CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 25 111 Bijlage 1 Natuurwaardenkaart

Forum Stad 13 januari 2026, gemeente RijswijkBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken: vaststelling wijze van afdoening17.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ei

Rijswijk

~

Natuurwaardenkaart Rijswijk

Natuurwaardenkaart Rijswijk Gereedschapskist voor natuurinclusief bouwen en inrichten om daarmee de biodiversiteit te versterken. Gemeente Rijswijk

Introductie Het gaat niet goed met de natuur en biodiversiteit in Nederland. Veel soorten die vroeger algemeen voorkwamen, zoals de huismus en de egel, gaan achteruit. Het versterken van de natuur in de stad is daarom essentieel. Door het natuurinclusief ontwikkelen van de gebouwen en buitenruimte kunnen we de basiskwaliteit van de stadsnatuur behouden of laten toenemen. Wat is natuurinclusief ontwikkelen? Natuurinclusief ontwikkelen is het realiseren van een beter leefklimaat voor mens én dier in de gebouwde omgeving. Elk project binnen de gemeente Rijswijk moet voldoen aan bepaalde ecologische doelstellingen, waarmee we proberen de

biodiversiteit te verhogen, habitat te creëren, natuur met elkaar te verbinden en de kwaliteit van de natuur te verbeteren. De ecologische doelstellingen zijn terug te vinden in deze natuurwaardenkaart. De natuurwaardenkaart We hebben deze natuurwaardenkaart ontwikkeld als gereedschapskist en toetsingskader voor niet-ecologen, zoals landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen en ontwikkelaars, om natuurinclusief te bouwen en in te richten. De kaart bestaat uit 3 onderdelen:

Natuurinclusief Bogaardplein

1. Doelsoorten en inrichtingseisen per buurt 2. Plantoetsingskader 3. Monitoring De kaart bevat soort specifieke inrichtingseisen verdeeld per buurt om in een project te realiseren. Hierdoor kunnen bij herinrichting-, locatie en gebiedsontwikkelingen de juiste natuurinclusieve maatregelen worden gekozen. De ontwikkelaars moeten in hun plangebied rekening houden met hun doelsoorten en de juiste maatregelen treffen zodat dit leidt tot een functioneel leefgebied. Het bijbehorende plantoetsingskader met puntensysteem wordt gebruikt als controle bij het aanvragen van een omgevingsvergunning. Daarnaast gebruiken we als gemeente de kaart om de basiskwaliteit van de stadsnatuur in Rijswijk te monitoren.

Een doelsoort helpt om de juiste bouwstenen toe te passen in een natuurinclusief ontwerp voor de buurt. Omdat een doelsoort bepaalde habitat(elementen) nodig heeft kunnen deze elementen worden gebruikt als meetinstrument voor de kwaliteit van de stadsnatuur. Een doelsoort speelt dus een rol bij de keuze van natuurinclusieve maatregelen en de evaluatie van de natuurontwikkeling.

Een aantal doelsoorten van Rijswijk

Elke doelsoort stelt bepaalde eisen aan de inrichting van de omgeving. Deze zijn gebaseerd op de 5 V’s: 1. Verblijfplaats 2. Voedsel 3. Veiligheid 4. Verbinding 5. Variatie Door alle V's op te nemen in de omgeving, creëren we een natuurinclusieve buurt die niet alleen voor deze doelsoorten geschikt is, maar ook voor een scala aan meeliftende soorten. Met deze maatregelen versterken we de kwaliteit van het hele ecosysteem.

De 5 V's: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie.

We nemen de huismus als voorbeeld. De huismus slaapt in dichtbegroeide struiken en klimop of in nestkasten die op het noordoosten is gericht (verblijfplaats). Bij gevaar zoekt de huismus beschutting in hetzelfde dichte groen (veiligheid). Het voedsel moet dichtbij beschikbaar zijn. Variatie in voedsel is belangrijk omdat de jongen ander voedsel eten dan de volwassen vogels. Dit alles moet binnen een bereik van 100 meter te vinden zijn. Daarnaast is het belangrijk dat er een goede verbinding is tussen verschillende huismussen populaties. De spreeuw is één van de soorten die ook baat heeft bij deze maatregelen.

De 5V's opgenomen voor de huismus

Kaart met doelsoorten in Rijswijk In Rijswijk hebben we per buurt de doelsoorten bepaald. Klik op een buurt om het doelsoortenrapport van deze buurt te downloaden. In het rapport staat welk elementen de doelsoort nodig heeft en wat minimaal (kwantitatief en kwalitatief) gerealiseerd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad.

Esri Nederland, Community Maps Contributors

Waarom deze doelsoorten?

In Rijswijk hebben we drie natuurtypen: Bos en Park, Water Doelsoortenrapporten per buurten Moeras en Stadsnatuur. Per buurt hebben we de doelsoorten gekozen en gekoppeld aan de aanwezige natuurtypen. De keuze van doelsoorten is gebaseerd op verschillende ecologische onderzoeken door adviesbureaus (TAUW en Arcadis), de icoonsoorten van de provincie en het effect van een doelsoort op de omgeving. Wanneer we de juiste omstandigheden creëren voor een doelsoort, heeft dat ook een positief effect op een groot aantal andere soorten. Dat verhoogt vervolgens de biodiversiteit en versterkt het gehele ecosysteem.

Natuurtypen in Rijswijk

https://werkwijzer.maps.arcgis.com/sharing/rest/ content/items/83bd7bd0442a4e48a1bc4f889b6a9bc2/ data

Het plantoetsingskader downloaden Systematiek Afhankelijk van de grootte van het plangebied en omvang van project moet de ontwikkelaar aan een bepaald aantal punten voldoen én daarbij een aantal doelsoorten uit diens buurt volledig faciliteren (op basis van de 5v's). De ontwikkelaar kan zelf bepalen met elke maatregelen deze punten en eisen worden behaald. Daarbij werkt het systeem schalend: hoe groter het plangebied van een project, hoe meer oppervlak met natuurinclusieve inrichting er moet komen. En hoe groter de footprint van het gebouw, hoe meer nest- en verblijfplaatsen. Altijd in dezelfde verhouding, dus de opgave om samen te zorgen voor natuur in onze gemeente wordt eerlijk verdeeld. Alle maatregelen hebben een puntenaantal. Het puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de betreffende maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2 of een deel of veelvoud hiervan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten per 100 m2 zal dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten opleveren en bij 25 m2 is dat 1.5 punt. In de puntentotalen wordt het puntenaantal steeds statistisch afgerond. Naast het aantal te behalen punten zijn er ook andere doelstellingen en minimumeisen gesteld om ervoor te

Duurzaamheidsmonitor De monitoring wordt meegenomen in de duurzaamheidsmonitor die 2-jaarlijks wordt gepubliceerd. Daarin monitoren we de volgende onderdelen:

DOELSOORTENRAPPORT ARTIESTENBUURT

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

Voor de Artiestenbuurt zijn de doelsoorten samengesteld door adviesbureau TAUW. De informatie is overgenomen en aangepast uit hun doelsoortenrapport. Het gaat om de doelsoorten: gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, grote bladsnijder, huismus, merel, weidehommel en zwarte roodstaart. Merel

ismus Hu

Gewo n

Zw

wergvle ed

is mu er

o te ro dsta ar

t ar

ehomm eid

el

W

Gr

erzwaluw i G

er

lad e b snijd ot

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

GROTE BLADSNIJDER

De grote bladsnijder komt in Nederland vooral voor in stedelijk gebied. De soort nestelt in natuurlijke en kunstmatige holten in dood hout, nestblokken, muren, dikke rietstengels en in de grond. Voor het nest worden stukjes blad van diverse heesters en bomen verwerkt. De nesten zitten doorgaans tot 10 cm diep in de bodem. Meeliftende soorten: diverse bijen en vlindersoorten.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Aanwezigheid van open grond, insectenhotels, insectenstenen, wortelkluiten of boomstammen. Haalt nestmateriaal van diverse soorten inheemse heesters en bomen (zoals roos, berk en eik) binnen 200m van de nestgelegenheid.

Voedsel

Binnen 200m van nestgelegenheid de aanwezigheid van kruidenrijk grasland, bij voorkeur op arme grond. Voorbeeld zaadmengsel: Composieten, hei-achtige, klokjesachtigen en vlinderbloemen.

Veiligheid

Voorkom dat nestplekken frequent worden betreden door mensen en dieren.

Verbinding

Creëer een doorlopend bijenlint door bloemrijke bermen aan te leggen en verschillende vakken met elkaar te verbinden. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Aanleggen van verschillende verblijfplaatsen, en variatie in verschillende soorten en type vegetatie.

HUISMUS

De huismus is een sociale vogel die in kolonies leeft en is een kenmerkende soort voor een woonwijk. Ze nestelen in de kieren en gaten van gebouwen en onder dakpannen. Daarnaast bieden klimop en heggen schuilplekken. Ze vinden voedsel en water in tuinen en parken en nemen graag een stofbad in de zandbak. De jongen eten ongewervelden, zoals bladluizen en rupsen, de volwassen dieren eten voornamelijk zaden. Meeliftende soorten: Spreeuw, gierzwaluw, zwarte

roodstaart,

merel,

slechtvalk,

gewone

en

ruige

dwergvleermuis, meervleermuis en diverse kleine zoogdieren.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel. Nestingangen kasten minimaal 50 cm uit elkaar, 3-10 m hoog en oriëntatie noordoost. Toepassen op meerdere locaties in het gebied voor spreiding kolonies.

Voedsel

Binnen 100m van de verblijven: Inheemse bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen (zoals weegbree, klavers, brandnetel, herderstasje, straatgras en paardenbloem) als natuurlijke voedselbron. Permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Veiligheid

Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen en groenblijvende of stekelige struiken. Bijvoorbeeld hagen (liguster, meidoorn, beuk, haagbeuk), coniferen, struiken, kleine bomen, gevelgroen (klimop, vuurdoorn).

Verbinding

Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Variatie

Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

MEREL

De merel is een algemene vogelsoort die overal in Nederland te vinden is. De soort broedt vooral in bomen, struweel en klimplanten. De merel leeft van wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Meeliftende soorten: zanglijster, heggenmuis, roodborst, spreeuw, winterkoning, huismus, grote bonte specht, bosmuis en egel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Inheemse dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten (bijvoorbeeld: klimop, meidoorn, sleedoorn, liguster en inheemse bomen). Bij voorkeur verschillende soorten.

Voedsel

Grasvelden om naar insecten te zoeken. Laatbloeiende nectarplanten, bes-dragende struiken en kleine fruitbomen.

Veiligheid

Inheemse, doornige struiken in de buurt van broedplaats of foerageergebied.

Verbinding

Door verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten ontstaat een veilige verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied.

Variatie

Variatie aan dichtbegroeide bomen, struweel, keuzemogelijkheid in nestlocatie te bieden. Variatie aan soorten bes-dragende struiken.

hagen

en

klimplanten

Beheermaatregel Laten liggen van gevallen bladeren, oude takken en snoeihout onder struiken.

om

een

WEIDEHOMMEL

Komt algemeen in Nederland voor in diverse landschappen. Je kunt ze vinden in open landschappen, langs bosranden, bloemrijke graslandjes en in tuinen. In de kruidlaag of in oude vogelnesten wordt genesteld. Voedsel (nectar) wordt gehaald uit wilgen, bolgewassen, hondsdraf, longkruid, en later in het jaar kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje. Een weidehommelvolk bestaat uit 50-120 individuen die op ongeveer één hectare leven. Meeliftende soorten: Andere wilde bijen en hommels.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout, in de nabijheid van nectarplanten.

Voedsel

In totaal 400m2 aan nectar- en stuifmeelplanten, dat bestaat uit goed verbonden vlakken van minimaal 100m2. Met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar. Bijvoorbeeld: bolgewassen, wilg, longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel, grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen, in de nabijheid van greppels, heggen of houtwallen.

Verbinding

Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Zo veel mogelijk variatie toe in gelaagdheid, plantentypen en -soorten.

Beheermaatregel Maai bloemrijk gras eind juni. Behoud oude vogelnesten.

ZWARTE ROODSTAART

De zwarte roodstaart nestelt in natuurlijke situatie in rotswanden van middel en hooggebergten. Daarom maakt de soort graag gebruik van hoge bebouwing als uitkijkpost, nestelt in holten en spleten in muren en maakt gebruik van daken waar weinig successie heeft plaatsgevonden. Het is cruciaal dat er in de omgeving van het nest open, droge, niet ingerichte terreinen aanwezig zijn. De soort eet vooral insecten en in het najaar ook zaden, (vlier)bessen en fruit. Meeliftende soorten: witte kwikstaart, wilde bijen en dagvlinders.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster maximaal 2 broekplaatsen voor holenbroeders bij elkaar. Kieren en spleten in architectuur van ca. 60mm x 130mm. Of (halfopen) nestkasten in de gevels van bebouwing, gericht op het noorden en of het oosten. Verblijfplaatsen op minimaal 3 meter hoogte.

Voedsel

Bruine daken of braak-liggend land met weinig begroeiing en veel zon. Nectarrijke bloemen en besdragende struiken (zoals gewone vlier, lijsterbes, gelderse roos, meidoorn, sporkehout, rode kornoelje) in de omgeving van braakliggend land voor voldoende insecten.

Veiligheid

Zangpost nabij nestplaatsen van 20m of hoger.

Verbinding

Open gebieden met losse gebouwen, torens of schuttingen als uitkijkpost. Binnen 1,5 hectare van een broedplaats moeten alle voorzieningen aanwezig zijn.

Variatie

Binnen 1,5 hectare een aanbod van verschillende voedselbronnen.

Beheermaatregel Zorg dat de stukken braakland opengehouden worden en relatief kaal blijven.

DOELSOORTENRAPPORT BOMENBUURT

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

e vleermu ss

wergvle ed

Egel

assnijder Gl

khoorn Ee

is mu er

Gewo n

chtegaa l Na

is

Ro

De doelsoorten aangewezen voor de Bomenbuurt zijn de eekhoorn, egel, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, glassnijder, huismus, rosse vleermuis en nachtegaal.

erzwaluw Gi

ismus Hu

EEKHOORN

De eekhoorn leeft in bossen en grote parken, mits er genoeg te eten is in e vorm van hazelnoten, zaden van sparren en dennen, eikels en beukennoten. Via groene verbindingen gaat hij regelmatig op verkenning naar andere groene leefgebieden. De grootste uitdaging is het veilig oversteken van (spoor)wegen. Dat doet hij het liefst via boomkronen of eekhoornbruggen. Meeliftende soorten: Muizen, boommarters en spechten.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Zorg voor het behoud van een aaneengesloten (oudere) bomengroep.

Voedsel

Variatie in (oude) zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten, zoals grove den, fijnspar, hazelaar, zomereik, tamme kastanje en beuk.

Veiligheid

(spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met bij voorkeur aaneengesloten boomkronen over de weg, anders een eekhoornbrug.

Verbinding

Aaneengesloten boomkronen in bosstroken met ondergroei of bomenlanen. Een onderbreking is maximaal 100 meter breed.

Variatie

Een zo groot mogelijk cluster van gevarieerde zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten.

Beheermaatregel Oude en dode bomen met spechtholtes laten staan.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

GLASSNIJDER

De glassnijder is een libellensoort die vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met goed ontwikkelde oevers en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort steeds meer

voor.

Meeliftende

soorten:

Andere

libellen,

kleine

watersalamander, kamsalamander, watervleermuis en bittervoorn.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Natuurvriendelijke oevers met een talud van 1:5 of flauwer. Bij voorkeur ten minste de zonnige oever. Aanwezigheid van zowel waterplanten (zoals fonteinkruid en blaasjeskruid) als oeverplanten (zoals egelskop, lisdodde, riet en moerasvaren).

Voedsel

Voldoende diverse vegetatie in de buurt van het water; hier jaagt de libelle op insecten.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen met oevervegetatie en bosschages.

Verbinding

Aaneengesloten groene, natuurlijke waterverbindingen met een maximale breedte van 10 meter.

Variatie

Variatie aan oever- en waterplanten en natuurlijke waterstructuren.

HUISMUS

De huismus is een sociale vogel die in kolonies leeft en is een kenmerkende soort voor een woonwijk. Ze nestelen in de kieren en gaten van gebouwen en onder dakpannen. Daarnaast bieden klimop en heggen schuilplekken. Ze vinden voedsel en water in tuinen en parken en nemen graag een stofbad in de zandbak. De jongen eten ongewervelden, zoals bladluizen en rupsen, de volwassen dieren eten voornamelijk zaden. Meeliftende soorten: Spreeuw, gierzwaluw, zwarte

roodstaart,

merel,

slechtvalk,

gewone

en

ruige

dwergvleermuis, meervleermuis en diverse kleine zoogdieren.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel. Nestingangen kasten minimaal 50 cm uit elkaar, 3-10 m hoog en oriëntatie noordoost. Toepassen op meerdere locaties in het gebied voor spreiding kolonies.

Voedsel

Binnen 100m van de verblijven: Inheemse bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen (zoals weegbree, klavers, brandnetel, herderstasje, straatgras en paardenbloem) als natuurlijke voedselbron. Permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Veiligheid

Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen en groenblijvende of stekelige struiken. Bijvoorbeeld hagen (liguster, meidoorn, beuk, haagbeuk), coniferen, struiken, kleine bomen, gevelgroen (klimop, vuurdoorn).

Verbinding

Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Variatie

Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

MEREL

De merel is een algemene vogelsoort die overal in Nederland te vinden is. De soort broedt vooral in bomen, struweel en klimplanten. De merel leeft van wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Meeliftende soorten: zanglijster, heggenmuis, roodborst, spreeuw, winterkoning, huismus, grote bonte specht, bosmuis en egel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Inheemse dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten (bijvoorbeeld: klimop, meidoorn, sleedoorn, liguster en inheemse bomen). Bij voorkeur verschillende soorten.

Voedsel

Grasvelden om naar insecten te zoeken. Laatbloeiende nectarplanten, bes-dragende struiken en kleine fruitbomen.

Veiligheid

Inheemse, doornige struiken in de buurt van broedplaats of foerageergebied.

Verbinding

Door verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten ontstaat een veilige verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied.

Variatie

Variatie aan dichtbegroeide bomen, struweel, keuzemogelijkheid in nestlocatie te bieden. Variatie aan soorten bes-dragende struiken.

hagen

en

klimplanten

Beheermaatregel Laten liggen van gevallen bladeren, oude takken en snoeihout onder struiken.

om

een

NACHTEGAAL

De nachtegaal zit graag laag in struiken in loofbossen of in braamstruweel. Hij gebruikt de dikke strooisel laag om op oorwurmen, spinnen, hooiwagen en regenwormen te jagen. Verder eet hij ook verschillende bessen. Nesten worden in laag struikgewas gemaakt tussen de brandnetels of takken. In de winter trekken ze naar het zuiden. Meeliftende soorten: zwartkop, tjiftjaf, bruine kikker, gewone pad, bosmuis, eekhoorn, bosuil en sperwer.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Dicht en goed ontwikkeld struikgewas tussen of in de nabijheid van loofbossen en duinstruwelen op natte gronden.

Voedsel

Inheemse, bes-dragend struweel. Open plaatsen tussen het struweel of in de nabijheid van water.

Veiligheid

Beschutting door struiken, hoge vegetatie en houtwallen.

Verbinding

Bosranden, struwelen en bosschages die gebieden verbinden.

Variatie

Diversiteit aan dicht en grillig groeiende struiksoorten met open plekken en een rijke strooisellaag. Bij voorkeur in de nabijheid van water

ROSSE VLEERMUIS

De rosse vleermuis is een van de grootste vleermuizen van ons land. Het is een boombewonende soort die graag gebruik maakt van oude bomen op landgoederen, stadsparken of bossen. Ze jagen op meer dan 100 meter hoogte op vliegen, muggen, nachtvlinders en krekels in open, waterrijke landschappen. Daarvoor leggen ze soms tientallen kilometers af. Begeleidende soorten: franjestaart, grootoorvleermuis, watervleermuis.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Bomen waar spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, bolle hout-betonnen nestkasten.

Voedsel

Plant veel insectenrijke beplanting binnen 200m van verblijfplaatsen, in de nabijheid van bomen en andere opgaande vegetatie.

Veiligheid

Geen licht, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m.

Variatie

Rijke diversiteit aan boomsoorten- en leeftijden.

DOELSOORTENRAPPORT BROEKPOLDER

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

Egel

erzwaluw Gi

o te ro dsta ar

t ar

assnijder Gl

holekster Sc

Zw

Merel

e vleermu ss is

auwborst Bl

Ro

De doelsoorten aangewezen voor de broekpolder zijn de blauwborst, egel, gierzwaluw, glassnijder, merel, rosse vleermuis, scholekster en zwarte roodstaart.

BLAUWBORST

De blauwborst heeft een voorkeur voor natte en insectenrijke gebieden met een geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos. Ook ruige rietvelden zijn geliefd bij de blauwborst. Ze eten insecten, larven, wormen, slakken, bessen en zaden. De blauwborst maakt een nest op de grond in dichte ruigte, in pollen of onder een struik. De soort zingt graag vanaf een opvallende zangpost, bijvoorbeeld de top van een wilgenkoepel, boven op een lisdoddesigaar of een hoge rietpluim. Meeliftende soorten: groot dikkopje, bosrietzanger en springhaanzanger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Rietmoerassen, moerasbossen en gebieden met dichte vegetatie zoals rietkragen, en enkele hoge struiken of kleine bomen.

Voedsel

Aanwezigheid van plekken met een kale grond met modder (slikkige oevers, opgedroogde plassen of gemaaide delen in het rietland). Aanleg van natuurvriendelijke oevers.

Veiligheid

Beschutting door riet, struiken en andere dichte vegetatie.

Verbinding

Verbonden rietkragen en moerasgebieden die zorgen voor een continuïteit van leefgebieden. Met een afstand van maximaal 50 m tussen afzonderlijke delen van het leefgebied.

Variatie

Zorg voor variatie in open gebied, dichte ruigte en opgaande begroeiing.

Beheermaatregelen Zorg dat kale plekken en slikkige oevers beschikbaar blijven en dat het leefgebied niet dichtgroeit met struiken. Gefaseerd maaien van het riet op het land. Extensiveren van het beheer van slootkanten. Een sleutelpopulatie (geringe uitsterfkans; <5% kans op uitsterven binnen 5 jaar)

EGEL

De egel is een grondgebonden soort en heeft baat bij voedselrijke bodem en voldoende beschutting. Tuinen, parken en bermen vormen

de

naaktslakken,

belangrijkste wormen,

foerageerplekken.

larveneieren,

rupsen,

Daar

eet

spinnen

hij

kleine

vruchten en bessen. Egels kunnen per nacht enkele kilometers afleggen en hebben daarom baat bij goede verbindingszones. Meeliftende soorten: gewone pad, boommarter, bunzing, hermelijn, konijn, rosse woelmuis, wezel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Structuurrijke, gelaagde beplanting zoals dichtbegroeide struikvegetatie in vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Voedsel

Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

Veiligheid

Dichtbegroeide stuikvegetatie. Ontoegankelijke en donkere delen in het plangebied. Leg faunapassages aan. Uitklimvoorzieningen in beschoeide watergangen.

Verbinding

Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

Variatie

Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Beheermaatregel Laat dichtbegroeide, lage struikvegetatie in de winter met rust. Minimaal 50% van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag bevatten.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

GLASSNIJDER

De glassnijder is een libellensoort die vliegt bij helder, matig voedselarm tot voedselrijk water met goed ontwikkelde oevers en watervegetatie. De meeste vindplaatsen hebben bos in de nabijheid van de wateren, maar ook in stedelijk gebied komt de soort steeds meer

voor.

Meeliftende

soorten:

Andere

libellen,

kleine

watersalamander, kamsalamander, watervleermuis en bittervoorn.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Natuurvriendelijke oevers met een talud van 1:5 of flauwer. Bij voorkeur ten minste de zonnige oever. Aanwezigheid van zowel waterplanten (zoals fonteinkruid en blaasjeskruid) als oeverplanten (zoals egelskop, lisdodde, riet en moerasvaren).

Voedsel

Voldoende diverse vegetatie in de buurt van het water; hier jaagt de libelle op insecten.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen met oevervegetatie en bosschages.

Verbinding

Aaneengesloten groene, natuurlijke waterverbindingen met een maximale breedte van 10 meter.

Variatie

Variatie aan oever- en waterplanten en natuurlijke waterstructuren.

ROSSE VLEERMUIS

De rosse vleermuis is een van de grootste vleermuizen van ons land. Het is een boombewonende soort die graag gebruik maakt van oude bomen op landgoederen, stadsparken of bossen. Ze jagen op meer dan 100 meter hoogte op vliegen, muggen, nachtvlinders en krekels in open, waterrijke landschappen. Daarvoor leggen ze soms tientallen kilometers af. Begeleidende soorten: franjestaart, grootoorvleermuis, watervleermuis.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Bomen waar spleten en holtes in zijn ontstaan. Bij het ontbreken van oude of grotere bomen, bolle hout-betonnen nestkasten.

Voedsel

Plant veel insectenrijke beplanting binnen 200m van verblijfplaatsen, in de nabijheid van bomen en andere opgaande vegetatie.

Veiligheid

Geen licht, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m.

Variatie

Rijke diversiteit aan boomsoorten- en leeftijden.

SCHOLEKSTER

De scholekster is een kust- en weidevogel die zich in de stad ook goed op zijn plek voelt. Vooral op bedrijventerreinen waar veel geschikte platten daken aanwezig zijn. De soort broedt in een kuiltje op de grond spaarzaam bekleed met sedum, schelpjes, steentjes of stro. Meeliftende soorten: stormmeeuw, visdief, kleine plevier, zwarte roodstaart, wilde bijen en dagvlinders.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Grinddak, schelpendak of bruin dak om op te broeden.

Voedsel

Graslandjes nabij de verblijfplaatsen waar naar wormen gezocht kan worden. Extensieve groendaken waar insecten op afkomen. Plaats een waterbak op het dak.

Veiligheid

Zorg voor een schuilmogelijkheid op het dak. Maak regenpijpen ontoegankelijk met gaas of kraaienkappen. Verhoogde dakrand (Idealiter 20-30 cm hoog).

Verbinding

Grasland in de buurt van de bruine of grinddaken.

Variatie

Varieer in typen voedselgebieden en grinddaken.

ZWARTE ROODSTAART

De zwarte roodstaart nestelt in natuurlijke situatie in rotswanden van middel en hooggebergten. Daarom maakt de soort graag gebruik van hoge bebouwing als uitkijkpost, nestelt in holten en spleten in muren en maakt gebruik van daken waar weinig successie heeft plaatsgevonden. Het is cruciaal dat er in de omgeving van het nest open, droge, niet ingerichte terreinen aanwezig zijn. De soort eet vooral insecten en in het najaar ook zaden, (vlier)bessen en fruit. Meeliftende soorten: witte kwikstaart, wilde bijen en dagvlinders.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster maximaal 2 broekplaatsen voor holenbroeders bij elkaar. Kieren en spleten in architectuur van ca. 60mm x 130mm. Of (halfopen) nestkasten in de gevels van bebouwing, gericht op het noorden en of het oosten. Verblijfplaatsen op minimaal 3 meter hoogte.

Voedsel

Bruine daken of braak-liggend land met weinig begroeiing en veel zon. Nectarrijke bloemen en besdragende struiken (zoals gewone vlier, lijsterbes, gelderse roos, meidoorn, sporkehout, rode kornoelje) in de omgeving van braakliggend land voor voldoende insecten.

Veiligheid

Zangpost nabij nestplaatsen van 20m of hoger.

Verbinding

Open gebieden met losse gebouwen, torens of schuttingen als uitkijkpost. Binnen 1,5 hectare van een broedplaats moeten alle voorzieningen aanwezig zijn.

Variatie

Binnen 1,5 hectare een aanbod van verschillende voedselbronnen.

Beheermaatregel Zorg dat de stukken braakland opengehouden worden en relatief kaal blijven.

DOELSOORTENRAPPORT CROMVLIET

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

ho Eek rn

Gewo n

ismus Hu

wergvle ed

erzwaluw Gi

is mu er

Egel

ehomm eid

el

ttervoorn Bi

W

De doelsoorten aangewezen voor Cromvliet zijn de bittervoorn, eekhoorn, egel, gewone dwergvleermuis, gierzwaluw, huismus en weidehommel.

BITTERVOORN

De bittervoorn komt voor in stilstaand tot langzaam stromend water, met een goed ontwikkelde (water)vegetatie waarin hij kan schuilen. De soort eet voornamelijk plankton en algen, en sporadisch dieren als slakjes, wormen, volkreeften en insecten. Voor de voortplanting van de soort zijn inheemse zoetwatermosselen nodig. Overwinteren doet de soort in de diepere delen van de watergang.

Meeliftende soorten: groene kikker, fuut, libellen,

verschillende vissen en diversie zoetwatermosselen.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Helder, zuurstofrijk water met zandige of modderige bodems en voldoende waterplanten voor beschutting en het afzetten van eitjes. Wateren met een gemiddelde diepte van 50 centimeter tot 1 meter, en een minimale breedte van 2 meter. Aanwezigheid van natuurvriendelijke oevers met een hellingshoek flauwer dan 1:3 en een dichte oevervegetatie. Aanwezigheid van inheemse zoetwatermosselen.

Voedsel

Voedselrijke bodems met ongewervelden zoals insectenlarven, kreeftachtigen en wormen die de bittervoorn kan vinden op de bodem van het water.

Veiligheid

Aanwezigheid van waterplanten, rietkragen en modderige of zandige bodems.

Verbinding

Verbonden wateren met geschikte bodemsamenstelling en waterplanten van bij voorkeur minimaal 1 tot 3 km zonder onpasseerbare obstakels. Duikers bij voorkeur een doorsnede van 70 cm, waarvan een kwart niet onderwater staat.

Variatie

Divers netwerk van watergangen met variatie in breedte en in diepte.

EEKHOORN

De eekhoorn leeft in bossen en grote parken, mits er genoeg te eten is in e vorm van hazelnoten, zaden van sparren en dennen, eikels en beukennoten. Via groene verbindingen gaat hij regelmatig op verkenning naar andere groene leefgebieden. De grootste uitdaging is het veilig oversteken van (spoor)wegen. Dat doet hij het liefst via boomkronen of eekhoornbruggen. Meeliftende soorten: Muizen, boommarters en spechten.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Zorg voor het behoud van een aaneengesloten (oudere) bomengroep.

Voedsel

Variatie in (oude) zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten, zoals grove den, fijnspar, hazelaar, zomereik, tamme kastanje en beuk.

Veiligheid

(spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met bij voorkeur aaneengesloten boomkronen over de weg, anders een eekhoornbrug.

Verbinding

Aaneengesloten boomkronen in bosstroken met ondergroei of bomenlanen. Een onderbreking is maximaal 100 meter breed.

Variatie

Een zo groot mogelijk cluster van gevarieerde zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten.

Beheermaatregel Oude en dode bomen met spechtholtes laten staan.

EGEL

De egel is een grondgebonden soort en heeft baat bij voedselrijke bodem en voldoende beschutting. Tuinen, parken en bermen vormen

de

naaktslakken,

belangrijkste wormen,

foerageerplekken.

larveneieren,

rupsen,

Daar

eet

spinnen

hij

kleine

vruchten en bessen. Egels kunnen per nacht enkele kilometers afleggen en hebben daarom baat bij goede verbindingszones. Meeliftende soorten: gewone pad, boommarter, bunzing, hermelijn, konijn, rosse woelmuis, wezel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Structuurrijke, gelaagde beplanting zoals dichtbegroeide struikvegetatie in vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Voedsel

Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

Veiligheid

Dichtbegroeide stuikvegetatie. Ontoegankelijke en donkere delen in het plangebied. Leg faunapassages aan. Uitklimvoorzieningen in beschoeide watergangen.

Verbinding

Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

Variatie

Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Beheermaatregel Laat dichtbegroeide, lage struikvegetatie in de winter met rust. Minimaal 50% van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag bevatten.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

Voedsel

Trek insecten aan met bloemrijke vegetatie en/of natuurlijke waterpartijen in een halfopen landschap binnen 200m van verblijfplaatsen.

Veiligheid

Voorkom lichtverstoring zo veel mogelijk, bijvoorbeeld van ramen of lantarenpalen, op de verblijfplaatsen en verbindende groene structuren en waterlijnen. De verblijfplaatsen hebben een vrije uitvliegroute.

Verbinding

Aaneengesloten bomenrijen, houtwallen, struweelhagen en/of ruig begroeide waterlijnen in de omgeving, binnen een straal van 100 m. De maximale onderbreking tussen opgaande vegetatie is 8 meter.

Variatie

Variatie in verblijfplaatsen. Afwisseling tussen open landschappen, opgaande vegetatie en wateren.

GIERZWALUW

Gierzwaluwen komen vanuit Afrika naar Nederland om te broeden. Eind april verschijnen ze in de stad en maken ze hun nest ieder jaar op dezelfde plek onder dakpannen en in spleten van oude gebouwen. Ze jagen op muggen, motten, vliegen en wespen. Daarmee zijn ze een natuurlijke bestrijder van hinderlijke insecten en dragen zo bij aan een fijne, leefbare omgeving. Meeliftende soorten: zwarte roodstaart en huismus.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Creëer minimaal 5 verblijfplaatsen: Maximaal 3 verblijfplaatsen in een cluster geplaatst. Minimaal 3 meter hoog, maar hoe hoger hoe beter. Oriëntatie noord- of oost in de schaduw. Afmeting van ca. 15/25/30 cm.

Voedsel

Kruidenrijk grasland voor de aanwezigheid van insecten.

Veiligheid

Zorg voor een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter voor en onder de verblijfplaats.

Verbinding

Waterrijke omgeving en insectenrijkgrasland binnen 500m van het verblijf.

Variatie

Variatie aan verblijfplaatsen.

Beheermaatregel Omvormen van gazon naar bloemrijke bermen en kruidenrijk gras.

HUISMUS

De huismus is een sociale vogel die in kolonies leeft en is een kenmerkende soort voor een woonwijk. Ze nestelen in de kieren en gaten van gebouwen en onder dakpannen. Daarnaast bieden klimop en heggen schuilplekken. Ze vinden voedsel en water in tuinen en parken en nemen graag een stofbad in de zandbak. De jongen eten ongewervelden, zoals bladluizen en rupsen, de volwassen dieren eten voornamelijk zaden. Meeliftende soorten: Spreeuw, gierzwaluw, zwarte

roodstaart,

merel,

slechtvalk,

gewone

en

ruige

dwergvleermuis, meervleermuis en diverse kleine zoogdieren.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Cluster 5 of meer broedplaatsen bij elkaar per gevel. Bij grotere gebouwen kunnen meer clusters per gevel. Nestingangen kasten minimaal 50 cm uit elkaar, 3-10 m hoog en oriëntatie noordoost. Toepassen op meerdere locaties in het gebied voor spreiding kolonies.

Voedsel

Binnen 100m van de verblijven: Inheemse bes-dragende heesters, meidoornstruiken en grassen (zoals weegbree, klavers, brandnetel, herderstasje, straatgras en paardenbloem) als natuurlijke voedselbron. Permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

Veiligheid

Klimmend groen van minimaal 2-3 meter hoog, lage bomen en groenblijvende of stekelige struiken. Bijvoorbeeld hagen (liguster, meidoorn, beuk, haagbeuk), coniferen, struiken, kleine bomen, gevelgroen (klimop, vuurdoorn).

Verbinding

Alle maatregelen realiseren binnen 100m van de broedplaatsen. Andere huismussenpopulaties en geschikt leefgebied in de nabijheid (binnen 300m) voor uitwisseling en groei van de populatie.

Variatie

Afwisseling tussen dicht struikgewas in de directe nabijheid van broedplaatsen. En open plekken met 5m2 los zand binnen 50m van de nestplaats voor zandbaden, en een permanente watervoorziening van minimaal 5m2 waarvan een deel slechts enkele centimeters diep is.

WEIDEHOMMEL

Komt algemeen in Nederland voor in diverse landschappen. Je kunt ze vinden in open landschappen, langs bosranden, bloemrijke graslandjes en in tuinen. In de kruidlaag of in oude vogelnesten wordt genesteld. Voedsel (nectar) wordt gehaald uit wilgen, bolgewassen, hondsdraf, longkruid, en later in het jaar kruisbessen, braam, framboos en wilgenroosje. Een weidehommelvolk bestaat uit 50-120 individuen die op ongeveer één hectare leven. Meeliftende soorten: Andere wilde bijen en hommels.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout, in de nabijheid van nectarplanten.

Voedsel

In totaal 400m2 aan nectar- en stuifmeelplanten, dat bestaat uit goed verbonden vlakken van minimaal 100m2. Met bloeiperiodes van het vroege voorjaar tot najaar. Bijvoorbeeld: bolgewassen, wilg, longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel, grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel.

Veiligheid

Zonnige plekken die uit de wind liggen, in de nabijheid van greppels, heggen of houtwallen.

Verbinding

Bijenlinten door bloemrijke bermen aan te leggen. Verbind verschillende vlakken met elkaar via een bloeiende strook. Dit kan ook van maaiveld via gevel, naar dak en terug.

Variatie

Zo veel mogelijk variatie toe in gelaagdheid, plantentypen en -soorten.

Beheermaatregel Maai bloemrijk gras eind juni. Behoud oude vogelnesten.

DOELSOORTENRAPPORT EIKELENBURG

INTRODUCTIE

Om de ecologische waarden in de gemeente Rijswijk te bevorderen, zijn per buurt doelsoorten geïdentificeerd die bij herontwikkelingsprojecten in overweging genomen moeten worden. Hierbij is een analyse gemaakt van drie verschillende ecotypen: Water en Moeras, Bos en Park, en Stadsnatuur. Voor elk ecotype zijn soorten geselecteerd die zich naar verwachting goed kunnen vestigen binnen de specifieke omstandigheden van de betreffende buurt. Voor de keuze van doelsoorten is gebruik gemaakt van de NDFF database, de lijst icoonsoorten van de provincie, het groenbeleidsplan en onderzoeken uitgevoerd door het ecologische adviesbureaus. De gekozen doelsoorten zullen vervolgens ook weer andere soorten met zich meebrengen wat zal zorgen voor een algehele toename van de biodiversiteit. De geselecteerde soorten stellen specifieke eisen aan hun leefomgeving. Daarom is voor iedere soort een Programma van Eisen opgesteld, waarin de focus ligt op de vijf V’s: Verblijfplaats, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Bij toekomstige herontwikkelingen dient zorgvuldig te worden voldaan aan deze eisen om de biodiversiteit in het gebied te waarborgen en te versterken. Bij het monitoren zal gekeken worden naar de aanwezigheid van de habitatseisen van de doelsoorten. Op deze manier proberen we een basiskwaliteit natuur te creëren.

ttervoorn Bi

ismus Hu

Egel

wergvle ed

is mu er

khoorn Ee

Gewo n

ehomm eid

el

og IJsv el

W

De doelsoorten aangewezen voor Eikelenburg zijn de bittervoorn, eekhoorn, egel, gewone dwergvleermuis, huismus, ijsvogel en weidehommel.

BITTERVOORN

De bittervoorn komt voor in stilstaand tot langzaam stromend water, met een goed ontwikkelde (water)vegetatie waarin hij kan schuilen. De soort eet voornamelijk plankton en algen, en sporadisch dieren als slakjes, wormen, volkreeften en insecten. Voor de voortplanting van de soort zijn inheemse zoetwatermosselen nodig. Overwinteren doet de soort in de diepere delen van de watergang.

Meeliftende soorten: groene kikker, fuut, libellen,

verschillende vissen en diversie zoetwatermosselen.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Helder, zuurstofrijk water met zandige of modderige bodems en voldoende waterplanten voor beschutting en het afzetten van eitjes. Wateren met een gemiddelde diepte van 50 centimeter tot 1 meter, en een minimale breedte van 2 meter. Aanwezigheid van natuurvriendelijke oevers met een hellingshoek flauwer dan 1:3 en een dichte oevervegetatie. Aanwezigheid van inheemse zoetwatermosselen.

Voedsel

Voedselrijke bodems met ongewervelden zoals insectenlarven, kreeftachtigen en wormen die de bittervoorn kan vinden op de bodem van het water.

Veiligheid

Aanwezigheid van waterplanten, rietkragen en modderige of zandige bodems.

Verbinding

Verbonden wateren met geschikte bodemsamenstelling en waterplanten van bij voorkeur minimaal 1 tot 3 km zonder onpasseerbare obstakels. Duikers bij voorkeur een doorsnede van 70 cm, waarvan een kwart niet onderwater staat.

Variatie

Divers netwerk van watergangen met variatie in breedte en in diepte.

EEKHOORN

De eekhoorn leeft in bossen en grote parken, mits er genoeg te eten is in e vorm van hazelnoten, zaden van sparren en dennen, eikels en beukennoten. Via groene verbindingen gaat hij regelmatig op verkenning naar andere groene leefgebieden. De grootste uitdaging is het veilig oversteken van (spoor)wegen. Dat doet hij het liefst via boomkronen of eekhoornbruggen. Meeliftende soorten: Muizen, boommarters en spechten.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Zorg voor het behoud van een aaneengesloten (oudere) bomengroep.

Voedsel

Variatie in (oude) zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten, zoals grove den, fijnspar, hazelaar, zomereik, tamme kastanje en beuk.

Veiligheid

(spoor)wegen worden passeerbaar gemaakt met bij voorkeur aaneengesloten boomkronen over de weg, anders een eekhoornbrug.

Verbinding

Aaneengesloten boomkronen in bosstroken met ondergroei of bomenlanen. Een onderbreking is maximaal 100 meter breed.

Variatie

Een zo groot mogelijk cluster van gevarieerde zaaddragende boom- en vruchtdragende struiksoorten.

Beheermaatregel Oude en dode bomen met spechtholtes laten staan.

EGEL

De egel is een grondgebonden soort en heeft baat bij voedselrijke bodem en voldoende beschutting. Tuinen, parken en bermen vormen

de

naaktslakken,

belangrijkste wormen,

foerageerplekken.

larveneieren,

rupsen,

Daar

eet

spinnen

hij

kleine

vruchten en bessen. Egels kunnen per nacht enkele kilometers afleggen en hebben daarom baat bij goede verbindingszones. Meeliftende soorten: gewone pad, boommarter, bunzing, hermelijn, konijn, rosse woelmuis, wezel.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Structuurrijke, gelaagde beplanting zoals dichtbegroeide struikvegetatie in vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Voedsel

Een groot gebied met diverse beplanting, zorgt voor veel bodemleven en kleine dieren als voedsel.

Veiligheid

Dichtbegroeide stuikvegetatie. Ontoegankelijke en donkere delen in het plangebied. Leg faunapassages aan. Uitklimvoorzieningen in beschoeide watergangen.

Verbinding

Een zo groot mogelijk aaneengesloten gebied zonder (drukke) wegen en met gelaagdheid in de beplanting. Maak water makkelijk toegankelijk, met een talud van minimaal 1:1 of een uitklimvoorziening. Zorg ook dat de egel zich van tuin naar tuin kan bewegen. Voorkom abrupte hoogteverschillen van 20 centimeter of hoger.

Variatie

Een afwisselend, kleinschalig landschap met zachte overgangen tussen open en (dicht) begroeide plekken. Het leefgebied bestaat uit verschillende vlakken van minimaal 100m2, die met verbindingen een aaneengesloten geheel vormen.

Beheermaatregel Laat dichtbegroeide, lage struikvegetatie in de winter met rust. Minimaal 50% van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag bevatten.

GEWONE DWERGVLEERMUIS

De gewone dwergvleermuis verblijft overdag in donkere plekken, zoals spouwmuren van huizen of onder dakpannen. In de nacht jagen ze op kleine, vliegende, insecten. Daarbij jagen ze op hoogtes tussen de 2 en 5 meter en aan randen van opgaande elementen in groene en bebouwde omgeving. De positionering van bomen en struweel is daarom een belangrijke factor in hoeverre de vleermuis zich door het gebied kan voortbewegen. Meeliftende soorten: Roodborst, houtduif, winterkoning en laatvlieger.

Inrichtingseisen Verblijfplaatsen en Voortplanting

Verschillende soorten verblijfplaatsen (zomer-/paar-/kaam- en winterverblijven) bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. Minimaal 4 en maximaal 50m hoog. Verschillende oriëntaties gebruiken (noord/oost/zuid/west). Zowel in zon als schaduw ophangen. Zo veel mogelijk spreiding over de buurt. Geen obstakels plaatsen voor de verblijfplaatsen. Zomer- en paarverblijven hebben een minimaal oppervlak van 50 cm2, kraam- en winterverblijven hebben een minimaal oppervlak van 1m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=6e97f856-19fe-4b98-9246-c7cdaf828af1