RIB 26 034 Bijlage A Gedragscode Stadswerk Gemeenten 2025
Tekst van het document
4.3.3 Overige zoogdieren De overige zoogdieren die in of direct bij gebouwen en werken voorkomen zijn steenmarters, boommarters en egels. Zij kunnen gebruik maken van zolders, kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen of schuurtjes om te rusten of hun jongen groot te brengen. In veel mindere mate kan het voorkomen dat egels in of onder stallen of schuurtjes overwinteren. Voor steenmarter zijn beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) mogelijk.
Alle soorten A
Bij gebouwen met rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter, boommarter of egel worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden delen van een gebouw met rust- of voortplantingsplaatsen van deze soorten gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden (zie bijlage 5).
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De voortplantingsperiode van boommarter en/of steenmarter is van maart tot en met augustus en de winterrustperiode van egel is van oktober tot en met maart. Pas nadat is vastgesteld dat rust- en voortplantingsplaatsen verlaten zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Bij uitvoering van werkzaamheden moet de constructie van de rust- en voortplantingsplaatsen intact en toegankelijk worden gehouden.
56
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Steenmarter D
Buiten de kwetsbare periode (de voortplantingsperiode is van maart tot en met augustus) kunnen toegangen tot een rust- en voortplantingsplaats worden afgesloten en/of de rust- en voortplantingsplaats ongeschikt worden gemaakt. De werkwijze is als volgt: -
-
Voorafgaand aan het afsluiten van de toegangen of ongeschikt maken, dient de afwezigheid van individuen door een ecologisch deskundige te worden bevestigd. Bij aantasting van een rust- en voortplantingsplaats dient altijd beoordeeld te worden of in de omgeving voldoende alternatieven beschikbaar zijn (uitvoeren omgevingscheck), inclusief mogelijkheden om op verschillende plekken te kunnen verblijven. Als de omgeving niet in voldoende alternatieven voorziet, of als er sprake is van een kraamverblijf dienen 2 alternatieve verblijven te worden aangeboden in het functionele leefgebied, dit bijvoorbeeld in de vorm van een grote takkenhoop van snoeihout op een rustige plek, eventueel in combinatie met een steenmarterkast.
4.3.4 Amfibieën en reptielen Amfibieën en reptielen (ringslang) kunnen overwinteren in vorstvrije en veelal vochtige gebouwen en kunstwerken, zoals kelders en putten. Voor rugstreeppad zijn beperkte negatieve effecten mogelijk.
Alle soorten A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd op overwinterings- of voortplantingsplaatsen van amfibieën of reptielen. Deze delen worden gemarkeerd door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige.
B
Bij (delen van) gebouwen waar overwintering plaatsvindt, worden geen werkzaamheden uitgevoerd in de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart. Werkzaamheden mogen niet leiden tot veranderingen in het interne klimaat en toegangen tot de ruimte waar soorten gebruik van maken mogen niet worden dicht gezet.
Rugstreeppad A
Bij overwinteringslocaties van rugstreeppad worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
B
Op locaties waar rugstreeppadden overwinteren, werkzaamheden buiten de kwetsbare periode uitvoeren en de overwinteringsmogelijkheden
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
57
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
behouden. De kwetsbare periode (winterrust) is van half oktober tot en met maart. D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om enkele overwinteringslocaties of dagrustplaatsen aan te tasten buiten de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van half oktober tot en met maart. -
-
-
Indien dieren aanwezig zijn op de werklocatie in de actieve periode geldt dat werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september. Indien werkzaamheden plaats vinden in de gebruiksperiode en dieren aanwezig kunnen zijn: dieren tijdelijk weren met een amfibieënscherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Binnen het bestaande leefgebied en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden dienen nieuwe mogelijkheden voor overwintering en rustplaatsen gecreëerd te worden met dezelfde omvang en kwaliteit als hetgeen wat verloren gaat, zoals een goed vergraafbare bodem van zand of hopen met stenen. Deze dienen aanwezig te zijn voordat de werkzaamheden aanvangen.
4.3.5 Planten Voor deze categorie zijn vooral muurflora zoals beschermde varens (schubvaren, groensteelvaren en blaasvaren) en muurbloem relevant. Voor alle soorten moeten negatieve effecten worden voorkomen.
Alle soorten A
58
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde (muur)planten markeren en abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water, de samenstelling van de voegen of bodem handhaven.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.4
Houtige begroeiingen
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het gedeeltelijk vellen of rooien van houtige begroeiingen die niet in bosverband staan. Hieronder vallen: solitaire bomen, (landschappelijke) bomenrijen, lanen, houtwallen, singels, heggen, kleine bosjes, struwelen, grienden, hakhout, bosplantsoen, hagen, blokhagen en sierheesters. Bij deze categorie hoort tevens het aanleggen, herstellen of verwijderen van ondergrondse (nuts)voorzieningen in houtige begroeiingen.
4.4.1 Algemeen zorgvuldig handelen -
-
De werkrichting is richting een rustige/natuurlijke locatie zodat dieren daar naar toe kunnen vluchten. Zorg dat voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn in de richting en op de locatie waar dieren langs/naar toe moeten vluchten. Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen.
4.4.2 Vogels Bomen en struiken vormen een sleutelfunctie voor een groot aantal vogelsoorten: zangvogels, roofvogels, uilen, spechten, duiven, kraaien en eksters. Nestgelegenheid is aanwezig hoog in de kroon (roofvogels), in (te creëren) holtes (uilen, spechten, zangvogels) of op tal van grotere en kleinere takken. Voedsel is aanwezig in de vorm van vliegende insecten, kevers en larven, vruchten, zaden en noten. Ook bieden bomen en struiken beschutting, schuil- en slaapplaatsen. Een strikte bescherming geldt voor soorten die elk jaar terugkeren naar hetzelfde nest, en/of die elk jaar broeden in hetzelfde gebied en daarbij specifieke habitateisen hebben waarbij uitwijken naar de omgeving moeilijk is bij aantasting van de broedhabitat. Dit zijn type 1 en 2 rust- en verblijfplaatsen in bijlage 2. Voor buizerd, havik, steenuil en ooievaar zijn beperkte negatieve effecten (Dmaatregelen) toegestaan.
Alle soorten A
Bomen en struiken met nestlocaties en/of vaste rustplaatsen van vogels, en de directe leefomgeving die rust en beschutting biedt, worden gemarkeerd,
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
59
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
ontzien en behouden tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen dient voorkomen te worden, zie bijlage 5. B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode(n), zie landelijke natuurkalenders (RVO). Houtige begroeiingen met tijdelijke nesten van soorten die niet op de Rode lijst staan (zie bijlage 2) mogen buiten de broedperiode worden verwijderd wanneer er alternatieve (broed)mogelijkheden in de directe omgeving beschikbaar zijn (omgevingscheck).
Soorten die broeden in nestkolonies, ooievaar, roofvogels en uilen, exclusief bodembroedende soorten zoals kiekendieven en velduil Voor locaties die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat de functionaliteit niet mag worden aangetast. Het gaat om nestkolonies van o.a. reigerachtigen en roek en nesten en rustlocaties van roofvogels en uilen die gebruik maken van houtige begroeiingen. A
Nestbomen en de directe omgeving markeren zodat deze locatie zijn functie als broed- en rustlocatie behoud. Voor ransuilen geldt het behoud van roestplaatsen. Verstoring van rust- en voortplantingsplaatsen dient voorkomen te worden gedurende de soortspecifieke gebruiksperiode, zie bijlage 5.
Huismus en ringmus A
Hagen, muurbegroeiingen (bv. klimop) en struiken die worden gebruikt als vaste rust- en schuillocatie en daarmee een essentieel onderdeel vormen van het leefgebied, markeren en behouden. Verstoring van rust- en voortplantingsplaatsen dient voorkomen te worden, zie bijlage 5.
Steenuil A
Bomen die worden gebruikt als vaste rust- en voortplantingsplaats of uitkijkpost, markeren en behouden. Verstoring van broedgevallen dient voorkomen te worden zie bijlage 5.
D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk 1 rust- en/of voortplantingsplaats per gemeente per jaar op te heffen mits de rust- en voortplantingslocaties weer volledig worden hersteld en aantasting van essentieel leefgebied wordt voorkomen. De werkwijze is als volgt: -
60
Werkzaamheden worden uitgevoerd of aangevangen buiten de broedperiode welke globaal loopt van februari tot en met juli. Daarnaast vindt er herplant plaats met een boomsoort die in de toekomst de functie van rust- en voortplantingslocatie kan invullen.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
-
-
Tijdelijke effecten worden opgevangen door de plaatsing van 2 steenuilenkasten in bomen, zo mogelijk binnen het bestaande territorium als de oorspronkelijke rust- en voortplantingsplaats. Zie voor het geschikte ontwerp en locaties het kennisdocument Steenuil. De alternatieven dienen 3 maanden voor uitvoering van de werkzaamheden aanwezig te zijn i.v.m. gewenning. De dieren krijgen de gelegenheid de werklocatie uit eigen beweging te verlaten. Zie voor meer informatie het meest recente kennisdocument steenuil van BIJ12.
Buizerd en havik A
Bomen met nesten van buizerd of havik, markeren en behouden. Verstoring van broedgevallen dient voorkomen te worden, zie bijlage 5.
D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk 1 nestlocatie per gemeente per jaar op te heffen, mits binnen het territorium voldoende alternatief broedhabitat beschikbaar is en aantasting van essentieel leefgebied wordt voorkomen: -
-
-
Werkzaamheden worden uitgevoerd of aangevangen buiten de soortspecifieke broedperiode welke globaal loopt van februari tot en met augustus. Binnen het territorium zijn voldoende alternatieve nestlocaties beschikbaar in de vorm van bestaande horsten, verlaten nesten van andere roofvogelsoorten, kraaiennesten (buizerd) of broedhabitat in de vorm van hoge bomen met stevige takconstructies. Alternatieve nesten of broedhabitats bevinden zich op verstoringsvrije plaatsen, zie bijlage 5. Zie voor meer informatie het meest recente kennisdocument buizerd van BIJ12.
Ooievaar A
Bestaande nesten jaarrond behouden. Indien buiten de broedperiode gebruik wordt gemaakt van het nest als rustlocatie, dient geluids- en visuele verstoring door uitvoering van werkzaamheden te worden voorkomen, zie bijlage 5. De broedperiode is van half maart tot en met eind augustus.
D
Nesten in aanbouw (er is nog geen sprake van broeden) op risicolocaties mogen worden verwijderd. Het betreft locaties waar een acute noodzaak geldt in het kader van de openbare veiligheid (b.v. gevaar voor spoorwegverkeer, snelwegverkeer en brandgevaar) Als het nest wel (bijna) voltooid is, maar er nog geen sprake is van broeden en er is sprake van bovengenoemde acute noodzaak, geldt dat het nest kan
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
61
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
worden verplaatst. De nieuwe locatie voor het nest of het kunstnest is binnen een straal van 200m.
Zeldzame soorten14 of soorten die jaarlijks naar hetzelfde gebied terugkeren en/of specifieke eisen stellen aan hun broedlocaties A
Groenelementen die een essentiële functie (tijdelijke broed- en rust-gelegenheid, voedsel en dekking) vervullen en waarvoor geen alternatief in de omgeving beschikbaar is, worden behouden. Dit betreft bijvoorbeeld dikke loofbomen in gebruik als nestgelegenheid door zwarte specht. De elementen die behouden moeten blijven dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige.
4.4.3 Vleermuizen Voor alle Nederlandse vleermuissoorten zijn bomen van belang in hun leefgebied. Sommige soorten gebruiken bomen als rustplaats (holtes en loshangend schors) of om hun jongen groot te brengen (holtes). Met name eik en beuk worden hiervoor gebruikt. Ook voor voedsel zijn vleermuizen afhankelijk van bomen omdat in de buurt van bomen veel vliegende insecten aanwezig zijn. Bomen zorgen ook voor beschutting tegen de wind waardoor kleinere soorten via de luwte van de bomen de voedselgebieden kunnen bereiken (vliegroutes). Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor paarverblijfplaatsen en kleine zomer- en winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Voorkomen geldt voor andere functies en alle andere soorten.
Alle soorten A
Bomen met geschikte holtes of spleten voor vleermuizen en bomen in de directe omgeving hiervan, worden gemarkeerd en behouden. Dit geldt ook voor houtige begroeiingen die als essentieel foerageergebied en/of essentiele vliegroute wordt gebruikt.
B
Kapwerkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten de gebruiksperioden. De beste werkperiode is globaal van half augustus tot en met oktober. De exacte periode te bepalen door een ecologisch deskundige. Hierbij blijven bomen met paar-, kraam-, zomer- en/of winterverblijfplaatsen en bomen in de directe omgeving van deze verblijfplaatsen behouden.
14
Rode lijstsoorten met een status bedreigd of erger.
62
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Indien houtige begroeiingen bij een plas of watergang met essentiële foerageerfunctie of essentiële vliegroute voor vleermuizen, van belang is voor beschutting tegen wind of instraling tegen licht op het water, dan dient na verwijdering direct herplant plaats te vinden van houtige begroeiingen van minimaal 2m hoogte. De beschutting tegen de wind kan tijdelijk worden gerealiseerd door het plaatsen van schermen van 2m hoog, zie kennis-document gewone dwergvleermuis. Werkzaamheden nabij kraam-, winter-, zomer- of paarverblijfplaatsen, essentiële vlieg- of migratieroutes en foerageergebied worden tijdens de actieve periode uitgevoerd bij daglicht. De actieve periode is globaal van maart tot en met oktober. Kappen van een lijnvormige begroeiing die een essentiële vliegroute vormt voor vleermuizen dient gefaseerd te worden uitgevoerd, waarbij geen gaten groter dan 7 meter kunnen ontstaan. Kap kan pas plaatsvinden wanneer de nieuwe aanplant een minimale kroonbreedte heeft van 2,5 meter en de bomen minimaal 5 meter hoog zijn. Als tijdelijk alternatief voor het functioneren van de vliegroute kunnen schermen worden geplaatst. Zoals beschreven in het kennisdocument Gewone dwergvleermuis.
Gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om bomen met als functie paar-, klein zomer- of winterverblijf van ruige dwergvleermuis of gewone dwergvleermuis te verwijderen op de projectlocatie. Verdere aantasting van essentieel leefgebied wordt voorkomen en voor de verblijfplaatsen zijn alternatieven beschikbaar. De beste werkperiode is globaal van half augustus tot en met oktober. De werkwijze is als volgt: -
-
In de directe omgeving van de werklocatie (bij voorkeur binnen 100m) dienen voldoende locaties voor paar-, kleine zomer- en winterverblijfplaatsen beschikbaar te zijn om naar uit te wijken of deze dienen te worden aangebracht: Voor elke verblijfplaats die wordt aangetast, worden minimaal 4 verblijfplaatsen aangeboden in de vorm van platte, meerlaagse of bolle (alleen voor ruige dwergvleermuis) vleermuiskasten. Dit dient te worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige en op de wijze zoals omschreven in het kennisdocument van de betreffende soort. Voor deze voorzieningen dient minimaal 3 maanden gewenningstijd in de actieve periode te worden geboden. Bij de tijdelijk niet beschikbare locaties worden tijdelijk werende voorzieningen aangebracht een week voorafgaand aan de werkzaamheden (bv. Vleermuis exclusion flaps).
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
63
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.4.4 Overige zoogdieren Een groot aantal soorten zoogdieren maakt gebruik van houtige begroeiing als onderdeel van hun leefgebied (o.a. hertachtigen en zwijnen). Aanvullend gaat het om rust- en voortplantingsplaatsen in de vorm van holen in de grond (muizen, das), holtes in bomen (marterachtigen), nesten in bomen (eekhoorns) of hopen van takken en stammen en/of kruidig materiaal (bever). Houtige begroeiing biedt ook beschutting en genereert voedsel. Beperkt negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor bunzing, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis, konijn, haas, tweekleurige bosspitsmuis, wezel en steenmarter.
Bever, das en otter A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden ontzien. Naast burchten en holen waar dieren verblijven gaat het hier om essentiële routes die worden gebruikt en essentiële foerageergebieden. Deze essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Voor de rust- en voortplantingsplaatsen dient door een ecologisch deskundige een beschermingszone te worden bepaald op basis van de verstoringsvrije afstand, voorkomen van instortingsgevaar en functionaliteit, zie bijlage 5.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De kwetsbare periode van otter is april tot en met augustus, die van bever van mei tot en met augustus en van de das van december tot en met juni. De voortplantingsplaats blijft behouden door het aanbrengen van een beschermingszone op basis van de verstoringsvrije afstand en binnen deze zone specifiek zorgvuldig handelen (o.a. velrichting is van de burcht/hol afgewend). Rondom de voortplantingsplaats blijven bomen en struiken zoveel mogelijk staan. Wissels en ingangen van de voortplantingsplaatse blijven toegankelijk. Het verwijderen van enkele bomen in essentieel leefgebied van deze soorten is toegestaan, mits voldoende dekking en voedsel aanwezig blijft.
Boommarter, bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ondergrondse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, en wezel A
64
Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en worden ontzien. Dit betreft bomen met holtes en de directe omgeving van deze bomen, holen in de grond en houtige begroeiing die als schuilplaats, verbindingszone of foerageergebied dient. Deze essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Daarnaast dient een schadevrije afstand te worden gehanteerd, van de werkzaamheden tot de rust- en voortplantingsplaats van de marterachtige. De exacte afstand dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige, bijlage 5 geldt hiervoor als richtlijn. B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. De voortplantingsperiode is van maart tot en met augustus. Bomen met geschikte holen voor deze soorten worden gespaard, evenals bomen in de directe omgeving hiervan. Takkenrillen, heggen, houtwallen, mantelzoomvegetaties worden alleen weggehaald indien er voldoende essentieel leefgebied voor deze soorten aanwezig blijft. Voor egel is daarnaast van belang dat in de winterrustperiode van november tot en met maart, mogelijke overwinteringslocaties niet worden aangetast.
D
Indien er sprake is van een aantoonbare noodzaak (met geldig belang en alternatievenafweging), is het mogelijk om een rust- en voortplantingsplaats van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel, konijn, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis aan te tasten buiten de soortspecifieke voortplantingsperiode. Voor egel is daarnaast van belang dat in de winterrustperiode van november tot en met maart mogelijke overwinteringslocaties niet worden aangetast. Essentieel leefgebied dient behouden te blijven. Per situatie dient door een ecologisch deskundige te worden beoordeeld of er voldoende alternatieven in de omgeving beschikbaar zijn of dat het nodig is nieuwe schuil- en voortplantingsmogelijkheden te creëren door bijvoorbeeld de aanleg van takkenrillen. Eventueel aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen voor de werkzaamheden weg te kunnen vluchten.
Eekhoorn A
Essentiele onderdelen van het leefgebied worden gemarkeerd en worden ontzien. Dit betreft bomen met eekhoornnesten en belangrijke voedselbomen. De beschermingszone wordt bepaald op basis van functionaliteit en schadevrije afstand, zie hiervoor bijlage 5 als richtlijn.
B
Werkzaamheden in de buurt van eekhoornnesten worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van eekhoorn. De voortplantingsperiode is van januari tot en met augustus. Nesten blijven behouden. Binnen de schadevrije afstand wordt specifiek zorgvuldig gehandeld (bv. Inzet 1 persoon met geluidsarm gereedschap met een beperkte aanwezigheid).
D
Nestbomen mogen alleen worden verwijderd wanneer door een ecologisch deskundige is vastgesteld dat het nest niet in gebruik is en in de omgeving voldoende alternatieve nestbomen beschikbaar zijn. Aantasting van essentieel leefgebied dient te worden voorkomen.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
65
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Hertachtigen en zwijnen A
Geen werkzaamheden uitvoeren in essentiële delen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties). Deze delen markeren door gebruik te maken van een beschermingszone op basis van functionaliteit (bv. op basis van bestaande zonering van rustgebieden).
B
In en nabij paar- en kraamlocaties werken buiten de kwetsbare periode (paar- en kraamperiode) De paarperiode van edelhert is in september en oktober en van damhert in oktober en november. De kraamperiode, van edelhert en damhert in mei en juni en van wild zwijn in maart en april. In essentiële onderdelen van het leefgebied (zie maatregel A) werken met behoud van de functionaliteit van deze locaties. Er wordt uitsluitend bij daglicht gewerkt.
4.4.5 Amfibieën en reptielen Het leefgebied van amfibieën bevindt zich rondom geschikt voortplantingswater. Onder andere heggen, bosjes en houtwallen bieden schuilmogelijkheden, voedsel en overwinteringsmogelijkheden. Voor reptielen is houtige begroeiing met name van belang in combinatie met open zonnige terreinen. Houtige opslag en struiken bieden een veilig onderkomen tijdens het zonnen op open plekken en zijn tevens van belang voor de voedselvoorziening. Ook worden ruimtes tussen de wortels van bomen en struiken gebruikt als overwinteringslocatie. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor: Alpenwatersalamander, rugstreeppad en ringslang.
Alle soorten A
In houtige begroeiingen vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van amfibieën en reptielen. Een ecologisch deskundige bepaalt de beschermingszone van deze leefgebieden, richtlijn hiervoor is bijlage 5.
B
Werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september of het begin van de voortplanting. De voortplantingsperiode is in april en mei. Als het geen houtige begroeiing langs het voortplantingswater betreft en de soort op de betreffende werklocatie afwezig is, mag voor amfibieën ook gewerkt worden in de voortplantingsperiode van de betrokken soort. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Het gaat hierbij om het verwijderen van enkele bomen of struiken in leefgebied van amfibieën en reptielen mits voldoende dekking, schuilmogelijk-heden en overwinteringsmogelijkheden voor soorten behouden blijven.
66
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
C
Op essentiële winterrustlocaties in het leefgebied van beschermde amfibieën en reptielen moet in de winterrustperiode (oktober tot en met maart) de bodem intact gelaten te worden (geen beroering, bodemverdichting of stobben uitfrezen) en dienen houtrillen boomstronken en bladhopen te worden ontzien. Deze elementen dienen door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige te worden gemarkeerd.
Ringslang A
Broeihopen van ringslang dienen te worden gespaard. Deze dienen te worden gemarkeerd door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige. Ook de bomen in de directe omgeving van broeihopen dienen niet te worden gekapt, om beschutting, dekking en voedsel voor jonge ringslangen te behouden. Ook de verbinding met overig leefgebied dient in stand te worden gehouden.
D
Opheffen van een broeihoop is toegestaan buiten de periode dat deze voor voortplanting of overwintering gebruikt wordt. De beste maanden voor het opheffen zijn half april tot en met eind mei. Voorafgaand aan de aantasting, dienen per broeihoop minimaal 2 nieuwe broeihopen te worden gerealiseerd binnen 200m in geschikt leefgebied. Dit onder verantwoordelijkheid van een ecologisch deskundige.
Boomkikker A
In essentieel leefgebied van boomkikker worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
Alpenwatersalamander D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om een essentiële winterrustplaats (winterbiotoop binnen 400m vanaf een voortplantingswater) gedeeltelijk aan te tasten, mits er voldoende alternatieven zijn in de omgeving en/of de winterrustplaats weer volledig wordt hersteld. Dit te bepalen door een ecologisch deskundige. De werkwijze is als volgt: -
Werkzaamheden starten buiten de winterrustperiode. Werken in de periode half mei tot en met september. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden aanwezige dieren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige gevangen en verplaatst naar geschikt leefgebied in de directe omgeving maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Voorkomen wordt dat dieren de werklocatie betreden, eventueel in combinatie met het plaatsen en ingraven van een scherm.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
67
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
-
Na uitvoering van de werkzaamheden is de werklocatie weer beschikbaar als winterrustplaats of overwinteringslocatie. De functionaliteit kan worden verbeterd door het aanbrengen van takkenrillen en of dood hout.
NB Aantasting van een voortplantingswater met bijbehorend landhabitat is omschreven onder ‘water en oevers’.
Rugstreeppad D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om enkele overwinteringslocaties of dagrustplaatsen aan te tasten buiten de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van half oktober tot en met maart. Indien dieren ook aanwezig zijn op de werklocatie in de actieve periode geldt dat werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september. -
-
Indien werkzaamheden plaats vinden in de gebruiksperiode en dieren aanwezig kunnen zijn: dieren tijdelijk weren met een amfibieënscherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Binnen het bestaande leefgebied en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden dienen nieuwe mogelijkheden voor overwintering en rustplaatsen gecreëerd te worden met dezelfde omvang en kwaliteit als hetgeen wat verloren gaat, zoals een goed vergraafbare bodem van zand of hopen met stenen. Deze dienen aanwezig te zijn voordat de werkzaamheden aanvangen.
4.4.6 Vlinders Voor veel vlindersoorten zijn bosschages en bosranden deel van het leefgebied, veelal vanwege windluwte en temperatuurbuffering, maar soms ook vanwege waardplanten (bv. eik, iep, sleedoorn) en nectarplanten. Voor sleedoornpage, eikenpage, iepenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, zijn bomen en struiken essentieel voor het voortbestaan. Eitjes worden afgezet op takken of bladeren en de rupsen voeden zich met de bladeren van de waardplant. De bijbehorende strooisellaag kan door poppen worden benut. Teunisbloempijlstaart komt voor op kruidige vegetatie in open plekken bos en wordt bij kruidige vegetatie behandeld. Negatieve effecten op vlinders dienen te worden voorkomen. Voor sleedoornpage zijn beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) toegestaan.
68
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Alle soorten A
Bij waardplanten (bomen, struiken) met poppen, rupsen of eitjes en essentiële voedselplanten van beschermde vlinders geen werkzaamheden uitvoeren. De beschermingszone dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Ook omliggende houtige vegetatie die voor windluwte en temperatuurbuffering zorgt, dient te worden gespaard.
Sleedoornpage D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) kunnen voortplantingsplaatsen (ei-afzetlocaties) worden opgeheven: 1 of enkele struiken worden verplaatst of verwijderd mits in de directe omgeving (binnen 100m) voldoende geschikt sleedoornstruweel voor sleedoornpage aanwezig is (omgevingscheck). Takken met eitjes worden verplaatst naar sleedoornstruiken in de directe omgeving. Indien er geen alternatief sleedoornstruweel aanwezig is in de omgeving, dient nieuw sleedoorn struweel te worden geplant. De omvang is minimaal gelijk aan het te verwijderen areaal. Het plantwerk dient voor het opheffen plaats te vinden en voor de ei-afzetperiode. De ei-afzetperiode is van juli tot begin september.
4.4.7 Libellen Bomen en struiken bieden beschutting en jachtgebied (kleinere insecten). Dit kan gaan om bomen en struiken vlak bij de oever, maar ook op grotere afstand daarvan. Bomen en struiken kunnen ook een slaapfunctie voor soorten als speerwaterjuffer en bosbeekjuffer bieden. Daarnaast kunnen wortels in de oeverzone van belang zijn als voortplantingsplek met ei-afzet, of als opgroeigebied van de larven. Onder de gedragscode zijn alleen maatregelen voor het voorkomen van effecten mogelijk.
Alle soorten A
In leefgebied van libellensoorten worden geen essentiële locaties gekapt zoals begroeiing langs voortplantingswater, belangrijke foerageerlocaties of slaapplaatsen.
B
Kap van enkele bomen of struiken is toegestaan, mits voldoende schuil- en voedselmogelijkheid aanwezig blijven en de karakteristieken van de rand en de structuur van de houtige begroeiing en daarmee de functionaliteit van het voortplantingswater behouden blijft of wordt verbeterd. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden in de periode oktober tot en met april, dit is buiten het vliegseizoen van libellen.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
69
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.4.8 Kevers Het gaat hierbij om het vliegend hert en de vermiljoenkever. Vliegend hert komt veelal voor op eiken met witrot aan de randen of open plekken in het bos en in houtwallen. De vermiljoenkever komt voor onder de schors van veelal afstervende populieren. Beide soorten zijn jaarrond aanwezig doordat de larven meerdere jaren in het hout verblijven. A
Behoud van (dode) bomen, takkenrillen en dood hout waar de vermiljoenkever en het vliegend hert gebruik van maken. Een ecologisch deskundige bepaalt de beschermingszone, als richtlijn hiervoor geldt bijlage 5.
C
Staand dood hout dat om veiligheidsredenen wordt verwijderd, blijft ter plekke liggen of wordt getransporteerd naar een nabije locatie. De stam blijft functioneel voor de kevers.
4.4.9 Planten Beschermde planten die voorkomen in houtopstanden zijn uiterst zeldzaam en komen alleen op enkele plekken in Nederland voor. Voorbeelden van dergelijke soorten zijn bosdravik, bosboterbloem, wolfskers, dennenorchis, geelgroene wespenorchis, peperboompje, steenbraam, stofzaad. Onder de gedragscode zijn alleen maatregelen voor het voorkomen van effecten mogelijk.
Alle soorten A
70
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en behoud van abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water, de samenstelling van de bodem.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.5
Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het veranderen of verwijderen van kruidige begroeiingen en ruigtes op droge (grasbermen, grasland, ruigte, heide en vaste planten) en natte locaties (plas-dras zones) en het omvormen van onbegroeid terrein (incl stranden), inclusief het verwijderen of omvormen van gronddepots en grondlichamen. Tevens behoort bij deze categorie het bouwrijp maken van terreinen en het aanleggen of verwijderen van ondergrondse (nuts)voorzieningen in kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein.
4.5.1 Algemeen zorgvuldig handelen -
-
-
Voorkomen van vestiging van soorten door bijvoorbeeld zeer regelmatig kort te maaien, het ophangen van linten, zakken, inzetten van ultrasoon geluid. Werk rustig in één richting zodat dieren de werklocatie kunnen verlaten naar een locatie waar voldoende dekking aanwezig is en alternatief leefgebied beschikbaar is. Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen. Als werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd, wordt enkel de werkplek verlicht en uitstraling naar de omgeving voorkomen.
4.5.2 Vogels Bij kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein gaat het om nestgelegenheid van grondbroeders en vogels die laag in de vegetatie broeden: rietzangers, veldleeuwerik en duinpieper, weidevogels, watervogels, steltlopers, hoenderachtigen, meeuwen of sterns en velduil. Daarnaast fungeren kruidige begroeiingen als foerageergebied voor een groot aantal soorten door de aanwezigheid van o.a. muizen, zaden en insecten.
Alle soorten A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd bij nesten, rustplaatsen en essentieel foerageergebied van vogels. Bij werkzaamheden in de omgeving hiervan dient verstoring te worden voorkomen door het aanbrengen van een beschermingszone op basis van een verstoringsvrije afstand, zie bijlage 5.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
71
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Verstoring kan deels worden voorkomen door de nestlocatie af te schermen van licht, beweging en/of geluid. B
Werkzaamheden uitvoeren buiten de soortspecifieke broedperiode, zie landelijke natuurkalenders van RVO. Locaties met tijdelijke nesten van algemene soorten, mogen buiten de broedperiode worden omgevormd wanneer er alternatieve (broed) mogelijkheden in de directe omgeving beschikbaar zijn (uitvoeren omgevingscheck).
Zeldzame soorten15, vogels die jaarlijks naar hetzelfde gebied terugkeren en/of specifieke eisen stellen aan hun broedlocaties Nesten van deze soorten kunnen een jaarrond beschermde status krijgen wanneer uit de omgevingscheck blijkt dat alternatieve broedgelegenheid onvoldoende aanwezig is en/of er impact van de werkzaamheid kan zijn op de lokale populatie. A
Groenelementen die een essentiële functie (broed- en rustgelegenheid, voedsel en dekking) vervullen en waarvoor geen alternatief in de directe omgeving beschikbaar is, moeten behouden blijven. Dit betreft bv. een heideterrein of ruigte met (roodborst)tapuit. De elementen die behouden moeten blijven, dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Verstoring dient te worden voorkomen, zie bijlage 5.
Ooievaar A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd rond nestpalen en -locaties van ooievaar. Verstoring van nesten (broedgevallen) moet worden voorkomen door het instellen van een verstoringsvrije zone en daarbinnen niet werken. De verstoringsvrije afstand dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5.
4.5.3 Vleermuizen Voor vleermuizen kan kruidige begroeiingen een belangrijk foerageergebied zijn.
Alle soorten A
15
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Rode lijstsoorten met een status van bedreigd of erger
72
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
B
Er worden alleen (tijdelijk) werkzaamheden verricht buiten de gebruiksperiode (bv. werken in de winterperiode en overdag). Na de werkzaamheden is het gebied weer beschikbaar als foerageergebied.
4.5.4 Overige zoogdieren Kruidige (oever)begroeiingen vormt het leefgebied van kleine zoogdieren als (woel)muizen, (water)spitsmuizen, hazen en konijnen, marterachtigen als hermelijn, wezel, steen- en boommarter, otter, das maar ook van grote zoogdieren als bever, hertachtigen en zwijn. Verblijven betreffen onder meer muizenholen en burchten van dassen en bevers. Onder onbegroeid terrein valt onder meer het strand met ligplaatsen van zeehonden. Beperkt negatieve effecten (D-maatregel) zijn mogelijk voor bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ondergrondse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis en wezel.
Alle soorten A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden ontzien door het hanteren van een beschermingszone. Naast burchten en holen waar dieren verblijven, gaat het hier om routes die worden gebruikt en belangrijke foerageergebieden. De essentiële onderdelen, en beschermingszone op basis van functionaliteit en de verstoringsvrije afstand dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5.
Bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, ondergrondse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis en wezel D
Indien er sprake is van een aantoonbare noodzaak (met geldig belang en alternatievenafweging), is het mogelijk om een rust- en voortplantingsplaats van steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel, konijn, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis (tijdelijk) aan te tasten buiten de soortspecifieke voortplantingsperiode. Essentieel leefgebied dient behouden te blijven. De rustplaats dient te worden hersteld. De voortplantingsperiode is globaal van maart tot en met augustus. Per situatie dient door een ecologisch deskundige te worden beoordeeld of er voldoende alternatieven in de omgeving beschikbaar zijn of dat het nodig is nieuwe schuil- en voortplantingsmogelijkheden te creëren door bijvoorbeeld de aanleg van takkenrillen. Eventueel aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen voor de werkzaamheden weg te kunnen vluchten.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
73
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Hertachtigen en zwijnen A
Geen werkzaamheden uitvoeren in essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties) en voor hertachtigen ook de vaste rustlocaties (daginstanden). Deze onderdelen markeren door gebruik te maken van een beschermingszone op basis van functionaliteit (bv. op basis van bestaande zonering van rustgebieden).
B
In en nabij paar- en kraamlocaties werken buiten de kwetsbare periode (paar- en kraamperiode). De paarperiode van edelhert is in september en oktober en van damhert in oktober en november. De kraamperiode is van edelhert en damhert in mei en juni en van wild zwijn in maart en april. In essentiële onderdelen van het leefgebied (paar- en kraamlocaties) werken met behoud van functionaliteit van deze locaties. Er wordt uitsluitend bij daglicht gewerkt.
C
Voorafgaand aan de werkzaamheden aanwezige dieren op de werklocatie verontrusten zodat ze de werklocatie tijdelijk verlaten. Dit kan bijvoorbeeld door het ophangen van linten, zakken en inzetten van ultrasoon geluid. Eventueel in combinatie met het lokaliseren van dieren met een drone en verplaatsen naar buiten het te bewerken areaal.
Grijze- en gewone zeehond A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in de omgeving van ligplaatsen van zeehonden. Verontrusting door uitvoering van werkzaamheden in de omgeving dient te worden voorkomen. De afstand dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5.
4.5.5 Amfibieën Voor amfibieën is met name kruidige begroeiing rondom voortplantingswater van belang. Het biedt beschutting tijdens het zonnen of foerageren. Afhankelijk van de soort, het landschap en de beschikbare habitat kan kruidige begroeiing ook op grotere afstand van het voortplantings-water amfibieën een schuilplaats bieden. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor: rugstreeppad en Alpenwatersalamander.
Alle soorten A
74
Er vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van amfibieën. Een ecologisch deskundige dient dit areaal te bepalen en de leefgebieden worden door of op zijn aanwijzing gemarkeerd. Versnippering van het leefgebied en barrièrewerking dienen te worden voorkomen.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Rugstreeppad D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk een essentiële winterrustplaats16 (winterbiotoop binnen 400m vanaf een voortplantingswater) gedeeltelijk aan te tasten, mits er voldoende alternatieven zijn in de omgeving en/of de winterrustplaats weer volledig wordt hersteld. Dit te bepalen door een ecologisch deskundige. De werkwijze is als volgt: -
-
-
-
Werkzaamheden starten buiten de kwetsbare voortplantings- en winterrustperiode. Bij voorkeur werken in de periode half augustus tot en met september. Indien werkzaamheden plaats vinden in de gebruiksperiode en dieren aanwezig kunnen zijn: dieren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige tijdelijk weren met een amfibieënscherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Na uitvoering van de werkzaamheden is de werklocatie weer beschikbaar als winterrustplaats of overwinteringslocatie. De functionaliteit kan worden verbeterd door het aanbrengen van takkenrillen en of dood hout. De landhabitat rondom het voortplantingswater bestaat uit een onbeschaduwde laagbegroeide vegetatie, met een vergraafbare bodem en andere schuilmogelijkheden. Er dienen locaties boven het grondwaterniveau en vorstvrij aanwezig te zijn om de winter door te brengen.
Alpenwatersalamander D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om een essentiële winterrustplaats (winterbiotoop binnen 400m vanaf een voortplantingswater) gedeeltelijk aan te tasten, mits er voldoende alternatieven zijn in de omgeving en/of de winterrustplaats weer volledig wordt hersteld. Dit te bepalen door een ecologisch deskundige. Werkzaamheden starten buiten de winterrustperiode. Werken in de periode half mei tot en met september. -
-
16
Voorafgaand aan de werkzaamheden worden aanwezige dieren door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige gevangen en verplaatst naar geschikt leefgebied in de directe omgeving maar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Voorkomen wordt dat dieren de werklocatie betreden, eventueel in combinatie met het plaatsen en ingraven van een scherm. Na uitvoering van de werkzaamheden is de werklocatie weer beschikbaar als winterrustplaats of overwinteringslocatie. De functionaliteit
Voortplantingslocaties staan in onder ‘Water en oevers’ in § 4.7
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
75
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
kan worden verbeterd door het aanbrengen van hopen zand of stenen, takkenrillen en of dood hout. NB Aantasting van een voortplantingswater met bijbehorend landhabitat is omschreven onder ‘water en oevers’.
4.5.6 Reptielen Voor reptielen gaat het om kruidige begroeiingen in de vorm van heide, schraalgraslanden, pitrus- en pijpenstro-vegetatie in combinatie met open, zonnige terreinen. De kruidige vegetatie is van belang voor de voedselvoorziening, het zonnen op open plekken en is ook onderdeel van de voortplantings- en overwinteringsplaatsen. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor ringslang.
Alle soorten A
In kruidige begroeiingen vinden geen werkzaamheden plaats in essentieel leefgebied van reptielen. Een ecologisch deskundige dient het leefgebied te bepalen.
Ringslang A
Broeihopen van ringslang dienen te worden gespaard. Deze dienen te worden gemarkeerd door, of op aanwijzing van een ecologisch deskundige. Ook de directe omgeving van broeihopen dient niet te worden bewerkt, om beschutting, dekking en voedsel voor jonge ringslangen te behouden. Ook de verbinding met overige essentiële onderdelen in het leefgebied dient in stand te worden gehouden.
D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om een broeihoop aan te tasten, mits dit wordt hersteld en aantasting van essentieel leefgebied wordt voorkomen. De werkwijze is als volgt: -
-
76
Aantasting van een broeihoop is enkel toegestaan buiten de periode dat deze voor voortplanting of overwintering gebruikt wordt. De beste maanden hiervoor zijn half april tot en met eind mei. Voorafgaand aan de aantasting, dienen per broeihoop minimaal 2 nieuwe broeihopen te worden gerealiseerd binnen 200m van de aan te tasten broeihoop in geschikt leefgebied. Dit onder verantwoordelijkheid van een ecologisch deskundige.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.5.7 Vlinders Het gaat hierbij om kommavlinder, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart waarbij waardplanten en voedselplanten aanwezig zijn in kruidige begroeiingen. Voor de sleedoornpage, iepenpage, bruine eikenpage en kleine ijsvogelvlinder gaat het enkel om voedselplanten. De waardplanten vallen onder de categorie houtige begroeiing. Voor vlinders dienen negatieve effecten te worden voorkomen.
Alle soorten A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in essentieel leefgebied. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke begroeiing van essentieel belang is voor deze soorten en behouden moeten blijven (waardplanten en nectarplanten) en welk beheer moet worden toegepast om populaties te versterken (zie paragraaf 6.5.6).
4.5.8 Libellen Kruidige begroeiingen langs oevers biedt beschutting en insecten om op te jagen. Ook gebruiken sommige soorten planten langs de oever om als imago uit te kruipen. Voor libellen dienen negatieve effecten te worden voorkomen.
Alle soorten A
In leefgebied van libellensoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd bij kruidige begroeiingen langs voortplantingswater of andere kruidige begroeiing in het leefgebied die een essentiële rol vervullen als foerageer-locatie. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke elementen behouden moeten blijven.
B
In het leefgebied vegetatie niet verwijderen in de vliegtijd van libellen. De vliegtijd is globaal mei tot en met september. Verwijderen van kruidige begroeiingen mag niet leiden tot habitatverlies van soorten. Een beperkte aantasting is echter mogelijk mits voor imago’s in het volgende vliegseizoen voldoende schuil- en voedselmogelijkheid aanwezig blijven en de karakteristieken van het voortplantingswater behouden blijven. Een ecologisch deskundige dient te bepalen welke kruidige begroeiing verwijderd zou kunnen worden zonder negatieve effect op genoemde libellensoorten.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
77
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.5.9 Planten Veel van de beschermde plantensoorten komen voor in kruidige begroeiingen. Voorbeelden zijn beschermde orchideeën en beschermde oude akkeronkruiden. Voor alle soorten dienen negatieve effecten te worden voorkomen.
Alle soorten A
78
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en behoud van abiotische omstandigheden zoals temperatuur, de hoeveelheid licht, de aanwezigheid van water en de samenstelling van de bodem.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.6
(Half)verharding en terreinmeubilair
De werkzaamheden in deze categorie omvatten Het incidenteel of achterstallig onderhoud aan of het verwijderen van voetpaden, fietspaden en lokale wegen, en andere vormen van (half)verhardingen (ook depots). Hieronder valt ook het bijbehorende terreinmeubilair, inclusief aanleggen en verwijderen van lichtmasten, banken, borden en verkeersregelinstallaties. Tevens behoort bij deze categorie het aanleggen of verwijderen van ondergrondse (nuts- en fauna)voorzieningen onder een (half)verharding.
4.6.1 Vogels Bij niet in gebruik zijnde (half-)verhardingen kan sprake zijn van de aanwezigheid van broedende vogels zoals visdiefjes en scholeksters. Negatieve effecten op vogels dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
Bij terreinmeubilair met rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde vogelsoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd. Deze elementen markeren en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen voorkomen.
B
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode, zie landelijke natuurkalenders van RVO.
B
Het gebied voor aanvang van de werkzaamheden (tijdelijk) ongeschikt te maken in de periode dat de dieren niet aanwezig zijn, zodat ze zich niet vestigen. Dit is alleen mogelijk bij tijdelijke nesten en indien er voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn.
Zeldzame soorten17, vogels die jaarlijks naar hetzelfde gebied terugkeren en/of specifieke eisen stellen aan hun broedlocaties A
17
Locaties die een essentiële functie (broed- en rustgelegenheid, voedsel en dekking) vervullen en waarvoor geen alternatief in de omgeving beschikbaar is, moeten behouden blijven. Dit betreft bv. een (half)verharding gebruikt als broedlocatie door visdief, scholekster en/of, kleine plevier. De locaties Rode lijstsoorten bedreigd of erger
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
79
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
die behouden moeten blijven, dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige.
4.6.2 Amfibieën Amfibieën komen met name tijdens de voorjaars- en najaarsmigratie tussen het winter- en voortplantingshabitat in aanraking met verharding. Het gaat daarbij om het oversteken van wegen, maar ook afwateringssystemen zoals rioolputten en afwateringsgoten waar dieren in terecht komen. Maatregelen zijn met name gericht op het in stand houden van voorzieningen die verkeersslachtoffers voorkomen en voorzieningen die voorkomen dat dieren in afwateringssystemen verdwijnen en het voorkomen van barrièrewerking. Rugstreeppad gebruikt soms verharding ook als dagrustplaats of overwinteringslocatie. Ook kan bij plasvorming op verharde locaties voortplanting plaats vinden. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor de rugstreeppad.
Alle soorten B
Op locaties met migratie van amfibieën morgen in de migratieperiode werkzaamheden geen barrière vormen voor trekkende dieren. Op deze locaties alleen overdag werken en aanwezige amfibieëntunnels en verbindingen functioneel houden.
C
In leefgebied van beschermde amfibieën dient bij het plaatsen van nieuwe straatkolken maatregelen genomen te worden voor het voorkomen van faunaslachtoffers bijvoorbeeld door het plaatsen van uitklimvoorzieningen.
Rugstreeppad A
Bij overwinteringslocaties van rugstreeppad worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
B
Op locaties waar rugstreeppadden overwinteren, werkzaamheden buiten de kwetsbare periode uitvoeren en de overwinteringsmogelijkheden behouden. De winterrustperiode is van half oktober tot en met maart. Indien dieren aanwezig zijn op de werklocatie in de actieve periode geldt dat werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september.
D
80
Het is mogelijk om bij een erkend belang en na alternatievenafweging enkele overwinteringslocaties of dagrustplaatsen van rugstreeppad aan te tasten buiten de kwetsbare winterrustperiode. De winterrustperiode is van half oktober tot en met maart. Indien dieren aanwezig zijn op de werklocatie in de actieve periode geldt dat werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de periode half augustus tot en met september. De werkwijze is als volgt:
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
-
-
Indien werkzaamheden plaats vinden in de gebruiksperiode en dieren aanwezig kunnen zijn: dieren tijdelijk weren met een amfibieënscherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Binnen het bestaande leefgebied en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden dienen nieuwe mogelijkheden voor overwintering en dagrustplaatsen gecreëerd te worden met dezelfde omvang en kwaliteit als hetgeen wat verloren gaat, zoals een goed vergraafbare bodem van zand of hopen met stenen. Deze dienen aanwezig te zijn voordat de werkzaamheden aanvangen.
4.6.3 Reptielen Verharding zoals bijvoorbeeld wegen en fietspaden worden door reptielen regelmatig benut als zonlocatie. In gebieden waar reptielen een hoge dichtheid kennen, komen beschermde soorten soms ook op industrieterreinen voor bij betonplaten, stoeptegels en opgeslagen materiaal etc. Beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) zijn mogelijk voor ringslang.
Alle soorten A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd op terreinen of delen van terreinen) waar reptielen voorkomen.
B
Op locaties waar reptielen overwinteren, werkzaamheden uitvoeren in april tot en met september, dit is buiten de kwetsbare periode. Op locaties waar voortplanting plaatsvindt de werkzaamheden in de periode september tot en met maart uitvoeren, dit is buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. Na de werkzaamheden dient de locatie weer geschikt te zijn voor de soort en de functie.
Ringslang D
Op locaties waar ringslangen kunnen rusten en/of overwinteren dienen voorafgaand aan de werkzaamheden buiten de kwetsbare winterrustperiode schermen te worden geplaatst waarmee toegang tot de werklocatie voor ringslangen wordt voorkomen. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart. Wanneer dieren reeds aanwezig zijn, dienen individuen door of op aanwijzing van een ecologisch deskundige te worden gevangen en overgeplaatst naar geschikt leefgebied in de directe omgeving of de gelegenheid worden geboden de werklocatie uit eigen beweging te verlaten. Werkzaamheden starten pas als er geen dieren meer aanwezig zijn binnen de schermen in de werklocatie.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
81
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.6.4 Planten Voor deze categorie zijn voornamelijk muurflora en planten die groeien op stenige plaatsen relevant. Voorbeelden zijn muurbloem, smalle raai, echte gamander en beschermde varens. Ook straatkolken of rioolputten kunnen een groeiplaats bieden aan muurflora. Negatieve effecten op plantensoorten dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
82
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en abiotische factoren zoals vocht en schaduw in stand houden.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.7
Wateren en oevers
De werkzaamheden in deze categorie omvatten het (her)profileren van oevers en waterbodems, incidenteel of achterstallig onderhoud en het gedeeltelijk dempen van open water. Voorbeelden zijn: sloten, watergangen, vijvers, poelen en grachten. Ook plasdraszones, grenzend aan het water worden tot deze categorie gerekend. Tevens behoort bij deze categorie het aanleggen of verwijderen van (nuts)voorzieningen in of onder water.
4.7.1 Algemeen zorgvuldig handelen Werkzaamheden vinden in eerste instantie overdag plaats om verstoring door verlichting te voorkomen. Als werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd, wordt enkel de werklocatie verlicht en uitstraling naar de omgeving voorkomen.
4.7.2 Vogels Het gaat hierbij met name om de soortgroepen watervogels, steltlopers, meeuwen en sterns die in sterke mate gebonden zijn aan water. Nesten kunnen langs de oever en op het water aanwezig zijn als drijvende of verankerde constructies. Het water vormt een belangrijke voedselbron voor soorten die planten, vissen en schelpdieren eten. Daarnaast vindt voor een aantal soorten ook de balts plaats op het water en kunnen grotere waterlichamen voor o.a. ganzen een functie vervullen als slaapplaats. Negatieve effecten op vogels dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
In essentieel leefgebied voor vogels worden geen werkzaamheden uitgevoerd. Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving dient voorkomen te worden. Bijvoorbeeld door nestlocaties af te schermen van licht, beweging of geluid, zie bijlage 5.
B
Herprofileren van waterbodems, incidenteel of achterstallig onderhoud en dempen van open water wordt uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode, zie landelijke natuurkalenders van RVO. Op locaties met nesten die tijdelijk in gebruik zijn, kan de broedlocatie buiten de soortspecifieke broedperiode worden opgeheven indien er alternatieven in de omgeving zijn (inzet omgevingscheck).
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
83
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
Zwarte stern, witwangstern, witvleugelstern, kokmeeuw en dwergmeeuw A
Voor nesten van in kolonies broedende vogels, waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd, geldt dat deze functie behouden dient te blijven. Dempen van waterlichamen met nestlocaties van deze soorten is niet toegestaan.
B
Herprofilering op deze locaties mag maximaal in 50% van de watergang per jaar, buiten de soortspecifieke broedperiode. De broedmogelijkheden in de vorm van nestvlotjes, krabbenscheervelden of andere drijvende watervegetatie behouden.
4.7.3 Vleermuizen Waterlichamen kunnen vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen zijn. Er zijn soorten die sterk gebonden zijn aan water voor zoals watervleermuizen en meervleermuizen. Ook andere soorten kunnen in de beschutting van de oevervegetatie en boven het water foerageren. Het verwijderen van deze oevervegetatie kan effect hebben om het functioneren van het foerageergebied, zie hiervoor onderdeel kruidige begroeiing. Rondom wateren zorgen rietkragen en andere oevervegetatie voor beschutting tegen de wind en hoge concentraties vliegende insecten. Met name voor soorten die afhankelijk zijn van deze locaties dienen maatregelen getroffen worden. A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd op essentiële foerageerlocaties of essentiële vliegroutes van vleermuizen.
B
Werkzaamheden op essentiële foerageerlocaties of essentiële vliegroutes worden uitgevoerd buiten de actieve gebruiksperiode. De actieve periode is van april tot en met oktober. Essentiële foerageergebieden van vleermuizen blijven hierbij behouden en vliegroutes kunnen weer functioneren na uitvoering van de werkzaamheden.
C
Geringe aantasting van begroeiingen langs het water kan wel in de actieve periode van vleermuizen worden uitgevoerd bij daglicht, mits er voldoende (kunstmatige) beschutting of beschaduwing beschikbaar blijft. De actieve periode is van april tot en met oktober. Bijvoorbeeld door bij een watergang de oevervegetatie aan één zijde te bewerken. Hierbij geen kunstverlichting gebruiken en de (aan)vliegroute vrij van belemmeringen houden.
84
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.7.4 Overige zoogdieren Er zijn diverse zoogdiersoorten die in belangrijke mate gebonden zijn aan water en de oeverzone (o.a. waterspitsmuis, noordse woelmuis, bever en otter). Negatieve effecten dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden behouden en beschermd (zie bijlage 5). Naast burchten en holen waar dieren verblijven, gaat het hier om routes die worden gebruikt en belangrijke foerageergebieden. De essentiële onderdelen dienen te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Versnippering van leefgebied en barrièrewerking dienen te worden voorkomen.