CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 23.089 Bijlage D Was-wordt-tabel Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving 2024

Forum Stad 30 november 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024 (RV 23-089)30.042 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Was-wordt-tabel Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk Leeswijzer: Aan elk gewijzigd artikel is een tabel gewijd. Per gewijzigd artikel worden in deze tabel telkens de bestaande en de nieuwe tekst benoemd. In de kolom ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

De gemeenteraad; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. […], no. […]; gelet op artikel 147, eerste lid, 149, 154, 156, 160 en 229 van de Gemeentewet, artikel 10.23, 10.24, tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 8 van de Woningwet, het Bouwbesluit 2012, artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2 en 5.4 van de Telecommunicatiewet, artikel 6 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, artikel 14.2 en 14.3 van het Omgevingsbesluit, artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, 5.3, 5.4, 5.5, 4.4, tweede lid, 5.18, 5.20, 5.21, 16.55, tweede lid, 16.64, 16.65, 16.68 en §16.5.3 van de Omgevingswet en afdeling 8.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; BESLUIT: vast te stellen de volgende verordening:

De gemeenteraad; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. […], no. […]; gelet op artikel 10.23, 10.24, tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 147, eerste lid, 149, 154, 156, 160 en 229 van de Gemeentewet, artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2 en 5.4 van de Telecommunicatiewet, artikel 6 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, artikel 14.2 en 14.3 van het Omgevingsbesluit, artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, 5.3, 5.4, 5.5, 4.4, tweede lid, 5.18, 5.20, 5.21, 16.55, tweede lid, 16.64, 16.65, 16.68 en §16.5.3 van de Omgevingswet en afdeling 8.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; BESLUIT: vast te stellen de volgende verordening:

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Bouwwerk: Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond

Bouwwerk: Hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

1

verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Gebouw: Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Gebouw: Hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Huishoudelijke afvalstoffen: Huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

Huishoudelijke afvalstoffen: Huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Kampeermiddel: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (later Omgevingswet) is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Kampeermiddel: Een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikelengroepen of branches: De door burgemeester en wethouders vastgestelde goederen die op de markt worden aangeboden. Beperkingengebiedactiviteit: Hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Bevoegd gezag: Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet. Gevoelige gebouwen: Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Houder van een inrichting: Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft. Onversterkte muziek: Muziek die niet elektronisch is versterkt. Selectiecommissie: De commissie die het college adviseert inzake de selectieprocedure. Selectieprocedure: Procedure waarbij de toewijzing van een vrijkomende vaste standplaats2 op de markt plaatsvindt. Vaste-standplaatsvergunning: Vergunning voor een standplaats2 voor de duur van 15 jaar voor het op de markt bedrijven van handel. Venten: Het drijven van handel uit een klein

2

voertuig, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van de klanten nodig is.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 2.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats1 in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats1 hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

Artikel 2.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeesters en wethouders een standplaats1 in te nemen of te hebben. 2. Burgemeesters en wethouders weigert de vergunning indien sprake is van strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats1 hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning voor standplaats1 verlenen voor de duur van 15 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 2.1.3 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 2.1.1, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement. 2. De weigeringsgrond van artikel 2.1.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 2.1.3 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 2.1.1, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

3

2.

De weigeringsgrond van artikel 2.1.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 2.1.4 – artikel 2.1.13

Artikel 2.1.4 - artikel 2.1.28

Artikel 2.1.4 Dag, tijd en plaats van de markt 1. De markt vindt plaats in Oud Rijswijk op zaterdag van 08.00 uur tot 16.00 uur rondom de Oude Kerk in de Herenstraat, in de Kerkstraat, de Kerklaan, de Schoolstraat en de Tollensstraat. 2. Op donderdag van 08.00 uur tot 16.00 uur vindt de markt plaats op het Bogaardplein bij winkelcentrum In de Bogaard. 3. Het college kan op grond van dringende redenen, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden: a. op een andere dag; b. op een andere tijd; c. op een andere plaats. 4. Het college is bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Winkeltijdenwet genoemde feestdagen.

Artikel 2.1.4 Inrichtingsplan van de warenmarkt 1. Burgemeester en wethouders stellen een inrichtingsplan voor de markt in Bogaard Stadscentrum en de markt in Oud Rijswijk vast, met daarin in ieder geval: a. De dagen en uren waarop de markt wordt gehouden; b. Een kaart van de markt; c. De verdeelprocedure die zij toepassen bij de verlening van vaste-standplaatsvergunningen. 2. Op de kaart van de markt zijn aangegeven: a. De grenzen van de markt; b. De standplaatsen2 die worden toegewezen als vaste standplaats. 3. Op de kaart van de markt kunnen zijn aangegeven: a. De standplaatsen die bij voorrang zijn bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen; b. Het maximumaantal vastestandplaatsvergunningen dat voor een of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kan worden afgegeven; c. De dagplaatsen; 4. Burgemeesters en wethouders kunnen op grond van dringende redenen, in afwijking van het bepaalde in het inrichtingsplan, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden: a. op een andere dag; b. op een andere tijd; c. op een andere plaats. 5. Burgemeesters en wethouders zijn bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Winkeltijdenwet genoemde feestdagen.

Artikel 2.1.5 Inrichting van de markt; brancheindeling 1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal standplaatsen2; b. de afmetingen van de standplaatsen2; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke standplaatsen2 worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches; b. een maximumaantal standplaatsen2 per branche. c. een lijst met criteria voor producten. 4

3.

Artikel 2.1.5 Vergunningplicht 1. Het is verboden op een markt een standplaats2 in te nemen zonder vastestandplaatsvergunning. 2. Burgemeester en wethouders verlenen alleen een vergunning aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten.

Het college kan a. een marktcommissie instellen; b. nadere regels stellen m.b.t. de samenstelling, de taken, de bevoegdheden en de werkwijze van deze commissie.

Afdeling 2. Bepalingen over vergunningen Artikel 2.1.6 Standplaatsvergunning Het is verboden een standplaats2 op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.

Artikel 2.1.6 Selectiecommissie Burgemeester en wethouders stellen een selectiecommissie in voor het adviseren van burgemeester en wethouders over het bepaalde in artikel 2.1.12.

Artikel 2.1.7 Vereisten verlening vergunning Voor toewijzing van een standplaats2 komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een schriftelijke aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. Teven dient deze persoon te zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en te beschikken over een pasje van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel.

Artikel 2.1.7 Voorschriften en beperkingen 1. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning voor standplaats1 en voor een vaste-standplaatsvergunning. 2. De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te leven.

Artikel 2.1.8 Intrekking vaste standplaatsvergunning 1. Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 2.6 van het Marktreglement van de gemeente de vergunning wordt overgeschreven. 2. Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 2.1.7 genoemde vereisten. 3. Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 2.6 van het Marktreglement van de gemeente is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 2.1.8 Marktcommissie Burgemeester en wethouders kunnen een marktcommissie instellen. Artikel 2.1.9 Mandaatverboden 1. De bevoegdheid tot het vaststellen of wijzigen van een inrichtingsplan wordt niet gemandateerd. 2. De bevoegdheid tot het verlenen of intrekken van een vergunning voor standplaats1 en voor een vastestandplaatsvergunning wordt niet gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. Artikel 2.1.10 Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen op grond van deze verordening in een marktreglement nadere regels stellen betreffende het bepaalde in deze verordening, voor zover die bevoegdheid niet reeds voortvloeit uit artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet. Afdeling 2. Verdeelprocedures beschikbare vastestandplaatsvergunningen Artikel 2.1.11 Verlenging na afroep 1. Bij het beschikbaar komen van een vastestandplaatsvergunning vanwege het einde van de vergunningsduur kunnen burgemeester en wethouders de procedure van verlenging na afroep toepassen, als voldoende aannemelijk is

Artikel 2.1.9 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening. Artikel 2.1.10 Voorschriften en beperkingen

5

1.

2.

Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.

2.

Artikel 2.1.11 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1.10 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de Verordening Marktgeld.

3.

4.

Artikel 2.1.12 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de Verordening Marktgeld.

5.

6.

Artikel 2.1.13 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

dat er naast de betreffende vergunninghouder geen andere gegadigden voor deze vergunning zijn. Bij de verlenging na afroep maken burgemeester en wethouders acht weken voor het einde van de duur van de vastestandplaatsvergunning door een openbare kennisgeving in ieder geval in het Gemeenteblad bekend dat deze vergunning beschikbaar komt voor de duur van 15 jaar. De bekendmaking kan daarnaast ook geschieden via een advertentie in een weekblad, een advertentie in een vakblad en/of een website. Bij deze openbare kennisgeving worden gegadigden uitgenodigd om hun belangstelling voor de vastestandplaatsvergunning binnen vier weken na de kennisgeving kenbaar te maken op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. Als binnen de gestelde termijn alleen de betreffende vergunninghouder belangstelling kenbaar heeft gemaakt en is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, verlengen burgemeester en wethouders zijn vastestandplaatsvergunning met de in het tweede lid genoemde duur. Als binnen de gestelde termijn naast de betreffende vergunninghouder ook een of meer andere gegadigden belangstelling kenbaar hebben gemaakt, wordt de vergunning niet verlengd. In dat geval passen burgemeester en wethouders de in het inrichtingsplan vastgelegde procedure van artikel 2.1.12 toe, met uitzondering van het tweede lid van deze artikelen.

In het in het vijfde lid bedoelde geval stellen burgemeester en wethouders de gegadigden ervan in kennis dat de procedure van artikel 2.1.12 wordt toegepast en dat zij vóór de door burgemeester en wethouders genoemde datum een aanvraag kunnen indienen.

Artikel 2.1.12 Verdeling vastestandplaatsvergunning via selectie 1. Bij het beschikbaar komen van een vastestandplaatsvergunning kunnen burgemeester en wethouders deze verdelen via selectie. 7. Bij de verdeling via selectie maken burgemeester en wethouders door een openbare kennisgeving in ieder geval in het Gemeenteblad bekend dat de vaste6

c.

niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats.

2.

3.

4.

a) b)

c) d) e)

f)

g)

h)

i)

7

standplaatsvergunning voor de duur van 15 jaar beschikbaar komt, voor welke branche of artikelgroep deze vergunning verleend wordt, om welke plaats en branche het gaat, welke faciliteiten aanwezig zijn en dat gegadigden vóór de in de kennisgeving genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. De bekendmaking kan daarnaast ook geschieden via een advertentie in een weekblad, een advertentie in een vakblad en/of een website. Als een aanvraag vóór de indieningsdatum is ingediend maar onvolledig is, krijgt de aanvrager een termijn van twee weken om zijn aanvraag aan te vullen. Uitsluitend volledige aanvragen die tijdig zijn ingediend en waarbij is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, komen voor beoordeling als bedoeld in het vijfde lid in aanmerking.

Bij de beoordeling van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal: De sollicitatiebrief en de motivering van de aanvraag: maximaal 10 punten; De mate waarin het gevoerde assortiment aanvullend is ten opzichte van het op de warenmarkt reeds aanwezige aanbod: maximaal 10 punten; Netheid, onderhoudsniveau en uitstraling van de kraam: maximaal 10 punten; Presentatie en klantvriendelijkheid: maximaal 10 punten; Aantoonbare ervaring van de ondernemer in de ambulante handel (eerdere standplaatsvergunning en/of diploma’s/certificaten van opleidingen): maximaal 10 punten; Maatschappelijke betrokkenheid (bijv. fairtrade producten, afvalscheiding, recycling, erkend leerbedrijf, ondersteuning goede doelen): maximaal 10 punten; De verkoop van streekproducten die vervaardigd zijn in Rijswijk of directe omgeving: maximaal 10 punten; Geen antecedenten bij andere gemeenten of marktorganisatoren: maximaal 10 punten; De kandidaat-vergunninghouder met het hoogste aantal punten of, bij een gelijk aantal punten, de kandidaatvergunninghouders, wordt of worden in de gelegenheid gesteld twee keer de

leeggekomen standplaats in te nemen; maximaal 10 punten. 5. Burgemeester en wethouders verlenen de vaste-standplaatsvergunning aan de gegadigde met het op basis van de beoordeling hoogste aantal punten. 6. Als meer gegadigden hetzelfde aantal punten krijgen toegekend, vindt de verdeling van de vergunning tussen hen plaats via loting door middel van een trekking, waarvoor zij worden uitgenodigd en in aanwezigheid van een door burgemeester en wethouders aangewezen vertegenwoordiger van de gemeente. Afdeling 3. Vaste-standplaatsvergunning Artikel 2.1.14 Algemene bepalingen vastestandplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste-standplaatsvergunning verlenen voor de duur van 15 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen tijdelijk een andere standplaats aanwijzen. 3. Een vaste-standplaatsvergunning is niet overdraagbaar. 4. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Artikel 2.1.15 Overschrijven vastestandplaatsvergunning 1.

Als de vergunninghouder niet langer zelf van de vaste-standplaatsvergunning wil gebruikmaken, overleden is of onder curatele gesteld is, kunnen burgemeester en wethouders op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoont of samenwoonde, of zijn kind. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 2.1.12, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 2.1.12, vijfde lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. 2. Als de in het eerste lid bedoelde overschrijving niet kan worden gedaan, kunnen burgemeester en wethouders de vaste-standplaatsvergunning op aanvraag 8

3.

4.

5.

6.

van de vergunninghouder, zijn erven of curator overschrijven op naam van een medewerker van de vergunninghouder of een mede-eigenaar van diens bedrijf als deze ten minste 3 maanden in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of heeft gefunctioneerd als mede-eigenaar. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 2.1.12, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria genoemd in artikel 2.1.12, vijfde lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. De overschrijving van de vastestandplaatsvergunning geldt voor de resterende vergunningsduur. Na het einde van de duur van de vergunning komt deze beschikbaar voor verdeling volgens de in het inrichtingsplan vastgelegde verdeelprocedure van artikel 2.1.12. In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. Burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag tot overschrijving af als niet wordt voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde. Als de nieuwe vergunninghouder al over een vaste-standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, kunnen burgemeester en wethouders deze intrekken.

Artikel 2.1.16 Intrekking en vervallen vastestandplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders trekken de vaste-standplaatsvergunning in: a. op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder; of b. twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.15 een aanvraag tot overschrijving is ingediend. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de vaste-standplaatsvergunning intrekken als: a. de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;

9

b.

3.

4.

de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden; c. van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; d. de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van de geldende marktgeldverordening; e. de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd. Als de in het tweede lid bedoelde intrekking voor bepaalde tijd is, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde vaste standplaats tijdelijk vervalt. Als de vergunninghouder of zijn rechtmatige vervanger de standplaats niet uiterlijk om 9.00 uur inneemt, vervalt de vaste-standplaatsvergunning voor de rest van de dag.

Artikel 2.1.17 Persoonlijk innemen vaste standplaats; vervanging 1. De vergunninghouder neemt de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde standplaats persoonlijk in. 2. Aan de vergunninghouder die zijn standplaats niet persoonlijk wenst in te nemen en zich laat vertegenwoordigen, kunnen burgemeesters en wethouders toestemming geven zich te laten vervangen door een met name genoemd persoon. 3. Ter verkrijging van toestemming om zich te laten vervangen dient de vergunninghouder een aanvraag in waaruit blijkt door wie de vergunninghouder wordt vervangen. De vervanger is iemand die ten minste 3 maanden als mede-eigenaar in de onderneming staat ingeschreven, of een medewerker in loondienst die ten minste 3 maanden op de loonlijst van de onderneming staat. 4. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder en handelt namens de vergunninghouder. Het bij of 10

5.

krachtens bepaalde in de Verordening Fysieke Leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Alle handelingen van de vervanger op de markt worden aan de vergunninghouder toegerekend. De vergunninghouder blijft, ook bij een vervanger, altijd verantwoordelijk voor het gebruik van de standplaats. In geval van vakantie of bijzondere omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders erin toestemmen dat een vervanger de standplaats inneemt. Een aanvraag om toestemming vermeldt de reden en verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger.

Artikel 2.1.18 Plaatsverandering na beschikbaar komen vaste standplaats 1. Als een vaste standplaats beschikbaar komt voor het einde van de duur van de vaste-standplaatsvergunning, kunnen burgemeester en wethouders deze standplaats voor de resterende vergunningsduur toewijzen aan een houder van een vastestandplaatsvergunning op de betrokken markt. De toewijzing gebeurt op aanvraag. 2. Als meerdere aanvragen zijn ingediend voor plaatsverandering, wijzen burgemeester en wethouders de vaste standplaats toe via loting. 3. De plaatsverandering wordt alleen toegewezen wanneer deze technisch en fysiek passend is. 4. Als de beschikbaar gekomen vaste standplaats op grond van het inrichtingsplan bij voorrang is bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen, kunnen burgemeester en wethouders deze standplaats alleen toewijzen aan een vergunninghouder die tot die branche behoort of die handelt in die artikelgroep. Afdeling 4. Dagplaatsvergunning Artikel 2.1.19 Dagplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning verlenen voor de duur van een dag, voor de op de vergunning vermelde en op de kaart van de markt als zodanig aangegeven dagplaats of voor het innemen van een vaste standplaats, wanneer die niet is 11

2.

3.

4.

ingenomen door de houder van de vastestandplaatsvergunning of zijn rechtmatige vervanger. Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking de gegadigden die op de marktdag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een toewijsbare aanvraag om een dagplaatsvergunning hebben ingediend, mits zij voldoen aan het geldend brancheof artikelgroepvereiste. Een dagplaatsvergunning is niet overdraagbaar en de vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen.

Artikel 2.1.20 Verdeling beschikbare dagplaatsvergunningen 1. Burgemeester en wethouders verdelen de beschikbare dagplaatsvergunningen op volgorde van ontvangst van de toewijsbare aanvragen, mits de beschikbare dagplaats technisch en fysiek passend is en de branchemaxima niet worden overschreden. 2. Aanvragers die een nog niet op de markt verkrijgbaar artikel of artikelgroep wensen te verkopen, hebben voorrang bij de verdeling. Artikel 2.1.21 Weigering dagplaatsverguning 1. Burgemeester en wethouders weigeren een dagplaatsvergunning als de aanvrager op een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: a. zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden; of b. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld heeft voldaan dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning weigeren wanneer de aanvrager eerder een vastestandplaatsvergunning had die niet langer dan twee jaar geleden is ingetrokken. Afdeling 5. Algemene bepalingen voor vergunninghouders Artikel 2.1.22 Toonplicht vergunning of toestemming 12

Degene die een standplaats inneemt of wil innemen is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel 2.1.23 Markttijden in acht nemen 1. Het is verboden meer dan drie-en-een-half (3,5) uur voor de aanvang en meer dan twee-en-een-half (2,5) uur na afloop van de markt op welke wijze dan ook ruimte in te (doen) nemen op het marktterrein, of goederen aan of af te (laten) voeren. 2. De vergunninghouder neemt zijn standplaats in voor aanvang van de markt en tot de sluitingstijd van de markt, behoudens door burgemeester en wethouders verleende ontheffing. 3. Burgemeester en wethouders kunnen aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de ontheffing is vereist. De houder van de ontheffing is verplicht de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel 2.1.24 Marktterrein schoonhouden 1. De vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat op zijn standplaats vrijkomt tijdens de door hem bedreven handel zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af, of laat het afvoeren. 2.

De vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Afdeling 6. Handhaving Artikel 2.1.25 Naleven van aanwijzingen in het kader van openbare orde en veiligheid In het kader van openbare orde en veiligheid zijn vergunninghouders verplicht zich te houden aan: 1. Aanwijzingen van de hulpdiensten; 2. Aanwijzingen van de marktmeester met betrekking tot weersomstandigheden waaronder exploitatie voor eigen risico van de vergunninghouder is; 3. Aanwijzingen van de marktmeester bij wangedrag. Artikel 2.1.26 Uitsluiting dagplaatshouder 13

Burgemeesters en wethouders kunnen een vergunninghouder van de toewijzing van een dagplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de de Verordening Marktgeld Gemeente Rijswijk 2023.

Artikel 2.1.27 Onmiddellijke verwijdering Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder of degene die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden. Afdeling 7. Overgangsbepaling Artikel 2.1.28 Overgangsbepaling Vergunningen verleend krachtens het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2022 vóór het van kracht worden van deze verordening blijven – voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken – nog gedurende een halfjaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 3.1.1 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. het overeenkomstig deze verordening ter inzameling

Artikel 3.1.1 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 14

4.

aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; b. het thuis composteren van groente -, fruit- en tuinafval; c. voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.

3.

4.

Het verbod is niet van toepassing op: a. het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; b. het thuis composteren van groente -, fruit- en tuinafval; c. voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 3.2.1 Verbod opslag van afvalstoffen 1. Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 3.2.1 Verbod opslag van afvalstoffen 1. Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

Was

Wordt Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

15

Artikel 3.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.1.1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet (nu Wet ruimtelijke ordening) of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 3.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.1.1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 3.3.2 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk

Artikel 3.3.2 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk

16

2.

verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

2.

verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 3.4.1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. b. vervallen. c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II (onder de Omgevingswet paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II (onder de Omgevingswet paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de

Artikel 3.4.1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 5.7a en 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol. b. vervallen. c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien voor toepassing van artikel 3.4.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

17

4.

5.

Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 3.4.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht (onder de Omgevingswet paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

4.

5.

Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 3.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 3.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het saneringsplan overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Wordt 18

Was

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 4.1.2a Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Omgevingswet), het Besluit omgevingsrecht (onder de Omgevingswet paragraaf het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 4.1.2a Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: d. het voorkomen of beperken van overlast; e. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; f. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 4.1.2b Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen

Artikel 4.1.2b Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen 19

2.

3.

houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Omgevingswet), het Besluit omgevingsrecht (onder de Omgevingswet paragraaf het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

2.

3.

houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 4.2.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.

Artikel 4.2.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht.

20

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 5.1.5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen, zonder wezenlijke tijdsonderbreking, te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a als uit beoordeling van een aanvraag blijkt dat: een camper ook wordt gebruikt als dagelijks vervoermiddel, een camper qua afmetingen niet afwijkt van een personenbusje en niet valt onder de bepalingen in artikel 5.1.7. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het provinciale Omgevingsbeleid of de provinciale landschapsverordening.

Artikel 5.1.5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins wordt gebruikt: c. langer dan op drie achtereenvolgende dagen, zonder wezenlijke tijdsonderbreking, te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; d. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a als uit beoordeling van een aanvraag blijkt dat: een camper ook wordt gebruikt als dagelijks vervoermiddel, een camper qua afmetingen niet afwijkt van een personenbusje en niet valt onder de bepalingen in artikel 5.1.7. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 5.2.5 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel

Artikel 5.2.5 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel 21

2.

3.

4.

5.

een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, het provinciale Omgevingsbeleid of de provinciale landschapsverordening. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

2.

3.

4.

5.

een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 6.2.1 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de

Artikel 6.2.1 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de 22

2.

3.

4.

verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het provinciale Omgevingsbeleid, de Telecommunicatiewet of paragraaf 6.1.

2.

3.

4.

verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Was

Wordt

Bestaande tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2021)

Nieuwe tekst (Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024)

Artikel 6.2.2 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 9.1.7 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=b8f76828-994a-489c-95e6-1ad4aeac59af