CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 25 111 Bijlage 1 Natuurwaardenkaart

Forum Stad 13 januari 2026, gemeente RijswijkBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken: vaststelling wijze van afdoening17.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

HUISMUS

De huismus is een sociale vogel die in kolonies leeft en is een kenmerkende soort voor een woonwijk. Ze nestelen in de kieren en gaten van gebouwen en onder dakpannen. Daarnaast bieden klimop en heggen schuilplekken. Ze vinden voedsel en water in tuinen en parken en nemen graag een stofbad in de zandbak. De jongen eten ongewervelden, zoals bladluizen en rupsen, de volwassen dieren eten voornamelijk zaden. Meeliftende soorten: Spreeuw, gierzwaluw, zwarte

roodstaart,

merel,

slechtvalk,

gewone

en

ruige

dwergvleermuis, meervleermuis en diverse kleine zoogdieren.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel. Nestingangen kasten minimaal 50 cm uit elkaar, 3-10 m hoog en oriëntatie noordoost. Toepassen op meerdere locaties in het gebied voor spreiding kolonies.

Voedsel

Binnen 100m van de verblijven: Inheemse bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen (zoals weegbree, klavers, brandnetel, herderstasje, straatgras en paardenbloem) als natuurlijke voedselbron. Permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Veiligheid

Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen en groenblijvende of stekelige struiken. Bijvoorbeeld hagen (liguster, meidoorn, beuk, haagbeuk), coniferen, struiken, kleine bomen, gevelgroen (klimop, vuurdoorn).

Verbinding

Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Variatie

Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

IJSVOGEL

De ijsvogel leeft rondom langzaam stromende beken en visrijke stilstaande wateren met helder water. Hij heeft een rustige en beschutte plek nodig waar hij kan vissen vanuit een boom of struik. Hij broedt midden in de stad, mits hij voldoende privacy rond zijn nest krijgt. Een steil wandje of omgevallen boom moet beschikbaar zijn om een nest in te graven. Hij jaagt voornamelijk op kleine vissen en soms op waterkevers of libellenlarven. Meeliftende soorten: Kleine karekiet, grote gele kwikstaart, slootjuffer, oeverzwaluw, beekforel en de ringslang.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Een geschikte broedplaats bestaat uit een steile zandige oever, een grote wortelkluit van een omgevallen boom of een speciaal aangelegde ijsvogelwand Minimaal 1 broedplaats per 500m aan oeverlengte. De broedplaatsen hebben een minimale hoogte van 1,5 meter, en een minimale breedte van 1 meter. Rondom ijsvogelwand solitaire bomen en struiken plaatsen.

Voedsel

Schoon, visrijk water met voldoende visjes, waterinsecten en larven. Uitkijkpost zoals een tak in de grond of een boom van 1m hoogte en per 500m oever.

Veiligheid

Rustige, schone wateren zonder verstoring en met voldoende schuilplaatsen langs de oever. Ruime onderdoorgangen bij een brug. Struiken en solitaire bomen rondom nestplaatsen.

Verbinding

Goed verbonden watergangen met voldoende vis en geschikte broedlocaties binnen het territorium. Bij voorkeur 500 meter aaneengesloten oever.

Variatie

Verschil in waterdiepte. Driekwart van het water niet dieper is dan 20 tot 40 centimeter. Een kwart van het water is dieper dan 40 centimeter.

Beheermaatregel Extensief oeverbeheer.

WEIDEHOMMEL

Komt algemeen in Nederland voor in diverse landschappen. Je kunt ze vinden in open landschappen, langs bosranden, bloemrijke graslandjes en in tuinen. In de kruidlaag of in oude vogelnesten wordt genesteld. Voedsel (nectar) wordt gehaald uit wilgen, bolgewassen, hondsdraf, longkruid, en later in het jaar kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje. Een weidehommelvolk bestaat uit 50-120 individuen die op ongeveer één hectare leven. Meeliftende soorten: Andere wilde bijen en hommels.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout, in de nabijheid van nectarplanten.

Voedsel

In totaal 400m2 aan nectar- en stuifmeelplanten, dat bestaat uit goed verbonden vlakken van minimaal 100m2. Met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar. Bijvoorbeeld: bolgewassen, wilg, longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel, grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen, in de nabijheid van greppels, heggen of houtwallen.

Verbinding

Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Zo veel mogelijk variatie toe in gelaagdheid, plantentypen en -soorten.

Beheermaatregel Maai bloemrijk gras eind juni. Behoud oude vogelnesten.

DOELSOORTENRAPPORT HAVENKWARTIER

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

Gewo n Merel

Gr

er

lad e b snijd t o

erzwaluw Gi

wergvle ed

is mu er

erkoet Me

ismus Hu

ehomm eid

el

W

Voor het Havenkwartier zijn de doelsoorten samengesteld door TAUW. De informatie is overgenomen uit hun doelsoortenrapport. Het gaat om de doelsoorten: gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, grote bladsnijder, huismus, meerkoet, merel en weidehommel.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

GROTE BLADSNIJDER

De grote bladsnijder komt in Nederland vooral voor in stedelijk gebied. De soort nestelt in natuurlijke en kunstmatige holten in dood hout, nestblokken, muren, dikke rietstengels en in de grond. Voor het nest worden stukjes blad van diverse heesters en bomen verwerkt. De nesten zitten doorgaans tot 10 cm diep in de bodem. Meeliftende soorten: diverse bijen en vlindersoorten.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Aanwezigheid van open grond, insectenhotels, insectenstenen, wortelkluiten of boomstammen. Haalt nestmateriaal van diverse soorten inheemse heesters en bomen (zoals roos, berk en eik) binnen 200m van de nestgelegenheid.

Voedsel

Binnen 200m van nestgelegenheid de aanwezigheid van kruidenrijk grasland, bij voorkeur op arme grond. Voorbeeld zaadmengsel: Composieten, hei-achtige, klokjesachtigen en vlinderbloemen.

Veiligheid

Voorkom dat nestplekken frequent worden betreden door mensen en dieren.

Verbinding

Creëer een doorlopend bijenlint door bloemrijke bermen aan te leggen en verschillende vakken met elkaar te verbinden. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Aanleggen van verschillende verblijfplaatsen, en variatie in verschillende soorten en type vegetatie.

HUISMUS

De huismus is een sociale vogel die in kolonies leeft en is een kenmerkende soort voor een woonwijk. Ze nestelen in de kieren en gaten van gebouwen en onder dakpannen. Daarnaast bieden klimop en heggen schuilplekken. Ze vinden voedsel en water in tuinen en parken en nemen graag een stofbad in de zandbak. De jongen eten ongewervelden, zoals bladluizen en rupsen, de volwassen dieren eten voornamelijk zaden. Meeliftende soorten: Spreeuw, gierzwaluw, zwarte

roodstaart,

merel,

slechtvalk,

gewone

en

ruige

dwergvleermuis, meervleermuis en diverse kleine zoogdieren.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel. Nestingangen kasten minimaal 50 cm uit elkaar, 3-10 m hoog en oriëntatie noordoost. Toepassen op meerdere locaties in het gebied voor spreiding kolonies.

Voedsel

Binnen 100m van de verblijven: Inheemse bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen (zoals weegbree, klavers, brandnetel, herderstasje, straatgras en paardenbloem) als natuurlijke voedselbron. Permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Veiligheid

Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen en groenblijvende of stekelige struiken. Bijvoorbeeld hagen (liguster, meidoorn, beuk, haagbeuk), coniferen, struiken, kleine bomen, gevelgroen (klimop, vuurdoorn).

Verbinding

Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Variatie

Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

MEERKOET

De meerkoet broedt in oevervegetatie van zoet water of ze bewonen zelfgemaakte eilandjes van drijvende takken. Ze zoeken hun voedsel op en rond het water. Meestal zijn dit waterplanten, maar tijdens het broedseizoen ook waterdieren, zoals slakken en visjes. Meeliftende soorten: Baars, grote bladsnijder en waterhoen.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Waterpartijen met ruige oevervegetatie op natuurvriendelijke oevers. Drijvende oeverconstructies of kleine natuureilanden in het water.

Voedsel

Voldoende (onder)watervegetatie en (kruidenrijk) grasland nabij het water.

Veiligheid

Voldoende schuil- en uittreedplaatsen langs het water, zoals oevers of drijvende elementen.

Verbinding

Geen noodzakelijke maatregelen.

Variatie

Verschillende verblijfplaatsmogelijkheden. Afwisseling in waterdiepte. Bij voorkeur een lengte van 200 meter of meer aan ruige oevervegetatie, langs of op het water.

MEREL

De merel is een algemene vogelsoort die overal in Nederland te vinden is. De soort broedt vooral in bomen, struweel en klimplanten. De merel leeft van wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Meeliftende soorten: zanglijster, heggenmuis, roodborst, spreeuw, winterkoning, huismus, grote bonte specht, bosmuis en egel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Inheemse dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten (bijvoorbeeld: klimop, meidoorn, sleedoorn, liguster en inheemse bomen). Bij voorkeur verschillende soorten.

Voedsel

Grasvelden om naar insecten te zoeken. Laatbloeiende nectarplanten, bes-dragende struiken en kleine fruitbomen.

Veiligheid

Inheemse, doornige struiken in de buurt van broedplaats of foerageergebied.

Verbinding

Door verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten ontstaat een veilige verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied.

Variatie

Variatie aan dichtbegroeide bomen, struweel, keuzemogelijkheid in nestlocatie te bieden. Variatie aan soorten bes-dragende struiken.

hagen

en

klimplanten

Beheermaatregel Laten liggen van gevallen bladeren, oude takken en snoeihout onder struiken.

om

een

WEIDEHOMMEL

Komt algemeen in Nederland voor in diverse landschappen. Je kunt ze vinden in open landschappen, langs bosranden, bloemrijke graslandjes en in tuinen. In de kruidlaag of in oude vogelnesten wordt genesteld. Voedsel (nectar) wordt gehaald uit wilgen, bolgewassen, hondsdraf, longkruid, en later in het jaar kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje. Een weidehommelvolk bestaat uit 50-120 individuen die op ongeveer één hectare leven. Meeliftende soorten: Andere wilde bijen en hommels.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout, in de nabijheid van nectarplanten.

Voedsel

In totaal 400m2 aan nectar- en stuifmeelplanten, dat bestaat uit goed verbonden vlakken van minimaal 100m2. Met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar. Bijvoorbeeld: bolgewassen, wilg, longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel, grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen, in de nabijheid van greppels, heggen of houtwallen.

Verbinding

Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Zo veel mogelijk variatie toe in gelaagdheid, plantentypen en -soorten.

Beheermaatregel Maai bloemrijk gras eind juni. Behoud oude vogelnesten.

DOELSOORTENRAPPORT HOEKPOLDER

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

khoorn Ee

Gewo n rmelijn He

ismus Hu

wergvle ed

is mu er

ttervoorn Bi

ehomm eid

el

Ransuil

W

De doelsoorten aangewezen voor de hoekpolder zijn de bittervoorn, gewone dwergvleermuis, huismus, glassnijder, hermelijn, ransuil en weidehommel.

BITTERVOORN

De bittervoorn komt voor in stilstaand tot langzaam stromend water, met een goed ontwikkelde (water)vegetatie waarin hij kan schuilen. De soort eet voornamelijk plankton en algen, en sporadisch dieren als slakjes, wormen, volkreeften en insecten. Voor de voortplanting van de soort zijn inheemse zoetwatermosselen nodig. Overwinteren doet de soort in de diepere delen van de watergang.

Meeliftende soorten: groene kikker, fuut, libellen,

verschillende vissen en diversie zoetwatermosselen.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Helder, zuurstofrijk water met zandige of modderige bodems en voldoende waterplanten voor beschutting en het afzetten van eitjes. Wateren met een gemiddelde diepte van 50 centimeter tot 1 meter, en een minimale breedte van 2 meter. Aanwezigheid van natuurvriendelijke oevers met een hellingshoek flauwer dan 1:3 en een dichte oevervegetatie. Aanwezigheid van inheemse zoetwatermosselen.

Voedsel

Voedselrijke bodems met ongewervelden zoals insectenlarven, kreeftachtigen en wormen die de bittervoorn kan vinden op de bodem van het water.

Veiligheid

Aanwezigheid van waterplanten, rietkragen en modderige of zandige bodems.

Verbinding

Verbonden wateren met geschikte bodemsamenstelling en waterplanten van bij voorkeur minimaal 1 tot 3 km zonder onpasseerbare obstakels. Duikers bij voorkeur een doorsnede van 70 cm, waarvan een kwart niet onderwater staat.

Variatie

Divers netwerk van watergangen met variatie in breedte en in diepte.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GLASSNIJDER

De glassnijder is een libellensoort die vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met goed ontwikkelde oevers en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort steeds meer

voor.

Meeliftende

soorten:

Andere

libellen,

kleine

watersalamander, kamsalamander, watervleermuis en bittervoorn.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Natuurvriendelijke oevers met een talud van 1:5 of flauwer. Bij voorkeur ten minste de zonnige oever. Aanwezigheid van zowel waterplanten (zoals fonteinkruid en blaasjeskruid) als oeverplanten (zoals egelskop, lisdodde, riet en moerasvaren).

Voedsel

Voldoende diverse vegetatie in de buurt van het water; hier jaagt de libelle op insecten.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen met oevervegetatie en bosschages.

Verbinding

Aaneengesloten groene, natuurlijke waterverbindingen met een maximale breedte van 10 meter.

Variatie

Variatie aan oever- en waterplanten en natuurlijke waterstructuren.

HERMELIJN

De hermelijn is een carnivoor en jaagt voornamelijk op kleine zoogdieren en soms op vogels en vogeleieren. Hij is zowel overdag als in de nacht actief. De hermelijn leeft in holen en verplaatst zich langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes

en

oeverlijnen.

Meeliftende

soorten:

andere

marterachtigen, knaagdieren, torenvalk en patrijs.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Randen en overgangszones van minimaal 3 meter breed met dekking van struwelen, zomen, heggen, begroeide greppels of houtstapels en steenhopen.

Voedsel

ruiger begroeide natuurvriendelijke oevers of (gras)land in de nabijheid van dekking.

Veiligheid

Faunapassages onder (spoor)wegen door.

Verbinding

Lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen, heggen en houtkanten of bermen en oevers met kruidenrijke vegetatie als verbindingszone.

Variatie

Veel afwisseling tussen landschapselementen, waardoor randzones ontstaan met voldoende dekking, schuilplekken en voedsel.

HUISMUS

De huismus is een sociale vogel die in kolonies leeft en is een kenmerkende soort voor een woonwijk. Ze nestelen in de kieren en gaten van gebouwen en onder dakpannen. Daarnaast bieden klimop en heggen schuilplekken. Ze vinden voedsel en water in tuinen en parken en nemen graag een stofbad in de zandbak. De jongen eten ongewervelden, zoals bladluizen en rupsen, de volwassen dieren eten voornamelijk zaden. Meeliftende soorten: Spreeuw, gierzwaluw, zwarte

roodstaart,

merel,

slechtvalk,

gewone

en

ruige

dwergvleermuis, meervleermuis en diverse kleine zoogdieren.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel. Nestingangen kasten minimaal 50 cm uit elkaar, 3-10 m hoog en oriëntatie noordoost. Toepassen op meerdere locaties in het gebied voor spreiding kolonies.

Voedsel

Binnen 100m van de verblijven: Inheemse bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen (zoals weegbree, klavers, brandnetel, herderstasje, straatgras en paardenbloem) als natuurlijke voedselbron. Permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Veiligheid

Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen en groenblijvende of stekelige struiken. Bijvoorbeeld hagen (liguster, meidoorn, beuk, haagbeuk), coniferen, struiken, kleine bomen, gevelgroen (klimop, vuurdoorn).

Verbinding

Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Variatie

Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

RANSUIL

De ransuil hebben een voorkeur voor halfopen terrein en mijden besloten bosgebieden. Hij broedt en roest (rust) in bomen waarbij hij gebruik maakt van kraaien- en eksternesten als broed locaties. In het najaar verzamelen ze in groepen en rusten op vaste roestplaatsen. Dit zijn bij voorkeur groenblijvende bomen zoals sparren of bomen begroeid met klimop. De ransuil heeft een open terrein nodig om te jagen, zoals een open veld of langs wegbermen. Daar jaagt hij op muizen en kleine vogels. Meeliftende soorten: bosuil, torenvalk, wezel, muizen, egel en de steenuil.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Plaats of behoud bij voorkeur dichte naaldbomen zoals coniferen, hulst of spar maar andere beschutte bomen kunnen ook voldoen. Plaats nestmanden in een bos of parkachtige omgeving. Minimaal 100m uit elkaar en 4 meter hoog.

Voedsel

De ransuil heeft een open terrein nodig om te jagen, zoals kruidenrijke graslanden. Pas ook elementen toe die muizen aantrekken zoals fruitboomgaarden of muizenruiters.

Veiligheid

Geen lichtuitstraling in een straal van 15- 25m rondom de broed- of roestplek.

Verbinding

Vorm een netwerk van tuinen, bossen of parken via hagen of houtwallen met natuurlijke bermen en/of velden waar gefoerageerd kan worden.

Variatie

Zorg voor een gevarieerd landschap van dichte bosschages met open plekken.

Beheermaatregel Laten zitten van oude kraaien- of eksternesten. Gefaseerd maaibeheer.

WEIDEHOMMEL

Komt algemeen in Nederland voor in diverse landschappen. Je kunt ze vinden in open landschappen, langs bosranden, bloemrijke graslandjes en in tuinen. In de kruidlaag of in oude vogelnesten wordt genesteld. Voedsel (nectar) wordt gehaald uit wilgen, bolgewassen, hondsdraf, longkruid, en later in het jaar kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje. Een weidehommelvolk bestaat uit 50-120 individuen die op ongeveer één hectare leven. Meeliftende soorten: Andere wilde bijen en hommels.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout, in de nabijheid van nectarplanten.

Voedsel

In totaal 400m2 aan nectar- en stuifmeelplanten, dat bestaat uit goed verbonden vlakken van minimaal 100m2. Met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar. Bijvoorbeeld: bolgewassen, wilg, longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel, grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen, in de nabijheid van greppels, heggen of houtwallen.

Verbinding

Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Zo veel mogelijk variatie toe in gelaagdheid, plantentypen en -soorten.

Beheermaatregel Maai bloemrijk gras eind juni. Behoud oude vogelnesten.

DOELSOORTENRAPPORT HOORNWIJCK

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

De doelsoorten aangewezen voor Hoornwijck zijn de blauwborst, egel, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, kleine watersalamander, merel, rosse vleermuis en zwarte roodstaart.

der an

Klein e

Gewo n Ro

is

tersalam wa

e vleermu ss

o te ro dsta ar

erzwaluw Gi

t ar

Merel

wergvle ed

is mu er

auwborst Bl

Zw

Egel

BLAUWBORST

De blauwborst heeft een voorkeur voor natte en insectenrijke gebieden met een geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos. Ook ruige rietvelden zijn geliefd bij de blauwborst. Ze eten insecten, larven, wormen, slakken, bessen en zaden. De blauwborst maakt een nest op de grond in dichte ruigte, in pollen of onder een struik. De soort zingt graag vanaf een opvallende zangpost, bijvoorbeeld de top van een wilgenkoepel, boven op een lisdoddesigaar of een hoge rietpluim. Meeliftende soorten: groot dikkopje, bosrietzanger en springhaanzanger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Rietmoerassen, moerasbossen en gebieden met dichte vegetatie zoals rietkragen, en enkele hoge struiken of kleine bomen.

Voedsel

Aanwezigheid van plekken met een kale grond met modder (slikkige oevers, opgedroogde plassen of gemaaide delen in het rietland). Aanleg van natuurvriendelijke oevers.

Veiligheid

Beschutting door riet, struiken en andere dichte vegetatie.

Verbinding

Verbonden rietkragen en moerasgebieden die zorgen voor een continuïteit van leefgebieden. Met een afstand van maximaal 50 m tussen afzonderlijke delen van het leefgebied.

Variatie

Zorg voor variatie in open gebied, dichte ruigte en opgaande begroeiing.

Beheermaatregelen Zorg dat kale plekken en slikkige oevers beschikbaar blijven en dat het leefgebied niet dichtgroeit met struiken. Gefaseerd maaien van het riet op het land. Extensiveren van het beheer van slootkanten. Een sleutelpopulatie (geringe uitsterfkans; <5% kans op uitsterven binnen 5 jaar)

EGEL

De egel is een grondgebonden soort en heeft baat bij voedselrijke bodem en voldoende beschutting. Tuinen, parken en bermen vormen

de

naaktslakken,

belangrijkste wormen,

foerageerplekken.

larveneieren,

rupsen,

Daar

eet

spinnen

hij

kleine

vruchten en bessen. Egels kunnen per nacht enkele kilometers afleggen en hebben daarom baat bij goede verbindingszones. Meeliftende soorten: gewone pad, boommarter, bunzing, hermelijn, konijn, rosse woelmuis, wezel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Structuurrijke, gelaagde beplanting zoals dichtbegroeide struikvegetatie in vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Voedsel

Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

Veiligheid

Dichtbegroeide stuikvegetatie. Ontoegankelijke en donkere delen in het plangebied. Leg faunapassages aan. Uitklimvoorzieningen in beschoeide watergangen.

Verbinding

Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

Variatie

Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Beheermaatregel Laat dichtbegroeide, lage struikvegetatie in de winter met rust. Minimaal 50% van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag bevatten.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

KLEINE WATERSALAMANDER

Een algemene amfibie die zich voortplant in allerlei stilstaande tot zwak

stromende

wateren.

Er

moet

enige

mate

van

onderwatervegetatie aanwezig zijn, niet te veel schaduw, visarm en het water mag niet te groot van oppervlakte zijn. De soort brengt ook veel tijd door op het land, dus daar moeten ook voldoende elementen aanwezig zijn die de salamander bescherming bieden. Meeliftende soorten: Diverse kikkers, salamanders en padden.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Onbeschaduwde vennen, poelen, plassen, sloten of beken met stilstaand tot langzaam stromend water en ruime aanwezigheid van onderwaterplanten. Dichtbegroeide natuurvriendelijke oeverzone van minimaal 5m in de lengte en een talud van maximaal 45 graden. Het leefgebied op land beslaat in totaal 150m2 en minimaal 25m2 per vlak. Dit sluit bij voorkeur direct aan op het voortplantingswater, of op een maximale afstand van 50 meter. Zorg voor verblijfplaatsen en schuilplekken in de vorm van takkenbossen, hopen blad, compost, stenen en dood houd.

Voedsel

Water- en oeverplanten voor aantrekken van insecten.

Veiligheid

Uitklimvoorzieningen in straatkolken. Poelen zonder vissen, afgesloten van groot water. Natuurvriendelijke oevers. Aanwezigheid van waterplanten, modderlaag, stroken en stenen.

Verbinding

Maximaal 100m tussen twee voortplantingswateren. Groene stroken ter verbinding minimaal 2m breed of bij een lange afstand (>10m) 5m breed. De maximale onderbreking van de corridor is 10m. Verbind tuinen en openbare ruimtes via groenstroken met een variëteit in onderbeplanting voor voldoende dekking. Amfibietunnels en/of ecoduikers onder (spoor)wegen.

Variatie

Afwisseling in type oever en waterplanten, en verschil in waterdiepten.

Beheermaatregel Gefaseerd baggeren.

MEREL

De merel is een algemene vogelsoort die overal in Nederland te vinden is. De soort broedt vooral in bomen, struweel en klimplanten. De merel leeft van wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Meeliftende soorten: zanglijster, heggenmuis, roodborst, spreeuw, winterkoning, huismus, grote bonte specht, bosmuis en egel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Inheemse dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten (bijvoorbeeld: klimop, meidoorn, sleedoorn, liguster en inheemse bomen). Bij voorkeur verschillende soorten.

Voedsel

Grasvelden om naar insecten te zoeken. Laatbloeiende nectarplanten, bes-dragende struiken en kleine fruitbomen.

Veiligheid

Inheemse, doornige struiken in de buurt van broedplaats of foerageergebied.

Verbinding

Door verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten ontstaat een veilige verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied.

Variatie

Variatie aan dichtbegroeide bomen, struweel, keuzemogelijkheid in nestlocatie te bieden. Variatie aan soorten bes-dragende struiken.

hagen

en

klimplanten

Beheermaatregel Laten liggen van gevallen bladeren, oude takken en snoeihout onder struiken.

om

een

ROSSE VLEERMUIS

De rosse vleermuis is een van de grootste vleermuizen van ons land. Het is een boombewonende soort die graag gebruik maakt van oude bomen op landgoederen, stadsparken of bossen. Ze jagen op meer dan 100 meter hoogte op vliegen, muggen, nachtvlinders en krekels in open, waterrijke landschappen. Daarvoor leggen ze soms tientallen kilometers af. Begeleidende soorten: franjestaart, grootoorvleermuis, watervleermuis.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Bomen waar spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, bolle hout-betonnen nestkasten.

Voedsel

Plant veel insectenrijke beplanting binnen 200m van verblijfplaatsen, in de nabijheid van bomen en andere opgaande vegetatie.

Veiligheid

Geen licht, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m.

Variatie

Rijke diversiteit aan boomsoorten- en leeftijden.

ZWARTE ROODSTAART

De zwarte roodstaart nestelt in natuurlijke situatie in rotswanden van middel en hooggebergten. Daarom maakt de soort graag gebruik van hoge bebouwing als uitkijkpost, nestelt in holten en spleten in muren en maakt gebruik van daken waar weinig successie heeft plaatsgevonden. Het is cruciaal dat er in de omgeving van het nest open, droge, niet ingerichte terreinen aanwezig zijn. De soort eet vooral insecten en in het najaar ook zaden, (vlier)bessen en fruit. Meeliftende soorten: witte kwikstaart, wilde bijen en dagvlinders.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster maximaal 2 broekplaatsen voor holenbroeders bij elkaar. Kieren en spleten in architectuur van ca. 60mm x 130mm. Of (halfopen) nestkasten in de gevels van bebouwing, gericht op het noorden en of het oosten. Verblijfplaatsen op minimaal 3 meter hoogte.

Voedsel

Bruine daken of braak-liggend land met weinig begroeiing en veel zon. Nectarrijke bloemen en besdragende struiken (zoals gewone vlier, lijsterbes, gelderse roos, meidoorn, sporkehout, rode kornoelje) in de omgeving van braakliggend land voor voldoende insecten.

Veiligheid

Zangpost nabij nestplaatsen van 20m of hoger.

Verbinding

Open gebieden met losse gebouwen, torens of schuttingen als uitkijkpost. Binnen 1,5 hectare van een broedplaats moeten alle voorzieningen aanwezig zijn.

Variatie

Binnen 1,5 hectare een aanbod van verschillende voedselbronnen.

Beheermaatregel Zorg dat de stukken braakland opengehouden worden en relatief kaal blijven.

DOELSOORTENRAPPORT HUIS TE LANDE

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

De doelsoorten aangewezen voor Huis te Lande zijn de eekhoorn egel, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, glassnijder, hermelijn en de rosse vleermuis.

rmelijn He

Merel

erzwaluw Gi

e vleermu ss is

Egel

Ro

khoorn Ee

assnijder Gl

EEKHOORN

De eekhoorn leeft in bossen en grote parken, mits er genoeg te eten is in e vorm van hazelnoten, zaden van sparren en dennen, eikels en beukennoten. Via groene verbindingen gaat hij regelmatig op verkenning naar andere groene leefgebieden. De grootste uitdaging is het veilig oversteken van (spoor)wegen. Dat doet hij het liefst via boomkronen of eekhoornbruggen. Meeliftende soorten: Muizen, boommarters en spechten.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Zorg voor het behoud van een aaneengesloten (oudere) bomengroep.

Voedsel

Variatie in (oude) zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten, zoals grove den, fijnspar, hazelaar, zomereik, tamme kastanje en beuk.

Veiligheid

(spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met bij voorkeur aaneengesloten boomkronen over de weg, anders een eekhoornbrug.

Verbinding

Aaneengesloten boomkronen in bosstroken met ondergroei of bomenlanen. Een onderbreking is maximaal 100 meter breed.

Variatie

Een zo groot mogelijk cluster van gevarieerde zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten.

Beheermaatregel Oude en dode bomen met spechtholtes laten staan.

EGEL

De egel is een grondgebonden soort en heeft baat bij voedselrijke bodem en voldoende beschutting. Tuinen, parken en bermen vormen

de

naaktslakken,

belangrijkste wormen,

foerageerplekken.

larveneieren,

rupsen,

Daar

eet

spinnen

hij

kleine

vruchten en bessen. Egels kunnen per nacht enkele kilometers afleggen en hebben daarom baat bij goede verbindingszones. Meeliftende soorten: gewone pad, boommarter, bunzing, hermelijn, konijn, rosse woelmuis, wezel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Structuurrijke, gelaagde beplanting zoals dichtbegroeide struikvegetatie in vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Voedsel

Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

Veiligheid

Dichtbegroeide stuikvegetatie. Ontoegankelijke en donkere delen in het plangebied. Leg faunapassages aan. Uitklimvoorzieningen in beschoeide watergangen.

Verbinding

Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

Variatie

Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Beheermaatregel Laat dichtbegroeide, lage struikvegetatie in de winter met rust. Minimaal 50% van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag bevatten.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

GLASSNIJDER

De glassnijder is een libellensoort die vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met goed ontwikkelde oevers en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort steeds meer

voor.

Meeliftende

soorten:

Andere

libellen,

kleine

watersalamander, kamsalamander, watervleermuis en bittervoorn.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Natuurvriendelijke oevers met een talud van 1:5 of flauwer. Bij voorkeur ten minste de zonnige oever. Aanwezigheid van zowel waterplanten (zoals fonteinkruid en blaasjeskruid) als oeverplanten (zoals egelskop, lisdodde, riet en moerasvaren).

Voedsel

Voldoende diverse vegetatie in de buurt van het water; hier jaagt de libelle op insecten.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen met oevervegetatie en bosschages.

Verbinding

Aaneengesloten groene, natuurlijke waterverbindingen met een maximale breedte van 10 meter.

Variatie

Variatie aan oever- en waterplanten en natuurlijke waterstructuren.

HERMELIJN

De hermelijn is een carnivoor en jaagt voornamelijk op kleine zoogdieren en soms op vogels en vogeleieren. Hij is zowel overdag als in de nacht actief. De hermelijn leeft in holen en verplaatst zich langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes

en

oeverlijnen.

Meeliftende

soorten:

andere

marterachtigen, knaagdieren, torenvalk en patrijs.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Randen en overgangszones van minimaal 3 meter breed met dekking van struwelen, zomen, heggen, begroeide greppels of houtstapels en steenhopen.

Voedsel

ruiger begroeide natuurvriendelijke oevers of (gras)land in de nabijheid van dekking.

Veiligheid

Faunapassages onder (spoor)wegen door.

Verbinding

Lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen, heggen en houtkanten of bermen en oevers met kruidenrijke vegetatie als verbindingszone.

Variatie

Veel afwisseling tussen landschapselementen, waardoor randzones ontstaan met voldoende dekking, schuilplekken en voedsel.

MEREL

De merel is een algemene vogelsoort die overal in Nederland te vinden is. De soort broedt vooral in bomen, struweel en klimplanten. De merel leeft van wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Meeliftende soorten: zanglijster, heggenmuis, roodborst, spreeuw, winterkoning, huismus, grote bonte specht, bosmuis en egel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Inheemse dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten (bijvoorbeeld: klimop, meidoorn, sleedoorn, liguster en inheemse bomen). Bij voorkeur verschillende soorten.

Voedsel

Grasvelden om naar insecten te zoeken. Laatbloeiende nectarplanten, bes-dragende struiken en kleine fruitbomen.

Veiligheid

Inheemse, doornige struiken in de buurt van broedplaats of foerageergebied.

Verbinding

Door verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten ontstaat een veilige verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied.

Variatie

Variatie aan dichtbegroeide bomen, struweel, keuzemogelijkheid in nestlocatie te bieden. Variatie aan soorten bes-dragende struiken.

hagen

en

klimplanten

Beheermaatregel Laten liggen van gevallen bladeren, oude takken en snoeihout onder struiken.

om

een

ROSSE VLEERMUIS

De rosse vleermuis is een van de grootste vleermuizen van ons land. Het is een boombewonende soort die graag gebruik maakt van oude bomen op landgoederen, stadsparken of bossen. Ze jagen op meer dan 100 meter hoogte op vliegen, muggen, nachtvlinders en krekels in open, waterrijke landschappen. Daarvoor leggen ze soms tientallen kilometers af. Begeleidende soorten: franjestaart, grootoorvleermuis, watervleermuis.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Bomen waar spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, bolle hout-betonnen nestkasten.

Voedsel

Plant veel insectenrijke beplanting binnen 200m van verblijfplaatsen, in de nabijheid van bomen en andere opgaande vegetatie.

Veiligheid

Geen licht, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m.

Variatie

Rijke diversiteit aan boomsoorten- en leeftijden.

DOELSOORTENRAPPORT KLEURENBUURT

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

De doelsoorten aangewezen voor de Kleurenbuurt zijn de blauwborst, egel, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, glassnijder, hermelijn, kleine watersalamander en de merel.

rmelijn He

Egel

Klein e

Gewo n der an

auwborst Bl

tersalam wa

Merel

erzwaluw Gi

wergvle ed

is mu er

assnijder Gl

BLAUWBORST

De blauwborst heeft een voorkeur voor natte en insectenrijke gebieden met een geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos. Ook ruige rietvelden zijn geliefd bij de blauwborst. Ze eten insecten, larven, wormen, slakken, bessen en zaden. De blauwborst maakt een nest op de grond in dichte ruigte, in pollen of onder een struik. De soort zingt graag vanaf een opvallende zangpost, bijvoorbeeld de top van een wilgenkoepel, boven op een lisdoddesigaar of een hoge rietpluim. Meeliftende soorten: groot dikkopje, bosrietzanger en springhaanzanger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Rietmoerassen, moerasbossen en gebieden met dichte vegetatie zoals rietkragen, en enkele hoge struiken of kleine bomen.

Voedsel

Aanwezigheid van plekken met een kale grond met modder (slikkige oevers, opgedroogde plassen of gemaaide delen in het rietland). Aanleg van natuurvriendelijke oevers.

Veiligheid

Beschutting door riet, struiken en andere dichte vegetatie.

Verbinding

Verbonden rietkragen en moerasgebieden die zorgen voor een continuïteit van leefgebieden. Met een afstand van maximaal 50 m tussen afzonderlijke delen van het leefgebied.

Variatie

Zorg voor variatie in open gebied, dichte ruigte en opgaande begroeiing.

Beheermaatregelen Zorg dat kale plekken en slikkige oevers beschikbaar blijven en dat het leefgebied niet dichtgroeit met struiken. Gefaseerd maaien van het riet op het land. Extensiveren van het beheer van slootkanten. Een sleutelpopulatie (geringe uitsterfkans; <5% kans op uitsterven binnen 5 jaar)

EGEL

De egel is een grondgebonden soort en heeft baat bij voedselrijke bodem en voldoende beschutting. Tuinen, parken en bermen vormen

de

naaktslakken,

belangrijkste wormen,

foerageerplekken.

larveneieren,

rupsen,

Daar

eet

spinnen

hij

kleine

vruchten en bessen. Egels kunnen per nacht enkele kilometers afleggen en hebben daarom baat bij goede verbindingszones. Meeliftende soorten: gewone pad, boommarter, bunzing, hermelijn, konijn, rosse woelmuis, wezel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Structuurrijke, gelaagde beplanting zoals dichtbegroeide struikvegetatie in vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Voedsel

Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

Veiligheid

Dichtbegroeide stuikvegetatie. Ontoegankelijke en donkere delen in het plangebied. Leg faunapassages aan. Uitklimvoorzieningen in beschoeide watergangen.

Verbinding

Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

Variatie

Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Beheermaatregel Laat dichtbegroeide, lage struikvegetatie in de winter met rust. Minimaal 50% van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag bevatten.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

GLASSNIJDER

De glassnijder is een libellensoort die vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met goed ontwikkelde oevers en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort steeds meer

voor.

Meeliftende

soorten:

Andere

libellen,

kleine

watersalamander, kamsalamander, watervleermuis en bittervoorn.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Natuurvriendelijke oevers met een talud van 1:5 of flauwer. Bij voorkeur ten minste de zonnige oever. Aanwezigheid van zowel waterplanten (zoals fonteinkruid en blaasjeskruid) als oeverplanten (zoals egelskop, lisdodde, riet en moerasvaren).

Voedsel

Voldoende diverse vegetatie in de buurt van het water; hier jaagt de libelle op insecten.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen met oevervegetatie en bosschages.

Verbinding

Aaneengesloten groene, natuurlijke waterverbindingen met een maximale breedte van 10 meter.

Variatie

Variatie aan oever- en waterplanten en natuurlijke waterstructuren.

HERMELIJN

De hermelijn is een carnivoor en jaagt voornamelijk op kleine zoogdieren en soms op vogels en vogeleieren. Hij is zowel overdag als in de nacht actief. De hermelijn leeft in holen en verplaatst zich langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes

en

oeverlijnen.

Meeliftende

soorten:

andere

marterachtigen, knaagdieren, torenvalk en patrijs.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Randen en overgangszones van minimaal 3 meter breed met dekking van struwelen, zomen, heggen, begroeide greppels of houtstapels en steenhopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=6e97f856-19fe-4b98-9246-c7cdaf828af1