RV 24 024 Bijlage E UrbanParks bijlage regels
Tekst van het document
Figuur 5.1 Foto links: Middeleeuwse voorloper van natuurinclusief bouwen in Elburg; nestkasten voor mussen in gevel van voormalig klooster. Foto rechts: weelderige gevelbeplanting in Avignon.
Op elk schaalniveau zijn natuurinclusieve toepassingen mogelijk. Dit varieert van het schaalniveau van het gehele Havenkwartier stad tot het realiseren van slechts een enkel bouwwerk. Hoe groter de schaal, hoe groter de mogelijkheden voor investeringen in natuurinclusief bouwen. Een faunapassage onder een weg kan bijvoorbeeld op grote schaal bepalend zijn voor één of meerdere populaties, terwijl een egeldoorgang tussen twee tuinen op kleine schaal heel belangrijk kan zijn voor een aantal egels die van de tuinen anders geen gebruik kunnen maken. Hoe het plangebied er ook uit ziet en welk schaalniveau het ook betreft, bedenk dat natuurinclusief ontwerpen vooral moet worden gezien als het scheppen (en behouden) van de
26/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
juiste randvoorwaarden voor een natuurlijk (ontwikkelings)proces en niet als het realiseren van een statisch (eind)beeld. Er moet in ieder geval voor gezorgd worden dat er een bepaalde basis(kwaliteit en -kwantiteit) aanwezig is (en kan blijven). Als de juiste (basis)randvoorwaarden aanwezig zijn (en blijven), doet de natuur de rest van het werk.
5.2
Generieke voorwaarden
Deze paragraaf omvat algemene voorwaarden voor de inrichtingsprojecten en -plannen voor het Havenkwartier, waarmee een natuurinclusief resultaat bewerkstelligd kan worden. In hoofdstuk 4, het programma van eisen is al ingegaan op wat er kwalitatief en kwantitatief moet gebeuren om effectief leefgebieden voor de doelsoorten (en volgsoorten) te realiseren. Daarbij is steeds uitgegaan van het gegeven dat voor soorten voldoende elementen van de vijf V’s (zie hieronder voor toelichting) op een planlocatie aanwezig moeten zijn om de locatie als kansrijk voor de doelsoort te beschouwen. De algemene voorwaarden zijn: • Creëer bij elke ruimtelijke ontwikkeling meerwaarde voor de omgeving van zowel mens als dier • Betrek een (stads)ecoloog en (toekomstig) beheerder in elke fase (ontwerp, uitvoering en beheer). Want: iedere (natuurlijke) inrichting is uiteindelijk maatwerk (ondanks dat dit rapport • •
inhoudelijke handvatten biedt) Bepaal, met een ecoloog, één of meerdere doelsoorten voor de betreffende ontwikkeling Doe hiervoor een omgevingsanalyse. Deze analyse geeft antwoord op de vragen 1) welke
•
soorten hebben potentie en/of hulp nodig en 2) welke elementen (vijf V’s) zijn al aanwezig in projectgebied en omgeving en welke ontbreken (nog)? Bepaal vervolgens, samen met een ecoloog, de (natuur)ambitie voor het plan of project. Een hogere ambitie creëert meer (natuur)mogelijkheden, maar vergt vaak wel meer ruimtereservering en inpassing. Biodiversiteit is (vaak) gebaat bij een gevarieerd ontwerp (zie ook de V van ‘variatie’)
• •
Ontwerp vanuit het geheel aan een systeem voor biodiversiteit. Diverse doelsoorten vragen om samenhang tussen openbare ruimte en de private gebouwen Probeer te behouden wat er al is (o.a. bestaand groen, bodem), dergelijke elementen hebben
• •
reeds een (belangrijke) natuurwaarde en creëren sneller het gewenste eindbeeld Combineer functies, zoals waterinfiltratie en biodiversiteit, parkeren en biodiversiteit, et cetera Zorg dat het niet overal aangeharkt is – maar wel fraai vormgegeven. Dit is een
• • •
•
ontwerpopgave. Ook in de zonering kan dit worden vormgegeven. Streef naar variatie Werk vanuit gelaagdheid (grond)water, bodem, mos- en kruidlaag, struweel en bomen en maak keuze voor elke laag Het (project)schaalniveau bepaalt (mede) hoeveel mogelijkheden er zijn voor natuurinclusief ontwerpen, aanleggen en beheren. Echter, elk schaalniveau biedt mogelijkheden voor één of meerdere doelsoorten. Zorg er, ongeacht schaalniveau, voor dat er tijdig ruimte wordt gereserveerd voor de (per doelsoort) noodzakelijke groene elementen Zorg voor de juiste randvoorwaarden, per doelsoort, voor alle vijf de V’s:
27/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
-
Verblijfplaatsen: elke soort heeft verblijf- en rustmogelijkheden nodig. Realiseer en/of
-
faciliteer dit voor elke doelsoort binnen het project(gebied) of toon aan dat er voldoende beschikbare verblijfplaatsen zijn in en rond het project(gebied) Voedsel: elke soort heeft voldoende aanbod van voedsel nodig. Realiseer en/of faciliteer
-
-
-
dit voor elke doelsoort binnen het project(gebied) of toon aan dat er voldoende beschikbaar voedsel aanwezig is in en rond het project(gebied) Verbinding: zonder goede verbinding bereikt een (doel)soort het project(gebied) niet en/of is verplaatsing door het projectgebied niet vanzelfsprekend. Realiseer voor elke doelsoort, indien nodig1, verbindingszones (bijvoorbeeld door robuuste groenzones of faunapassages) in het project(gebied) en met de directe omgeving rond het project(gebied) Veiligheid: elke soort is gebaat bij voldoende schuil- en rustgelegenheid (naast de vaste verblijfplaatsen). Realiseer en/of faciliteer dit voor elke doelsoort binnen het project(gebied) of toon aan dat er voldoende beschikbare veilige plekken (lees: plekken met dekking biedende elementen voor doelsoorten waar zo min mogelijk verstoring optreedt) aanwezig zijn in en rond het project(gebied) Variatie: biodiversiteit is gebaat bij een grote diversiteit aan (stedenbouwkundige) elementen en doelsoorten binnen een project(gebied) zijn beter bestand tegen negatieve invloeden als er voldoende variatie aanwezig is. Realiseer voldoende variatie in bovengenoemde vier V’s, maar ook in algemene zin (variatie in plantensoorten, variatie in inrichtingselementen, variatie in planthoogten, variatie in temperatuur, variatie in verrommeling, etc.). Zorg daarnaast, afhankelijk van de potenties binnen het
•
project(gebied), voor een combinatie van maatregelen in gebouwen, op en aan gebouwen en in de buurt van gebouwen (de openbare en/of particuliere ruimten) Maak de beoogde maatregelen zo concreet en kwantitatief mogelijk. Denk aan X neststenen voor soort Y in gevel A op X meter hoogte; X m2 struweel of bloemrijk gras met tenminste X% van soort A en X% van soort B; X m2 gevelgroen met klimsteun op gevel C bestaand uit de soorten D (50%) en E (50%)
•
Onderhoud (en nazorg) is minstens zo belangrijk als de inrichting. Neem meerjarig beheer en onderhoud al in de (voor)ontwerpfase als volwaardig mee en betrek toekomstige beheerders zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces. Uitgangspunten hier voor zijn: -
•
Niet overal aangeharkt – maar wel fraai vormgegeven. Ontwerpopgave. Ook in de zonering kan dit worden vormgegeven Streef naar variatie
Werk vanuit gelaagdheid (grond)water, bodem, mos en kruidlaag, struweel en bomen Maak een verlichtingsplan voor de openbare ruimte, in samenhang met de bebouwing. Voor met name vleermuizen is dit van belang. Betrek een ecoloog in dit plan
28/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
5.3
Bouwstenen private ruimte
5.3.1
(Dak- of binnen-)tuin
Daktuin Drentsmuseum
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Grote bladsnijder, huismus, merel In voorjaar en zomer voedselgebied voor bijen en vlinders
Omvang:
Minimaal 25 m2
5.3.2
Gevelbegroeiing
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Aandachtspunt: Omvang: 5.3.3
Huismus, merel, grote bladsnijder (afhankelijk van de gekozen soorten beplanting) Nestgelegenheid voor stadsvogels, indien met bloeiende planten (klimop) voedselbron voor insecten, indien besdragend (bijvoorbeeld vuurdoorn) voedselbiotoop lijster. Streef naar variatie in sortiment Minimaal 5 m2
Geveltuin
Doelsoorten:
Merel, grote bladsnijder, huismus
29/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Bijdrage biodiversiteit:
In voorjaar en zomer voedselgebied voor bijen en vlinders, nestplek
Aandachtspunt: Omvang:
vogels Dit is maatwerk, neem voldoende ruimte op voor uitbundige groei Minimaal 50 m2
30/40
Kenmerk
5.3.4
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Groen dak
Doelsoorten:
Grote bladsnijder, huismus
Bijdrage biodiversiteit: Aandachtspunt:
Voedselgebied voor bijen en vlinders, nestplek grote bladsnijder Breng bijv. ook bloembollen aan voor nectar in het vroege voorjaar
Omvang:
Minimaal 25 m2
5.3.5
Bruin dak
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Huismus, (volgsoort zwarte roodstaart), grote bladsnijder, gewone dwergvleermuis Naast doelsoorten habitat voorplevieren, visdiefje, scholekster, insecten,
Aanbeveling:
vleermuizen Kan op verschillende wijzen worden uitgevoerd; met schelpen en grind, met zwarte grond, met grotere stenen en puin
Omvang: Variant:
Minimaal 25 m2 Dak-akker als onderdeel stadslandbouw. Waardevol voor de huismus
31/40
Kenmerk
5.3.6
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Blauwdak
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit: Omvang: 5.3.7
Gewone dwergvleermuis Juffers en libellen, vissen, vogels en vleermuizen Minimaal 50 m2
Groen balkons
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Grote bladsnijder Voor diverse bijen, vlinder en andere insecten.
Aandachtspunt: Omvang:
streef naar variatie in sortiment. Vochtvoorziening is cruciaal Minimaal 10 m2
32/40
Kenmerk
5.3.8
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Paden en verharding
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit:
Grote bladsnijder In de uitsparingen kunnen kruiden en mossen zich vestigen. In kale grond kunnen graafbijen als de grote bladsnijder nestelen
Aanbeveling: Omvang:
Pas op een deel van de paden en verhardingen een half verharding toe Minimaal 25 m2
5.3.9
Parkeerplaatsen (met hagen)
Doelsoorten: huismus, merel Bijdrage biodiversiteit: hagen zijn leefgebied voor leefgebied voor insecten, vogels en kleine zoogdieren (egel) Aanbeveling: omzoom parkeerplaatsen waar mogelijk met hagen Omvang: minimaal 25 meter
33/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
5.3.10
Faunavoorzieningen -hout op het gebouw
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit: Minimale eisen: 5.3.11
Huismus, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, grote bladsnijder Voor vogels, bijen, vleermuizen Zie tabellen 4.1, 4.3, 4.4 en 4.5
Natuurvoorzieningen steen – geïntegreerd in het gebouw
Doelsoorten: Bijdrage biodiversiteit: Minimale omvang:
Huismus, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw Voor vogels, vleermuizen Zie tabellen 4.1, 4.3, 4.4 en 4.5
34/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
5.4
Bouwstenen openbare ruimte
5.4.1
Bosplantsoen en struweel ( mogelijk bij zone bij Sijthof)
Doelsoorten: Aanbeveling:
Bijdrage biodiversiteit: Omvang: 5.4.2
merel,(volgsoort egel) gewone dwergvleermuis, grote bladsnijder zorg voor geleidelijke overgangen van bomen, struweel, ruigte en bloemrijk grasland. Eventueel afschermen met boomstronken en takkenrillen. ecologische verbindingszone voor vleermuizen, vogels, kleine zoogdieren en insecten breedte minimaal 10 meter en bij voorkeur 25 meter
Bomen(rijen)
Doelsoorten: merel, huismus en gewone dwergvleermuis Aanbeveling: • Geen monocultuur – streef naar variatie. Bloeiende en besdragende soorten toevoegen. • Breng doorgaande bomenrijen aan als geleiding van vleermuizen. Laat ze zoveel mogelijk aansluiten op groenstructuren. • Plant bomen aan met een grote boomspiegel – deze kunnen uitgroeien tot forse exemplaren. Omvang: 5.4.3
minimaal 2 bomenrijen
Struweel en hagen
Doelsoorten: Aanbeveling:
merel, egel, huismus, grote bladsnijder. Pas waar daarvoor de ruimte is onder, of langs bomenrijen struiken toe.
Omvang:
Bij voorkeur bloeiend en nectar producerend. Minimaal 25 m2 per object
35/40
Kenmerk
5.4.4
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Plantvakken
Doelsoort: Aanbeveling:
Grote bladsnijder Gebruik een variatie aan bloeiende en nectarproducerende vaste planten, bij voorkeur met een deel inheemse planten
Omvang :
Minimaal 25 m2 per object
5.4.5
Bermen
Doelsoort:
Grote bladsnijder, gewone dwergvleermuis
Aanbeveling:
Gebruik een variatie aan bloeiende en nectarproducerende vaste planten, bij voorkeur met een deel inheemse planten Minimaal 100 m2 per object
Omvang :
36/40
Kenmerk
5.4.6
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Ontmoetingsplekken
Doelsoort: Aanbeveling:
Grote bladsnijder, gewone dwergvleermuis, huismus Gebruik een variatie aan bloeiende en nectarproducerende vaste planten, bij
Omvang:
voorkeur met een deel inheemse planten. Breng ook zandige plekken aan t.b.v. huismus en grote bladsnijder. Minimaal 100 m2 per object
5.4.7
Binnenhavens met natuurvriendelijke oevers
Bron: www.natuurarchitectuur.com
Doelsoort: Aanbeveling:
Meerkoet Gebruik een variatie aan bloeiende en nectarproducerende inheemse water- en oeverplanten
Omvang:
Minimaal 200 meter per object
37/40
Kenmerk
5.4.8
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Kademuren
Doelsoort: Aanbeveling:
Muurvaren Zie tabel 4.7
Omvang:
Minimaal 10 meter per object
5.4.9
Vissenbos
Doelsoort: Aanbeveling:
Meerkoet (volgsoort baars) Gebruik takken van meerdere soorten bomen of struiken. Zie ook: https://www.sportvisserijnederland.nl/actueel/nieuws/20732/Vissenbossen...
Omvang:
Minimaal 10 meter lang
38/40
Kenmerk
5.4.10
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
(stads)Wadi’s
Doelsoort: Aanbeveling:
Grote bladsnijder, gewone dwergvleermuis Gebruik een variatie aan bloeiende en nectarproducerende vaste planten, bij voorkeur met een deel inheemse planten
Omvang:
Minimaal 100 m2 per object
39/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
6 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, Maes, B. & Krüse, H. ,2011. Beschermde muurplanten. Ecologische en technische maatregelen bij beheer en behoud. Praktijkreeks Cultureel Erfgoed. Aflevering 17, no. 48. Sdu Uitgevers BV. Urban Parks, 2021. Burgemeester Elzenlaan te Rijswijk. Geraadpleegde websites: www.ndff.nl www.zoogdiervereniging.nl www.vogelbescherming.nl www.nederlandsesoorten.nl www.verspreidingsatlas.nl bouwadaptief.nl https://www.rijswijk.nl/projecten/havenkwartierOntwikkelkader Havenkwartier www.rijswijk.nl/projecten/plaspoelpolder https://www.rijswijk.nl/sites/default/files/groenbeleidsplan_2010-2020.pdf https://www.sportvisserijnederland.nl/actueel/nieuws/20732/Vissenbossen
40/40
Kenmerk
R001-1284087PDK-V01-srb-NL
Bijlage 1
Deelnemers aan de werksessie biodiversiteit Havenkwartier
Peter Hegi, Portefeuillehouder Rijswijk en Laak van de AVN Pieter Aaldring, Vogelwacht Wendy Bakker, Coördinator Steenbreek Rijswijk Jannie Marck, Platform Groen in Rijswijk Pim de Kwaadsteniet, TAUW Vincent Sanders, TAUW
51
Bijlage 3 Quickscan natuurinclusief UrbanParks
bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld
Project Projectlocatie Projectnummer Opsteller Controle/vrijgave
UrbanParks Burgemeester Elsenlaan, Rijswijk (Havenkwartier) 10P2200596 Vincent Janssen Thomas Bastiaans
Betreft Datum
Bijlage 10 AOK: Quickscan natuurinclusiviteit, klimaatadaptiviteit en duurzaamheid 13 januari 2023
INLEIDING UrbanParks is gelegen in het havenkwartier van Rijswijk, een gebied waarin leegstaande bedrijfs- en havengebouwen worden omgevormd tot een woon-, werk- en recreatiegebied. Bij de herontwikkeling van het gebied zijn natuurinclusief bouwen en biodiversiteit belangrijke thema’s. Als richtinggevend document is door Tauw de rapportage ‘Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk – Inspiratie- en toetsingsinstrument’ opgesteld. Deze rapportage beschrijft de huidige en gewenste ecologische situatie van het gebied en beschrijft de kansen voor de lokale biodiversiteit. Voor het Havenkwartier zijn daarop volgend doel- en volgsoorten opgesteld. Deze doel- en volgsoorten zijn plant- en diersoorten die reeds in het gebied voorkomen, maar bij herontwikkeling verder gestimuleerd kunnen worden. De leefomgeving van deze soorten staat onder druk, door natuurinclusieve herontwikkeling kan de leefomgeving van deze soorten sterk verbeterd en uitgebreid worden. De groene inrichting van de buitenruimte en dakvlakken dient, waar mogelijk, een bijdrage te leveren aan het leefgebied van deze soorten. Doelsoort Huismus Merel Gewone dwergvleermuis Grote bladsnijder Meerkoet Gierzwaluw Muurvaren
Volgsoort Zwarte roodstaart Egel Laatvlieger Algemene bijen en vlindersoorten Baars Zwarte roodstaart Muurleeuwenbek
De gemeente Rijswijk heeft zich gecommitteerd aan het convenant ‘klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland’. De ambitie van het convenant klimaatadaptief bouwen is beschreven in een programma van eisen (Bijlage A.1 Programma van Eisen). Per thema, zoals biodiversiteit, neerslag, droogte en bodem zijn een aantal randvoorwaarden beschreven om klimaatbestendig te kunnen ontwikkelen. Betreft het thema groenblauwe structuur en biodiversiteit wordt de volgende eis gesteld: B1 > Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren de bredere omgeving ingericht en creëren een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. Hierbij is de ambitie om voor 1-3 soorten een hoogwaardige habitat de creëren. Het realiseren van deze ambitie staat in lijn met ambities van de gekozen doel- en volgsoorten voor het Havenkwartier, zoals beschreven in het inspiratie- en toetsingsinstrument. UrbanParks De ontwikkeling ‘UrbanParks’ is gunstig gelegen tussen bestaande groengebieden in de stad, en dient daarom als ecologische stapsteen voor de lokale ecologie. Het is centraal gelegen tussen ‘Begraafplaats Oud-Rijswijk’ en ‘Volkstuinencomplex Lommerrijk, de Rijswijkse golfbaan en directe omgeving’.
De groene daken, die op verschillende verdiepingen/hoogtes van de bouwvolumes een plek krijgen, vormen tevens een aansluiting op de bestaande groencorridor langs de ‘Burgemeester Elsenlaan’. Onderstaande afbeelding toont de ontwikkeling ‘UrbanParks’, met daarin onderscheidt tussen de verschillende groentypen die worden toegepast. Er wordt onderscheidt gemaakt in extensieve- en intensieve groendaken en de openbare ruimte op maaiveld, tussen de twee bouwvolumes.
Legenda:
Roze (licht): Intensief groendak, openbaar Groen (donker): Openbare ruimte Paars: Extensief groendak
Roze (donker): Intensief groendak, collectief Groen (licht): Openbare ruimte (in te richten door gemeente)
In het volgende hoofdstuk worden de typen groentypen en hun meerwaarde voor de biodiversiteit / lokale ecologie beschreven. De doel- en volgsoorten, waar ze een meerwaarde voor vormen, zijn in de tekst dikgedrukt weergegeven.
Het is vanzelfsprekend dat niet enkel voor de genoemde doel- en volgsoorten het gebied wordt ingericht. Door een afwisselende groeninrichting, met vaste planten, heesters en kleine bomen, met ieder hun eigen kwaliteit op het gebied van nectar, bloesem en vruchten, wordt voorzien in breed voedselpalet voor zowel vogels, vleermuizen, vlinders, insecten en bijen. Daarnaast versterken ze elkaars aanwezigheid. Bijvoorbeeld: nectar dragende beplanting trekt insecten, vlinders en bijen aan, deze soorten dienen op hun beurt als voeding voor vogels en vleermuizen. Door veel groen toe te voegen en nestgelegenheden te creëren wordt een nieuw ecologisch systeem opgezet, aanvullend op de bestaande kwaliteiten van het Havenkwartier.
GROENDAKEN, OPENBARE RUIMTE EN GEVELS GROENDAKEN Er zijn twee soorten groendaken; de dakvlakken van de torens, ingericht met sedummixmat en de daktuinen (privaat en collectief) met bloeiende vaste planten borders met daarin ook siergrassen en een enkele sierheester of kleine boom. Daarnaast wordt de openbare ruimte tussen de twee bouwvolumes en de gevelinrichting toegelicht. De dakvlakken op de torens worden beschouwd als extensieve daktuinen, omdat deze niet functioneel gebruikt worden door de gebruikers van het gebouw. De private en collectieve daktuinen worden ingericht als intensieve daktuinen, namelijk met verblijfs- en ontmoetingskwaliteit. Een groendak, zowel intensief als extensief, heeft verschillende voordelen: Een groendak verhoogt de ecologische waarde van het dak en stimuleert de biodiversiteit; Een groendak heeft een isolerende werking, in de zomer houdt deze het gebouw koel, in de winter wordt de warmte langer vastgehouden. Dit komt het gebouwklimaat ten goede; Een groendak verlengd de levensduur van het dak; Een groendak absorbeert regenwater. Regenwater wordt opgevangen en vertraagd afgevoerd. Daarnaast kan regen worden gebruikt als voeding voor de beplanting; Een groendak heeft een geluidsreducerende functie.
De beplanting zorgt voor een afname van het omgevingsgeluid en een geluidsreductie in het gebouw; Een groendak zet CO2 om in zuurstof; Een groendak verlaagd de temperatuur in de directe omgeving op het dak, waardoor zonnepanelen een hoger rendement behalen; Een groendak verhoogt dat de waarde van het vastgoed; Ieder type groendak stelt andere eisen aan de ondergrond, de voedingsbodem. Deze voedingsbodem bestaat uit een substraatpakket. De dikte van dit substraat, de doorwortelbare ruimte, bepaald voor welke type groendak deze geschikt is. De combinatie substraatdikte en type vegetatie bepaald tevens de ecologische capaciteit. Als algemeen uitgangspunt kan genomen worden dat hoe dikker de substraatlaag, hoe meer verschillende soorten beplanting toegepast kunnen worden en hoe hoger de ecologische waarde van het groendak dus is.
INTENSIEF GROENDAK Er wordt in deze fase van het project nog geen onderscheidt gemaakt tussen de ruimtelijke invullingen van de, private en collectieve intensieve groendaken. Deze groendaken worden ingericht als ontmoetings- en verblijfstuinen, met wandelpaden, uitbundig bloeiende borders en verblijfsplekken. De borders, die worden ingericht met vaste planten, siergrassen en sierheesters vormen jaarrond een interessant beeld. Op het openbare groendak worden enkele (meerstammige) bomen geplaatst. Door ecologische inrichtingselement toe te voegen, zoals zwerfkeien, houten stammen en insectenhotels, wordt de lokale biodiversiteit extra versterkt. Sfeerbeelden intensieve daktuin:
Bij de inrichting van de intensieve groendak werken we met een natuurlijke uitstraling. Dit beeld bereiken we middels willekeurige plantverbanden en een combinatie van verschillende kleuren, hoogtes en structuren. Door het combineren van vaste planten, siergrassen en lage heesters ontstaat jaarrond een interessant beeld. De combinatie van zomerbloeiers, met groenblijvende beplanting en structuurplanten ontstaat een aantrekkelijke balans. Door de juiste combinatie van plantkleur en hoogte wordt een dynamisch natuurlijk beeld bereikt. Bij de inrichting van de intensieve daktuinen worden vooral plantsoorten gekozen die een bijdrage leveren aan de lokale biodiversiteit, afgestemd op de doel- en volgsoorten. Er worden vooral inheemse soorten toegepast, deze zijn het meest geschikt als dracht- en waardplanten. Specifiek gericht op de grote bladsnijder (een doelsoort van het Havenkwartier) worden plantsoorten als kogeldistel (Echinops) en klaver (Trifolium) toegepast. De huismus, die graag met groepen bij elkaar leven, heeft graag een beschutte plek in een heester of hagen, zoals een Kardinaalsmuts (Euonymus), Krentenboompje (Amelanchier) en Hulst (Ilex). De Kardinaalsmuts heeft niet enkel een positieve invloed op huismussen, en andere kleine vogelsoorten zoals merel en zwarte Roodstaart, maar ook voor bijen en vlinders.
Bij de keuze van het overige beplantingsassortiment op de intensieve daktuin wordt vooral gekeken naar verschillende eigenschappen: beplanting met zaden, nectar en bessen, en beplanting die ruimte biedt als nest- en schuilgelegenheid. Voor de keuze van het sortiment is onder andere de soortenlijst van de vogelbescherming geraadpleegd. Plantsoorten die over deze eigenschappen beschikken zijn onder andere; Adderwortel (Persicaria); Duizendblad (Achillea); Maagdenpalm (Vinca); Verbena (Verbena); Vrouwenmantel (Alchemilla); Marjolein (Origanum) en Guldenroede (Solidago). Heesters die geschikt zijn als dracht- en waardplant zijn onder andere de Vlinderstruik (Buddleja), bes (Ribes) en (dwerg)sering (Syringa). Bij de uiteindelijke uitwerking van de intensieve daktuinen zal het sortiment verder bepaald en uitgebreid worden. De bijen, dag- en nachtvlinders en overige insecten die door deze beplanting worden aangetrokken zijn onderdeel van het voedsel van onder andere de gierzwaluw en gewone dwergvleermuis, die eveneens als doelsoort voor dit gebied zijn aangemerkt.
Overzicht van ecologische inrichtingselementen, vaste planten en heesters:
EXTENSIEF GROENDAK De dakvlakken van de torens worden zoveel als mogelijk ingericht als extensief groendak. Op deze daken worden verschillende technische installaties en zonnepanelen geplaatst, de mogelijkheden en effectiviteit van beide (PVpanelen en sedum) moet nader worden onderzocht. Om verminderde efficiëntie van de zonnepanelen te voorkomende wordt een laagblijvende sedummixmat toegepast. Deze sedummixmat bevat een 13-tal verschillende soorten en zijn gekweekt op een kokosvezelmat. Doordat sedum vetachtig blad heeft zijn ze goed in staat om water in het blad op te slaan, waardoor ze goed gedijen in diverse weersomstandigheden. Doordat de dakvlakken, vanaf maaiveld gezien, stapsgewijs oplopen ontstaat een interessante biotoop. De verschillende dakvlakken, die als stepping-stones dienen, versterken elkaar en bieden ruimte voor verschillende soorten fauna. Er zijn verschillende soorten insecten, vlinders, bijen en vogels die gebruik maken van deze groendaken op hoogte. Hier vallen onder andere een aantal vlindersoorten te verwachten, zoals de atalanta, distelvlinder, dagpauwoog en kleine vos. Deze kleine organismen zijn eveneens voedsel voor de gierzwaluw en de gewone dwergvleermuis. Door ecologische inrichtingselementen toe te voegen, zoals houten stammen (dood hout) en vogelnestkasten, wordt de biodiversiteit extra versterkt.
Deze boomstammen en nestkasten kunnen, vanwege de zonnepanelen en installaties op het dak, een plek uit de directe wind krijgen. Soorten sedum die onder ander in deze mat voorkomen zijn; Sedum acre ‘Golden Carpet’, Sedum album ‘Coral’, Sedum ellacombianum, Sedum floriferum, Sedum spurium ‘Coccineum, en andere. Hierdoor ontstaat een variërend en dynamische beeld van verschillende bladkleuren en bloeikleuren. Overzicht van Sedummixmat met verschillende soorten sedum en ecologische inrichtingselementen (houten stam / vogelnestkast):
OPENBARE RUIMTE In de openbare ruimte, gelegen op de parkeergarage, is beperkt ruimte voor het toevoegen van groen en beplanting. Tussen de twee bouwvolumes wordt een doorgang gerealiseerd, die onderdeel is van het stedelijk routenetwerk voor fietsers en voetgangers. Binnen de projectgrenzen is dit de enige locatie waar het mogelijk is een leefklimaat voor kleine zoogdieren, zoals egels en muizen te realiseren. Dat houdt vooral het creëren van verblijfs- en schuilplekken in. Dat is mogelijk door het aanplanten van hagen of dicht vertakte vaste planten/sierheesters. Beplanting die hiervoor geschikt is, is onder andere Vlinderstruik (Buddleja), Deutzia (Deutzia), Blauwgras (Sesleria) en Vrouwenmantel (Alchemilla). Vanwege de uniforme uitstraling van de daktuinen worden hier ook dezelfde soorten toegepast als op de intensieve daktuin, zoals de Distel (Echinops) en Duizendblad (Alchillea). Daarnaast is er ruimte voor een beperkt aantal solitaire heesters, zoals bijvoorbeeld een meerstammige krentenboom (Amelanchier). Deze soort is waardevol voor bijen, vlinders, vogels en heeft nectarwaarde/pollenwaarde. Tussen het openbaar groen kan tevens een egelnest geplaatst worden. Overzicht van een vaste planten, (solitaire) heesters en een ecologisch inrichtingselement:
GEVELINRICHTING Een aantal genoemde doel- en volgsoorten zoeken vooral beschermings- en nestgelegenheden in de gevels. Dit geldt vooral voor onder andere de gierzwaluw, slechtvalk en de gewone dwergvleermuis. Middels vleermuis- en vogelnestkasten, verwerkt in de gevel, wordt in nestgelegenheden voorzien. De eerste 5 verdiepingen van het complex worden uitgevoerd in metselstenen. Deze gevelbekleding biedt potentieel voor het integreren van nestkasten. Indien nodig kunnen boven de 5e verdieping eveneens nestkasten in de gevel worden voorzien, de implementatie hiervan zal in het bouwkundig ontwerp verwerkt worden, later in het ontwerpproces. De doelsoorten nestelen over het algemeen niet hoger dan (+-) de 10e verdieping. Rondom de intensieve daktuinen, op een zonnige plek, worden bijenstenen toegepast. Deze kasten zijn een effectieve manier om de biodiversiteit verder te vergroten. Een bijkomend voordeel is dat de aanwezige vleermuizen de insectenpopulatie in bedwang houden. Voorbeelden van enkele vleermuis-, bij- en vogelnestkasten zijn:
UITWERKEN EN CONCRETISERING De nadere uitwerking van de daktuinen, het openbaar gebied en de toepassing van nestkasten vind plaats in de volgende fase van het ontwerpproces. Hierbij zal ook de stadsecoloog betrokken worden, om een optimaal leefklimaat voor de lokale flora en fauna te kunnen realiseren.
KLIMAATADAPTATIE EN WATERBERGING INLEIDING In de rapportage ‘Wateropgave ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen’ en ‘Watersleutel’ worden deze richtlijnen uitvoerig beschreven. In dit document worden kort de belangrijkste conclusies toegelicht. Zowel het Hoogheemraadschap Delfland als de gemeente Rijswijk hebben richtlijnen voor de inrichting van klimaat adaptieve bebouwing en openbare ruimte. Deze gelden ook voor ontwikkeling UrbanParks. De gemeente Rijswijk heeft zich gecommitteerd aan het ‘Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland’, het hoogheemraadschap Delfland hanteert zijn eigen richtlijnen, de watersleutel. De wateropgave vanuit het convenant klimaatadaptief bouwen is hoger dan de wateropgave die voorkomt uit de watersleutel. Het is niet noodzakelijk deze twee opgaven met elkaar te combineren. De hoogste wateropgave vormt het uitgangspunt voor de vasthoudmaatregelen binnen het projectgebied. Dat betekent dat er binnen het projectgebied voor 363,2 m3 aan vasthoudmaatregelen gerealiseerd te worden. CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN – PROVINCIE ZUID HOLLAND De ambitie van het convenant klimaatadaptief bouwen is beschreven in een programma van eisen (Bijlage A.1 Programma van Eisen).
De randvoorwaarden die betrekking heeft op de waterbergingsopgave: • N1 > Hevige neerslag > Een groot deel van de neerslag (50mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar, of wordt gestuurd. • N2 > Hevige neerslag > In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm/uur) Onderstaande afbeelding toon het projectgebied van de ontwikkeling UrbanParks. De grootte van het plangebied is 7263m2, dit oppervlak* vormt het uitgangspunt voor de berekening waterberging.
* Verdeling m2 binnen het projectgebied, in totaal 7263 m2: 2666 m2 Dakoppervlak torens 1, 2, 3, 4 en 5 825 m2 Daktuinen 5e verdieping (tussen toren 1-2, 2-3 en 4-5) 824 m2 Daktuinen 1e verdieping (tussen toren 1-2, 2-3 en 4-5) 1676 m2 Privéterrassen op daktuinen 466 m2 Openbare ruimte begane grond op parkeerdek 806 m2 Openbare ruimte begane grond buiten parkeerdek
De tijdelijke bergingsopgave (vasthoudmaatregel) die voortkomt uit randvoorwaarde N1 is 363,2 m3. Dit komt voor uit het oppervlak bebouwd gebied (7263* m2 = oppervlak plangebied) x 0,05 m berging/m2. Tijdelijke berging van 363,2 m3 vormt het uitgangspunt voor de waterbergingsopgave. Onderstaand zijn de berekeningen voor de waterbergingsopgave, voor zowel randvoorwaarde N1 als N2, weergegeven. De berekeningen zijn gebaseerd op de volgende uitgangspunten: •
•
•
•
•
Waterberging op het dakoppervlak van de woontorens is voorzien middels permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Daarnaast is het daktuinsubstraat (60mm) voor de groendaken in staat de overige 5 mm te bergen. Daktuinen op de 5e verdieping (collectief) zijn voorzien van permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Daarnaast is het daktuinsubstraat (300mm) voor de groendaken in staat de overige 5 mm te bergen. Daktuinen op de 1e verdieping (openbaar) zijn voorzien van permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Daarnaast is het daktuinsubstraat (300mm) voor de groendaken in staat de overige 5 mm te bergen. De waterberging op de privé terrassen wordt voorzien middels tegeldragers van 60mm. Bij een extreme piekbui van 90mm wordt 60mm geborgen onder de verharding, de overige 30mm wordt elders op de daken, in het daktuinsubstraat geborgen.
De openbare ruimte op het parkeerdek wordt voorzien van permavoidkratten met een dikte van 85mm. Wanneer 50mm water vastgehouden moet worden zijn de kratten voor 60% gevuld. Bij een extreme piekbui, waarbij 90mm water vastgehouden moet worden zijn deze voor 100% gevuld. Het overige regenwater kan middels een rockflowpakket / wadi / IT-riool vertraagd worden afgevoerd.
Onderstaande afbeelding toont de watertoets voor randvoorwaarde N1, 50mm berging. Er dient 363,2 m3 water vastgehouden te worden. De bergingscapaciteit van het dak is 378,3 m3 en voldoet aan de randvoorwaarde.
Onderstaande afbeelding toont de watertoets voor randvoorwaarde N2, geen schade aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (90 mm/uur). De tijdelijke bergingscapaciteit van het dak is 709,3 m3 en voldoet aan de randvoorwaarde.
CONCLUSIE VASTHOUDMAATGELEN URBAN PARKS De berging binnen het projectgebied voldoet aan de gestelde randvoorwaarden vasthoudmaatregelen. De daken, daktuinen en privéterrassen hebben voldoende capaciteit, na het aanbrengen van waterbergende kratten, om aan de wateropgave te voldoen. Daarnaast is er in de openbare ruimte, zowel op als naast de ondergrondse parkeergarage, voldoende waterbergingscapaciteit. De overstort op de daktuin is mogelijk middels een geknepen afvoer. Hierdoor wordt het regenwater vertraagd, en binnen 48 uur, vertraagd afgevoerd naar omliggend watersysteem. Er wordt zowel aan randvoorwaarde N1 en N2 voldaan. Bij de verdere invulling van de daktuinen, daken en openbare ruimte wordt de watertoets in acht genomen.
A
C
B E
Verklaring: A (blauw) B (geel) C (groen) D (rood) E (oranje)
Dakoppervlak torens– Permavoidkratten 85mm Daktuin 5e verdieping – Permavoidkratten 85mm Daktuin 1e verdieping – Permavoidkratten 85mm Privéterras – tegels op tegeldragers 60mm Openbare ruimte op parkeerdek – Permavoidkratten 85mm
D
DUURZAAMHEID UrbanParks wordt in alle opzichten een duurzaam project en beter dan de standaard. Het is onze ambitie om het overal tenminste 10% beter te doen. Concreet zijn onze beloften: •
BENG 1 is wettelijk <65 kWh/m2, voor de appartementen van UrbanParks is deze lager dan 55 KWh/m2 Dit doen wij door de schil duurzaam te maken. -
-
Verbeterde isolatiewaarde isolatiewaarde van de gevel. (wettelijk 4,7 mwK/W, bij ons >5,2 mwK/W De appartementen zijn voorzien van vacuüm HR++ glas, dit heeft de kwaliteit van triple glas, zonder het materiaalgebruik; of gelijkwaardige kwaliteit De appartementen zijn voorzien van WTW, om de energiebehoefte te verlagen en wooncomfort te vergoten De WTW is voorzien van een bypass/nachtverlaging, om ongewenst vasthouden van hoge temperatuur in de zomer te verminderen
•
BENG 3 is wettelijk >40%, in UrbanParks is méér dan 10% beter: we streven naar minimaal 50%! Eigenlijk steven we naar veel hoger maar UrbanParks kenmerkt zich ook daar hoge mate van natuurlinclusiviteit en dit beperkt ons enigszins op dit onderdeel. Sedumdaken en (WTW) installaties veroorzaken dat we niet het dakvlak maximaal kunnen benutten voor PV panelen. Tenminste de 3 hoogste toren zijn voorzien van PV-installaties, wanneer dit niet toereikend is gebruiken we ook toren 2+3 Toren 1 heeft ruimte voor ca 500m2 PV-panelen Toren 2 heeft ruimte voor ca 360 m2 PV-panelen Toren 3 heeft ruimte voor ca 370 m2 PV-panelen Toren 4 heeft ruimte voor ca 300 m2 PV-panelen Toren 5 heeft ruimte voor ca 550 m2 PV-panelen
•
Om netcongestie te verminderen zetten we in op real timegebruik van zonne-energie daarvoor hebben we het volgende plan: o We leggen de PV-panelen in een mix aan van zuid en oost/west georiënteerde panelen o We gaan voor collectief opgewekte energie, welke ingezet wordt voor collectief gebruik van VVE en warmtevoorzieningen o We combineren de PV-panelen met een laadplein en elektrische deelmobiliteit. Deze maken we geschikt voor bi-directioneel gebruik. Daarmee zijn de auto’s de auto’s de rijdende batterijen om in de zomer de opgewekte energie daadwerkelijk te gebruiken en in de winter in de toekomst de mogelijkheid om slim te balanceren.
•
Wij gaan voor duurzame warmteopwekking, met een mix van bodemenergie en TED. TED staat voor Thermische Energie uit Drinkwater. In samenwerking met DUNEA halen we warmte uit de hoofddrinkwaterleiding die door de wijk loopt. Met die energie worden de woning verwarmd. Hiermee helpen we DUNEA om de langzaam steeds hogere wordende temperatuur van het drinkwater te beteugelen en zo de kwaliteit van het drinkwater te borgen en gezond te houden.
•
Wij gaan voor duurzaam materiaalgebruik o Wij voorzien UrbanParks van een materiaalpaspoort o Wij gaan voor 5-10% biobased materiaalgebruik waarbij we denken aan (HSB-gevels met cellulose isolatie en bijvoorbeeld FAAY binnenwanden) o Wij gaan voor circulaire dakbedekking waarbij we denken aan bijvoorbeeld leadax Roov o.g. o Daarmee behalen wij een MPG-score die tenminste 10% beter is dan de wettelijke MPG-norm (huidig is 0,8)
•
Wij gaan voor een goede GPR-score. o Bouwen conform bouwbesluit leidt tot een GPR-score van gemiddeld ca 7. o Wij gaan er met UrbanParks voor om op de gecombineerde score van energie en milieu tenminste 10% beter te scoren, namelijk 7,5-8 o Ook de overige thema’s (gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde) behalen een score van 7,5-8
66
bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld
67
Bijlage 4 Convenant Klimaatadaptief Bouwen
bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
Bijlage A.1 Programma van Eisen
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
Bijsluiter PvE Klimaatbestendig Bouwen
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
Aanleiding De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant1 Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Eén van de convenantafspraken is het ontwikkelen van een instrumentarium om de klimaatbestendigheid van nieuwbouw te beoordelen en te bevorderen. Dit is een complex en meerjarig traject. In het convenant is afgesproken om in afwachting van de resultaten van dit instrumentarium alvast een “Minimaal Programma van Eisen” te ontwikkelen. Dit Programma is bedoeld als voorlopige maatregel om de nieuwbouwplannen die in de komende jaren ontwikkeld worden klimaatbestendig in te richten. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. De voorliggende bijsluiter geeft de achtergronden en aanwijzingen voor het gebruik van de eisen.
Opbouw Programma van Eisen Klimaatbestendig Bouwen Het Programma van Eisen is een compact overzicht van eisen om klimaatbestendig te ontwikkelen. Een minimaal en praktisch programma van 1 A4’tje, gebaseerd op de huidige inzichten met het richtjaar 2050. Het PvE begint met een kolom met de overkoepelende doelen waar de eisen uit voortkomen. Deze doelen geven richting bij de interpretatie en eventuele aanpassing van de eisen. Met de tijd kunnen inzichten en toetsingsmogelijkheden veranderen kunnen de eisen bijgesteld worden, maar de eisen moeten wel blijven passen bij het doel. Daarnaast hebben partijen de mogelijkheid om aan te tonen dat ze het overkoepelende doel beter kunnen halen met alternatieve oplossingen die mogelijk niet voldoen aan de voorgeschreven eisen. Een programma van eisen is bedoeld om vooraf plannen en ontwerpen te toetsen. Dit betekent dat de eisen meetbaar zijn en er middelen beschikbaar moeten zijn om de eisen eenvoudig te kunnen controleren. Eisen als “het gebied wordt waterrobuust ingericht” of “het gebied is prettig om te verblijven” zijn te abstract en lastig van tevoren te toetsen. Het voorschrijven van maatregelen is wel concreet en toetsbaar, maar beperkt de mogelijkheden van de ontwerpende partij en houdt innovatie en variatie tegen. Bovendien werken maatregelen niet in alle situaties.
De opgestelde eisen zijn daarom zoveel mogelijk geformuleerd dat ze meetbaar zijn zonder specifieke maatregelen voor te schrijven. Bij een aantal onderwerpen was dit niet mogelijk of gewenst en zijn procesmaatregelen opgesteld. De eisen zijn aan de ene kant voorzichtig geformuleerd om onnodige investeringen te voorkomen. Aan de andere kant zijn de eisen stevig genoeg om klimaatschade in de toekomst te voorkomen. Naarmate we meer ervaring en kennis opdoen, zullen de eisen naar nieuwe inzichten aangepast worden.
1
Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland 2018
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
Voor een aantal eisen is een range opgenomen om rekening te houden met locatie- of projectspecifieke omstandigheden. Zo kan in een wijk met een slechtdoorlatende grond gekozen worden voor minder infiltratie dan de standaardwaarde.
Tabel 1 Programma van Eisen Klimaatbestendig Bouwen
De onderstaande paragrafen geven een toelichting op de inhoud en het gebruik van de eisen. Wateroverlast door hevige neerslag De kans op hevige neerslag is toegenomen2 en zal de komende jaren verder toenemen door stijging van de temperatuur. Onderstaande tabel geeft de verwachte herhalingstijden voor neerslaggebeurtenissen voor het huidige klimaat en het klimaat in 2050 met een indeling voor standaardisatie3. Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. De kan leiden tot water-op-straat, overlast en schade. De gevolgen van deze buien voor stedelijk gebied kunnen in detail berekend worden met gecombineerde rioleringsen maaiveldmodellen4. Tabel 2 Statistiek neerslaggebeurtenissen stresstest wateroverlast. 5
STOWA-rapport 2018-12 ‘Neerslagstatistiek voor korte duren. Actualisatie 2018’ In de eisen is een vertaling gemaakt van herhalingstijd naar neerslaghoeveelheid. Als er nieuwe neerslagstatistiek beschikbaar komt, worden de neerslaghoeveelheden aangepast op de herhalingstijden. 4 Zie bijvoorbeeld: STOWA-rapport 2017-34, ‘Benchmark Inundatiemodellen’ 5 Werkgroep standaardisatie stresstest wateroverlast, 14 juni 2018, ‘Standaardisatie neerslaggebeurtenissen stresstest wateroverlast’ 2 3
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
De eisen voor het voorkomen van wateroverlast hebben tot doel om hevige neerslag lokaal vast te houden en bebouwing en voorzieningen te beschermen: −
−
N1: Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar, of wordt gestuurd. N2: In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u).
N1: Deze eis is bedoeld om te zorgen dat extreme neerslag van het privaat gebied niet geheel op het openbaar gebied afgewenteld wordt6. De berging van 50 mm is afgeleid van de bui 70 mm in een uur bij het klimaat in 2050. Wanneer er al weinig waterberging in het openbaar gebied beschikbaar is of als bergingsmaatregelen eenvoudig genomen kunnen worden, kan de eis verhoogd worden naar 70mm of in omgekeerde gevallen verlaagd worden naar 40 mm. Om het stedelijk watersysteem effectief te ontlasten moet de berging geleidelijk afgevoerd worden in een periode vanaf minimaal 24 uur na de bui (ongeveer 2 mm per uur). De berging moet binnen 48 uur na de bui weer beschikbaar zijn om een tweede bui op te vangen. Lokaal kunnen andere ledigingstijden voorgeschreven worden. De ledigingstijden gelden niet voor gestuurde waterbergingssystemen die bijvoorbeeld weersvoorspellingen gebruiken. Hierbij moet wel aangetoond worden dat de gestuurde berging effectief ingezet kan worden voor het opvangen van de 50 mm neerslag. Een belangrijk aandachtspunt voor berging op privaat terrein is dat het aannemelijk gemaakt moet worden dat de waterberging op langere termijn even goed blijft functioneren. N2: Deze eis gaat over de schade in het gehele plangebied, dus op privaat en/of publiek terrein.
De bui van 90 mm in een uur (klimaat 2050) is heviger dan bij N1 en er mag geen schade optreden aan bebouwing en voorzieningen. Bij het aantonen hiervan moet ook rekening gehouden worden met de wisselwerking met het omliggende gebied en watersysteem en moet afwentelen voorkomen worden. Tijdelijke overlast door water op straat of op maaiveld is wel toegestaan. Een belangrijke maatregel om schade te voorkomen is een voldoende hoog vloerpeil van bebouwing en voorzieningen. Eisen voor het vloerpeil ten opzichte van omringend maaiveld zijn niet opgenomen omdat dit andere maatregelen uitsluit en de eisen sterk locatieafhankelijk kunnen zijn. Aanvullend stellen gemeenten in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) eisen aan de duur en waterdiepte van water op straat bij verschillende herhalingstijden.
Art. 3.5 van de Waterwet legt de verantwoordelijkheid voor het afvloeiend hemelwater in eerste instantie bij de lozer als “redelijkerwijs kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen”.
6
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
Droogte Klimaatverandering zorgt voor langere periodes van droogte en daarmee verminderde toevoer van water naar het oppervlakte- en grondwater. Het doel is het voorkomen of beperken van schade aan houten fundering, schade aan begroeiing, extra bodemdaling en een slechte waterkwaliteit. De eisen richten zich op het rekening houden met droogte en aanvulling van het grondwater:
D1: De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. − D2: In het plangebied wordt 50% (450mm) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd. D1: Dit is een vrij open eis waarbij aangetoond moet worden dat in het ontwerp rekening gehouden wordt met mogelijke droogte en dat schade voorkomen wordt. Voor het grondwater wordt rekening gehouden met de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en de verwachting van de grondwaterstand in extreme jaren. Dit betekent dat het uitzakken van het grondwaterpeil niet leidt tot extra bodemdaling, sterfte van (openbare) groenvoorzieningen en bomen. Noodmaatregelen als het bewateren met schaars drink- of oppervlaktewater zijn ongewenst. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met beperkte beschikbaarheid van het oppervlaktewater tijdens droogte. Maatregelen als gestuurde drainage hebben niet de voorkeur omdat hierbij de zoetwatervraag in droge periode toeneemt. −
D2: Een voldoende hoge (freatische) grondwaterstand zorgt voor een watervoorraad voor begroeiing in droge tijden en kan bodemdaling en zoutindringing verminderen. Om het grondwater aan te vullen is de standaardeis dat 50% van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd wordt in de bodem. De gemiddelde jaarneerslag is nu ongeveer 850 mm en zal naar verwachting toenemen tot 900 mm in 20507. Bij zeer slecht doorlatende bodems (zware klei) of beperkte ruimte kan deze eis verlaagd worden en bij goed doorlatende bodems (zand) kan deze eis verhoogd worden. Bij grondwateroverlast door hoge grondwaterstand in of buiten het plangebied wordt deze eis aangepast zodat de overlast in ieder geval niet toeneemt. Hitte Extreme, langdurige hitte vermindert het functioneren van mensen en kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De stedelijke omgeving warmt al meer op dan het buitengebied en in de openbare ruimte zijn plekken nodig om af te koelen. De geformuleerde eisen hebben tot doel om koelere plekken buiten te creëren en het opwarmen van de stedelijke omgeving tegen te gaan. Eisen voor temperatuurregulatie in gebouwen zelf zijn hier niet opgenomen. − − −
H1: Tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst. H2: Tenminste 40% van alle oppervlakken wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied verminderen. H3: Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs-)ruimte in de directe omgeving.
H1: Om voor mensen gezond en prettig in de stad te kunnen verblijven en zich te kunnen verplaatsen worden de gebieden voor wandelen, fietsen en verblijven zo ingericht dat 50% van het gebied op straatniveau schaduw heeft op de hoogste zonnestand op 21 juni. Bijvoorbeeld door schaduw van bomen, gebouwdelen of zonneschermen op wandel- en fietspaden, stoepen, terrassen, voetgangersgebieden en parken. Voor beplanting en bomen kan de verwachte situatie na 10 jaar 7
KNMI'14-klimaatscenario's
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF groei worden aangehouden. Voor pleinen hoeft de eis niet voor het hele plein gehaald te worden, BOUWEN
maar wel voor de logische verbindingsroutes en verblijfsgebieden.
H2: De opwarming van het stedelijk gebied wordt deels veroorzaakt door het opnemen van zonnestraling door oppervlakken en het vervolgens afgeven van warmte door deze oppervlakken. Een hoog albedo zorgt ervoor dat zonnestraling wordt weerkaatst en een lage warmtecapaciteit zorgt ervoor dat er ’s nachts weinig warmte wordt afgegeven. De eis is dat 40% van het totale oppervlak (dus de gehele schil, horizontaal en verticaal) warmtewerend8 wordt ingericht. Dit kan door het gebruik van materialen met een hoge reflectie, lage warmteafgifte en/of door het gebruik van begroeiing. Voor begroeiing is het dan wel belangrijk dat deze toegang heeft tot water om te kunnen blijven verdampen. Voor het bepalen van de warmtewerendheid van materialen nemen we de minimale SRI-waarden over van BREAAM-gebied. Deze Solar Reflectance Index is gebaseerd op de reflectiegraad (albedo) en de thermische emissiegraad (warmtestraling). Tabel 3 Minimale SRI-waarden (Bron: BREAAM-gebied)
H3: Het actief koelen van gebouwen door bijvoorbeeld airconditioning levert warmte op voor de omgeving van het gebouw. Extra opwarming van de openbare ruimte is echter ongewenst. In het ontwerp moet daarom aangetoond worden dat koeling van gebouwen niet leidt tot extra opwarming van de omgeving. Door bijvoorbeeld passieve systemen of warmte-koudeopslag in de bodem kan deze opwarming voorkomen worden. Bodemdaling Bodemdaling wordt veroorzaakt door ontwatering en kan komen door droogte. Bodemdaling kan consequenties hebben voor het waterbeheer. Vooral veengebieden zijn gevoelig voor bodemdaling door oxidatie bij lagere grondwaterstanden9. De geformuleerde eis richt zich op het in beeld brengen van alle kosten en op het gebruikmaken van beschikbare technieken om schade door bodemdaling in de toekomst te voorkomen of te beperken: −
Bo1: Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kosteneffectief zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen.
Bo1: De inrichting van zettingsgevoelige grond tijdens het bouwrijp maken kan in een later stadium leiden tot bodemdaling. Dit leidt tot hoge kosten voor vervanging en herstel in de gebruiksfase. Gemeenten en huiseigenaren hebben dan schade door frequent vervangen van riolering en wegen en door ophogen van het maaiveld. Niet bouwen op slappe grond lijkt een voor de hand liggende oplossing, maar is in West-Nederland planologisch vaak niet haalbaar. Eisen met betrekking tot de zetting na een aantal gebruiksjaren leveren niet altijd de meest kosteneffectieve maatregelen op en kunnen achteraf pas geëvalueerd worden. De geformuleerde eis gaat ervan uit dat alle kosten van
8 9
Meer informatie: Global Cool Cities Alliance, “A practical guide to cool roofs and cool pavement” (2012) Born, G.J. van den et al. (2016), Planbureau voor de leefomgeving, ‘Dalende bodems, stijgende kosten’
CONVENANT bodemdaling over de eerste 60 jaar in beeld gebracht worden. Maatregelen bij het ontwerp die KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
minder kosten dan beheermaatregelen tijdens de eerste 60 jaar worden opgenomen in het ontwerp.
Biodiversiteit Mede door de klimaatverandering en de intensivering van het ruimtegebruik neemt de biodiversiteit af. De eis voor biodiversiteit is gericht op het ondersteunen en stimuleren van biodiversiteit in de bebouwde omgeving door het creëren van geschikte habitats. Voor de versterking van het netwerk is het belangrijk dat de habitats in samenhang met de bestaande groenblauwe structuren worden ingericht en gecreëerd én passen bij de mogelijkheden van de bebouwing. −
B1: Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten.
Met groenblauwe structuren bedoelen we niet alleen visueel water en groen voor beleving, maar juist ook een ecologisch betekenisvolle structuur. Voor de indeling van de omvang van de projecten sluiten we aan bij de indeling van het puntensysteem van Natuur- en groeninclusief Bouwen Den Haag10. Voor kleinschalige projecten is de eis dat er een habitat gecreëerd wordt voor gebouw bewonende soorten, voor middelgrote projecten ook een andere soortencategorie en voor grootschalige projecten wordt er een habitat geëist voor tenminste 3 soortencategorieën. Tabel 4 Indeling omvang projecten (Bron: NIB Den Haag, Arcadis) Footprint
Hoogte
Kleinschalig project
<500 m2
en <15 m
Middelgroot project
<2000 m2
en/of 15-30 m
Grootschalig project
>2000 m2
en/of >30m
De soortencategorie zijn verdeeld in vijf hoofdgroepen: Gebouw bewonend − Boom bewonend − Aan struweel gebonden − Aan bloemrijk grasland gebonden − Aan water en oevers gebonden Binnen een soortencategorie staat het je vrij een soort te kiezen en daarvoor aan de hoogwaardige habitateisen te voldoen. Voor oever- en watergebonden soorten worden de doelsoorten en habitateisen gebruikt die geformuleerd zijn voor de KRW11-doelen voor het betreffende water. Als het geen KRW-waterlichaam is, dan wordt dezelfde systematiek gebruikt. −
Een soort stelt eisen aan zijn biotische (alles wat leeft) en abiotische (alles wat niet leeft) omgeving om te kunnen voortbestaan. Dat noemen we de habitatseisen van die soort. Om het stedelijk gebied aantrekkelijk te maken en te houden voor soorten is het belangrijk dat tenminste aan deze minimale 10 11
‘Puntensysteem voor groen- en natuurinclusief bouwen.’ (Arcadis, 26 sept 2018) Kaderrichtlijn Water
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF levensvoorwaarden voldaan wordt. Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden die eisen van een BOUWEN
soort bedoeld waar men redelijkerwijs op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kunt voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een soort die lokaal gerealiseerd kunnen worden: voortplanting en verspreiding (genenpool), woonplaats, foerageergebied en rustgebied. Samengevat in de 4 v’s: Voedsel, Veiligheid, Voortplantingsmogelijkheden en Variatie. Een habitat is iets anders dan een biotoop; Een biotoop beschrijft een landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen, een habitat beschrijft wat een soort nodig heeft om te leven. Binnen een biotoop kunnen verschillende habitats worden onderscheiden. En de habitat van een soort kan meerdere biotopen vragen.
Van de planmaker wordt een beschrijving verwacht hoe met het bouwplan de eisen voor een hoogwaardig habitat worden behouden en/of gerealiseerd. Hierbij dient de relatie te worden gelegd met voor die locatie relevante natuurwetgeving en doelstellingen zoals N2000, Kader Richtlijn Water, Wet Natuurbescherming en gemeentelijk beleid. Overstromingen De veiligheid tegen overstromingen is in West-Nederland vooral gebaseerd op de sterkte en hoogte van de waterkeringen. Zeespiegelstijging door klimaatverandering zal voorlopig vooral door aanpassingen aan de waterkeringen opgevangen worden (Laag 1 in de meerlaagse veiligheid). Toch past juist bij klimaatadaptief bouwen ook het voorbereid zijn op de gevolgen van overstromingen en het minimaliseren van de schade en overlast (Laag 2 in de meerlaagse veiligheid). De geformuleerde eisen zijn niet direct gebaseerd op herhalingstijden, maar richten zich op het doelmatig robuust maken van het gebied in verschillende scenario’s met overstromingsdiepten. Als het optreden van een bepaald overstromingsscenario niet van toepassing is, zal de bijbehorende eis vervallen. Zo zijn bij een buitendijkse overstroming vaak voorkomende lage overstromingsdiepten realistischer dan grote overstromingsdiepten.
Het uitgangspunt is een gemiddelde waterdiepte die op zou treden in het gebied voordat de nieuwbouw plaatsvindt: V1: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 20 cm treedt geen schade aan gebouwen op en blijven hoofdwegen begaanbaar. − V2: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 50 cm worden maatregelen getroffen om schade aan gebouwen te beperken, als deze doelmatig zijn. − V3: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 200 cm worden maatregelen getroffen om vitale infrastructuur en kwetsbare objecten te beschermen. − V4: Voor overstromingen met een waterdiepte boven 200 cm worden maatregelen getroffen om veilig te kunnen schuilen in het overstroomde gebied. V1: Dit gaat om een beperkte overstroming vanuit bijvoorbeeld een boezem of rivier, waarbij aangetoond moet worden dat er geen schade optreedt en hoofdwegen begaanbaar blijven. Maatregelen zoals het aanleggen van hoogteverschillen kunnen gedeeltelijk overlappen met de maatregelen die getroffen worden bij hevige neerslag. −
V2: Bij een grotere waterdiepte tot 50 cm worden maatregelen genomen om schade aan het gebouw te voorkomen of wordt er aangetoond dat voorkomen van schade doelmatig is. V3: Tot 2 meter waterdiepte worden vitale infrastructuur en kwetsbare objecten beschermd. Schade zal dan zeker optreden, maar aangetoond moet worden dat vitale infrastructuur, zoals elektriciteit en drinkwater12 en kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen blijven functioneren, eventueel in een gereduceerde vorm. Voorbeeld richtlijnen essentiële infra: EN 15975 delen 1 &2 Veiligheid van drinkwaterlevering – Richtlijnen voor risico- en crisismanagement.
12
V4: Deze eis is gericht op schuilen in het gebouw of in het overstroomde gebied bij extreme overstromingen.
CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN
Figuur 1 indeling waterdiepten: http://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartverhaal-overstroming
Hoe te gebruiken? De convenantspartijen gebruiken het Programma van Eisen om duidelijk te maken wat zij willen bereiken met het klimaatbestendig bouwen. Met name overheden en organisatoren van planprocessen kunnen met de geformuleerde eisen sturing kunnen geven aan klimaatbestendig bouwen. Dit kan publiekrechtelijk in bijvoorbeeld omgevingsplannen of privaatrechtelijk bij aanbestedingen13. Beide middelen worden door de betrokken partijen benut voor een maximaal resultaat. Naast afspraken bij de bouw zijn duidelijke afspraken over het beheer en functioneren op langere termijn belangrijk voor de effectiviteit van de maatregelen. Beheermaatregelen die nodig zijn voor het blijven voldoen aan de eisen worden zoveel mogelijk publiekrechtelijk als privaatrechtelijk geborgd, bijvoorbeeld in de omgevingsplannen en het bouwplan. Beoordelingsystemen en normering Op dit moment zijn er meerdere sytemen op de markt om de prestaties van nieuwbouw in beeld te brengen. Voorbeelden hiervan zijn BREEAM-NL, LEED en NL gebiedslabel. Deze systemen kunnen ook gebruikt worden om klimaatbestendigheidseisen te formuleren. BREEAM-NL gebied14 heeft bijvoorbeeld categorieën opgesteld voor wateroverlast, hitte en droogte.
Aandachtspunt hierbij is dat er per categorie een minimaal te behalen scoren wordt afgesproken om te voorkomen dat bijvoorbeeld veel punten op hitte een slechte score op wateroverlast opheft. Specifiek voor biodiversiteit kan het puntensysteem Natuur- en groeninclusief Bouwen van de gemeente Den Haag gebruikt worden voor een verdere verfijning.