RV 23-084 Bijlage A Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk
Tekst van het document
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 officiële titel citeertitel wettelijke grondslag datum aanmaak datum vaststelling datum inwerkingtreding kenmerk
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk Gemeentewet, artikel 149, 156, 216, 225 en 234 Wegenverkeerswet 1994, artikel 2a 3 november 2023 12 december 2023 1 januari 2024 23.099229
Besluit van de raad van de gemeente Rijswijk tot vaststelling van een nieuwe Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk De raad van de gemeente Rijswijk gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 november 2023 23.099230; gelet op artikel 149, artikel 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, artikel 216, artikel 225 en artikel 234 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 HOOFDSTUK 1. DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. adres: adres, als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; b. autodeelorganisatie: natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde bewoner, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en die op grond van een overeenkomst motorvoertuigen station-based of freefloating ter beschikking stelt voor autodelen aan meerdere deelnemers; c. autodeelplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodelen; d. autodelen: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een autodeelorganisatie of tussen natuurlijke personen op meer dan één adres; e. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die: - is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of - gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; f.
centrale computer: computer van het bedrijf, de bedrijven of instantie waarmee de gemeente Rijswijk een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon, internet, andere communicatiemiddel of pas; g. dag: kalenderdag, een periode van 24 uur, die om middernacht begint en op de kalender door een datum wordt aangeduid; h. free-floating autodelen: autodelen zonder een vaste parkeerplaats; i. gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart als bedoeld in artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer of een ingevolge de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart daarmee gelijkgestelde parkeerkaart of de Stadsgewestelijke Gehandicapten-parkeerkaart; j. houder: degene op wiens naam het motorvoertuig ten tijde van het parkeren in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven; Als houder van een motorvoertuig wordt mede beschouwd: - degene die gebruik maakt van een lease- of huurauto, zoals blijkt uit een verklaring ter zake van de kentekenhouder (lease- of verhuurmaatschappij); - de werknemer die (nagenoeg) permanent ten behoeve van zijn werkzaamheden de beschikking heeft over een voertuig van zijn werkgever, zoals blijkt uit een verklaring ter zake van de werkgever; k.
jaar: kalenderjaar / het tijdvak van 1 januari 00.00 uur tot 31 december 24.00 uur; l. maand: een aaneengesloten periode van zoveel dagen als de kalendermaand telt waarin de ingangsdatum valt; m. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990; met uitzondering van motorfiets zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990; n. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; o. parkeerapparatuur: parkeermeters en parkeerautomaten, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; p. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waar het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur;
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 q. parkeervergunning: een door burgemeester en wethouders verleende parkeervergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen; r. parkeerzone: een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied in de gemeente Rijswijk dat bestaat uit één of meerdere weggedeeltes aangeduid met een code met parkeerapparatuurplaatsen; s. RVV 1990: het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens1990; t. station based autodelen: autodelen met een aangewezen parkeerplaats; u. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een parkeervergunning is verleend; v. vergunningzone: een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied in de gemeente Rijswijk dat bestaat uit één of meerdere weggedeeltes met belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen; w. week: periode van 7 aaneengesloten kalenderdagen. HOOFDSTUK 2. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, PARKEERVERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN Artikel 2 Plaatsen en tijdstippen vergunninghouders 1. Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen.
Burgemeester en wethouders kunnen hierbij onderscheid maken in parkeervergunningen voor de doelgroepen als bedoeld in artikel 3, tweede lid. 2. Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan. Artikel 3 Vergunningverlening 1. Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkende aanvraag, die aan de balie van het parkeerloket of via internet is ingediend, een parkeervergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar te maken besluit, regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een parkeervergunning. Daarin wordt in ieder geval uitgewerkt de mogelijkheden voor parkeervergunningen voor bewoners, bezoekers van bewoners, gehandicapten, mantelzorgers, autodeelorganisaties en bedrijven. 3. Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven parkeervergunningen per aaneengesloten gebied en per vergunningsoort en per adres vaststellen. 4. Burgemeester en wethouders kunnen aan een parkeervergunning voorschriften en beperkingen verbinden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen en/of de tijdstippen waarop de parkeervergunning van kracht is. 5.
Burgemeester en wethouders kunnen aan een parkeervergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte, tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer (zoals deze gold ten tijde van vaststelling van deze verordening), waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik. 6. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten, bij een functiewijziging van een pand of object, het aantal toe te kennen parkeervergunningen te beperken tot het maximale aantal parkeervergunningen dat voor de functiewijziging ten behoeve van het betreffende pand of object kon worden uitgegeven. 7. Een parkeervergunning geeft geen recht op een parkeerplaats.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 Artikel 4 1. Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag voor een parkeervergunning. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 5 Voorwaarden aan de parkeervergunning 1. Een parkeervergunning wordt verleend tot het einde van het kalenderjaar en alleen in uitzonderlijke gevallen voor een periode van maximaal 12 maanden. Vergunningen met een mogelijkheid tot het opwaarderen van een saldo worden verleend t/m 2099. 2. De parkeervergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de parkeervergunning geldt; b. de vergunningzone waarvoor de parkeervergunning geldt; c. naam en adres van de vergunninghouder en het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de parkeervergunning is verleend of een meld- en pincode om kentekens te kunnen aan-/afmelden. Artikel 6 Intrekken, wijzigen en weigeren van een parkeervergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een parkeervergunning weigeren: a. wanneer de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden, die aan het verlenen van een parkeervergunning zijn gesteld; b.
bij de aanvrager na een eerdere intrekking van een parkeervergunning geen wijziging is opgetreden in de situatie, die heeft geleid tot intrekking van een parkeervergunning; c. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn parkeervergunning voldoet; d. wanneer het maximaal aantal parkeervergunningen op het betreffende adres, per categorie of in een gebied is verleend; e. wanneer één jaar voorafgaand aan de aanvraag: 1. de aanvrager vergunninghouder was en zijn parkeervergunning is ingetrokken wanneer er sprake was van de situatie als bedoeld in artikel 6 lid 2 onder e, f of g. 2. de vergunninghouder heeft gefraudeerd met zijn parkeervergunning door deze uit te lenen, te verkopen, te kopiëren dan wel na te maken. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een parkeervergunning intrekken of wijzigen: a. op verzoek van de vergunninghouder; b. wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de parkeervergunning is verleend; c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning; d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen; e. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn parkeervergunning heeft voldaan; f.
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften; g. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; h. wanneer de vergunninghouder in liquidatie of in staat van faillissement is gesteld; i. om redenen van openbaar belang.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 HOOFDSTUK 3. VERBODSBEPALINGEN Artikel 7 Verbod ongeoorloofd gebruik parkeerplaatsen 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of een autodeelplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder parkeervergunning; b. in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel 8 Verbod ongeoorloofd gebruik parkeerapparatuur Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. HOOFDSTUK 4. STRAFBEPALING Artikel 9 Strafbepaling Overtreding van het bepaalde in Hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie. HOOFDSTUK 5. PARKEERBELASTING Artikel 10 Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelasting' worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b.
een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende parkeervergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die parkeervergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel 11 Belastingplicht 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat: 1e als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huur- of leaseovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder of gebruiker van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder of gebruiker wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2e als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3.
De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op grond van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven van degene die de parkeervergunning heeft aangevraagd;
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 5. De belastingen genoemd in artikel 10, onderdeel a, zijn niet verschuldigd indien het
voertuig is voorzien van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits het voertuig geparkeerd is op een algemene gehandicaptenparkeerplaats en mits de gehandicapteparkeerkaart zodanig in of aan het motorvoertuig is geplaatst, dat deze met het oog op toezicht en controle van buitenaf goed zicht- en leesbaar is. 6. De vrijstelling uit lid 5 geldt niet voor reguliere parkeerapparatuurplaatsen en individuele gehandicaptenparkeerplaatsen op individueel kenteken. Artikel 12 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel 13 Wijze van heffing 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt: - het bij aanvang van parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde voorschriften;. - het bij aanvragen van parkeren aanmelden bij de centrale computer op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde voorschriften; 2.
De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de parkeervergunning wordt verleend. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot de belasting als bedoeld in artikel 10, onderdeel b: - in de loop van het jaar wordt verleend, is het tarief naar evenredigheid verschuldigd gerekend vanaf de eerste dag van de maand van verlening; - in de loop van het jaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing over zoveel volle kalendermaanden als er in die periode na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog resteren. 4. Van een parkeervergunning waarbij vooraf saldo wordt gekocht om te kunnen parkeren tegen gereduceerd tarief wordt op aanvraag restitutie verleend van het nog resterende saldo. 5. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste tot en met het vierde lid gestelde termijn. 6. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de parkeervergunning geldt worden opgegeven. Artikel 14 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het aanmelden bij de centrale computer. 2.
De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de parkeervergunning wordt verleend. Artikel 15 Termijn van betaling 1. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het aanmelden bij de centrale computer. 3. De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de parkeervergunning wordt verleend.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 4. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald; Artikel 16 Bevoegdheid tot aanwijzing betaalde parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Artikel 17 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1. Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig een wielklem worden aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het motorvoertuig wordt weggereden. 2. Burgemeester en wethouders wijzen bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast. 3. Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld. Artikel 18 Kosten 1. De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, worden vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel; 2.
de kosten voor het aanbrengen, respectievelijk het verwijderen van de wielklem, voor het overbrengen en bewaren, voor opsporing van degene aan wie de kennisgeving van de overbrenging en bewaring en de kosten voor de verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging van het voertuig worden vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel; 3. Het bedrag van de ingevolge het tweede lid in rekening te brengen kosten, wordt in een voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Artikel 19 Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 20 Nadere regels door Burgemeester en wethouders Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting. HOOFDSTUK 6. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 21 Toezicht op naleving 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen werkzaam in de functie van Toezichthouder Parkeren (medewerker handhaving V) en Inspecteur Openbaar Gebied (medewerker handhaving III); 2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn tevens belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen. 3.
Een ieder is verplicht de door de in het eerste en tweede lid bedoelde toezichthouder gegeven aanwijzingen na te leven Artikel 22 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 Artikel 23. Inwerkingtreding en overgangsbepaling 1. De Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk zoals vastgesteld op 15 juni 2021 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. 3. Parkeervergunningen die zijn verleend krachtens de Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk zoals vastgesteld op 15 juni 2021 worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. 4. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024, Ondertekening Aldus besloten door de Raad van de gemeente Rijswijk, in zijn openbare vergadering van 12 december 2023 Hoogachtend, de gemeenteraad, de griffier, J.A. Massaar, bpa de voorzitter H. Sahin
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 TOELICHTING VERORDENING PARKEERREGULERING EN PARKEERBELASTING RIJSWIJK Parkeren is een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk mobiliteitsbeleid. Om parkeren te reguleren kan de gemeente gebruik maken van diverse instrumenten. In de Kadernota Parkeren Rijswijk 2015-2025 (15.103844) is vastgesteld dat het parkeerinstrumentarium in Rijswijk aan vernieuwing toe was. Op basis van de Gemeentewet worden de kaders voor (fiscaal) parkeren door de gemeenteraad traditioneel vastgesteld in de Verordening Parkeerbelasting en de Parkeerverordening. Op basis van verordeningen van andere gemeenten in Nederland is besloten één geïntegreerde verordening op te stellen. In het eerste deel van de verordening (artikel 2 t/m 9) worden de kaders voor het verlenen van verschillende soorten parkeervergunningen en verbodsbepalingen beschreven. Parkeerbelasting kan worden voldaan door middel van het betalen voor een parkeervergunning of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Bij wijze van uitzondering kan, ten behoeve van maatwerk en onder voorwaarden, een aantal bijzondere regelingen worden toegepast. Dit betreft met name vrijstelling van parkeerbelasting. De kaders (belastingplicht, maatstaf en wijze van heffing, betaling en naheffingsaanslag) omtrent parkeerbelasting zijn opgenomen in de artikelen 10 t/m 20.
Burgemeester en wethouders kunnen op basis hiervan bij openbaar besluit nadere regels stellen zoals genoemd in artikelen 16, 17 en 20. De tarieven van de parkeervergunningen en parkeerrechten worden geregeld in de bij de verordening horende tarieventabel. De regelingen als bedoeld in artikelen 3, 17 en 20 worden door burgemeester en wethouders vastgesteld in ‘beleidsregels’. De regelingen of aanwijzingen zoals benoemd in artikel 10, 13, 16 en 17 worden door burgemeester en wethouders vastgesteld in ‘uitvoerings-/aanwijzingsbesluiten'. Sinds 1 januari 2017 wordt de verlening en registratie van de parkeervergunningen en andere parkeerrechten digitaal vastgelegd. Daardoor hoeft een parkeervergunning of parkeerkaartje niet fysiek in het voertuig aanwezig te zijn. In plaats daarvan wordt gecontroleerd of parkeerbelasting is voldaan door het kenteken van een geparkeerd voertuig te vergelijken met kentekens die zijn geregistreerd in een digitale parkeerdatabase. Daarin is vermeld voor welke kentekens voor welke plaatsen en periode de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven.
Burgemeester en wethouders wijzen de gebieden aan waar betaald parkeren wordt ingevoerd. Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de naheffingsaanslag doorberekend. Bij belanghebbenden parkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden geparkeerd. Burgemeester en wethouders wijzen de gebieden aan waar belanghebbenden parkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder parkeervergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het zonder parkeervergunning parkeren is strafbaar gesteld in artikel 7 van deze verordening en komt in principe alleen voor strafrechtelijke
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 handhaving via de ‘Wet Mulder’ (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) in aanmerking. In Rijswijk is er voor gekozen om in belanghebbendengebied ook parkeerapparatuur te plaatsen zodat fiscaal gecontroleerd kan worden. De verordening is aangepast op basis van de handreiking van de VNG “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever” waarin onder andere voorbeelden voor juridisch correcte begrijpelijke formuleringen. Eén daarvan is: ’Burgemeester en wethouders’ wordt in de tekst van een regeling voluit geschreven en niet afgekort.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 Artikelsgewijze toelichting Per artikel is, voor zover relevant, een toelichting opgenomen. Artikel 1. Begripsbepalingen Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening voorkomende begrippen is daarvan een definitie opgenomen in artikel 1. Zo is betrekkelijk uitvoerig gedefinieerd wat wordt verstaan onder het parkeren van een motorvoertuig. g, k, l en w, dag, jaar, maand. week Deze begrippen zijn opgenomen om bij verlening van parkeervergunningen (voor bepaalde tijd) en eventuele restitutie geen discussie te krijgen over wat een dag/maand/jaar/week is. j. houder: Voor de houder van motorvoertuigen wordt gekeken naar degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, als houder van het motorvoertuig moet worden beschouwd. Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven. Als houder van een motorvoertuig wordt mede beschouwd degene die een leaseauto of een bedrijfsauto heeft. Als het kentekenbewijs niet op naam van de aanvrager staat, omdat het een bedrijfs- of een leaseauto betreft, dan wordt gevraagd extra documenten te overleggen.
Voor een bedrijfsauto is een verklaring van de werkgever nodig waarin staat dat de aanvrager de werknemer is van het bedrijf en in de auto mag rijden. Voor een leaseauto is dat (een kopie van) de leaseovereenkomst waarin staat dat de aanvrager de gebruiker is van de auto. Staat de leaseovereenkomst op naam van de werkgever dan is aanvullend een verklaring van de werkgever nodig (zoals boven beschreven). Voor buitenlandse kentekens en “GN”, “BN” of “CD” kentekens (waarvan geen gegevens bij RDW kunnen worden opgevraagd) wordt een kopie kentekenbewijs of koopcontract gevraagd als bewijs van ‘houderschap’. m. motorvoertuigen Onder motorvoertuigen wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. Het begrip motorvoertuigen omvat ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen.
Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen deze verordening ook van toepassing te verklaren op brommobielen. Het begrip motorvoertuig is enger dan het begrip voertuig. Zo vallen bijvoorbeeld caravans, aanhangwagens en opleggers niet onder het begrip motorvoertuig. Deze zijn dus niet zelfstandig te belasten en voor deze voertuigen hoeft geen parkeervergunning te worden aangevraagd. Op basis van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk mogen deze voertuigen niet langer dan drie aaneengesloten dagen op de weg staan. Voor het parkeren van andere voorwerpen dan motorvoertuigen is de heffing van parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan mogelijk precariobelasting geheven worden, mits er in de gemeente een precarioverordening geldt die daarin voorziet.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024
De praktijk is dat er geen parkeervergunningen worden verstrekt aan motorfietsen. De verordening is op deze praktijk aangepast. Dit heeft te maken met een aantal factoren. Allereerst was voorgeschreven dat de parkeervergunning zichtbaar achter de voor- of achterruit van het motorvoertuig is bevestigd. Dit is voor motorfietsen praktisch onmogelijk. Met handhaven op kenteken komt deze reden te vervallen. Echter belangrijker is dat een motorfiets relatief weinig ruimte in beslag neemt en over het algemeen op eigen terrein of op de stoep (rekeninghoudend met andere gebruikers van de stoep) geparkeerd wordt. Het is niet wenselijk dat motoren gebruik maken van de regulier (schaarse) parkeerplaatsen, daar waar een redelijk alternatief aanwezig is. In geval van incidentele situaties dat er geen redelijk alternatief aanwezig is, zal een praktische oplossing worden gezocht samen met de motorfietshouder. Jurisprudentie Van parkeren is geen sprake gedurende de tijd dat het voertuig nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van zaken (Hof Den Haag 28 april 1993, nr. 92/1361 en nr. 921700, Belastingblad 1993, blz. 585 en 586, Hof Arnhem 16 september 1993, nr. 920 866, Belastingblad 1994, blz. 207 en Hof Amsterdam 12 november 1993, nr. 2108/92, Belastingblad 1994, blz. 208). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 mei 1999, nr. 33286, Belastingblad 1999, blz.
566 een definitie gegeven van het begrip onmiddellijk laden en lossen: 'Onder het onmiddellijk laden en lossen (...) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.'. Parkeren op tot de openbare weg behorende eigen grond kan onder omstandigheden leiden tot belastingheffing. In zijn uitspraak van 19 september 2008, nr. 42164, ECLI:NL:HR:2008:BF1212, VNG-2777 (Alkmaar) oordeelde de Hoge Raad dat parkeren op grond van derden alleen belast was met instemming van de grondeigenaar. Hof Arnhem oordeelde in zijn uitspraak van 3 mei 2011, nr. 10/00464, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5226, VNG-4474 (Enschede) dat parkeren op tot de openbare weg behorende eigen grond belast was. Artikel 2. Plaatsen en tijdstippen Parkeervergunningen voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen worden uitgegeven op basis van deze verordening. Het aanwijzen van de plaatsen waar met een dergelijke parkeervergunning geparkeerd kan worden dient daarom bij of krachtens deze verordening te gebeuren. Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij burgemeester en wethouders neergelegd. Los daarvan staat het heffen van rechten voor het uitgeven van de parkeervergunning.
Dit gebeurt op basis van hoofdstuk 5 van deze verordening. Artikel 3. Vergunningverlening In dit artikel wordt aangegeven welke bevoegdheden burgemeester en wethouders hebben ten aanzien van de parkeervergunningverlening. Deze kaders worden door burgemeester en wethouders vertaald in beleidsregels voor vergunningverlening waarin voor ten minste de doelgroepen die zijn benoemd in lid twee nadere regels worden opgenomen. De uitwerking van voorwaarden en nadere regels is uit praktische overwegingen bij burgemeester en wethouders neergelegd. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen op welke wijze een aanvraag dient te geschieden. In de, bij openbaar besluit, bekend te maken beleidsregels wordt opgenomen welke gegevens dienen te worden ingevuld, aan welke voorwaarden dient te worden voldaan en welke aanvullende gegevens of extra bewijzen/documenten minimaal dienen te worden ingediend. Burgemeester en wethouders besteden in de beleidsregels parkeervergunningen aandacht aan de wijze waarop verschillende doelgroepen in Rijswijk bediend worden. Bij bewoners wordt ook aandacht besteed aan (nog) niet in de BRP ingeschreven inwoners,
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 gehandicapten in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart en veelvoorkomende ‘uitzonderingen’. Bij functionele parkeervergunningen worden nadere regels gesteld die ook tot uitdrukking komen in bijvoorbeeld verschillende tarieven op basis van deze regels. De beleidsregels parkeervergunningen worden zo opgebouwd dat het toepassen van de hardheidsclausule waar mogelijk op voorhand wordt voorkomen. Afspraak met de raad is dat burgemeester en wethouders de toepassing van lid drie (maximum aantal parkeervergunningen per gebied) en zes (maximaal aantal parkeervergunningen per bestaand woonadres) niet zal uitoefenen zonder voorafgaand overleg met de raad van de gemeente Rijswijk. Lid vier en vijf worden zoveel mogelijk verwerkt in de beleidsregels parkeervergunningen. Daarin wordt in ieder geval opgenomen dat voor adressen bij bepaalde gebouwen/complexen, die beschikken over parkeren op eigen terrein, niet zonder meer een parkeervergunning voor parkeren in de openbare ruimte verleend zal worden. Artikel 4. Beslistermijn De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een parkeervergunning. Om op dit punt voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de uiterste termijnen in de verordening opgenomen.
In de beleidsregels wordt hieraan ook een nadere uitwerking gegeven. Een aanvraag op reguliere gronden zal digitaal per ommegaande worden verstrekt. Een aanvraag waarbij bewijsmateriaal voor verlening gecontroleerd wordt (gevalideerd) zal normaal gesproken binnen 2 werkdagen worden verstrekt. Een definitief besluit over een bijzondere aanvraag zal onder normale omstandigheden binnen vier weken worden genomen. Burgemeester en wethouders streven er naar om alleen in uitzonderlijke (niet voorziene) gevallen termijnen als bedoeld in dit artikel toe te passen. Artikel 5. Voorwaarden aan de parkeervergunning Lid twee van het artikel bevat de minimaal op te nemen gegevens voor een parkeervergunning. Aangezien geen sprake meer is van een fysieke parkeervergunning maar van registratie op kenteken wordt hiervoor geen in het voertuig te leggen bewijs meer afgegeven. Artikel 6. Intrekken, wijzigen en weigeren parkeervergunning In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het burgemeester en wethouders een parkeervergunning 'kunnen’ intrekken, wijzigen of weigeren. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van burgemeester en wethouders staat of een parkeervergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken, gewijzigd of geweigerd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld.
Om andere redenen kan de parkeervergunning dan ook niet worden ingetrokken, gewijzigd of geweigerd. Burgemeester en wethouders geven aan onder welke voorwaarden een parkeervergunning dient te worden ingetrokken/ingeleverd. Doordat een parkeervergunning gekoppeld is aan een kenteken en digitaal geregistreerd staat (niet meer een document of pasje) kan bij intrekking ook geen misbruik meer gemaakt worden van een onterecht verkregen parkeervergunning. In de beleidsregels parkeervergunningen zal aandacht besteed worden aan de procedures bij intrekken, wijzigen en weigeren. Artikel 7. verbod ongeoorloofd gebruik parkeerplaatsen Deze bepaling is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied waarbinnen géén betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen alléén met een parkeervergunning mag worden geparkeerd. Zoals in de algemene toelichting is aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder parkeervergunning parkeren in een
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 belanghebbendengebied ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt. Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer iemand parkeert zonder geldige parkeervergunning én zonder te betalen in de parkeerapparatuur. Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) parkeervergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het fiscale regime gehanteerd worden. Dit artikel is op dit moment alleen nog van toepassing op enkele autodeelplaatsen. Artikel 8. Verbod ongeoorloofd gebruik parkeerapparatuur Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden. Artikel 9.
Strafbepaling Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld. Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Artikel 10. Belastbaar feit In artikel 10 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bepaalde aangewezen plaats en om een belasting ter zake van het vergunningparkeren. Een ontheffing om bij een parkeerapparatuurplaats te mogen staan zonder dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, wordt als een parkeervergunning aangemerkt. Om duidelijkheid te scheppen over onder welke voorwaarde een belastbaar feit al dan niet uit coulance afgehandeld wordt zijn de “Beleidsregels coulance- en bezwaarafhandeling naheffingsaanslagen parkeren Rijswijk” opgesteld. Jurisprudentie Over de vraag of al of niet terecht een naheffingsaanslag is opgelegd door de gemeente is de nodige jurisprudentie verschenen: - Hof Den Haag 20 januari 1993, nr.
920626-E-7, Belastingblad 1993, blz. 710. Het verweer dat de parkeermeter defect was gaat niet op, omdat op de parkeermeter staat aangegeven wat te doen bij defecten. Op de betreffende avond zijn bovendien geen klachten binnengekomen over een defect aan de parkeermeter. Zie voor een vergelijkbaar geval Hof Amsterdam 20 november 1992, nr. 92/0626 E VII, Belastingblad 1993, blz. 147; over een defecte parkeermeter oordeelde Hof ’s-Hertogenbosch dat niet als algemene regel kan worden aanvaard dat als een parkeerautomaat defect is en aanwijzingen waar de parkeerder dan de belasting kan betalen ontbreken, geen naheffingsaanslag mag worden opgelegd. De aan- of afwezigheid van dergelijke aanwijzingen kan wel een element zijn om te beoordelen of aan X de om hem rustende inspanningsverplichting heeft voldaan (Hof ’sHertogenbosch, 31 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3026, VNG-20435); - Hof Arnhem 13 juli 1993, nr. 930034, E- I, Belastingblad 1993, blz. 610. De parkeerkaart
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 zat niet achter de ruit maar was op de grond gevallen. Belanghebbende is met het kaartje naar de parkeerwachter gelopen. Deze heeft toegezegd dat de zaak bij indiening van een bezwaarschrift zou worden hersteld. Nu de parkeerwachter bevoegd is deze toezegging te doen, handelt de gemeente in strijd met het vertrouwensbeginsel door de toezegging niet na te komen; - Hof Arnhem 29 december 1992, nr. 912357, Belastingblad 1993, blz. 312. Het feit dat de auto was ingebouwd doet niet af aan de verplichting parkeerbelasting te voldoen. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. - Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 657, Belastingblad 1997, blz. 173. Voor de vraag of een naheffingsaanslag kan worden opgelegd, is niet van belang of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag is slechts plaats indien de verschuldigde belasting niet is betaald. Het geval betrof een niet achter de voorruit van het voertuig geplaatst, maar achteraf getoond parkeerkaartje waaruit van betaling van de parkeerbelasting bleek. Uit latere jurisprudentie blijkt dat het achteraf tonen van een (kopie van een) geldig parkeerkaartje niet in alle gevallen hoeft te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Dit is afhankelijk van de waardering van de bewijsmiddelen.
Vergelijk in dit verband Hof Arnhem 7 oktober 1997, nr. 95/1025, Belastingblad 1998, blz. 581, en Hof Arnhem 19 maart 1998, nr. 97/21317, Belastingblad 1998, blz. 583). - Hoge Raad 17 december 1997, nr. 32.834, Belastingblad 1998, blz. 239. Volgens de Hoge Raad is het stelsel van de parkeerbelasting zo dat geen 'a-belasting' is verschuldigd indien geparkeerd wordt met een vergunning waarvoor de 'b-belasting' is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Indien een van die voorschriften is dat de vergunning 'op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats' achter de voorruit van het voertuig moet worden geplaatst en aan dat voorschrift wordt niet voldaan, kan een naheffingsaanslag worden opgelegd. - Hoge Raad 3 december 2004, nr. 38407, ECLI:NL:HR:2004:AR6881. Voor het voldoen van de belasting ter zake van het parkeren op het b-plein heeft belanghebbende een parkeerkaart gekocht aan de a-straat. Omdat de a-straat blijkens het Aanwijzingsbesluit niet tot het parkeerterrein B behoort (tot welk parkeerterrein het b-plein behoort), heeft belanghebbende met het kopen van een kaart aan de a-straat niet de belasting voldaan voor het parkeren op het parkeerterrein B. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. - Rb. Zwolle 24 september 2007, nr. 07/151, ECLI:NL:RBZLY:2007:BB4142.
In de auto van belanghebbende lag een parkeervergunning waarvan het kenteken niet overeenkwam met het kenteken van zijn auto. Noch in de parkeerverordening, noch in de verordening parkeerbelasting of de krachtens die verordeningen genomen besluiten, is bepaald dat als geparkeerd wordt met een vergunning met een ander kenteken, er geen sprake is van parkeren met een vergunning. De naheffingsaanslagen moeten terug zijn te voeren op ondubbelzinnige regels, die op de juiste wijze en door de bevoegde organen tot stand zijn gebracht. Het ontbreken van duidelijke regelgeving brengt de rechtbank tot de conclusie dat met vergunning is geparkeerd en parkeerbelasting is betaald bij de afgifte van de vergunning. De naheffingsaanslagen zijn ten onrechte opgelegd. - Hof Den Haag 27 november 2009, nr. 08/00516, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3546. Parkeerbelasting moet worden voldaan bij de aanvang van het parkeren. Het wisselen van geld om de parkeerbelasting te voldoen is niet een handeling waarmee uitvoering wordt gegeven aan het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat, met dien verstande dat een parkeerder een zekere – korte – tijd moet worden gelaten om de afstand tussen de parkeerplaats en de parkeermeter of parkeerautomaat vice versa te overbruggen, maar dat de tijd die nodig is om geld te wisselen daarbij buiten beschouwing blijft.
- Hof Den Haag 6 juli 2010, nr. 09/00549, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN1209. Belanghebbende heeft bij het telefonisch aanmelden van het parkeren van de auto de onjuiste gebiedscode ingetoetst. Omdat belanghebbende er zelf voor heeft gekozen om de parkeerbelasting te voldoen met gebruikmaking van Park-line, blijft het foutief intoetsen van de gebiedscode voor zijn rekening en risico. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 - Hof Amsterdam 5 november 2015, nr. 15/00274, ECLI:NL:GHAMS:2015:4471) en Hof Amsterdam 25 februari 2016, nr. 15/00257, ECLI:NL:GHAMS:2016:1107. Parkeerbelasting die is betaald, kan niet worden nageheven, ook al is in strijd met de voorschriften het verkeerde kenteken ingevoerd. Belanghebbende heeft geen recht op proceskosten bezwaarfase als per abuis of bewust een verkeerd kenteken is ingevoerd. De Hoge Raad heeft met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie de eerstgenoemde uitspraak van Hof Amsterdam bevestigd (Hoge Raad 3 maart 2016, nr. 15/05729, ECLI:NL:HR:2016:1048). - Hoge Raad 22 december 2017, nr. 17/03020, ECLI:NL:HR:2017:3226. Kenteken verkeerd ingevoerd, naheffingsaanslag onterecht. Geen vergoeding kosten bezwaarfase omdat het herroepen van de naheffingsaanslag niet aan de heffingsambtenaar is te wijten. - Hof Den Haag 5 maart 2019, nr. 18/00584, ECLI:NL:GHDHA:2019:464. Een naheffingsaanslag die via het systeem van Deskforce wordt opgelegd nadat een medewerker van Deskforce namens de heffingsambtenaar de situatie heeft beoordeeld, waarbij wordt gekeken naar de foto’s van de scanauto of er iemand in de auto zit of bij de auto staat of aan het lopen is, voldoet aan de eisen van zorgvuldige voorbereiding van het besluit.
- Hof Den Haag 23 april 2019, 18/00735 tot en met 18/00737, ECLI:NL:GHDHA:2019:1775. Het gebruik van met een scanauto gemaakte foto’s bij het opleggen van naheffingsaanslagen is toelaatbaar. Inmiddels is ook uit jurisprudentie gebleken dat niet in alle gevallen waar belastingplichtige achteraf een (afschrift van het) parkeerkaartje kan tonen, de naheffingsaanslag parkeerbelastingen door de rechter vernietigd wordt. De rechter komt tot zijn beslissing op grond van een waardering van de bewijsmiddelen. Indien een gemeente in redelijkheid twijfelt aan de verklaring van belastingplichtige en dit ook aannemelijk kan maken, is er geen aanleiding af te zien van een beroepsprocedure. - Hof Den Haag 10-12-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3414. Als een parkeervergunning digitaal kan worden gewijzigd, is het de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan een systeem te ontwerpen dat goed toegankelijk is voor een modale burger. Niet succesvolle aanpassing van de parkeervergunning in het geautomatiseerd systeem van de gemeente is voor risico van de gemeente. Het onder de gegeven omstandigheden opleggen van vier naheffingsaanslagen in een tijdsbestek van vier dagen is volgens Hof Den Haag disproportioneel en in strijd met wat van een zorgvuldig handelende overheid kan worden verwacht. - Hof Den Haag 01-05-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:885.
Parkeren met twee wielen op de stoep is parkeren in de zin van de verordening parkeerbelastingen. De naheffingsaanslag parkeerbelastingen is terecht opgelegd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd (artikel 81 RO); Hoge Raad 11-12-2020, ECLI:NL:HR:2020:1987. - Hoge Raad 11-03-2022, ECLI:NL:HR:2022:156 (Den Haag). Gemeente kan een plaats waar niet mag worden geparkeerd niet aanwijzen als betaald-parkerenplaats. Wanneer een voertuig zo staat geparkeerd dat het zich gedeeltelijk bevindt op een plaats waar dat is verboden, maar voor het overige op een betaald-parkerenplaats, bevindt het voertuig zich voor dat overige op een plaats waar het laten staan niet is verboden. Wanneer die plaats op de voet van artikel 225 Gemeentewet is aangewezen als betaald-parkerenplaats, is voor dat gebruik van die plaats parkeerbelasting verschuldigd. - Hoge Raad 11-03-2022, ECLI:NL:HR:2022:346 (Hilversum). Geen naheffing parkeerbelasting mogelijk als voor de maximaal toegestane parkeerduur is betaald; ook parkeerbelasting verschuldigd bij foutparkeren (zie ook Hoge Raad 11-03-2022, ECLI:NL:HR:2022:156 (Den Haag). Artikel 11. Belastingplicht In artikel 11 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die zijn genoemd in artikel 10, onderdelen a en b.
Hoofdregel is dat de belasting die wordt genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, wordt echter geheven van degene die de
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 parkeervergunning heeft aangevraagd. In het tweede lid van artikel 11 wordt aangegeven wie als degenen die het motorvoertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene die de belasting daadwerkelijk voldoet, dan wel degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven de belasting te willen voldoen. Zolang die belasting echter niet is voldaan is de houder van het motorvoertuig tevens aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het kenteken staat ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het aanmerken van de houder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd is te vinden in het tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan blijken, en dat is een zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren de huurder van het motorvoertuig was dan wordt niet de houder maar de huurder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Zie in dit verband Hof Arnhem 12 januari 1993, nr. 92 1633, Belastingblad 1993, blz. 639. Zo is er ook nog een tweede uitzondering.
Indien namelijk blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die ander als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringsbewijs overlegt. Wanneer een naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de houder van het motorvoertuig, heeft ook de feitelijke parkeerder de mogelijkheid om bezwaar te maken. Dit heeft de Hoge Raad uitgemaakt in zijn arrest van 14 juli 2000, nr. 34 578, Belastingblad 2000, blz. 934, ECLI:NL:HR:2000:AA6508. Wanneer de naheffingsaanslag niet is opgelegd aan degene die het motorvoertuig feitelijk heeft geparkeerd, maar aan de houder van het voertuig, heeft de feitelijk parkeerder strikt genomen geen mogelijkheid om uit eigen hoofde bezwaar te maken tegen die naheffingsaanslag. De Hoge Raad constateert dat er sprake is van een leemte in de wet en oordeelt: 'Daarom moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd, en, ingevolge art. 225, vierde lid, naast degene die de belasting heeft voldaan, het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen.
Met betrekking tot de daarbij in acht te nemen termijn voor het maken van bezwaar geldt het volgende,.de termijn voor het indien van het bezwaarschrift als bedoeld in art. 22a (thans 22j) Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt aan op de dag na dagtekening van een "duplicaat" van het aanslagbiljet waarin naast het daarin reeds vermelde kenteken van het voertuig ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn vermeld, aan de hand waarvan kan worden geconstateerd of het "duplicaat" op de juiste wijze is verzonden. Een en ander geldt ook indien na toepassing van art. 234, zevende lid, en toezending van een "duplicaat" het bezwaarschrift wordt ingediend door degene die stelt dat hij niet de houder van het voertuig of degene die de belasting heeft voldaan is, maar degene die ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had. In die situatie dient in voorkomend geval met het oog op de toepassing van art. 6:11 Algemene wet bestuursrecht rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat het "duplicaat" van het aanslagbiljet aanvankelijk is verzonden aan de houder van het voertuig.' In zijn arrest van 29 maart 2019, nr. 18/00472, ECLI:NL:HR:2019:440 oordeelde de Hoge Raad dat iemand die bezwaar maakt tegen een aan een ander opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting moet uitleggen waarom hij bevoegd is bezwaar te maken.
Als de naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder en een ander daartegen bezwaar maakt met de stelling dat hij feitelijk parkeerder van de auto was, zal de heffingsambtenaar in het algemeen moeten uitgaan van de juistheid van deze stelling. In dit geval had de belanghebbende echter niet gesteld dat zij feitelijk parkeerder was en bood het dossier hiervoor ook geen aanknopingspunt. Onder die omstandigheden mocht de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024
In het derde lid van artikel 11 staat van wie de belasting niet wordt geheven. Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden aangemerkt indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Het is de bedoeling dat de houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden of als het voertuig op het moment van constateren als gestolen geregistreerd staat. Het vijfde lid bevat de vrijstelling van het betalen van belasting op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Op gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken en overige parkeerplaatsen dient belasting te worden voldaan danwel een parkeervergunning te zijn verleend. Voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart wordt de mogelijkheid geboden een parkeervergunning aan te vragen die binnen alle parkeerzones in Rijswijk gebruikt kan worden. Diplomatieke vrijstelling Op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 geldt een vrijstelling van parkeerbelasting voor diplomatieke ambtenaren.
Omdat parkeerbelasting niet alleen wordt geheven als retributieve vergoeding voor individuele prestaties van de gemeente aan parkeerders, maar ook als instrument in het kader van de parkeerregulering, is de uitzondering van artikel 34, letter e, Verdrag van Wenen niet van toepassing (Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1729 (Den Haag)). Artikel 12. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak In artikel 12 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing verwezen naar een bij deze verordening behorende tarieventabel. Ten aanzien van de mogelijke heffingsmaatstaven voor de parkeerbelastingen is in artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet een limitatieve opsomming weergegeven. Het tarief van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Artikel 13. Wijze van heffing In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven door voldoening op aangifte. Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze.
Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Ook het inloggen bij de centrale computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten (zie artikel 1, onderdelen f en o) wordt als het in werking stellen van parkeerapparatuur aangemerkt. In feite wordt de voldoening op aangifte gestart op het moment dat wordt ingelogd en voltooid op het moment dat wordt uitgelogd. Het toegepaste systeem van kentekenparkeren, waarbij een parkeerder het kenteken van zijn auto moet invoeren om het betaald parkeren te kunnen starten en waarbij vervolgens met een ‘scanauto’ wordt gecontroleerd of voor de geparkeerde auto’s parkeerbelasting is voldaan, is toegestaan. Het uitsluiten van betaling met contant geld, is niet in strijd met artikel 8 EVRM of het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Hof Amsterdam 05-022019, ECLI:NL:GHAMS:2019:529). Geen rechtsregel verplicht de (gemeentelijke) overheid betaling van parkeerbelasting met contant geld mogelijk te maken. De Hoge Raad heeft de tegen dit oordeel ingediende klacht verworpen (artikel 81 RO; Hoge Raad 10-04-2020,
Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2024 ECLI:NL:HR:2020:639). In zijn arrest oordeelt de Hoge Raad verder dat kentekenparkeren een inmenging in het privéleven is als bedoeld in artikel 8 EVRM. De Hoge Raad is echter van mening dat dit een gerechtvaardigde inmenging is. Inmenging is namelijk toegestaan indien die bij wet is voorzien (artikel 8 lid 2 EVRM). Dit is het geval nu de eis van het opgeven van het kenteken een wettelijke basis heeft in de Parkeerverordening in combinatie met de artikelen 225 en 234 van de Gemeentewet. Op grond van artikel 20 AWR kan te weinig geheven belasting worden nageheven als de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet betaald is. Op grond van artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak in samenhang met artikel 8:5, eerste lid, en artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht is geen bezwaar mogelijk tegen voldoening van parkeerbelasting op aangifte. Zie ook Hoge Raad 27 juni 2008, nr. 07/10058, ECLI:NL:HR:2008:BD5466. Alleen als de wettekst niet duidelijk is kunnen doel en strekking, zoals deze uit de wetsgeschiedenis blijkt, bij de beoordeling worden betrokken. Bezwaren tegen voldane parkeerbelasting zijn niet-ontvankelijk. Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning.
Deze belasting wordt ook geheven door voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur). In verband met de uitspraak van de Hoge Raad van 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:639 (Amsterdam) regelt het zesde lid dat bij voldoening op aangifte het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de parkeervergunning geldt moet worden opgegeven. In zijn uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat het gebruik van een kentekenparkeersysteem bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelastingen een inmenging oplevert in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Een inmenging in de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven is echter gerechtvaardigd indien deze is voorzien bij wet (‘in accordance with the law’). Met het opnemen van de verplichting tot het opgeven van het kenteken in een verordening, in combinatie met het bepaalde in de artikelen 225 en 234 van de Gemeentewet, is voldaan aan de eis ‘bij wet voorzien’ als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM. Artikel 14. Ontstaan van de belastingschuld In artikel 14 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat.