CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

IB 21 065 (03) Bijlagen 5-8 bij de toelichting (002).pdf

Forum Stad 2 september 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken: vaststelling wijze van afdoening19.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. Rr7nLjaizYw6 (17 mei 2021) pagina 1/6

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Tonnaer

Karel Doormanlaan 155, 2283 JW Rijswijk

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Appartementencomplexen Karel Rr7nLjaizYw6 Doormanlaan

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

17 mei 2021, 16:40

2019

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

177,40 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

realiseren appartementencomplexen

Situatie 1

Rr7nLjaizYw6 (17 mei 2021) pagina 2/6

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Resultaten

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 1 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

< 1 kg/j

177,35 kg/j

Bron 2 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Rr7nLjaizYw6 (17 mei 2021) pagina 3/6

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Resultaten

Voertuig

Omschrijving

AFW

Bron 1 82400, 451044 177,35 kg/j < 1 kg/j

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

Graafmachine

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

28,26 kg/j < 1 kg/j

AFW

Vrachtwagen

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

3,18 kg/j < 1 kg/j

AFW

Betonmixer

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

8,83 kg/j < 1 kg/j

AFW

Betonstorter

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

33,12 kg/j < 1 kg/j

AFW

Hijskraan

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

55,20 kg/j < 1 kg/j

AFW

Heistelling

4,0

4,0

0,0 NOx

17,66 kg/j

AFW

Emissie uit stationair draaien

4,0

4,0

0,0 NOx

31,10 kg/j

Situatie 1

Rr7nLjaizYw6 (17 mei 2021) pagina 4/6

Resultaten

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Bron 2 82424, 451022 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Zwaar vrachtverkeer

990,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Licht verkeer

1.550,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Middelzwaar vrachtverkeer

100,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

Rr7nLjaizYw6 (17 mei 2021) pagina 5/6

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

Rr7nLjaizYw6 (17 mei 2021) pagina 6/6

Bijlage 5

AERIUS berekening gebruiksfase

Pagina 14 van 14

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RuBjsGjYbN2s (17 mei 2021) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Tonnaer

Karel Doormanlaan 155, 2283 JW Rijswijk

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Appartementencomplexen Karel RuBjsGjYbN2s Doormanlaan

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

17 mei 2021, 16:49

2019

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

< 1 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

realiseren appartementencomplexen

Situatie 1

RuBjsGjYbN2s (17 mei 2021) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Bron 1 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

< 1 kg/j

< 1 kg/j

RuBjsGjYbN2s (17 mei 2021) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Resultaten

Bron 1 82414, 451018 < 1 kg/j < 1 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

352,0 / etmaal NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Middelzwaar vrachtverkeer

100,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

50,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

RuBjsGjYbN2s (17 mei 2021) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

RuBjsGjYbN2s (17 mei 2021) pagina 5/5

bestemmingsplan "Karel Doormanlaan 155-157"

252

Bijlage 7

Gemeente Rijswijk

Quickscan flora en fauna

253

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA KAREL DOORMANLAAN 155 TE RIJSWIJK

Rapportage quickscan flora en fauna Karel Doormanlaan 155 te Rijswijk Opdrachtgever

Lammers Real Estate Postbus 443 6000 AK Weert

Rapportnummer Versienummer

5343.003 D1

Status

Eindrapportage

Datum

11 december 2017

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

drs. A.N. de Keijzer

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ing. R.J. Stoffer

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 11 Ongewervelden............................................................................................................... 12 Vaatplanten..................................................................................................................... 12

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 13 Vleermuizen .................................................................................................................... 13 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 14 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 15

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 16 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 18

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 19

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5343.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Lammers Real Estate opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Karel Doormanlaan 155 te Rijswijk. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 5343.003 versie D1

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 3.930 m²) ligt aan de Karel Doormanlaan 155, circa 0.5 kilometer ten noorden van de kern van Rijswijk. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 30G (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 82393, Y = 451052.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is bebouwd met een kantoorpand (± 2.430 m²) dat incourant en nagenoeg leegstaand is. Aan de zuidwest- en zuidoostgrens van de onderzoekslocatie bevindt zich een watergang met tuinbeplanting bestaande uit algemene tuinsoorten zoals sneeuwbes, coniferen en berken. Langs de Karl Doormanlaan bevinden zich boomrijen. De noordwestelijke bomenrij bestaat uit eiken en de zuidwestelijke boomrij bestaat uit paardenkastanjes, welke doorloopt in het park “De Driesprong”. In het noordoosten van het plangebied bevinden zich bij de perceelgrens berken, wilgen en zwarte elzen. Ten noordwesten van de onderzoekslocatie, aan de overkant van de Karel Doormanlaan bevindt zich het park “De Driesprong” met een poel, watergang met speellocatie en bomen die uit eiken en paardenkastanjes bestaan. Verder naar het noordwesten (300 meter) is “De Put” of “Meer van Labouchère” gelegen. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie, aan de andere kant van de Sir Winston Churchilllaan bevindt zich een parkje met oude bomen en watergangen.

Rapport 5343.003 versie D1

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Zicht vanaf het park De Driesprong op het pand.

Figuur 4. Zicht noordwaarts vanaf Sir Winston Churchilllaan op het pand.

Figuur 5. Open stootvoeg mogelijke ingang voor vleermuizen.

Figuur 6. Overzicht foto van de watergang aan het zuidoosten.

Figuur 7. Foto van boomkruiper op een eik binnen de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Kauwen binnen de onderzoekslocatie.

Rapport 5343.003 versie D1

Figuur 9. Oude paardenkastanje met een nestlocatie zoals figuur 11.

2.2

Figuur 10. Zicht noordwaarts vanaf Karel Doormanlaan naar het park De Driesprong.

Figuur 11. Paardenkastanjes langs Generaal Swartlaan met 5 nestlocaties.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen ten behoeve van een woningbouw. Beoogd wordt, na het amoveren van het kantoor, ter plaatse 64 gestapelde woningen te realiseren. De locatie wordt omgeven door watergangen, welke geen onderdeel zijn van het plangebied. Hoewel een definitief verkavelingsplan nog niet voor handen is, is een initiale modellenstudie door architectenbureau van Dongen-Koschuch in juli 2017 uitgevoerd (zie figuur 12). Het plan voorziet het creëren van een groene buffer die het park “De Driesprong” en het parkje gelegen aan de andere kant van de Sir Winston Churchilllaan verbindt.

Figuur 12. Het plan (variantenstudie).

Rapport 5343.003 versie D1

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en daarna een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 29 november 2017. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland geraadrijswijkpleegd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 5343.003 versie D1

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 wordt deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 5343.003 versie D1

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.

Rapport 5343.003 versie D1

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 5343.003 versie D1

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Van deze soorten zijn volgens gegevens van de NDFF rond de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van gierzwaluw, huismus, kerkuil, ransuil, havik, buizerd, wespendief, slechtvalk, boomvalk, roek, ooievaar en sperwer. Tijdens het veldbezoek op 28 november 2017 is de buitenkant van het pand geïnspecteerd op aanwezigheid van nesten en sporen van gebouwbewonende vogelsoorten. Hierbij zijn geen sporen van nestsituaties aangetroffen. Het gebouw is niet geschikt als broedlocatie voor huismus en gierzwaluw vanwege het ontbreken van onder andere een pannendak en dakgoten. Daarnaast is het gebouw niet geschikt voor slechtvalk vanwege de beperkte hoogte. Broedgevallen voor de soorten zoals kerkuil, ransuil, havik, buizerd, wespendief, boomvalk, ooievaar en sperwer zijn redelijkerwijs uit te sluiten vanwege de stedelijke ligging van het plangebied, kleine oppervlakte, te veel verstoring en het ontbreken van hoge bomen in de omgeving. Roek De aanwezige bomen in de directe omgeving van de planlocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Hierbij zijn tien nesten aangetroffen in de bomenrij met paardenkastanjes die vanaf de Karel Doormanlaan richting Generaal Swartlaan in het park "De Driesprong" staan. Het betreft mogelijk roekennesten.

Roeken zijn echte koloniebroeders. De slordige nesten worden in de toppen van hoge bomen gebouwd. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van deze soort op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie gedaan. Roeken overwinteren gezamenlijk vaak buiten hun broedlocatie. Het plangebied is geschikt als broedlocatie voor roek. De geplande ontwikkeling kan verstoring veroorzaken op een broedpopulatie van de roek. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of de nesten daadwerkelijk van roeken zijn en of werkzaamheden verstorend zullen zijn (zie hoofdstuk 6). 5.1.2

Overige broedvogels

Volgens de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van boomkruiper, boomklever, koolmees, zwarte mees, blauwe reiger, spreeuw, bosuil, gekraagde roodstaart, zwarte roodstaart, draaihals, brilduiker, zeearend, grote bonte specht, groene specht, oeverzwaluw, hop, tapuit, bonte vliegenvanger en ijsvogel. De directe omgeving van de onderzoekslocatie kan onderdak bieden aan een deel van deze soorten zoals koolmees, boomkruiper en boomklever. Deze broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke

Rapport 5343.003 versie D1

gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die in dit geval ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Tijdens het veldbezoek zijn de volgende algemene soorten aangetroffen zoals kauw, duif, pimpelmees, wilde eend, nijlgans en meerkoet. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens de NDFF gegevens is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 5). Het gehele complex is daardoor geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en winterverblijfplaats. Door het slopen van de bebouwing kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- en verblijfplaats van desbetreffende soorten. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen is noodzakelijk (zie hoofdstuk 6). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De gebouwen naast de onderzoekslocatie zijn in potentie ook geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de planlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep. De bomen in de nabije omgeving kunnen in potentie verblijfplaatsen bieden aan de boombewonende vleermuizen zoals watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de planlocatie geen hinder van de ingreep. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal mogelijk gebruikt worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijk laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, voornamelijk noordwestelijk gelegen De Driesprong park en zuidoostelijk gelegen parkje met opengroen en oude bomen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken, gevels en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door

Rapport 5343.003 versie D1

het verwijderen van aanwezige bomen langs Karel Doormanlaan wordt een mogelijke vliegroute voor vleermuizen verstoord. Mogelijk wordt de gevel van het gebouw ook gebruikt als oriëntatie voor een vliegroute. Sloop werkzaamheden zullen in dat geval verstorend werken. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied en direct omgeving voor vleermuizen is noodzakelijk (zie hoofdstuk 6). 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Licht beschermde soorten Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen 2 kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: rosse woelmuis, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, bunzing, hermelijn, konijn, vos, egel en haas. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om bovenstaande algemene soorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat schade aan deze soorten wordt aangericht (zie hoofdstuk 6). Streng beschermde soorten Eekhoorn Volgens gegevens van de NDFF is de eekhoorn rondom het plangebied waargenomen. Deze soort bouwt bolvormig nesten in bomen met zacht materiaal zoals bast, gras, mos of wol. Op basis van het veldbezoek kan op voorhand worden uitgesloten dat deze soort het plangebied gebruikt als broedlocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten en geen sporen aangetroffen. Het plangebied is in potentie geschikt als foerageergebied evenals de omgeving. De omgeving biedt een overvloed aan alternatieve foerageergebied.

Het eventueel verlies van de onderzoekslocatie als foerageergebied zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de lokale eekhoorn populatie. Het voorkomen van streng beschermde zoogdieren is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, alpenwatersalamander, gewone pad, meerkikker en bruine kikker. De sloot aan de zuidwest- en oostzijde van het plangebied kan tot het leefgebied van deze soorten horen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan, met name voor de landfase van deze soorten (zie hoofdstuk 6). Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander komt voor en kan gebruik maken van het plangebied. Er geldt geen algemene vrijstelling voor de soort (zie hoofdstuk 6).

Rapport 5343.003 versie D1

Vissen Volgens de NDFF gegevens komen er geen streng beschermde soorten (Habitatrichtlijn) in omgeving voor. De sloot aan de zuidwest- en oostzijde van de onderzoekslocatie kan wel onderkomen bieden aan algemeen voorkomende vissen soorten. Deze watergangen bevinden zich echter buiten het plangebied en zullen naar verwachting geen effecten van de planontwikkeling ondervinden. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de locatie gedeeltelijk bestaat uit bebouwing en verharding en gedeeltelijk uit tuinbeplanting, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen.

Rapport 5343.003 versie D1

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en overige natuurwetgeving en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Roek Tijdens het veldbezoek zijn tien nesten aangetroffen in de bomenrij met paardenkastanjes die vanaf de Karel Doormanlaan richting Generaal Swartlaan in het park "De Driesprong" staan. Het betreft mogelijk roekennesten. De geplande ontwikkeling kan verstoring veroorzaken ten aanzien van broedpopulatie van de roek. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of de nesten daadwerkelijk van roeken zijn en of werkzaamheden verstorend zullen zijn. De meest geschikte periode voor dit onderzoek is vanaf half maart tot en met half mei (zie hoofdstuk 6). 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper wordt geadviseerd om, indien de bomen met holtes worden gekapt, elders op de onderzoekslocatie nestkasten voor dergelijke soorten te plaatsen. Hierdoor wordt voorkomen dat een uitgebreide omgevingscheck zal moeten uitwijzen of er in dit geval sprake is bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de betreffende nesten van soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben en er sprake zou zijn van een overtreding bij het verwijderen van de nestlocaties.

Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. 6.2

Vleermuizen

De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Rapport 5343.003 versie D1

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2013). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. De bomenrijen langs de Karel Doormanlaan functioneren mogelijk als vliegroute. Door het verdwijnen van de bomen kan deze functie worden verstoord. Ook kan door de voorgenomen plannen de verlichting in de omgeving toenemen, waardoor de functionaliteit van de vliegroute verloren kan gaan.

Geadviseerd wordt om een protocollair vleermuizenonderzoek uit te voeren, zodat de functie van de bomenlanen als vliegroute kan worden vastgesteld. Dit onderzoek bestaat uit 2 bezoeken in de periode van 15 april tot 15 oktober. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander komt voor en kan gebruik maken van het plangebied. Er geldt geen algemene vrijstelling voor de soort. Door te werken met een goedgekeurde gedragscode (Stadswerk Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting) en door het zorgvuldig handelen kan de gunstige staat van instandhouding van de alpenwatersalamander gegarandeerd worden en wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Er dient gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode van de Alpenwatersalamander (buiten voortplantingsperiode maart t/m september). Geadviseerd wordt om deze maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol. Voor de overige te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.

Rapport 5343.003 versie D1

6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 5343.003 versie D1

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Westduinpark & Wapendal, bevindt zich op circa 6 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 13).

Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 6 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 5343.003 versie D1

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 270 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Het betreft “bestaande en nieuwe natuur” (de Put). In figuur 14 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 14. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is op ruim 270 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 5343.003 versie D1

8

HOUTOPSTANDEN

In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wnb. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. De te kappen bomen zijn niet beschermd conform artikel 4 van de Wnb. De oppervlakte van de te kappen bomen is minder dan tien are, of het betreft een rijbeplanting van maximaal twintig bomen; hierdoor vallen ze niet onder de definitie houtopstanden. Bij de voorgenomen kap is dan ook geen sprake van een meldingsplicht en herplantverplichting in het kader van artikel 4.2 en 4.3 van de Wnb. Echter is het binnen de gemeentelijke verordening mogelijk noodzakelijk een kapvergunning aan te vragen. Geadviseerd wordt om hierover contact op te nemen met de gemeente Rijswijk.

Rapport 5343.003 versie D1

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Lammers Real Estate een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Karel Doormanlaan 155 te Rijswijk. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen ten behoeve van een woningbouwlocatie. Beoogd wordt, na het amoveren van het kantoor, ter plaatse 64 gestapelde woningen te realiseren. De locatie wordt omgeven door watergangen, welke geen onderdeel zijn van het plangebied (zie figuur 12). De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of indien binnen broedseizoen vooraf broedvogelinspectie

jaarrond beschermd

ja

ja

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar roek

verblijfplaatsen

ja

ja

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar vleermuizen

foerageergebied

ja

ja

nee

nee

vliegroutes

ja

ja

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar vliegroutes

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Amfibieën

ja

mogelijk

*mogelijk

**mogelijk

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Rapport 5343.003 versie D1

-

*Indien niet gewerkt gaat worden volgens de gedragscode voor de alpenwatersalmander. **Indien alpenwatersalamander aangetroffen is en niet gewerkt gaat worden volgens de gedragscode dient een ontheffing aangevraagd te worden. Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van kleine watersalamander, gewone pad, meerkikker en bruine kikker.

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

6 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

270 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

nee

nee

nee

mogelijkerwijs stelt de gemeente de aanvraag van kapvergunning noodzakelijk, en het is aan te bevelen hierover contact op te nemen met gemeente Rijswijk

Conclusie Binnen het plangebied zijn nesten aangetroffen die mogelijk in gebruik zijn door roeken. Door de planontwikkeling kunnen deze nestlocaties verstoord worden. Geadviseerd wordt in het geëigende jaargetijde nader onderzoek uit te laten voeren naar de potentiele roeken kolonie naast de planlocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Ten aanzien van de alpenwatersalamander wordt geadviseerd om volgens de goedgekeurde gedragscode (Stadswerk Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting) te werken, en vervolgens met een op maat gemaakt ecologische werkprotocol. Indien niet gewerkt gaat worden volgens de gedragscode voor de alpenwatersalamander dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Indien vervolgens alpenwatersalamander aangetroffen wordt dient een ontheffing aangevraagd te worden. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van het plangebied voor vleermuizen (verblijfplaatsen en vliegroutes). Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

De te kappen bomen zijn niet beschermd onder de Wnb, het is aan te bevelen hierover contact op te nemen met gemeente Rijswijk. Met betrekking tot beschermde gebieden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Inventariseren van vleermuizen Vanaf half april tot half oktober zal vleermuisonderzoek uitgevoerd moeten worden door circa 6 veld bezoeken in de avond en vroege ochtend.

Rapport 5343.003 versie D1

Figuur 15. Geschiktheid van perioden voor inventariseren voor de verschillende inventarisatiewijzen aangegeven (Bron: www.bij12.nl).

Inventariseren van roek Vanaf half maart tot half mei zal roek onderzoek uitgevoerd moeten worden door 2 veld bezoeken.

Figuur 16. Geschiktheid van perioden voor inventariseren voor de verschillende inventarisatiewijzen aangegeven (Bron: www.bij12.nl).

GERAADPLEEGDE BRONNEN Algemene Literatuur Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Rijswijk, periode 2007-2017

www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.bij12.nl (Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming) www.zuid-holland.nl (Natura 2000, Natuur Netwerk Nederland)

Econsultancy Rotterdam, 11 december 2017

Rapport 5343.003 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 5343.003 versie D1

Tabel III.

Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming

Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV.

Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=a9ce5455-2f38-40b8-89c7-5c73bb01c876