RV 23.089 Bijlage D Was-wordt-tabel Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving 2024
Tekst van het document
Artikel 6.2.2 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 9.1.7 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
23
3.
parkeerplaats of het openbaar groen; of e. als op het perceel ten dienste waarvan de vergunning wordt aangevraagd, parkeren op grond van het vigerende bestemmingsplan niet is toegestaan. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciale Omgevingsbeleid.
3.
parkeerplaats of het openbaar groen; of e. als op het perceel ten dienste waarvan de vergunning wordt aangevraagd, parkeren op grond van het vigerende omgevingsplan niet is toegestaan. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)
Artikel 8.1.1 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. gevaar oplevert of kan opleveren voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu; b. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of c. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. hinder of overlast oplevert of kan opleveren voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden op de weg of een weggedeelte containers te plaatsen of te hebben als deze worden gebruikt voor een ander doel dan voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijden een verbouwing of de tijdelijke opslag van waren in het kader van de uitoefening van detailhandel.
Artikel 8.1.1 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. gevaar oplevert of kan opleveren voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu; b. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of c. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. hinder of overlast oplevert of kan opleveren voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden op de weg of een weggedeelte containers te plaatsen of te hebben als deze worden gebruikt voor een ander doel dan voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijden een verbouwing of de tijdelijke opslag van waren in het kader van de uitoefening van detailhandel. 24
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten containers, die op de openbare weg zijn geplaatst, zijn voorzien van een markering, die voldoet aan de volgende eisen: a. op ieder zijvlak en op het kopstuk moet aan de buitenzijde een duidelijk zichtbare markering aanwezig zijn; b. de markeringen moeten vast, dat wil zeggen niet verwijderbaar, zijn bevestigd;
3.
c. de markeringen dienen uit
4.
5.
6.
7.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten containers, die op de openbare weg zijn geplaatst, zijn voorzien van een markering, die voldoet aan de volgende eisen: a. op ieder zijvlak en op het kopstuk moet aan de buitenzijde een duidelijk zichtbare markering aanwezig zijn; b. de markeringen moeten vast, dat wil zeggen niet verwijderbaar, zijn bevestigd; c. de markeringen dienen uit
retro-reflecterend materiaal
retro-reflecterend materiaal
te bestaan, in de kleuren
te bestaan, in de kleuren
rood of rood wit. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, hijs- en hefwerktuigen en bouwplaatsinrichtingen in het openbaar gebied. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021; b. standplaatsen1 als bedoeld in artikel 1.1.1; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of het provinciale Omgevingsbeleid.
4.
5.
6.
7.
rood of rood wit. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, hijs- en hefwerktuigen en bouwplaatsinrichtingen in het openbaar gebied. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024; b. standplaatsen1 als bedoeld in artikel 1.1.1; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)
25
Artikel 8.2.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, het provinciale omgevingsbeleid of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 8.2.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)
Artikel 8.2.2 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Artikel 8.2.2 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het 26
3.
Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of het provinciale Omgevingsbeleid. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3.
Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024) Artikel 8.2.3 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
-
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024) Artikel 8.2.4 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat de vrijheid van het verkeer te water zonder noodzaak wordt gehinderd of de veiligheid op dat water in gevaar wordt gebracht of redelijkerwijs is aan te nemen dat de veiligheid op dat water in gevaar kan worden gebracht. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de provinciale vaarwegenverordening.
-
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024) Artikel 8.2.5 Bescherming waterbodem en magneetvissen 1. Het is verboden in of bij openbaar water te baggeren, te dreggen, of te steken in de waterbodem, alsmede te vissen naar voorwerpen en/of stoffen met behulp van magneten of enige techniek met vergelijkbare werking.
-
27
2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024) Artikel 8.3.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en artikel 4:5 van de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de door het college aan te wijzen delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.
Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en artikel 4:5 van de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024 uiterlijk om 0.00 uur beëindigd.
-
28
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024) Artikel 8.3.2 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en artikel 4:5 van de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.
De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van de festiviteit waarvoor de kennisgeving wordt gedaan. 4. De melding is gedaan wanneer deze volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is gedaan. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct
-
29
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en artikel 4:5 van de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024, uiterlijk om 0.00 uur beëindigd. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)
Artikel 9.1.1 Toepasselijkheid 1. Dit hoofdstuk is van toepassing voor zover andere van toepassing zijnde wet- of regelgeving of specifieke regels in deze verordening niet anders bepalen. 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de artikelen 4.1.1, 5.1.5, 5.1.6, 5.1.7, 6.2.1 en 8.1.1. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de artikelen 2.1.1, 4.1.2, 4.2.1, 5.1.2, 5.1.3, 6.1.1 en 8.2.2. 4. In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). Dat betekent dat wanneer het bevoegd gezag niet binnen de beslistermijn op een aanvraag om omgevingsvergunning beslist, er geen omgevingsvergunning van rechtswege meer zal worden verleend. De aanvrager zal na inwerkingtreding van de Omgevingswet alleen nog gebruik kunnen maken van de regeling dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen om een stilzittend bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen.
Artikel 9.1.1 Toepasselijkheid 1. Dit hoofdstuk is van toepassing voor zover andere van toepassing zijnde wet- of regelgeving of specifieke regels in deze verordening niet anders bepalen. 2. In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). Dat betekent dat wanneer het bevoegd gezag niet binnen de beslistermijn op een aanvraag om omgevingsvergunning beslist, er geen omgevingsvergunning van rechtswege meer zal worden verleend. De aanvrager zal na inwerkingtreding van de Omgevingswet alleen nog gebruik kunnen maken van de regeling dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen om een stilzittend bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet langer van toepassing op de artikelen 4.1.1, 5.1.5, 5.1.6, 5.1.7, 6.2.1 en 8.1.1.
Was
Wordt
30
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 9.1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 16.64 Omgevingswet) van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 8.1.1, vijfde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 6.2.1, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4.1.1.
Artikel 9.1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 9.1.3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 9.1.3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
31
Artikel 9.1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 9.1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 9.1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.
Artikel 9.1.5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 10.1.1 Toezichthouders
Artikel 10.1.1 Toezichthouders
32
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening of delen daarvan zijn belast de door het college aangewezen personen. Hierbij geldt het volgende: a. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.3.1 zijn belast de krachtens artikel 18.6, eerste lid, Omgevingswet door het college aangewezen personen. b. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.28 zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. c. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.2.2 en 9.1.2 t/m 9.1.7 bepaalde zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. d. Onverminderd het in lid c gestelde, zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.2.2 en 9.1.2 t/m 9.1.7 gegeven voorschriften. e.
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
2.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening of delen daarvan zijn belast de door het college aangewezen personen. Hierbij geldt het volgende: a. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.3.1 zijn belast de krachtens artikel 18.6, eerste lid, Omgevingswet door het college aangewezen personen. b. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.28 zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. c. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.3.2 en 9.1.2 t/m 9.1.7 bepaalde zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. d. Onverminderd het in lid c gestelde, zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.3.2 en 9.1.2 t/m 9.1.7 gegeven voorschriften. e.
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 11.1.1 Strafbepaling Bij overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffingen, geldt het volgende: 1. Een gedraging in strijd met de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.3.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3, Wet op de economische delicten. 2. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2
Artikel 11.1.1 Strafbepaling Bij overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffingen, geldt het volgende: 1. Een gedraging in strijd met de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.3.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3, Wet op de economische delicten. 2. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 33
t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.2.2, of 9.1.2 t/m 9.1.7 bepaalde, de op grond van artikel 9.1.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, alsmede het niet opvolgen van een bevel van een politieambtenaar wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. a. In afwijking van het tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.1.1, 6.2.1, 6.2.2, eerste lid, of 8.1.1 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit. 3. Overtreding van de artikelen 6.1.2, eerste, tweede en vierde lid, 6.1.5, derde lid, of 6.1.9 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 4. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.13 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 5. Overtreding van artikel 7.1.3, tweede en derde lid, artikel 7.1.4 en artikel 7.1.5, eerste tot en met vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. a.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze artikelen zijn belast hen die door burgemeester en wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast en de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren.
t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.3.2, of 9.1.2 t/m 9.1.7 bepaalde, de op grond van artikel 9.1.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, alsmede het niet opvolgen van een bevel van een politieambtenaar wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. a. In afwijking van het tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.1.1, 6.2.1, 6.2.2, eerste lid, of 8.1.1 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit. 3. Overtreding van de artikelen 6.1.2, eerste, tweede en vierde lid, 6.1.5, derde lid, of 6.1.9 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 4. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.13 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 5. Overtreding van artikel 7.1.3, tweede en derde lid, artikel 7.1.4 en artikel 7.1.5, eerste tot en met vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. a.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze artikelen zijn belast hen die door burgemeester en wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast en de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 11.1.2 Reikwijdte 1. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag enkel nog bestuurlijke boetes opleggen daar het gaat om: a. Milieuregels Seveso-richtlijn (artikel 18.11 Ow) b. Regels over bouwen, slopen gebruik en in stand houden van bouwwerken (artikel 18.12 Ow) c. Erfgoedregels (artikel 18.13 Ow)
-
34
d.
2.
Beperkingengebied luchthaven (artikel 18.14 Ow) e. Beperkingengebied spoor (artikel 18.15 Ow) f. Regels over handel in dieren, planten, hout of producten daarvan (artikel 18.15a Ow) Artikelen in bovenstaande strafbepaling die geen betrekking hebben op bovenstaande opsomming komen op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet te vervallen.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 12.1.3 Inwerkingtreding nieuwe verordening en intrekking oude verordeningen en regels 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken: Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011 Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2019 Algemene verordening Ondergrondse Infrastructuur Rijswijk (AVOI) 2017 Bouwverordening 2012 Marktreglement gemeente Rijswijk 2012 Marktverordening gemeente Rijswijk 2012 Verordening houdende voorschriften met betrekking tot de aard van de bebouwing en het gebruik van gronden gelegen in de bebouwde kom der gemeente Rijswijk (ZH) 2011 Verordening straatnaamgeving en huisnummering 1995 Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Rijswijk houdende belastingregels parkeren Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2016
Artikel 12.1.3 Inwerkingtreding nieuwe verordening en intrekking oude verordeningen en regels 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken: Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021 Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021
Was
Wordt
35
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 12.1.4 Overgangsrecht 1. Vergunningen verleend krachtens de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011, vóór het van kracht worden van deze verordening blijven - voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken nog gedurende drie ja(a)r(en) na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht en worden beschouwd als een aanwijzing bedoeld in artikel 2 van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2021. a. Ontheffingen verleend krachtens de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011, vóór het van kracht worden van deze verordening blijven - voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende drie ja(a)r(en) na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht en worden beschouwd als een ontheffing als bedoeld in deze verordening. b. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011, vóór het van kracht worden van deze verordening blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken nog gedurende drie ja(a)r(en) na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. c.
Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning op grond van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt deze aanvraag beschouwd als een aanvraag tot aanwijzing, als bedoeld in artikel 2 van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2021. d. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een ontheffing op
Artikel 12.1.4 Overgangsrecht 1. Besluiten, genomen krachtens de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Besluiten, genomen krachtens de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021, die golden op het moment van inwerkingtreding van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk in 2021 en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 3. De Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in 12.1.3 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4. Besluiten, met inbegrip van de uitvoeringsvoorschriften, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 12.1.3, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 5. Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 6.
In afwijking van het in het eerste lid bepaalde geldt voor de besluiten genomen krachtens hoofdstuk 2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021 het bepaalde in artikel 2.1.28.
36
2.
3.
4.
grond van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt deze aanvraag beschouwd als een aanvraag tot ontheffing, als bedoeld in deze verordening. e. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid, op grond van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2011, dat voor of na het tijdstip is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening. Besluiten, genomen krachtens de Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2019, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Voor kabels en leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig en in gebruik zijn geldt de door de gemeente verleende toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning respectievelijk instemmingsbesluit krachtens deze verordening. a.
Voor zover er sprake is van privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de gemeente en netbeheerders en tot het moment waarop deze zijn beëindigd, zijn de bepalingen in deze verordening, voor zover strijdig met de bepalingen in deze overeenkomsten, niet van toepassing. b. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een instemmingsbesluit is aangevraagd op grond van de Algemene verordening Ondergrondse Infrastructuur Rijswijk (AVOI) 2017, waarop nog niet is beslist, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene verordening Ondergrondse Infrastructuur Rijswijk (AVOI) 2017. Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de Marktverordening gemeente
37
5.
6.
7.
8.
Rijswijk 2012 gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. a. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de Marktverordening gemeente Rijswijk 2012 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de aanvraag is beslist, is daarop deze verordening van toepassing. Met de inwerkingtreding van deze verordening vervallen alle eerdere gemeentelijke regels en voorschriften voor het benoemen van delen van de openbare ruimte en het nummeren van de daaraan liggende objecten. a. Namen en nummers die op grond van de in lid 5 genoemde regels en voorschriften aan objecten zijn toegekend, blijven na inwerkingtreding van deze verordening bestaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het eerste lid besluiten dat de op grond van de in het eerste lid genoemde regels en voorschriften aangebrachte namen en nummers binnen een door hen te bepalen termijn moeten worden vervangen door namen en nummers die voldoen aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften.
De Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Rijswijk houdende belastingregels parkeren Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in 12.1.3 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Besluiten, met inbegrip van de uitvoeringsvoorschriften, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 12.1.3, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening.
38
Toelichting
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 2.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Artikel 2.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Met betrekking tot standplaats1 kent de VFL drie artikelen. Deze artikelen spreken in principe voor zich. Een standplaats1 wordt in ieder geval geweigerd indien er sprake is van strijd met het omgevingsplan. De overige weigeringsgronden zoals beschreven in het derde lid wordt een belangenafweging gemaakt.
Algemeen De VNG acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 9.1.5). Op het vergunningstelsel is de Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een ‘dienst’.
In het vierde lid wordt de vergunningsduur bepaald. Deze vergunning geldt namelijk, vanwege de beperkte beschikbaarheid van de openbare ruimte voor de markthandel, als een schaarse vergunning in de zin van de Dienstenrichtlijn. Of er daadwerkelijk meer aanvragers zijn dan vergunningen is voor de kwalificatie als schaarse vergunning niet van belang. Schaarse vergunningen worden voor bepaalde tijd verleend. De achterliggende gedachte daarbij is dat de vergunning na verloop van tijd weer beschikbaar moet komen voor (her)verdeling. Niet alleen de zittende ondernemers, maar ook potentiële andere gegadigden moeten immers de kans krijgen om een standplaats1 in te nemen.
Er kan sprake zijn van een schaarse vergunning, waardoor de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend en de selectie- en vergunningprocedure aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Zie hiervoor de toelichting op artikel 9.1.6.
Bij het bepalen van de duur van de vergunning is de zogenaamde terugverdientijd (en een redelijke vergoeding van geïnvesteerd kapitaal) van belang. De looptijd van de vergunning hoort niet korter te zijn dan deze terugverdientijd, omdat anders de vergunninghouders het risico lopen hun investeringen niet te kunnen terugverdienen. De looptijd van de vergunning hoort ook niet langer te zijn dan de terugverdientijd, omdat anders de potentiële gegadigden onnodig lang worden afgehouden van de toegang tot standplaats1.
Vrijheid van meningsuiting Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen.
Het is aan het gemeentebestuur om gemotiveerd en onderbouwd vast te stellen wat de looptijd van de vergunning moet zijn. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 21 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1588), waarin de Afdeling onder meer heeft overwogen dat bij het bepalen van de
Tweede lid
39
looptijd (“passende beperkte duur”) van een beleidsmatig schaarse vergunning de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen. Uit deze uitspraak volgt verder dat de zogenaamde afschrijvingstermijn niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder mag worden bepaald, omdat dit tot willekeur leidt en niet verenigbaar is met de vereiste rechtszekerheid voor de vergunninghouders en eventuele gegadigden voor de vergunningen. Volgens de Afdeling kan per branche worden vastgesteld binnen welke termijn de bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. Uit de besluitvorming moet blijken dat het gemeentebestuur rekening heeft gehouden met de terugverdientijd.
De bepalingen in de APV (nu in de Verordening Fysieke Leefomgeving) met betrekking tot het innemen van een standplaats hebben als doel de ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Omgevingswet (nu Wet ruimtelijke ordening), zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige toetsingsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het desbetreffende ruimtelijke plan voortvloeien. Als bijvoorbeeld het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidingsbesluit is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.
Er is gekozen voor een vergunning duur van 15 jaar. Met 15 jaar bieden we zekerheid dat de vergunninghouder zijn investering kan terugverdienen. Daarnaast is deze periode gelijk aan de periode die is vastgesteld voor de vastestandplaatsvergunningen. Daardoor zijn er gelijke kansen voor vergunninghouders die willen gebruikmaken van de standplaats1 en vergunninghouders die hun standplaats willen innemen op de warenmarkt.
Derde lid, onder a De weigeringsgrond met betrekking tot redelijke eisen van welstand kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit om advies te vragen. Derde lid, onder b In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts 40
één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49. Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen , omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits: 1. geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod); 2. er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid); en 3.
de maatregelen zijn geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan nodig is en het doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn). De formulering van onderdeel b van het derde lid is hierop afgestemd. Zie de toelichting op artikel 9.1.6 voor het begrip ‘dwingende reden van algemeen belang’. Jurisprudentie ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.
41
HvJEU 30-01-2018, ECLI:EU:C:2018:44 (Visser Vastgoed Beleggingen/Appingedam). De activiteit bestaande in detailhandel in goederen vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn een ‘dienst’. Artikel 15, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn staat er niet aan in de weg dat voorschriften van een bestemmingsplan van een gemeente de activiteit bestaande in niet-volumineuze detailhandel in geografische gebieden buiten het stadscentrum van die gemeente verbieden, mits alle in artikel 15, derde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden vervuld zijn. Maximumstelsel De Afdeling heeft bepaald, dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 juncto 10 van de Dienstenrichtlijn dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.
Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen. Zie ook het algemene deel van de toelichting. Beleidsregels Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 9.1.7, kan het college beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet kan worden herleid tot één van de in artikel 9.1.7 genoemde weigeringsgronden. Rb. Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn volgens artikel 4 van de Dienstenrichtlijn 42
onderworpen aan dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Vergunningsvoorschriften Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 9.1.3 en de toelichting bij dit artikel. Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen: -
-
-
het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen; de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn; de grootte van de standplaats; de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; het uiterlijk aanzien van de standplaats; tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.
Overige regelgeving Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV (nu Verordening Fysieke Leefomgeving) van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel. Te noemen zijn de Omgevingswet (nu Wro), de Winkeltijdenwet, de Warenwet en de Wm.
Was
Wordt
43
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 2.1.2 Toestemming rechthebbende
Artikel 2.1.2 Toestemming rechthebbende
Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.
Door middel van dit artikel wordt een extra controle op de vergunningplicht ingevoerd. De rechthebbende van een perceel moet erop toezien dat de standplaats1-houder op zijn perceel een vergunning heeft.
Jurisprudentie Rechtbank Limburg 26-04-2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4062. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst, ondanks dat het gaat om een eigen terrein van vergunninghoudster, terecht heeft aangemerkt als een ‘openbare plaats’ als bedoeld in artikel 1.1.1. Het terrein dat direct grenst aan de openbare weg is, gedurende de openingstijden, zonder beperkingen bereikbaar. Eenieder is dan vrij om er te komen, te vertoeven en te gaan. Daarnaast heeft het gebruik van het terrein een publiek karakter. Vergunninghoudster beoogt het (passerend) publiek ten behoeve van de verkoop van ijs en frisdrank vrij toegang te verschaffen tot het terrein waarop de ijsverkoopkar zal worden geplaatst. Ook de beoogde planologische situatie, waarbij gedurende 10 jaar het plaatsen van ijsverkoopkar wordt toegestaan, duidt op een publiek karakter van het terrein.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 2.1.3 Afbakeningsbepalingen Door middel van deze bepaling wordt voorkomen dat strijd ontstaat met de Omgevingswet.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
44
Artikel 2.1.4 Inrichtingsplan van de warenmarkt
Artikel 2.1.5 Inrichting van de markt; brancheindeling
Eerste en tweede lid
Dit artikel schrijft voor dat burgemeester en wethouders per markt een inrichtingsplan vast dienen te stellen en regelt wat daarin geregeld moet en kan worden. Zo kan per markt onder andere bepaald worden wat de markttijd is, welke delen van de markt bestemd zijn voor welke marktactiviteiten en op welke wijze nieuwe vergunningen worden verleend. Ieder inrichtingsplan dient voorzien te zijn van een kaart waarop het hierboven genoemde is aangegeven.
Dit artikel schrijft voor dat burgemeester en wethouders per markt een inrichtingsplan vaststellen en daarin opnemen wat voor de markt in ieder geval geregeld moet en mag worden. Zo wordt in het inrichtingsplan aangegeven wat de markttijd is en blijkt uit de kaart van de markt, die onderdeel is van het inrichtingsplan, waar de grenzen van het marktterrein liggen. Ook wijzen burgemeester en wethouders de vaste standplaatsen aan. Verder maken zij met het inrichtingsplan duidelijk welke verdeelprocedure zij zullen toepassen bij het verlenen van vaste-standplaatsvergunningen. In het inrichtingsplan wordt ook verwezen naar de verdeelprocedure die wordt gebruikt. Dat gaat om de verlening na afroep en/of de verdeling van vastestandplaatsvergunning via selectie. Zie hiervoor de artikelen 2.1.11 en 2.1.12.
Als een gemeente slechts één markt kent waarop de Marktverordening (nu Verordening Fysieke Leefomgeving) van toepassing is, of als voor alle markten dezelfde keuzen worden gemaakt met betrekking tot de verlening van vastestandplaatsvergunningen (en eventueel bedienvergunningen), worden die keuzen gemaakt in de verordening zelf. Het inrichtingsplan hoeft/De inrichtingsplannen hoeven er dan niets meer over te bevatten; artikel 2.1.5 zal dan navenant moeten worden vereenvoudigd.
Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders in het inrichtingsplan vastleggen dat zij, in de gevallen die zich daarvoor lenen, de verlengingsprocedure in gang zullen zetten.
Derde lid Verder kunnen burgemeester en wethouders de dagplaatsen expliciet aanwijzen en bepalen dat een maximumaantal vaste-standplaatsvergunningen wordt afgegeven voor een of meer branches of artikelgroepen (of combinaties daarvan). Dat gebeurt met het oog op de beperkte ruimte voor de warenmarkt en het belang van een goede spreiding op de markt. Daarnaast wordt gehandeld conform de Dienstenrichtlijn.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 2.1.5 Vergunningplicht Eerste lid In het eerste lid wordt verboden om zonder marktvergunning een standplaats in te nemen en wordt de bevoegdheid om deze vergunning te verlenen toegekend (geattribueerd) aan 45
burgemeester en wethouders. De nadere regeling van de verschillende marktvergunningen gebeurt vervolgens in de paragrafen 2 tot en met 4. Tweede lid Een vergunning wordt alleen verleend aan een natuurlijke persoon die in Nederland arbeid mag verrichten en die ook handelingsbekwaam is in de zin van het burgerlijk recht.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 2.1.6 Selectiecommissie Om een eerlijke en transparante procedure te garanderen, wordt speciaal voor de warenmarkt een selectiecommissie ingesteld. Deze selectiecommissie bestaat uit verschillende personen die allemaal op hun eigen wijze kennis hebben over of participeren aan de markt.
Was
Wordt
Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2021)
Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving voor Rijswijk 2024)
Artikel 2.1.7 Voorschriften en beperkingen Aan een marktvergunning mogen uitsluitend voorschriften en beperkingen worden verbonden die de belangen beschermen in verband waarmee de vergunning is vereist. Deze bepaling maakt dat mogelijk. Daarnaast is duidelijk wat de status van de voorschriften en beperkingen is: de vergunninghouder is gehouden deze na te leven. De voorschriften en beperkingen zijn niet vrijblijvend van aard.