Rapport uitwerking ecologische structuur Pasgeld
Tekst van het document
Uitwerking ecologische structuur Pasgeld 14 juli 2023
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Verantwoording Titel
Uitwerking ecologische structuur Pasgeld
Opdrachtgever
Gemeente Rijswijk
Projectleider
Tim Vaessen
Auteur(s)
Pim de Kwaadsteniet, Janna Horjus en Giulia Devilee
Tweede lezer
Pim de Kwaadsteniet
Uitvoering veldbezoek
Pim de Kwaadsteniet, Janna Horjus, Giulia Devilee, Michel Barendse, Jeroen de Oude
Projectnummer
R001-1288545PDK-V01
Aantal pagina’s
75 exclusief bijlage(n)
Datum
14 juli 2023
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Inhoud Inhoud......................................................................................................................................... 3 1
Inleiding ............................................................................................................................... 4 1.1
Waarom deze uitwerking ............................................................................................... 4
1.2
Ambitie gemeente Rijswijk ............................................................................................. 4
1.3
Doel van de uitwerking .................................................................................................. 5
1.4
Leeswijzer ..................................................................................................................... 5
2
Totstandkoming (de afgelegde weg) ..................................................................................... 6
3
Vertrekpunt .......................................................................................................................... 7
4
Nadere uitwerking .............................................................................................................. 12
5
6
4.1
Ecologische structuur als geheel.................................................................................. 12
4.2
Deelgebied Elsenburgerbos ......................................................................................... 15
4.3
Deelgebied Slagenlandschap ...................................................................................... 24
4.4
Deelgebied Sportpark Elsenburg ................................................................................. 31
4.5
Deelgebied Bedrijventerrein / TNO-gebied ................................................................... 39
4.6
Deelgebied Pasgeld-West ........................................................................................... 44
4.7
Deelgebied Pasgeld-Oost ............................................................................................ 50
4.8
Deelgebied Drassige Driehoek (inclusief bosje) ........................................................... 54
4.9
Deelgebied Volkstuincomplexen .................................................................................. 57
4.10
De Bosloper ................................................................................................................ 60
4.11
De Parkloper ............................................................................................................... 66
4.12
Ecologische verbindingszones ..................................................................................... 69
Conclusies en vervolgstappen ............................................................................................ 72 5.1
Conclusies .................................................................................................................. 72
5.2
Vervolgstappen ........................................................................................................... 73
Literatuurlijst....................................................................................................................... 75
3/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
1 Inleiding 1.1
Waarom deze uitwerking
De driehoek Pasgeld in Rijswijk is een gebied met een groen karakter tussen de spoorlijn DelftRijswijk, de snelweg A4, het kanaal de Vliet en de Kastanjewetering. De driehoek bestaat o.a. uit deelgebieden als het Elsenburgerbos, het slagenlandschap en de volkstuincomplexen De Schoffel en Lommerijck. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving het Wilhelminapark, de Vliet en het groen van de Rijswijkse Golfclub. De driehoek Pasgeld vormt in samenhang met deze groengebieden als het ware een groenblauwe buffer tussen Rijswijk en Delft. Als zodanig heeft het gebied een waardevolle betekenis voor natuur en de mensen die recreëren in die natuur. Er zijn ruimtelijke ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot toenemende druk op de natuur en het landschap in Pasgeld. Denk aan verstedelijking, uitbreiding van infrastructuur en toegenomen vraag naar recreatieve voorzieningen en sportfaciliteiten. Vanwege de diverse voorgenomen ontwikkelingen in Pasgeld, die zich in verschillende planstadia bevinden, bestaat de behoefte om de kansen voor natuur en landschap integraal in beeld te brengen. Maar hoe benut je die? En hoe borg je dat ruimtelijke ontwikkelingen geen afbreuk doen aan de bestaande natuurwaarden in het gebied? De gemeente Rijswijk heeft hiervoor een ecologische structuurvisie voor de groenblauwe structuur van de Driehoek Pasgeld in Rijswijk op laten stellen (TAUW, 2021).
Dit visiedocument geeft op hoofdlijnen inzicht in de actuele en potentiële natuurwaarden van het gebied, alsook de ecologische samenhang die nodig wordt geacht om een duurzame staat van instandhouding van deze waarden te garanderen. Om de ecologische structuur in één oogopslag weer te geven is een ecologische structuurkaart opgesteld. In de visie wordt gekeken naar de gewenste situatie voorbij de verschillende ontwikkelingsstadia en planfases. In deze uitwerking van de visie wordt concreet gemaakt hoe de landschapsecologische samenhang in de driehoek Pasgeld alsook de ecologische relatie met groene gebieden daarbuiten op de lange termijn behouden, ontwikkeld en versterkt kunnen worden. De uitwerking biedt een pakket aan oplossingen en richtlijnen die tijdens de verschillende planfases van ruimtelijke ontwikkelingen toegepast dienen te worden om een natuurinclusief Pasgeld te garanderen en lokale en regionale kansen voor natuur en landschap kracht bij te zetten. Zo vormt de driehoek pasgeld vormt samen met de groene lanen en andere groengebieden in Rijswijk een integraal en samenhangend geheel.
1.2
Ambitie gemeente Rijswijk
Het groen in de driehoek Pasgeld kan worden beschouwd als het natuurlijk kapitaal van Rijswijk; het is een gebied met een belangrijke ecologische en recreatieve functie. Het groen in de driehoek Pasgeld draagt voor een belangrijk deel bij aan de leefbaarheid van omliggende woon- en werkomgeving. Daarnaast heeft de natuur in Pasgeld een belangrijke economische functie. Groen in de stad is immers aantrekkelijk voor bewoners en bedrijven en het groen en water biedt diverse ecosysteemdiensten zoals verkoeling, waterberging, gezondheid, natuurlijke plaagbestrijding.
4/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
De gemeente Rijswijk streeft naar een integrale gebiedsontwikkeling van de driehoek Pasgeld. Een gebied waar beschermwaardige natuur behouden blijft en natuurinclusiviteit de norm wordt bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door essentiële natuurtypen te behouden en nieuwe kansen voor natuur en landschap te benutten. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven kunnen pas doorgang vinden als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen sprake is van afbreuk van beschermwaardige natuur. Het accent moet liggen op het aangrijpen van kansen die de lokale biodiversiteit ten goede komen en bijdragen aan een robuuste ecologische samenhang.
1.3
Doel van de uitwerking
Deze uitgewerkte ecologische structuur biedt handvatten en eisen voor toekomstige ontwikkelingen in Pasgeld voor het realiseren van een robuuste ecologische samenhang. Hiermee staat de rapportage aan de basis van de uitwerking van de inrichtingsplannen en bouwplannen.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 leest u over de totstandkoming van dit rapport. Het vertrekpunt van de studie is weergegeven in hoofdstuk 3. De nadere uitwerking van de ecologische structuur vindt plaats per deelgebied en is weergegeven in hoofdstuk 4. Een belangrijk onderdeel van de uitwerking van de ecologische visie betreft de kaarten voor de verschillende deelgebieden. Deze geven de uitwerking van maatregelen weer. De uitwerking van de maatregelen voor de ecologische verbindingszones zijn zo veel mogelijk meegenomen op kaarten van de deelgebieden waar dat kan. Het rapport sluit af met conclusies en aanbevelingen voor vervolgstappen.
5/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
2 Totstandkoming (de afgelegde weg) Bij de nadere uitwerking van de ecologische structuur zijn er twee veldbezoeken uitgevoerd om alle deelgebieden te bezoeken en in het veld te kijken waar de landschapselementen en natuurvoorzieningen het best passend zijn en welke omvang haalbaar wordt geacht. Daarnaast zijn bij de start van de uitwerking twee werksessies met verschillende partijen geweest om informatie op te halen en reeds verzamelde ideeën te toetsen. Eén sessie was met landschapsarchitecten van de gemeente en BoschSlabbers en ecologen van Van der Helm. De tweede sessie was met gemeente Rijswijk en belangenpartijen AVN en KNNV. De stadsecoloog van gemeente Rijswijk was mee op een van de veldbezoeken en heeft hierbij laten zien wat reeds gerealiseerd is op Sportpark Elsenburg naar aanleiding van de visie. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft ook input geleverd over de wensen voor natuurvriendelijke oevers in het slagenlandschap. Bij het uitwerken van maatregelen voor deelgebieden en verbindingszones is rekening gehouden met de zogenaamde vijf V’s: • Verbindingen tussen stapstenen en (deel)kerngebieden en natuurtypes doormiddel van robuuste verbindingen. • Veiligheid en rust voor fauna door aaneengesloten vegetatiestructuren met dekking en schuilmogelijkheden, denk aan struweel, hagen, takkenrillen, etc.
maar ook aandacht voor verlichting en gebruik door voetgangers, fietsers en andere recreanten • Voedsel: vruchtdragende bomen, struiken en nectarplanten als voedsel voor diverse soorten • Voortplantingsgelegenheid, zowel natuurlijk als kunstmatig (nestkasten, etc) • Variatie in het landschap met verschillende vegetatietypes en beheer, afwisseling in voedselaanbod en diverse schuilmogelijkheden voor verschillende soorten Daarnaast is ook rekening gehouden met andere eisen zoals aanwezigheid kabels en leidingen. Na de volledige uitwerking op kaarten en in de rapportage is de eerste versie hiervan gedeeld met de belangenpartijen AVN, KNNV en het Hoogheemraadschap van Delfland. Tijdens een gezamenlijke sessie zijn enkele aandachtspunten besproken en verwerkt.
6/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
3 Vertrekpunt Het plangebied betreft het gehele gebied Pasgeld tussen spoorlijn, snelweg A4 en Vliet en de aansluitingen op de omgeving. Ons vertrekpunt is het rapport ‘ecologische structuur Pasgeld’ (TAUW, 2021 met kenmerk: R001-1280028NJR-V01-sal-NL). De bouwstenen van verschillende natuurtypen in Pasgeld en de ecologische verbindingszones (EVZ) zijn weergegeven op de ecologische structuurkaart (zie figuur 3.1). Samen vormen zij de ecologische structuur voor Pasgeld en een geografisch kader voor een robuuste landschapsecologische samenhang met de gebieden daarbuiten. De kaart vormt een ecologische onderlegger en programma van eisen bij ruimtelijke ontwikkelingen, maar kan ook door gerichte inrichtings- of beheeractiviteiten – stap voor stap – worden gerealiseerd. In hoofdstuk 3 van de visie is het kader voor de ecologische structuur geschetst, te weten: • Een drietal natuurtypen: o Bos- en parknatuur o Water- en moerasnatuur o Stadsnatuur • Een reeks bouwstenen per natuurtype o Kerngebieden o Deelkerngebieden en stapstenen o Verbindingszones • Icoonsoorten en een programma van eisen dat aan elke bouwsteen is gekoppeld. Bovenstaande vormt de basis van de visie, waarop ook de uitwerking in dit rapport voortborduurt. Verder zijn de meest recente plannen van de verschillende onderdelen van het plan meegenomen, waaronder Pasgeld-West en -Oost en het Sportpark Elsenburg.
De groene ader Lange Kleiweg, EVZ 1, heeft vorm gekregen in de vorm van de Bosloper welke zich kenmerkt door de bomenstructuur en het boskarakter. In ontwikkelgebieden Pasgeld-west en Pasgeld-oost wordt EVZ 2 ontwikkeld als Parkloper, een groenblauwe verbinding met open karakter. De Bosloper en Parkloper vormen hiermee een hoofdstructuur die de verschillende deelgebieden met elkaar verbindt en zijn uitgewerkt in een stedenbouwkundige schets (figuur 3.2). Bij de uitwerking van de ecologische structuur zijn de volgende deelgebieden onderscheiden: • Elsenburgerbos • Sportpark Elsenburg • • • • • •
Slagenlandschap Pasgeld – Oost Pasgeld West – inclusief de Schoffel Drassige Driehoek TNO-gebied Volkstuincomplex Lommerijck
• •
De Bosloper De Parkloper
7/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
De beschrijving van de bouwstenen per natuurtype is gegeven in tabel 3.1, met de Icoonsoorten die bij het natuurtype aansluiten. Het uitgangspunt is dat de icoonsoorten vertegenwoordigers zijn van leefgebieden waar ook diverse andere soorten flora en fauna van kunnen profiteren. Per deelgebied zijn verschillende doelsoorten aangewezen en worden maatregelen voorgesteld om het leefgebied van de doelsoorten te verbeteren. De icoonsoorten die in de visie zijn geselecteerd, zijn bij deze uitwerking als leidraad aangehouden met enkele toevoegingen. Uit ecologisch onderzoek is gebleken dat de driehoek Pasgeld een essentiële functie heeft als leefgebied voor de ransuil en watervleermuis (Van der Helm, 2022). Tijdens de veldbezoeken zijn buizerd en konijnen veelvoudig in de driehoek Pasgeld waargenomen. Uit de werksessies kwamen ook haas, paddenstoelen en een blauwe reigerkolonie naar voren. Omdat de bodem van driehoek Pasgeld voornamelijk uit klei bestaat, is het belangrijk om soorten na te streven die goed gedijen op kleigrond, met name in de keuze voor plantensoorten als doelsoort. Tabel 3.1. Beschrijving van bouwstenen per natuurtype met bijbehorende icoonsoorten. Onderstreepte soorten zijn toegevoegd nadat de visie is vastgesteld. Natuurtypen
Beschrijving
Minimale eisen/dimensies
Icoonsoorten
Heterogeen landschap met bos,
> 20 ha*, behoud oude
Egel
boomgroepen, bosranden,
bomen, dood hout laten
Merel
zoomvegetaties, struweel, ruigte
liggen voor beschutting en
Boomklever
bloemrijk grasland en
stimuleren natuurlijke
Nachtegaal
binnenmeertjes of vijvers
overgangen en bloemrijk gras
Ransuil
Structuurrijk bos, afgewisseld
2,5 – 20 ha groot
Rosse vleermuis
Bos- en parknatuur Kerngebied
Deelkerngebied
door ruigte, struwelen en
Haas
bloemrijk grasland Stapsteen
Weidehommel
Afwisseling bomen/ bosschages,
>1,0 ha, maximaal 5 km van
Wilde hyacint
bloemrijk grasland, heggen,
elkaar verwijderd; Indien <1,0
Paddenstoelen
struweel, ruigte en takkenrillen
ha groot, dan maximaal 100 meter van elkaar verwijderd.
Verbindingszone
De zone bestaat uit een kern van
20 – 50 m breed (landelijk
bomen, struweel en ruigten (min.
gebied) en 10 m breed
4 meter), een zone met ruigte/
(randzone landelijk gebied)
takkenrillen/ stobben en/of een
en 7 m (in bebouwd gebied)
zone bloemrijk grasland Water- en moerasnatuur Kerngebied
Open tot halfopen landschap met
>5 ha** behoud open
Bittervoorn
sloten, natuurvriendelijke oevers,
karakter, stimuleer
Dotterbloem
vochtig grasland, poelen en
natuurvriendelijke oevers en
Rietorchis
moeraszones
beperkt verstoring door licht
Meervleermuis
en betreding
Watervleermuis
Deelkerngebied
Zie kerngebied
2,5 – 5 ha groot
Glassnijder
Stapsteen
Een combinatie van vijvers en
>1 ha groot, maximaal 4 km
Argusvlinder
poelen met begroeide eilandjes,
van elkaar verwijderd; Indien
8/78
Kenmerk
Verbindingszone
R001-1288545PDK-V01
houtwallen, ruigten en
<1,0 ha groot, dan maximaal
natuurvriendelijke oevers
100 m van elkaar verwijderd
De zone bestaat uit
20-50 m breed ***
oeverbegroeiing in het water
(buitengebied) en 10 m breed
(min. 1 meter breed),
(randzone landelijk gebied en
oeverbegroeiing boven de
7 m (in bebouwd gebied)
waterlijn (min 2 meter breed), ruigte minimaal 1 m breed Stadsnatuur Kerngebied
Groen stadspark met een
1 ha om te functioneren als
Huismus
boomlaag, struiklaag en
stapsteen voor egel.
Gierzwaluw
bloemrijke kruidlaag Deelkerngebied
Bosschages met stekelige
Weidehommel 0,1 – 1 ha
struiken, altijdgroene beplanting
Egel Merel
en bloemrijke randen Stapsteen
Tuinen en buurtgroen met enkele
< 0,1 ha Groene erfscheiding
bomen, geveltuintjes, hagen,
en variatie aan
groene daken
vruchtdragende bomen, struiken en nectarplanten
Verbindingszone
Bomenlanen, bijenlinten en watergangen met natuurvriendelijke oevers
*Volgens de zoogdiervereniging hebben mannetjes egels min of meer een vast ‘leefgebied’ van 20-40 ha en vrouwtjes 10-20 ha. Zekerheidshalve ervan uitgaan dat 20 ha kerngebied bos en park nodig is voor een gezonde populatie egels. **Op basis van expert-judgement. Minimaal benodigd oppervlak om te dienen als onderdeel van een netwerk aan foerageergebieden voor meervleermuis. De minimale totale benodigde omvang foerageergebied voor meervleermuis varieert sterk en wordt grotendeels bepaald door het aanbod aan wateren en voedsel. *** Op basis van de beleidsevaluatie ecologische verbindingszones Provincie Noord-Brabant
9/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Figuur 3.1 Natuurwaardekaart Pasgeld uit de visie
10/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Figuur 3.2. Landschapsschets van de ecologische hoofdstructuur (bron: Stedenbouwkundig plan Pasgeld-West, Kuiper Compagnons, 2022)
11/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
4 Nadere uitwerking 4.1
Ecologische structuur als geheel
Op de ecologische structuurkaart van Pasgeld staan de natuurtypen, de bouwstenen ervan en de wijze waarop deze verbonden kunnen worden. Naar aanleiding van de meeste recente plannen, ontwikkelingen en inzichten is de ecologische structuurkaart bijgewerkt tot een nieuwe versie. De stapstenen in Pasgeld-West en Pasgeld-Oost zijn uitgewerkt tot de Bosloper en Parkloper. Donkere zones zijn ingetekend waar deze als vliegroute of beschutte verbinding voor kritische doelsoorten van belang zijn. Een derde volkstuincomplex, Volle Grond aan de Lange Kleiweg, is aan de kaart toegevoegd. 4.1.1 De uitwerking concreet De nieuwe versie geeft weer hoe de gewenste situatie er uitziet als de uitwerking van de ecologische structuur is uitgevoerd zoals in de hoofdstukken hierna wordt voorgesteld. Let op: niet alle watergangen die aanwezig zijn in het plangebied kwalificeren zich tot onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur door bijvoorbeeld beperkte mogelijkheden voor natuurvriendelijke oevers, matige kwaliteit of beperkte natuurwaarde. Alleen de watergangen die van belang zijn voor de blauwgroene structuur zijn opgenomen in de kaart. 4.1.2 Aanvulling doelsoorten en programma van eisen Uit ecologisch onderzoek is gebleken dat de driehoek Pasgeld een essentiële functie heeft als leefgebied voor de ransuil en watervleermuis (Van der Helm, 2022).
Tijdens de veldbezoeken zijn buizerd en konijnen veelvoudig in de driehoek Pasgeld waargenomen. Uit de werksessies kwamen ook haas, paddenstoelen en een blauwe reigerkolonie naar voren. Omdat de bodem van driehoek Pasgeld voornamelijk uit klei bestaat, is het belangrijk om soorten na te streven die goed gedijen op kleigrond, met name in de keuze voor plantensoorten als doelsoort. De ransuil en watervleermuis stellen zeer concrete eisen aan hun leefgebied en worden hieronder kort toegelicht. De eisen van overige soorten worden bij de specifieke maatregelen toegelicht per deelgebied. Voor de aan te leggen stadsnatuur worden algemene soorten als egel, huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis aangehouden. Van deze doelsoorten is veel informatie beschikbaar in het kader van natuurinclusief bouwen (zie bijlage 1). Waarom de ransuil als icoonsoort? De ransuil broedt in het gebied, waardoor er een wettelijke verplichting geldt de nest- en roestplaatsen en het leefgebied in stand te houden. De ransuil is sterk afhankelijk van veldmuizen, zijn voornaamste voedsel. Geschikt leefgebied bestaat uit open groene vlaktes, hagen en houtwallen. Voor nestgelegenheid zijn ransuilen sterk afhankelijk van eksters en kraaien. De ransuil jaagt bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op plekken met kaalslag in bos.
De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden, maar ook inhoutwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen. Met de maatregelen voor de ransuil als icoonsoort wordt variatie in het landschap nagestreefd en dient de ransuil als indicator
12/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
voor de kwaliteit van het leefgebied. Het succes van de ransuil in Pasgeld is afhankelijk van de populatie veldmuizen en voldoende oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied voor soorten als veldmuizen, eksters en kraaien, waar de ransuil van afhankelijk is. Veldmuizen dienen als stapelvoedsel voor niet alleen de ransuil maar ook voor andere soorten. Randvoorwaarden ransuil: 1. Voldoende kwaliteit en oppervlakte foerageergebied. Dit bestaat uit structuurrijk gras dat geschikt is voor onder meer de veldmuis. De kwaliteit van dit foerageergebied wordt bepaald door voldoende voedselaanbod in de vorm van een gezonde muizenpopulatie. Vergroting van het muizenaanbod kan door natuurgericht maaibeheer: Wegbermen hooguit eenmaal per jaar maaien. Dit betreft gefaseerd maaibeheer, zodat afwisseling
2.
3.
van hoge en lage grazige vegetaties gehandhaafd blijft. Aanleg van zoomvegetatie op de overgang van grasland naar houtwallen en heggen. Aanwezigheid van roestplaatsen en nestplaatsen, in (naald)bomen met voldoende dekking gedurende het hele jaar zoals wintergroenblijvende coniferen of bomen met daarin klimop. Voldoende rust. Voorkom verstoring van roest- en nestplaatsen door mensen inclusief belangstellende natuurliefhebbers (bewaar afstand, voorkom lawaai). Roestplaatsen ongemoeid laten in wintermaanden; geen snoeiwerkzaamheden uitvoeren of hooguit in periode waarin roestplaatsen nog niet (volledig) bezet zijn (september-oktober).
Waarom de watervleermuis als icoonsoort? De watervleermuis gebruikt enkele watergangen en groenstructuren in Pasgeld als vliegroutes die essentieel zijn voor hun verblijfplaatsen, waardoor er een wettelijke verplichting geldt het leefgebied in stand te houden. De watervleermuis is een kritische soort die harde eisen stelt aan zijn leefomgeving. Als de leefomgeving geschikt is voor de watervleermuis kunnen andere minder kritische soorten daarvan meeprofiteren. De watervleermuis is voor zijn voedsel afhankelijk van een gezonde insectenpopulatie en een goede waterkwaliteit. Van een goede waterkwaliteit profiteren ook vissoorten als snoek en bittervoorn, diverse amfibieën en macrofauna. De watervleermuis is erg lichtgevoelig en heeft donkere zones nodig om zich te kunnen verplaatsen binnen een gebied. Donkere zones zijn niet alleen voor vleermuizen van belang, ook schuwe soorten zoogdieren en vogels hebben baat bij donkere zones met voldoende dekking die een veilige verbinding bieden tussen rustplaatsen en foerageergebied. Vleermuizen hebben geleidende structuren nodig om zich in het landschap te kunnen verplaatsen. Door geleidende structuren te versterken en verbinden kunnen verschillende soorten vleermuizen hierlangs voortbewegen.
Watervleermuis randvoorwaarden: • Essentiële groenstructuur behouden (zo veel mogelijk) • Minimaal 2 à 3 meter brede open water strook • Voldoende donkerte langs watergangen en groenstructuren (maximaal 1 Lux) tijdens actieve periode.
13/78
Kenmerk
•
R001-1288545PDK-V01
Binnen 100 meter van de aan te leggen groenstrook wordt gebruik gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting in de vorm van: o amberkleurige verlichting (>2700 K) met een golflengte van meer dan 540 nm o
•
(geen blauw en ultraviolette licht) armaturen dusdanig afschermen en afstellen dat deze geen licht uitstralen
richting de groenstructuur. Daarnaast dienen verlichtingsbronnen zo ver mogelijk van de groenstrook af te worden geplaatst Parkloper en verlengde hiervan richting Wilhelminapark geschikt maken als 2e oversteek op lange termijn.
Waarom paddenstoelen als icoonsoort(groep)? Paddenstoelen worden als doelsoort(groep) meegenomen als indicator van een gezonde bodem. Hoe meer soorten paddenstoelen, hoe hoger de diversiteit schimmels in de grond. Een gezonde bodemstructuur met voldoende organisch materiaal en een goede waterhuishouding is essentieel voor een grote schimmeldiversiteit. Waar schimmels paddenstoelen als vruchtlichamen produceren, zijn de randvoorwoorden die gesteld worden voor een goede bodem aanwezig. Hiermee liften ook andere soortengroepen mee als zoals insecten en planten. Randvoorwaarden paddenstoelen: • Gezonde bodemstructuur met voldoende organisch materiaal en een goede waterhuishouding. Dit wordt onder andere gestimuleerd door aanplant van soorten die bijdragen aan een rijke strooisellaag zoals hazelaar •
• •
Beperk bodemverstoring door zo min mogelijk roering van de bodem (door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden en toepassing van zware machines) maar ook beperkte betreding door mensen en honden Geen gebruik van bestrijdingsmiddelen Gebruik bij het aanbrengen van grond zo veel mogelijk gebiedseigen grond
Waarom de haas als icoonsoort? Tijdens de veldbezoeken zijn meerdere malen hazen waargenomen. Dat wil zeggen dat nu er nu al delen van het gebied geschikte biotopen zijn voor de haas. Ook komt de soort in de directe omgeving veel voor. Haas is beschermd onder artikel 3.20, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, en dat betekent dat de soort niet actief beschermd wordt maar dat de soort wel in stand gehouden dient te worden. Daarom is ervoor gekozen om extra op te letten bij het kiezen van maatregelen of de haas er geen nadeel van ondervindt of beter: dat de haas ervan profiteert. Hazen hebben een gevarieerd dieet nodig, bestaande uit grassen, kruiden, bladeren, zaden en knollen die ze vinden in een gevarieerd landschap. Randvoorwaarden haas: • Graslanden of bosranden met verschillende hoogtes en dichtheden biedt dekking en •
afwisselend voedsel. Voldoende dekking, zoals struikgewas en hagen, om zich te kunnen verstoppen voor roofdieren.
14/78
Kenmerk
4.2
R001-1288545PDK-V01
Deelgebied Elsenburgerbos
4.2.1 Wat zegt de visie? Het Elsenburgerbos vormt gezamenlijk met volkstuincomplex Lommerijck hét kerngebied voor bos- en parknatuur in driehoek Pasgeld. Er is sprake van een afwisselend landschap met daarin bos, bosranden, struweel, ruigte en twee vijverpartijen. Het bos heeft voldoende omvang (circa 42 ha) om de icoonsoorten een leefgebied te bieden. Er liggen diverse kansen om de kwaliteit van de leefgebieden te versterken, zodat een duurzame staat van instandhouding geborgd wordt. De visie voor dit gebied is het behouden van het huidige oppervlakte van bos en park en de ecologische kwaliteit verbeteren waar mogelijk. Daarnaast is betere zonering van recreatie een opgave voor dit gebied, zodat er voldoende rust voor de aanwezige fauna ontstaat.
Opgave volgens ecologische structuur: Kerngebied bos- en parknatuur (circa 42 ha) versterken Verbindingszones: • Groene verbindingszones 5a en 5b, oversteek Lange Kleiweg tussen Elsenburgerbos en Sportpark voor kleine fauna aanleggen • Aansluiting vanuit Elsenburgerbos op groene verbindingszone 7, langs A4 tussen Elsenburgerbos en Wilhelminapark voor kleine fauna, versterken • Groene verbindingszone 8 onder A4 door voor kleine fauna, en nieuwe passage onder A4 door ter hoogte van De Vliet (8a en 8b) aanleggen • Blauwe verbindingszone 13, het verlengde van de Zweth, versterken en mogelijk verlengen tot aan Lange Kleiweg rondom bedrijventerrein Heulweg 4.2.1.1 Aandachtspunten en kansen Aandachtspunten en kansen van Elsenburgerbos: • Natuurlijke bosstructuur • Gezond en natuurlijk water • •
Gezonde bodem & erosie(bestendigheid) Zonering gebruiksfuncties en natuur
• • •
Uitwerking kerngebied doelsoorten Behouden van kenmerkende vegetatiestructuren en elementen Goede verbindingen met de relevante omgeving
4.2.2 Recente ontwikkelingen, plannen en inzichten Twee veldbezoeken hebben meer inzichten gegeven over de bestaande natuur elementen die aanwezig zijn en behouden moeten blijven. De maatregelen die in de uitwerking zijn voorgesteld, zijn bedoeld als aanvulling op het doel om de huidige natuurwaardes van het Elsenburgerbos te behouden op de lange termijn en te versterken. De kenmerkende vegetatiestructuren en elementen die behouden moeten blijven zijn: 1.
Er zijn mogelijke roestplaatsen aanwezig voor de ransuil, namelijk verschillende bomen met klimop.
15/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
2. 3.
Een aantal bomen bieden verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuizen Donkerte moet behouden blijven voor verschillende vleermuissoorten. Er is weinig verlichting aanwezig in het bos, en de verlichting die aanwezig is zijn lage lantaarns.
4.
Oude wilgen langs de vijver moeten behouden blijven voor de beleving van het Elsenburgerbos.
Andere inzichten die in aanvulling op de visie verkregen zijn tijdens het veldbezoek en de groepssessies zijn: 5. 6.
7.
8. 9.
Natuurlijkere bosstructuur is te behalen door overgang tussen gazon en bos natuurlijker te laten verlopen. Faunatrappetjes bij de watergangen rondom de Lommerijck zijn gewenst. Deze watergangen hebben steile beschoeide oevers. Een plaats waar de kadeversterking ingezakt was, werd al intensief gebruikt door eenden. Door het Elsenburgerbos kan een mountainbike pad aangelegd worden. Dit biedt gelijk kansen voor de zonering van het bos, door het mountainbike pad te begrenzen met takkenrillen. Het Elsenburgerbos is essentieel foerageergebied voor de ransuil. Momenteel zijn er twee verschillende type maaibeheer voor het gras: gazon, en 1x per jaar maaien in september (bron: maaikaart gemeente Rijswijk).
4.2.3 De uitwerking concreet De maatregelen voor de opgestelde aandachtspunten staan weergegeven op kaart in bijlage 1. 4.2.3.1 Doelsoorten en programma van eisen Doelsoorten voor het Elsenburgerbos als kerngebied voor Bos- en parknatuur zijn: 1. Ransuil 2. Egel 3. Merel 4. Vleermuizen (onder andere de rosse vleermuis) 5. 6.
Haas Wilde hyacint
7. 8. 9.
Boomklever Weidehommel Paddenstoelen
Daarnaast is het Elsenburgerbos van belang voor een kolonie blauwe reigers die zich hier heeft gevestigd en voor kleine marterachtigen. De ransuil en de egel stellen zeer concrete eisen aan het Elsenburgerbos. Eisen voor ransuil in Elsenburgerbos: 1. Voldoende kwaliteit en oppervlakte foerageergebied. Dit bestaat uit structuurrijk gras dat geschikt is voor onder meer de veldmuis. De kwaliteit van dit foerageergebied wordt bepaald door voldoende voedselaanbod in de vorm van een gezonde muizenpopulatie.
16/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Vergroting van het muizenaanbod kan door natuurgericht maaibeheer: bermen hooguit eenmaal per jaar maaien, gefaseerd maaibeheer zodat afwisseling van hoge en lage grazige vegetaties gehandhaafd blijft. Aanleg van zomen op de overgang van grasland 2.
naar houtwallen en heggen. Aanwezigheid van roestplaatsen en nestplaatsen, in (naald)bomen met voldoende
3.
dekking gedurende het hele jaar zoals wintergroenblijvende coniferen of bomen met daarin klimop. Voldoende rust. Voorkom verstoring van roest- en nestplaatsen door mensen inclusief belangstellende natuurliefhebbers (bewaar afstand, voorkom lawaai). Roestplaatsen ongemoeid laten in wintermaanden; geen snoeiwerkzaamheden uitvoeren of hooguit in periode waarin roestplaatsen nog niet (volledig) bezet zijn (september-oktober).
Eisen voor egel in Elsenburgerbos: 1. Verblijfplaats: Takkenhopen (van minimaal 1m2). Te realiseren in struikgewas met een omvang >50m2 waar beperkte verstoring is door de mens en/of honden 2. 3.
Voedsel: foerageert in grasvelden met dicht struweel er omheen. Tenminste aan één zijde van het grasveld lage en dichte begroeiing toepassen. Verbindend leefgebied: variatie aan aaneengesloten groen (grasvelden, lage dichte begroeiing met ondergroei)
Indien wordt voldaan aan de eisen van ransuil en egel zullen ook merel, muizen en kleine marterachtigen hiervan profiteren. Voor deze en overige doelsoorten zijn in de volgende paragraaf specifieke maatregelen voorgesteld en op kaart aangegeven. 4.2.3.2 Voorgestelde maatregelen Tabel 4.1 geeft een overzicht van de voorgestelde maatregelen en de bijdrage van deze maatregelen aan de aandachtspunten en doelsoorten. De praktische invulling voor de maatregelen is hieronder verder uitgewerkt. Tabel 4.1 Voorgestelde maatregelen Elsenburgerbos en bijdrage aan aandachtspunten en doelsoorten. Maatregel
Oppervlak /
Draagt bij aan aandachtspunten:
lengte
Draagt bij aan doelsoorten:
Inrichtingsmaatregelen Ontwikkeling mantel- en
7885 m2
zoomvegetatie
Natuurlijke bosstructuur
Egel, merel, weidehommel,
Zonering gebruiksfuncties en natuur
muizen, ransuil,
Uitwerking kerngebied doelsoorten
vleermuizen, kleine marterachtigen, wilde hyacint
Aanbrengen zone met
810 m,
Zonering gebruiksfuncties en natuur
Boomklever,
houtrillen en stobben
minimaal 1m
Gezonde bodem & erosie
paddenstoelen, muizen,
hoog en 1m
Uitwerking kerngebied doelsoorten
ransuil, kleine
breed
marterachtigen
17/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Maatregel
Oppervlak /
Draagt bij aan aandachtspunten:
lengte
Draagt bij aan doelsoorten:
Aanleg
525 m lang
Gezond en natuurlijk water
Bittervoorn, snoek,
natuurvriendelijke oever
en 3-10 m
Zonering gebruiksfuncties en natuur
waterhoen, groene kikker,
breed
glassnijder
Aanleg faunatrappetjes
7 (elke 50m)
Veilig water
Waterhoen, haas
Ontwikkeling nat
3690 m2
Uitwerking kerngebied doelsoorten
Weidehommel, haas
810 m2
Uitwerking kerngebied doelsoorten
Weidehommel
0.16 km2
hooiland Bijenburcht incl. areaal nectarplanten Beheermaatregelen Aangepast beheer: dood
Natuurlijke bosstructuur
Egel, merel, muizen,
hout laten liggen in het
Zonering gebruiksfuncties en natuur
ransuil, boomklever,
bos
Gezonde bodem & erosie
paddenstoelen, reiger,
Uitwerking kerngebied doelsoorten
kleine marterachtige
Zonering gebruiksfuncties en natuur
Weidehommel, merel,
Uitwerking kerngebied doelsoorten
muizen, ransuil, veldsalie
Zonering gebruiksfuncties en natuur
Weidehommel, muizen,
Uitwerking kerngebied doelsoorten
ransuil
Aangepast beheer:
6700 m
2
sinusbeheer maaien Aangepast beheer: t/m
10600 m
april niet maaien van
2
gazon
Mantel- en zoomvegetatie Mantel- en zoomvegetatie zijn natuurlijke en geleidelijke overgangen van kruiden- en bloemrijk grasland naar struweel en bos (zie figuur 4.1). Dergelijke landschapselementen dienen als beschutting voor egel en muizen en bieden een rijk foerageergebied aan merel, weidehommel en vleermuizen, onder andere rosse vleermuis. Deze maatregel draagt indirect ook bij aan de ransuil omdat het een goed habitat voor muizen creëert. De minimale breedte van de mantel is 6 meter. Vegetatie die hiervoor gebruikt kan worden zijn meidoorn, wilde appel, bosaalbes, Gelderse roos, hazelaar, hondsroos, rode kornoelje, vlier, vuilboom en zwarte bes. Een aantal van deze soorten zijn ook eetbaar voor de mens. De zoom heeft een breedte van minimaal 3 meter en bestaat uit ruigtekruiden die zich spontaan kunnen vestigen. Bijvoorbeeld soorten zoals fluitenkruid, look-zonder-look, zevenblad, grote brandnetel en echte valeriaan. De toepassing van deze maatregel is geschikt voor alle overgangen van bos naar gazon die voldoende zon krijgen. Voor enkele delen is het nodig om het wandelpad te verleggen.
18/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Figuur.4.1 Globaal beeld van mantel- en zoomvegetatie. Bron: ecopodia.
Zone met houtrillen en stobben Plaats aan de randzones of langs paden takkenrillen en -hopen waar dieren als egel, maar ook marterachtigen in kunnen schuilen. Goed ontwikkelde takkenrillen kunnen bovendien geschikt zijn als verblijfplaats voor overwinterende insecten. Schaduwrijke delen van de overgang van bos naar gazon worden begrensd met houtrillen en stobben. Voor de opbouw hiervan kan de Beheerwijzer voor kleine marterachtigen (Zoogdiervereniging, 2018) als leidraad aangehouden worden. Op Sportpark Elsenburg zijn al enkele takkenrillen aangelegd (figuur 4.2). Houtrillen bieden beschutting voor kleine fauna, omdat ze kunnen dienen als schuilplaatsen en nestelplekken. Ze beschermen de dieren tegen de wind en kunnen dienen als overwinteringsplekken. Houtrillen kunnen ook bijdragen aan rust voor kleine fauna, doordat ze de toegankelijkheid van het gebied beperken. Hierdoor wordt verstoring door recreanten en loslopende honden verminderd en ontstaat er een rustiger leefgebied voor de dieren.
19/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Figuur 4.2. Voorbeeld van een takkenril die is aangelegd op sportpark Elsenburg
Aanleg natuurvriendelijke oever Het verwijderen van beschoeiing langs watergangen biedt kansen voor de realisatie natuurvriendelijke oevers en maakt de watergangen beter uittreedbaar voor (water)vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. De aanleg van een natuurvriendelijke oever versterkt blauwe verbindingszone 13. De natuurvriendelijke oever wordt aangelegd volgens het onderstaande ontwerp:
Figuur 4.3. Principeprofiel van de natuurvriendelijke oever in het Elsenburgerbos inclusief de zone voor nat hooiland en helling.
20/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Een plasbermprofiel optimaliseert de ondiepe zone onderwater en vormt daarmee een paai- en opgroeigebied voor vissen (bittervoorn, snoek) en een leefgebied voor amfibieën en libellen. In het detailontwerp dienen de breedte (2 – 4 m), de diepte (variërend tussen 0.4 en 0,1) worden vastgesteld evenals de eventuele vooroeverconstructie en de keuze voor het plantmateriaal. Bij eventuele aanplant dienen korven of netten te worden geplaatst om de aanplant minimaal 1 jaar te beschermen in verband met de watervogelpopulatie. Een variant op de plasberm is het principe paaiplaats, waarbij achter een vooroever een ondiepe zone wordt gecreëerd. Deze is ideaal als paaiplaats voor vissen en leefgebied voor kikkers en salamanders. Beheermaatregelen: Tweejaarlijks, gefaseerd maaien van de oevervegetatie. Om te voorkomen dat de natuur
-
te veel gestoord wordt, denk aan de soorten in het riet maar ook de soorten die schuil- en nestplaatsen hebben in de natuurvriendelijke oevers, wordt er om en om aan één zijde kant van de watergang gemaaid.. Mogelijk is beheersing van de watervogelpopulatie nodig voor het op langere termijn gezond houden van de natuurvriendelijke oevers, door bijvoorbeeld het uit rasteren voor ganzen, zwanen en eenden.
Ontwikkeling nat hooiland Het grasland tussen het Elsenburgerbos en het TNO-gebied is een drassig gebied op kleigrond. Dit biedt de gelegenheid voor het ontwikkelen van een nat hooiland. Dit vochtige, bloemrijke hooiland zal ontwikkeld worden gericht op orchideeën (rietorchis). Ontwikkeling van nat hooiland zal de ecologische kwaliteit van het Elserburgerbos versterken en de bloemen zullen verschillende insectensoorten aantrekken, waaronder de doelsoort weidehommel.
Figuur 4.4. Impressie van nat hooiland met o.a. rietorchis
21/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Bijenburcht Bijen hebben naast nectar en stuifmeel ook plekken nodig om te schuilen, zich voort te planten en te overwinteren. Een zogenaamde bijenburcht biedt hiervoor faciliteiten voor een breed spectrum aan bijen. Een bijenburcht is een soort bijenhotel in de grond; het is een grote heuvel van leemhoudend zand waarin ook stengels en houtstronken zijn verwerkt. Een bijenburcht is ingericht voor bijensoorten die onder de grond nestelen (bijvoorbeeld zandbijen). De burcht is dan grotendeels opgebouwd uit leem waarin de soorten zelf nesten kunnen graven. In de houtstronken zijn kleine gaatjes en gangetjes aanwezig of gemaakt waar metselbijen in kunnen overwinteren. Rondom de bijenburcht worden inheemse nectarplanten aangeplant zoals wilde marjolein, kattenkruid, klaproos, knoopkruid, duizendblad, wilde tijm en gewone rolklaver. De bijenburcht biedt ook een mogelijkheid voor educatie over wilde bijen. In het toekomstige Elsenburgerbos zijn dood hout en open grond naar verwachting in voldoende mate aanwezig.
Figuur 4.5. Voorbeeld van een ontwerp voor een bijenburcht
22/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Aangepast beheer: laat dood hout liggen in het bos Laat het bos op natuurlijke wijze doorgroeien en laat waar mogelijk dood hout liggen. Dit is geschikt als voedselbron en nestplaats voor boomklever, roodborstje en winterkoning. Daarnaast is het een plaats waar paddenstoelen zich kunnen ontwikkelen en draagt het bij aan een gezonde bodem. Muizen en egels kunnen er beschutting vinden. Het zorgt tegelijkertijd voor zonering, omdat dood hout het bos dichter en minder toegankelijk maakt. Het enige actieve beheer is het vrijhouden van wandelpaden in geval van omgevallen bomen. Deze bomen kunnen dan in het bos neergelegd worden. Aangepast beheer: sinusbeheer maaien Sinusbeheer is één van de manieren om te borgen dat er in het groeiseizoen altijd voldoende kruiden en bloemen intact blijven. Door het gefaseerde maaibeheer wordt er veel variatie gecreëerd op een kleine oppervlakte. Dit is goed voor de voedselvoorziening voor weidehommel, vlinders, en zangvogels zoals de merel. Het sinusbeheer wordt toegepast op een plaats waar momenteel 1 keer per jaar in september gemaaid wordt. Doordat er vaker wordt gemaaid zal er (ten opzichte van maaien in september) meer lage vegetatie aanwezig zijn, wat gunstig is voor de veldmuis, stapelvoedsel voor de ransuil. Per maaibeurt blijft er ongeveer 40% van de vegetatie staan. Er wordt gemaaid vanaf april.
Het maaien gebeurt in een sinusbeweging, ook wel een sinuspad genoemd. Nadat de vegetatie in het sinuspad weer aangegroeid is, dit is afhankelijk van de tijd van het jaar, kan er opnieuw gemaaid worden. Bij elke maaibeurt wordt er een ander sinuspad gecreëerd waardoor er veel variatie ontstaat. Let tijdens het vogelbroedseizoen (maart-juli) op eventueel aanwezigen broedplaatsen in hoog gras voordat er gemaaid wordt. In geval van broedplaatsen kan er niet gemaaid worden. Aangepast beheer: t/m april gazon niet maaien Om de kwaliteit van het gebied als zijnde leefgebied voor weidehommel en andere soorten insecten te verbeteren kan worden gekozen om intensief beheerde gazons te transformeren tot bloemrijke graslanden. Dit kan gepaard gaan met recreatie door lokaal paadjes te maaien. Aangepast maaibeheer zorgt voor structuurrijk gras en meer ruimte voor andere soorten in het gazon. Hierdoor kunnen vroegbloeiende soorten, waaronder pinksterbloem en paardenbloem, tot bloei komen. Wilde bijen (weidehommel) zullen hiervan in het voorjaar gebruik van maken. Deze maatregel wordt toegepast op plaatsen waar nu gazon maaien wordt toegepast volgens de maaikaart van de gemeente Rijswijk. Zo wordt biodiversiteit vergroot zonder inbreuk op de waarde voor recreatie van dit gazon. 4.2.3.3 Overige maatregelen (niet op kaart) Onderzoek aangepast peilbeheer vijvers Elsenburgerbos.
Het huidige peilbeheer in de vijvers is niet natuurlijk. Dit beperkt de ontwikkeling van de natuurvriendelijke oevers en leidt mogelijk tot erosie in de oeverzone. Aanbevolen wordt om de mogelijkheden voor meer natuurlijk peilverloop (hoog in de winter, uitzakkend naar laag in de zomer) in beeld te brengen en indien mogelijk toe te passen.
23/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Natuurlijke bosstructuur Het aantal bomen dient gehandhaafd te blijven om voldoende leefgebied te kunnen bieden voor merel en boomklever. Zoek ruimte voor de aanplant van bedragende en vruchtdragende struiken. Deze dragen bij aan de biodiversiteit en bieden beschutting, nestlocaties en foerageergebied aan soorten als egel en merel. Plant deze bij voorkeur langs bestaande wandelstructuren waar weinig beplanting aanwezig is of in een mozaïekvorm in open plekken in het gebied. Voor voldoende rust voor dieren ’s nachts en daarnaast het Elsenburgerbos als een geschikte plek voor vleermuizen te behouden is voldoende donkerheid ’s nachts van belang. Zoneringsplan In de huidige situatie wordt een gedeelte van het bos al gebruikt als mountainbike route wat leidt tot verstoring van flora en fauna. Door de mountainbike-route te zoneren en deze af te stemmen op de aanwezige fauna en flora, kan de impact van de recreatie op de natuur worden verminderd. Een bufferzone tussen de mountainbike route en het leefgebied van de kleine fauna kan bijdragen aan beschutting en rust. Deze zone kan bijvoorbeeld bestaan uit houtrillen en struikgewas. Een mountainbike route die afgezet is met houtrillen (ten minste 50%) en struikgewas kan bijdragen aan beschutting en rust voor kleine fauna, zoals insecten, kleine zoogdieren en vogels.
Het is belangrijk om te benadrukken dat de zonering van recreatie en het gebruik van houtrillen slechts enkele maatregelen zijn om de impact van recreanten op de natuur te verminderen. Door rustgebieden te creëren, kunnen kleine fauna en hun leefgebieden worden beschermd. Deze gebieden kunnen bijvoorbeeld bestaan uit kwetsbare plantensoorten, paddenstoelen en broedgebieden voor vogels als boomklever en winterkoning. Dit alles kan in een zoneringsplan vastgelegd worden die is toegespitst op de specifieke aanwezige natuurwaardes in het Elsenburgerbos. Om deze zones te creëren dienen als beheermaatregelen de takken die beschikbaar zijn na het snoeien van het bos zo veel mogelijk gebruikt te worden voor deze maatregel.
4.3
Deelgebied Slagenlandschap
4.3.1
Wat zegt de visie?
Het slagenlandschap vormt hét kerngebied voor water- en moerasnatuur in de driehoek Pasgeld. Er is sprake van een open graslandschap met sloten, poelen en moeraszones. Het slagenlandschap heeft voldoende omvang (circa 9 ha) om de icoonsoorten meervleermuis en bittervoorn een leefgebied te bieden. Er liggen diverse kansen om de kwaliteit van de leefgebieden te versterken, zodat een duurzame staat van instandhouding geborgd wordt. Het verbeteren van de waterkwaliteit en diverser maken van de oevervegetatie kan bijdragen aan de leefgebiedsfunctie van het gebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, watervogels en vissoorten als bittervoorn. Opgave: behoud het huidige oppervlakte slagenlandschap, versterk op diverse punten de kwaliteit door natuurvriendelijke oevers aan te leggen en bijpassend maai- of graasbeheer toe te passen. Onderzoek de mogelijkheid voor het verhogen van de grondwaterstand, zodat het waterpeil
24/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
dichter bij het maaiveld komt te liggen. Dit stimuleert de ontwikkeling van vegetatie op plasdraszones. Kansen voor behoud en verbeteren ecologische kwaliteit • Creëer structuurrijke vegetaties langs de rijen knotwilgen langs fietspaden, zodat plekken met beschutting ontstaan die kunnen fungeren als winterbiotoop en dekking voor amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Meekoppelkansen: • Waterbergingsopgave RWS en berging in extreme situaties door afgraven talud langs slootjes tot NVO’s. De zone direct rond de waterlijn wordt hierbij optimaal benut •
Onderzoek de mogelijkheid voor vismigratie bij het gemaal aan de Vliet.
Opgave volgens natuurwaardekaart: Kerngebied water en moerasnatuur (9 Ha) versterken Knelpunt bij verbindingszone 3 met 13 (gemaal) oplossen Verbindingszones: • Groene verbindingszone 2 tussen Elsenburgerbos, langs het slagenlandschap en TNOterrein naar de parkloper, versterken • Blauwe verbindingszone 12 vanaf primaire waterkering tussen slagenlandschap en TNOterrein door naar de parkloper versterken • Blauwe verbindingszone 13, het verlengde van de Zweth en primaire waterkering, versterken 4.3.1.1 • • • •
Aandachtspunten en kansen Behouden kenmerkende groenblauwe structuren slagenlandschap Natuurvriendelijke oevers waarbij open beeld van slagenlandschap behouden blijft Versterken groenblauwe verbinding 2 & 12, aansluiting slagenlandschap op Parkloper Uitwerken stapstenen doelsoorten
4.3.2
Recente ontwikkelingen, plannen en inzichten
Het historisch karakter van het slagenlandschap is als zodanig ontstaan vanaf de 10e eeuw. Het gebied waarin tegenwoordig Rijswijk en Delft liggen maakte onderdeel uit van het graafschap van Holland. Om gebieden met moerasachtige kleigrond of veen om te zetten in landbouwgrond werden zij allereerst verdeeld in lange stroken. Vervolgens werd de begroeiing weggehaald en werden er stroken uitgegraven, zodat er, soms kilometerslange sloten ontstonden. Haaks op de lange sloten worden voor verdere ontwatering korte sloten gegraven, hierdoor ontstonden rechthoekige kavels. De symmetrische indeling die dit opleverde, wordt wel een stroken- of slagenlandschap genoemd. Bij de weilanden ten zuiden van voormalige boerderij Vlietzigt aan het Jaagpad is dit patroon nog duidelijk herkenbaar (bron: De geschiedenis van Pasgeld en ’t Haantje).
25/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
De grond van de weides bestaat voornamelijk uit klei, geen veen. Tijdens de veldbezoeken en werksessies is invulling gegeven aan het toekomstige beeld en karakter van het slagenlandschap: stroken open weidelandschap tussen parallelle sloten. Het beheer bestaat uit hooien aangevuld met extensieve beweiding. De slagen worden begrensd door natuurvriendelijke oevers. Groenblauwe structuren die behouden moeten blijven zijn: 1. 2.
Knotessen, als kenmerkende groenstructuren van het slagenlandschap Het slotenpatroon
4.3.3 De uitwerking concreet De maatregelen voor de opgestelde aandachtspunten staan weergegeven op kaart in bijlage 1. 4.3.3.1 Aanvulling doelsoorten en programma van eisen Doelsoorten voor het slagenlandschap als kerngebied water- en moerasnatuur: • Bittervoorn • Dotterbloem • • • • •
Rietorchis Meervleermuis Watervleermuis Glassnijder Argusvlinder
Overige doelsoorten: • Haas en konijn • •
Foerageergebied voor ransuil, lepelaar, ooievaar en kievit Aanvullend voor water en moeras: snoek, waterhoen, groene kikker
Grasland met verschillende hoogtes en dichtheden biedt dekking en afwisselend voedsel voor de haas en een gezonde veldmuizenpopulatie. Rietkragen en oevervegetatie als begroeiing bieden daarnaast beschutting voor kleinere soorten fauna. Ooievaars, lepelaars en kieviten vinden hun voedsel in het slagenlandschap en zijn hier ook regelmatig waargenomen. Een geschikt foerageergebied voor deze soorten bestaat uit voldoende open grasland met een vochtige bodem met insecten en regenwormen, afgewisseld met ondiep water met een diepte van maximaal enkele decimeters. 4.3.3.2
Voorgestelde maatregelen
Er zijn verschillende maatregelen voor de opgestelde aandachtspunten. Tabel 4.2 geeft een overzicht van de voorgestelde maatregelen en de bijdrage van deze maatregelen aan de aandachtspunten en doelsoorten.
26/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Tabel 4.2 Voorgestelde maatregelen en de bijdragen ervan aan aandachtspunten en doelsoorten Maatregelen
Oppervlak /
Draagt bij aan aandachtspunten:
lengte / aantal Ontwikkelen van
98.200 m
2
Draagt bij aan doelsoorten:
Beeld: open weidelandschap met
Weidehommel, konijn,
extensief beheerd (hooien en vee).
haas
Natuurvriendelijke oevers waarbij
Bittervoorn, snoek,
natuurvriendelijke
open beeld van slagenlandschap
waterhoen, groene kikker,
oevers
behouden blijft
glassnijder,
Versterken groenblauwe verbinding
meervleermuis,
2 & 12, aansluiting
watervleermuis
kruiden- en bloemrijk grasland Aanleg
3020 m2
slagenlandschap op Parkloper
Aanleg
3015 m2
Herstel Zwethzone
Bittervoorn, snoek,
natuurvriendelijke oever
Natuurvriendelijke oevers waarbij
waterhoen, groene kikker,
met rietvegetatie
open beeld van slagenlandschap
glassnijder,
behouden blijft
meervleermuis, watervleermuis
Aanbrengen zone met
525 m
houtrillen en stobben
Versterken groenblauwe verbinding
Paddenstoelen, muizen,
2 & 12, aansluiting
groene kikker
slagenlandschap op Parkloper Uitwerken stapstenen doelsoorten Aanbrengen duiker
36 m
Versterken groenblauwe verbinding
Bittervoorn, snoek
2 & 12, aansluiting slagenlandschap op Parkloper Herstel Zwethzone Ontwikkelen paaiplaats
375 m2
Uitwerken stapstenen doelsoorten
Bittervoorn, snoek
Insectenbankje
2x
Uitwerken stapstenen doelsoorten
Weidehommel
Beeld: open weidelandschap met kleinschalig, extensief beheerd vee Aanbrengen
1x
Uitwerken stapstenen doelsoorten
Ooievaar
5 (elke 50m)
Gezond en natuurlijk water
Waterhoen, haas
Op aangegeven
Behouden kenmerkende
Konijn
locaties
groenblauwe structuren
faunavoorzienig: ooienvaarsnest Aanleg faunatrappetjes
Ontwikkelen mantelzoom vegetatie Behouden bosschages
slagenlandschap
Ontwikkelen van kruiden- en bloemrijk grasland
27/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
In de het huidige situatie worden de slagen intensief door vee en paarden beweid. Het gevolg is eutroof en verruigd grasland. Deze situatie dient te worden getransformeerd tot bloemrijk graslanden. Hiermee wordt de kwaliteit van het gebied als leefgebied voor haas, kievit, lepelaar, ooievaar, weidehommel, argusvlinder en andere soorten insecten verbeterd. Het slagenlandschap kenmerkt zich verder door de openheid. Dit is belangrijk vanuit cultuurhistorie en het behoud van het landschapsbeeld, maar ook voor de typische soorten die hier hun voedsel vinden. Verschraling van de slagen kan worden bereikt door aangepast beheer: hooien en na beweiden met vee (extensief). Zorg voor een maai- of graasbeheer dat bijdraagt aan het realiseren van een diverse vegetatiestructuur die onder andere geschikt is voor weidehommel en argusvlinder. Om de openheid verder te versterken zullen op sommige plekken jonge bomen en struiken worden weggehaald. Aanleg natuurvriendelijke oevers (basis) Realiseer natuurvriendelijke oevers langs secundaire polderslootjes conform de voorschriften van het Hoogheemraadschap Delfland. Hierdoor verbetert de waterkwaliteit alsook het leefgebied van bittervoorn en het biotoop voor glassnijder (libel), dotterbloem, en andere oevervegetaties met bijvoorbeeld rietorchis die de biodiversiteit ten goede komen.
Plant hier relatief laag blijvende soorten als egelskop en gele lis. De aanleg van natuurvriendelijke oevers maakt de watergangen beter uittreedbaar voor vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Zie figuur 4.6 voor een principeprofiel. In dit principeprofiel is gekozen voor een gedeeltelijke beschoeiing ten behoeve van erosiebestendigheid.
Figuur 4.6. Principeprofiel natuurvriendelijke oevers voor secundaire polderslootjes in het slagenlandschap.
Aanleg natuurvriendelijke oevers met rietvegetatie Realiseer natuurvriendelijke oevers langs primaire watergangen conform de voorschriften van het Hoogheemraadschap Delfland. Hierdoor verbetert de waterkwaliteit alsook het leefgebied van bittervoorn en het biotoop voor glassnijder, dotterbloem, en andere oevervegetaties met bijvoorbeeld rietorchis die de biodiversiteit ten goede komen. Aandachtspunt is hierbij de ontwikkeling van een diverse rietvegetatie. Aanplant van bestendige soorten als lisdodde, , kattenstaart en waterzuring helpen te voorkomen dat er een homogene vegetatie van riet ontstaat. Zie figuur 4.7 voor een principeprofiel. In dit principeprofiel is gekozen voor een gedeeltelijke beschoeiing ten behoeve van erosiebestendigheid.
28/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Figuur 4.7. Principeprofiel natuurvriendelijke oever met rietvegetatie voor aan de primaire waterkering in het slagenlandschap.
Ontwikkelen paaiplaats Voor een gezonde populatie vissen in het kerngebied moeten er voldoende mogelijkheden zijn om te kunnen voortplanten. Langs natuurvriendelijke oevers kunnen enkele plekken ingericht worden als paaiplaats (zie figuur 4.8). Soorten als bittervoorn paaien in ondiep water, waar de eieren en larven voldoende beschutting hebben en voedsel kunnen vinden. De bittervoorn heeft beschutting nodig tegen roofdieren en andere bedreigingen. Een geschikte paaiplaats moet daarom voldoende schuilplaatsen bevatten, zoals waterplanten, takken en stenen. De bittervoorn is een plantminnende soort. Ze leven hebben een voorkeur voor stilstaande tot langzaam stromende wateren met plantenrijke oevers. Zoetwatermossels zijn essentieel voor de voortplanting van de bittervoorn omdat ze hierin hun eitjes leggen en de larven tot ontwikkeling komen.
Figuur 4.8. Principeprofiel voor het ontwikkelen van paaiplaatsen in een natuurvriendelijke oever.
Aanbrengen zone met houtrillen en stobben Plaats aan de randzones of langs paden takkenrillen en hopen als overwinteringshabitat voor amfibieën of schuilmogelijkheid voor muizen. Goed ontwikkelde takkenrillen kunnen bovendien geschikt zijn als verblijfplaats voor overwinterende insecten. Schaduwrijke delen van de overgang van bos naar gazon worden begrensd met houtrillen en stobben. Aanbrengen duiker Om EVZ 2 & 12 te verbinden en slagenlandschap aan te sluiten op de Parkloper is een duiker gewenst. De watergang bevindt tussen oude hoge bomen waarvan de ecologische waarde belangrijker is dan het verder ontwikkelen van de watergang hier. Daarnaast zal hier een
29/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
fietspad/weg blijven lopen. De duiker is van belang voor de doorstroom van het water vanuit het kerngebied naar de stapstenen voor water- en moerasnatuur in de parkloper. Insectenbankje In plaats van de reguliere bankjes voor mensen om op te zitten, kan zitgelegenheid gecreëerd worden door stenen of oude stoeptegels te stapelen die tevens bieden als groeiplaats voor planten of als wegkruipmogelijkheden voor diverse insecten. Aanbrengen faunavoorziening: ooievaarsnest Naast foerageergebied kan het slagenlandschap ook nestgelegenheid voor de ooievaar bieden in de vorm van een kunstmatige nestpaal. Aanbrengen faunavoorziening: faunatrappetjes Uittreedplaatsen langs de Vliet kunnen als faunavoorzieningen aangebracht worden om de barrièrewerking te verminderen voor hazen en uitwisseling met de populatie in de golfbaan mogelijk te maken. Behouden bosschages (waar aangegeven) Een aantal bomen dient gehandhaafd te blijven om voldoende leefgebied te kunnen bieden voor merel en boomklever. Zoek ruimte voor de aanplant van bedragende en vruchtdragende struiken. Deze dragen bij aan de biodiversiteit en bieden beschutting, nestlocaties en foerageergebied aan soorten als egel en merel. Plant deze bij voorkeur langs bestaande wandelstructuren waar weinig beplanting aanwezig is of in een mozaïekvorm in open plekken in het gebied.
Mantel- en zoomvegetatie Zie uitwerking van deze maatregel bij Elsenburgerbos. Voor het slagenlandschap past deze maatregel in de hoek richting de parkloper, waar zich nu een verwilderde bosschage bevindt. Om hier een overgangssituatie te creëren, vanuit het open grasland als aansluiting op de groenstructuur van het TNO-terrein ten zuiden en de parkloper ten zuidwesten, is het wenselijk hier ruig grasland te ontwikkelen tussen de bomen die behouden blijven. 4.3.3.3 Overige maatregelen (niet op kaart Beheerplan slagenlandschap Om het open karakter van het slagenlandschap te behouden en op de juiste manier invulling te geven aan natuurvriendelijke oevers, extensieve begrazing en waterkwaliteit is het van belang een beheerplan op te stellen voor het slagenlandschap. Hierin kan zowel het beheer als de organisatie daaromheen in worden vastgelegd. Voetpad van asfalt vervangen door schelpenpad Een schelpenpad biedt een betere waterdoorlatendheid, waardoor het water beter kan worden opgenomen in de bodem. Het geeft daarnaast een meer natuurlijke uitstraling en past beter in een groene omgeving.
30/78
Kenmerk
R001-1288545PDK-V01
Behouden knotessen Behouden van de knotessen draagt bij aan het behouden van de kenmerkende groenstructuren van het slagenlandschap. De takken die vrijkomen bij het knotten kunnen in de omgeving gebruikt worden voor de aanleg van takkenrillen of andere groenstructuren. Knotessen bieden daarnaast schuilmogelijkheden voor overwinterende amfibieën of nestplaatsen voor roodborst. Waterkwaliteit Het is de moeite waard om een waterkwaliteit studie uit te voeren om te zorgen voor schoon en gezond water in de driehoek Pasgeld dat tevens een drager van biodiversiteit is. Dit kan door meer inzicht te vergaren over wat nodig is en welke kansen er liggen door onderstaande zaken te onderzoeken: -
In welke mate / verhoudingen wordt het water door welke bronnen gevoed en welke kwaliteiten hebben deze. Denk aan de voeding van het systeem (inlaatwater Vliet, regenwater, afspoelend hemelwater, drainage water) en onderzoek welke andere (verontreinigings)bronnen er zijn.
-
Hoe stroomt het water en hoe snel en waar wordt het ververst? Zijn er plekken met nauwelijks verversing? Zijn er op basis van inzicht in kwaliteit, verblijfstijden en bronnen waterkwaliteitsproblemen te verwachten en waar treden die op? Hoe kan de waterkwaliteit structureel verbeterd worden (en hoe nodig is dat)? Verken de mogelijkheid om het water in droge perioden te zuiveren. Wat vraagt dit aan de sturing van water binnen het systeem? Welke capaciteit / oppervlakte is nodig voor zuivering met een substantiële verbetering?