RV 23-084 Bijlage A Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk
Tekst van het document
Voor de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, is geregeld dat deze is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de parkeervergunning wordt verleend (tweede lid). Voor het betaald parkeren door aanmelding bij de centrale computer zullen burgemeester en wethouders nadere regels moeten stellen op grond van artikel 13 van de verordening. Op het moment dat de parkeerder zijn voertuig parkeert, logt hij in op de centrale computer en geeft hij de code door van het gebied waar het voertuig staat. Op het moment dat hij wegrijdt, meldt hij zich af. Omdat bij het betaald parkeren door aan- en afmelden bij de centrale computer wordt afgerekend over de werkelijk geparkeerde tijd, kan niet worden gesteld dat de belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het parkeren. De belastingschuld groeit gedurende het parkeren voortdurend aan. De belasting wordt derhalve 'in een tijdvak verschuldigd' in de zin van artikel 19, eerste lid, AWR. Artikel 15. Termijn van betaling Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling voor de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. Zowel bij
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 de heffing door voldoening op aangifte als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door betaling bij parkeerapparatuur. Bij de fiscale afhandeling vallen aangifte en betaling dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet overeenkomstig de aangifte worden betaald. Voor het tijdstip van betaling is met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte) van de Gemeentewet een van artikel 19 van de AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 afwijkende betalingsregeling getroffen. Aangezien de belastingschuld ‘in het tijdvak van parkeren verschuldigd wordt’, kan deze pas na het einde van het parkeren worden betaald. De belasting moet binnen een maand na het einde van het parkeren worden betaald. Als geen betaling heeft plaatsgevonden - of als niet is ingelogd op de centrale computer en ook geen betaling bij de fysiek aanwezige parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden – kan bij fiscale afhandeling een naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 15 onmiddellijk worden betaald.
Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een naheffing sturen die binnen een bepaalde termijn betaald moet worden. Hof Den Haag oordeelde dat het toelaatbaar is om bij het opleggen van naheffingsaanslagen gebruik te maken van met een scanauto gemaakte foto’s (Hof Den Haag 23 april 2019, 18/00735 tot en met 18/00737, ECLI:NL:GHDHA:2019:1775). Voor de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is in het derde lid bepaald dat deze overeenkomstig de aangifte moet worden betaald op het moment dat de parkeervergunning wordt verleend (vergelijk artikel 13, tweede lid). Dit tijdstip zal meestal zijn gelegen vóór aanvang van het tijdvak waarvoor de parkeervergunning geldt. Het parkeren zonder parkeervergunning op plaatsen waar dat alleen met een parkeervergunning mag, is een overtreding. In dat geval zal er geen naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook een parkeerbelasting als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven. Is dat niet het geval, dan moet het parkeren zonder parkeervergunning op een belanghebbendenplaats gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 7 en artikel 9 van deze verordening).
Het spreekt voor zich dat als de parkeerbelasting voor de parkeervergunning zelf niet wordt betaald, deze belasting wel kan worden nageheven. Ook voor deze naheffingsaanslag geldt dat deze onmiddellijk moet worden betaald. Dit is op grond van artikel 250, eerste lid, van de Gemeentewet in afwijking van de termijn genoemd in artikel 9, tweede lid, van de Invorderingswet 1990. Artikel 16. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen In artikel 16 is opgenomen dat het burgemeester en wethouders de bevoegdheid hebben om aan te wijzen de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd. Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen burgemeester en wethouders die aanwijzing kan doen. Het aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen is een algemeen verbindend voorschrift. Artikel 8:3, eerste lid, onder a, Awb bepaalt dat geen beroep (en dus ook geen bezwaar) kan worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift (zie Hof Den Haag 5 januari 2010, nr. 08/00431, ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4214, VNG-3350 (Den Haag) en Hof Den Haag 8 december 2010, nr. 10/00122, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6931, VNG-4116 (Den Haag).
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 Burgemeester en wethouders kunnen niet volstaan met het aanwijzen van de betaaldparkeren plaatsen, maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd dat het betaald-parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld van 9.00-18.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden én de extra koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van burgemeester en wethouders dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven (Hof Amsterdam 8 september 1993, nr. 2674/92, Belastingblad 1994, blz. 37). Sinds 4 juli 2001 kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat het in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden chipkaart en nietrekeninggebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie).
Het heffen van belastingen op parkeerplaatsen waar uitsluitend elektrisch voortgedreven voertuigen geparkeerd mogen worden om deze aan de laadpaal op te laden is niet in strijd met het RVV 1990. Het bord E8 met onderschrift “uitsluitend opladen elektrische auto’s” houdt in dat op de betreffende parkeerplaats uitsluitend elektrisch voortgedreven voertuigen mogen parkeren om deze aan de laadpaal op te laden. Het betekent niet dat geen parkeerbelasting is verschuldigd (Hof Amsterdam 25-07-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2744). De omstandigheid dat de accu van een elektrische auto die is aangesloten op een laadpaal op enig moment niet of niet meer wordt opgeladen, dwingt niet tot de gevolgtrekking dat de auto op de desbetreffende (betaald parkeren) parkeerplaats is geparkeerd met een ander doel dan het opladen van de accu van die auto. De heffingsambtenaar hoeft in een dergelijk geval geen nader onderzoek te doen naar het doel waarmee de auto is geparkeerd en mag de niet betaalde parkeerbelasting naheffen (Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1127, Belastingblad 2022/355 (Den Haag)). Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan.
In de uitspraak van Hof Arnhem van 26 april 1996, nr. 95/1626, Belastingblad 1997, blz. 128 oordeelde het Hof dat belastingplichtige onvoldoende in de gelegenheid was zijn verplichtingen te kennen. Bij de parkeermeter was vermeld: 'parkeren alleen toegestaan met gebruik van de parkeerautomaat van maandag t/m zaterdag van 08:00-18:00 uur en bovendien op koopavonden'. Het hof overweegt: 'Volgens art. 8 van de Verordening parkeerbelastingen 1991 geschiedt de aanwijzing van de plaats waar, van het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de onderhavige belasting mag worden geparkeerd in alle gevallen door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. In het verlengde van deze openbaarmaking mag uit het oogpunt van kenbaarheid voor belastingplichtige parkeerders die ter plaatse niet (goed) bekend zijn, in redelijkheid voorts de eis worden gesteld dat tenminste de tijden gedurende welke tegen betaling mag worden geparkeerd, op (borden bij) de parkeerapparatuur worden vermeld.' Het hof vernietigt de naheffingsaanslag op grond van het feit dat het belanghebbende, als niet ter plaatse bekend, onvoldoende duidelijk kon zijn dat de avond dat hij parkeerde een koopavond was, en dat hij derhalve parkeerbelasting verschuldigd was.
Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat het belanghebbende niet op een andere manier kenbaar had kunnen zijn dat het koopavond was, aangezien het gebied waar hij heeft geparkeerd niet te midden van winkels lag. Enig
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 eigen onderzoek mag dus van een belanghebbende worden verwacht. Dit blijkt ook uit de casus van Hof Amsterdam van 7 november 1997, nr. 96/3025, Belastingblad 1997, blz. 358. Ook hier was de kenbaarheid van de koopavond in het geding. Niet in geschil is dat op koopavonden parkeerbelasting verschuldigd is. Belanghebbende betwist echter dat het voor hem kenbaar kon zijn dat de bewuste vrijdagavond ook een koopavond was, nu de reguliere koopavonden in Haarlem op donderdagavond vallen. Volgens het hof dient de verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaald tijdstip parkeren van een voertuig kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het op dat tijdstip parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van geval tot geval dient te worden beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan. Het hof oordeelt dat de inspecteur in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente er, door middel van posters en in streekkranten geplaatste aankondigingen, voldoende informatie heeft verstrekt omtrent de extra koopavonden in de dagen voor kerst. Mitsdien kon er bij belanghebbende, als inwoner van de omgeving van Haarlem, omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de bewuste avond geen misverstand bestaan.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9671. Hier oordeelde het dat het, met de op belanghebbende rustende onderzoeksplicht, voor belanghebbende redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij zich bevond in een straat die tot een andere parkeerzone behoorde en waarvoor zijn parkeervergunning dus niet geldig was. Het had hem dan ook bekend kunnen zijn dat hij parkeerbelasting verschuldigd was. Jurisprudentie De rechter heeft zich meermaals gebogen over de vraag hoever de onderzoeksplicht van een belanghebbende reikt: - Hof Amsterdam 29-10-2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3829 (Haarlem). Als belanghebbende de website waarop de voorwaarden staan vermeld die aan de Parkeervergunning zijn verbonden niet goed raadpleegt en hij ook overigens niet op de hoogte is van de voorwaarden, kan hem dit niet baten. Een dergelijk niet-raadplegen komt allereerst voor zijn rekening en risico en doet ook overigens niet af aan de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid van de voorwaarden. - Hoge Raad 05-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1014 (Tilburg). De Hoge Raad oordeelt dat parkeerders mogen afgaan op de informatie uit hun parkeerapp zonder ook tariefinformatie in de plaatselijke parkeerautomaat en/of op in de omgeving geplaatste borden te raadplegen. Als de app onjuiste informatie geeft over de parkeertarieven dan mag dit niet voor rekening van parkeerders komen.
Wanneer er onduidelijkheid is met betrekking tot de vraag voor welke parkeerplaatsen belasting verschuldigd is, komt deze onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan. In Hof Arnhem 6 oktober 1998, nr. 97/22445 Belastingblad 1999/294 en Hof Den Haag 9 februari 2000, nr. 98/05401, FED 2000/372 was de bebording zo onduidelijk, dat geen belasting geheven kon worden. In laatstgenoemde uitspraak overwoog het hof: 'Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het rijdende publiek duidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.' Artikel 17. Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling In artikel 17 is opgenomen de regeling voor de naheffingsaanslag en de wielklem die tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag aan het motorvoertuig kan worden aangebracht. Het aanbrengen van een wielklem met het oogmerk om herhaling van het niet op aangifte voldoen van parkeerbelasting te bestraffen, is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, aldus Hof Arnhem 23 maart 2000, nr. 98/157, Belastingblad 2000, blz. 981.
In het tweede lid is opgenomen dat burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten kan aanwijzen waar de wielklem wordt
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 toegepast. Zijn deze terreinen of weggedeelten niet aangewezen, dan kan de wielklem daar ook niet worden toegepast. In het derde lid is opgenomen dat het motorvoertuig naar een door de heffingsambtenaar aan te wijzen plaats kan worden overgebracht als na het aanbrengen van de wielklem tenminste 24 uur zijn verstreken. Met betrekking tot de tijd waarbinnen een aangebrachte wielklem moet worden verwijderd na betaling van de naheffingsaanslag en de kostenbeschikking, kan uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de gemeenten hun organisatie zodanig zouden inrichten dat verwijdering van de wielklem binnen een redelijke termijn mogelijk zou zijn en dat die termijn in de praktijk één uur zou zijn. De Hoge Raad heeft op 29 april 1998 een duidelijk arrest gewezen (nr. 32535, Belastingblad 1998/528).
Hij oordeelt dat, gelet op deze wetsgeschiedenis, ervan mag worden uitgegaan en ook moet worden verlangd dat gemeenten inmiddels hun organisatie zodanig hebben ingericht dat onder normale omstandigheden de wielklem binnen de nog aanvaardbaar geachte tijd van één uur na het betalen van de kosten verwijderd kan worden, zodat behoort te worden afgezien van het toepassen van de wielklem dan wel het geven van een beschikking tot het verhaal van de kosten daarvan indien op het desbetreffende tijdstip al is te voorzien dat het verwijderen niet tijdig zal kunnen geschieden. Anders zou de gemeente immers handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zou er op die grond aanleiding zijn voor vernietiging van de beschikking. Voor gevallen waarin de wielklem binnen één uur na betaling van de kosten is verwijderd, brengt het voorgaande met zich dat het tijdsverloop tussen de betaling van de kosten en de verwijdering van de wielklem geen grond oplevert voor vernietiging van de beschikking, ook niet indien eerdere verwijdering mogelijk zou zijn geweest maar een aan de gemeente toe te rekenen oorzaak tot vertraging heeft geleid. Afspraak met de raad is dat burgemeester en wethouders de toepassing dit artikel niet zal uitwerken zonder voorafgaand overleg met de raad. Artikel 18.
Kosten In artikel 18 worden alle in rekening te brengen kosten, indien niet op reguliere wijze wordt betaald, geregeld. In het eerste lid hebben de kosten van de naheffingsaanslag een plaats gekregen. De hoogte hiervan moet worden bepaald met inachtneming van het Besluit parkeerbelastingen. De gemeente kan alleen kosten in rekening brengen indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem wordt één bedrag berekend. Op grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is het opnemen van een bestuurlijke boete niet toegestaan. Het in rekening brengen van de kosten van een naheffingsaanslag is niet in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De kosten van de naheffingsaanslag zijn niet aan te merken als een boete (Hoge Raad 18 oktober 1995, nr. 30208, ECLI:NL:HR:1995:AA3127, Belastingblad 1995, blz. 793). Het opleggen van naheffingsaanslagen met kosten gedurende een reeks van dagen is niet in strijd met enig rechtsbeginsel. Er bestaat geen verplichting voor de ambtenaar om na enige dagen contact met de belastingplichtige te zoeken (Hof Amsterdam, 25 juni 2009, nrs. 08/00781, 09/00359 t/m 09/00367, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ0783).
De Hoge Raad oordeelde in twee procedures over naheffingsaanslagen parkeerbelasting dat een gemeente niet verplicht kan worden om een btw-factuur uit te reiken. Ook hoeft volgens de HR de verordening parkeerbelasting niet te vermelden of een btw-bedrag is inbegrepen in het parkeertarief. De HR laat in het midden of straatparkeren onderworpen is aan btw (Hoge Raad 23 maart 2018, nrs. 17/03850, ECLI:NL:HR:2018:412 en 16/03254, ECLI:NL:HR:2018:413.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 In artikel 234, lid 3 Gemeentewet is aangegeven dat als een naheffingsaanslag wordt opgelegd, deze wordt berekend over een parkeerduur van een uur (tenzij aannemelijk dat een voertuig langer zonder betaling heeft gestaan). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ten behoeve van de uitvoerbaarheid heeft gekozen voor deze forfaitaire parkeerduur van een uur (voorafgaand aan het tijdstip van constatering) voor de gevallen waarin niet kan worden vastgesteld hoelang een voertuig zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Maar als duidelijk is dat ten tijde van de constatering de periode waarover belasting is verschuldigd minder dan een uur bedraagt, dan moet de naheffingsaanslag naar evenredigheid worden verlaagd. Artikel 20 van de AWR verhindert immers dat wordt nageheven over belasting die reeds is betaald. Zie Hof Den Haag 1 augustus 2017, nr. 17/00249, ECLI:NL:GHDHA:2017:2211 en Hoge Raad 26 februari 2016, nr. 15/03528, ECLI:NL:HR:2016:316. In het arrest van 18 januari 2019, nr. 18/03317, ECLI:NL:HR:2019:56 ging het om het spanningsveld tussen artikel 20 lid 1 AWR en de wetsgeschiedenis van artikel 234, derde lid, Gemeentewet enerzijds (naheffing van de feitelijk te weinig geheven belasting) en het bepaalde in artikel 234, lid 3 Gemeentewet anderzijds (naheffing over een forfaitaire periode van een uur).
Naar het oordeel van de Hoge Raad duidt de tekst van artikel 234, derde lid, Gemeentewet op een forfaitaire naheffing op basis van de parkeerduur van een uur. Daarmee is volgens de Hoge Raad erin voorzien dat de naheffing niet hoeft te worden beperkt tot de te weinig geheven belasting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, AWR. De Hoge Raad voegt daar nog aan toe dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 234, derde lid Gemeentewet volgt dat aan de gemeentelijke wetgever de keuze is gelaten om te bepalen dat, uit een oogpunt van doelmatigheid, forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven, dan wel te bepalen dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur die is verstreken bij de constatering dat zonder betaling is geparkeerd. Wij merken hierbij op dat in de verordening van de gemeente echter niets is opgenomen over de termijn waarover wordt nageven. Wel heeft de gemeente in haar verordening parkeertarieven per uur. Niet duidelijk is of de Hoge Raad tot zijn oordeel komt omdat de gemeente in dit geval enkel uurtarieven in haar verordening heeft, of dat een gemeente altijd over een periode van een uur kan naheffen. Overigens geldt dat als wel parkeerbelasting is betaald maar naar een te laag tarief, de gemeente dan slechts kan naheffen voor zover te weinig is betaald.
In dat geval brengt artikel 234, derde lid, Gemeentewet niet met zich dat wordt afgeweken van artikel 20, eerste lid AWR dat slechts de te weinig geheven belasting kan worden nageheven (Hof Amsterdam 21 november 2008, nr. 07/00456, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5293 en Rb Gelderland 21 augustus 2018, nr. 18/1366, ECLI:NL:RBGEL:2018:3622). In het derde lid heeft de regeling over de kosten van de overbrenging van het voertuig en de bewaring daarvan een plaats gekregen. Hier wordt uitgegaan van een basisbedrag, verhoogd met een bedrag per gereden kilometer voor het overbrengen en van een basisbedrag voor het bewaren. In de tweede volzin van het derde lid is geregeld dat voor het overbrengen op werkdagen, maar buiten kantooruren het basisbedrag wordt verhoogd. Geschiedt het overbrengen op een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag dan wordt het bedrag ook verhoogd. Tot slot is een regeling opgenomen dat in geval het overbrengen meer tijd in beslag neemt dan een te bepalen aantal uren, het bedrag voor het overbrengen bovendien wordt verhoogd met een bedrag per uur waarbij een gedeelte van een uur voor een vol uur wordt gerekend. In het vierde lid is opgenomen dat het bedrag van de in rekening te brengen kosten wordt geconcretiseerd in een beschikking. Dit is zo geregeld in verband met het bieden van een rechtsgang.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 Het maximumbedrag dat voor een naheffingsaanslag aan kosten in rekening mag worden gebracht, wordt jaarlijkse geïndexeerd aan de hand van de procentuele wijziging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april ten opzichte van de maand april van het jaar daarvoor. Jaarlijks zal vóór 1 september het maximale kostenbedrag voor het volgende kalenderjaar worden vastgesteld, zodat aanpassing van de verordening parkeerbelastingen desgewenst meegenomen kan worden in de begrotingsvoorstellen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2002, nr. 36855, LJN: AD6867, bepaald dat de kosten niet jaarlijks opnieuw door de raad behoeven te worden vastgesteld. Wel moet de gemeente desgevraagd kunnen aantonen dat de hoogte van het bedrag aan kosten in overeenstemming is met het bepaalde in het besluit. Artikel 19. Kwijtschelding Beleidsmatig zal het in weinig gevallen gewenst zijn om van parkeerbelastingen kwijtschelding te verlenen. Ook de heffing door voldoening op aangifte maakt het verlenen van kwijtschelding uitvoeringstechnisch moeilijk. Bovendien bevat de ministeriële regeling voor deze wijze van heffing geen duidelijke regeling.
Tarieventabel Behorende bij de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk
TARIEVENTABEL Tarieventabel zoals vastgesteld op 7 november 2023
Behorende bij de: Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk