafzettingen, al dan niet gevolgd door een laag

zuiden van het

booronderzoek

Hollandveen op wadafzettingen. In dit onderzoeksgebied zijn lokaal zones met

plangebied

oeverafzettingen aanwezig, die een goeddeels intact bodemprofiel hebb en. Plaatselijk is een laklaag aangetroffen. In het uiterste zuiden is zeer lokaal een duin aangeboord (vanaf 3,8-4,2 m –NAP)

Tabel 4. Overzicht van archeologische onderzoeksmeldingen (veldonderzoeken) rond het plangebied.

Wolzak & Wink, 2021

Figuur 10. Resultaten van het karterend booronderzoek in plangebied Zwethzone (Coppens & Koot, 2010). Het huidige plangebied is met een rood kader weergegeven.

2.4 Historische en topografische situatie Op basis van historische kaarten kan inzicht worden verkregen in het historisch gebruik van een gebied van na de late middeleeuwen tot begin 20e eeuw. In die periode was men veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere vormen van landgebruik. Het historisch gebruik zegt daarmee iets over de archeologische potentie van het gebied. Daarnaast kan het informatie leveren over eventuele bodemverstoringen die in het verleden hebben plaatsgevonden. Op de vroegst beschikbare historische kaarten voor de omgeving uit de 17e eeuw kan de ligging van het plangebied slechts benaderd worden. Op Jacob Aertsz. Colom's Kaart van Holland uit 1681 ligt het

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

plangebied langs een wetering in de Rijswijcks Hoecx Polder (figuur 11a). In de omgeving van het plangebied zijn enkele molens aanwezig. Historisch kaartmateriaal uit de 18e en 19e eeuw verschaft meer informatie (op enig detailniveau) over de ligging van het plangebied. Op een kaart van het Hoogheemraadschap van Delfland, vervaardigd door Kruikius in 1712, is deze wetering benoemd als Spieringswetering (figuur 11b). Deze waterpartij lag aan de westgrens van deelgebied A en een deel van deze wet ering is momenteel nog in het landschap aanwezig. Op de kadastrale minuutplans en de oorspronkelijke aanwijzende tafels (1811 1832) zijn de omliggende percelen in gebruik als weiland (figuur 11c). Verder richting het noorden lag langs deze waterpartij een molen (de Schaepen Weyse Wip Molen; grofweg op de locatie van de waterpartij tussen de A4 en de afrit naar de Prinses Beatrixlaan). Verder richting het zuiden is ook een molen ingetekend (de Plaspoelsche Molen). Op basis van de kaart van Kruikius en deze minuutplans is in het plangebied geen bebouwing uit de 18e-19e eeuw te verwachten en, hoewel het detailniveau van oudere kaarten niet groot is, is het waarschijnlijk dat in de nieuwe tijd geen bewoning in de directe omgeving van het plangebied heeft plaatsgevonden.

Uit deze periode worden in het plangebied wel gedempte perceleringssloten en een gedempt deel van de Spie ringswetering verwacht. Op basis van de geraadpleegde topografische kaarten hebben eind jaren ’50-begin jaren ’60 van de vorige eeuw enkele veranderingen in de omgeving plaatsgevonden (figuur 11d). Zo is de Beatrixlaan aangelegd en liep direct ten noorden van het plangebied een weg. Het perceel ten westen van deelgebied A (nu grotendeels water) was in gebruik voor de tuinbouw. Hierna zijn nog enkele wegen aangelegd, waaronder de Van Rijnweg, die eerst rechtdoor dwars door het plangebied liep (figuur 11e). Daarnaast is het (toekomstig) verloop van de A4 ingetekend en is ook het woonhuis ten noorden van deelgebied A aanwezig en ten zuiden hiervan een voorloper van het huidige bijgebouw. De huidige situatie, inclusief de A4 en op- en afritten is op de topografische kaart uit 1995 voor het eerst weergegeven (figuur 11f).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[27]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 11. Overzicht van historische topografische kaarten (kaart a is west-georiënteerd).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[28]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2.5 Huidige situatie Aan de hand van actuele gegevens van recente luchtfoto’s, Google Street View, locatiebezoek en navraag bij de opdrachtgever zijn de onderstaande zaken over de huidige situatie te melden. Huidig grondgebruik

Weiland, groenstrook, (snel)weg

Hoogteligging maaiveld

Rond 0-0,6 m –NAP. De A4 en de bermen van deze snelweg liggen rond 4,8-6,3 m –NAP

Grondwatertrap of -stand

Trap II of III

Milieutechnische condities (Bodemloket)

Deelgebied B: geen gegevens voorhanden. Deelgebied A: aanvullend onderzoek naar de aard en ernst van (mogelijke) verontreiniging. In een deel van het tracé van de te verwijderen leiding dient volgens Bodemloket een sanering te worden uitgevoerd

Aanwezige constructies (funderingen, kelders e.d.)

Onbekend

Locatie en diepte van kabels/leidingen

Zie figuur 12. Binnen 1-2 m –mv

Tabel 5. Overzicht van de huidige situatie van het plangebied.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[29]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Figuur 12. Luchtfoto van het plangebied en de ligging van kabels en leidingen (KLIC).

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[30]

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

2.6 Toekomstige situatie Uit navraag bij de opdrachtgever is het volgende gebleken over de toekomstige situatie: Aard, omvang en diepte

Verlegging gasleiding door middel van een gestuurde boring. Hierna wordt de bestaande leiding verwijderd. Deelgebied A vormt een werkterrein, waarbinnen het intredepunt van de boring is gelegen (figuur 2). Nabij de in- en uittredepunt van de boring vinden ontgravingen plaats in de vorm van aan te leggen werkputten. De oppervlakte en exacte diepte van deze werkputten is nog niet bekend, maar het betreft waarschijnlijk werkputten van maximaal circa 10 -15 m 2 . Deelgebied B vormt een werkterrein en alternatieve locatie voor het uittredepunt. De nieuwe leiding heeft een lengte van circa 435 m en wordt tot maximaal 27,22 m –NAP aangelegd (bovenkant leiding; figuur 13). De te verwijderen leiding heeft een lengte van circa 460 m en hangt ter hoogte van de A4 onder het hier aanwezige viaduct (diepteligging leiding: circa 1,55-1,8 m –NAP/circa 95-180 cm –mv bij het in- en uittredepunt). Op of nabij deze locatie worden enkele palen afgekapt

Invloed op maaiveld en grondwater

Onbekend

Toekomstig gebruik(er)

Ongewijzigd

Tabel 6. De toekomstige situatie.

RAAP-rapport 5572 / versie 11-07-2022

[31]

Figuur 13. Profiel van de HDD-boring.

2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Deze geeft inzicht in de aard en de ouderdom (inclusief omvang en uiterlijke kenmerken), (diepte)ligging, en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten. Aard, ouderdom en diepteligging Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Het meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. Jager-verzamelaars In de steentijd (paleolithicum t/m neolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink)water bereikbaar. Het oppervlak uit het paleolithicum bevindt zich op meer dan 16 m –mv (vanaf circa 16,25-17,25 m – NAP). Er is onvoldoende informatie voorhanden over de aan- of afwezigheid van gradiëntzones.

Er geldt dan ook een niet nader gespecificeerde archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de steentijd. Landbouwers Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens en. De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Het plangebied bevindt zich in een kuststrook uit het neolithicum. In de directe omgeving van het plangebied waren strandwallen met hierop duinen aanwezig (Laag van Ypenburg), die interessante locaties voor bewoning en andere vormen van intensief landgebruik, zoals akkerbouw, vormden. Voor duinafzettingen met een goeddeels intact bodemprofiel bestaan een hoge archeologische verwachting voor het neolithicum. Waarschijnlijk zijn zulke geomorfologische eenheden grotendeels vergraven tijdens de aanleg van de A4, maar zouden ze ook ten westen en oosten hiervan binnen de grenzen van het plangebied aanwezig kunnen zijn. De Laag van Ypenburg wordt op basis van in de omgeving uitgevoerd onderzoek vanaf circa 3,5 m –NAP verwacht (vanaf circa 300-350 cm –mv). Vindplaatsen uit het neolithicum worden in het algemeen gekenmerkt door een relatief kleine omvang en de aanwezigheid van archeologische grondsporen. Ze gaan vaak gepaard met een lage vondstdichtheid.

Archeologische indicatoren die mogelijk de aanwezigheid van een vindplaats illustreren bestaan uit houtskool, bot, vuursteen, natuursteen, maar ook aardewerk. Deze verwachting geldt specifiek indien sprake is van een goeddeels intacte bodemopbouw met waarneembare vegetatiehorizonten in het duinzand.

Plangebied Verlegging W -514-01 - v/d Kooijweg te Rijswijk, gemeente Rijswijk ; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

Een tweede potentieel archeologisch niveau bevindt zich minder diep in de top van de Gantel Laag, die direct onder de bouwvoor wordt verwacht. Hierbij bestaat met name voor relatief hooggelegen, goed gerijpte en ontkalkte oeverafzettingen (eventueel met een lak- en/of cultuurlaag) een hoge archeologische verwachting voor de Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen. Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal bestaat voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor de nieuwe tijd. Het betreft in de regel kleinere vindplaatsen met een omvang tot circa 1.000 m 2 . Vindplaatsen uit de ijzertijd-Romeinse tijd en later gaan in het algemeen gepaard met de aanwezigheid van vondstrijke lagen, waarin fragmenten aardewerk, glas, houtskool en archeologisch puin worden verwacht. Met name, de (middels een verkennend booronderzoek te toetsen) aanwezigheid van laklagen of (vondstrijke) cultuurlagen zou kun nen duiden op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Naast archeologische bewoningsresten en sporen van een cultuurlandschap met een oorsprong in de Romeinse tijd (inclusief perceleringsgreppels en –sloten), zouden in het plangebied, in het geval dat (rest)geulen aanwezig zijn, ook vondsten uit ‘natte contexten’ aanwezig kunnen zijn. Hieronder vallen onder andere resten van jacht en visserij, rituele deposities en dammen en duikers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=1f664b47-e8d2-4180-99da-244fc600f5a7