concept-verslag Forum Stad 21-01-2021
Tekst van het document
CONCEPT-VERSLAG FORUM STAD VAN GEMEENTE RIJSWIJK d.d. 21 januari 2021 AANWEZIG: Voorzitter: mevr. M. Pelzer BvR: de heren Cupedo/ Paredes Sanchez GL: mevr. M. Alberts/ de heer M. Wit VVD: de heren Sleddering / Oelen D66: mevr. Woudstra/ de heer Veerman/de heer Lesemann CDA: de heren Van Enk/ Majjaoui PvdA: de heer Kooy GBR: de heer v.d. Meij RB: de heer M. Weterings WIJ. : de heer Hoek OR: de heer Jense Pf. Houders: de heren Keus/ v.d. Laar; mevr. Besteman Griffie: de heer J Hoefnagel
1.
Opening De voorzitter: Bij deze open ik het Forum van 21 januari 2021. Een bijzonder Forum, met eigenlijk geen raadsvoorstellen, maar wel een aantal geagendeerde IB-brieven.
2.
Algemeen spreekrecht inwoners De voorzitter: Ik begin met agendapunt 2, het algemene spreekrecht. Er hebben zich 2 insprekers gemeld, die zullen live inspreken vanaf het stadhuis en dan via Teams bij u allen binnenkomen. Wil ik als eerste het woord geven de heer Ernst Hoyer over raadsadres 20080, ‘Trots op het Rijswijk van morgen’. De heer Hoyer: Graag maak ik gebruik van het inspreekrecht om de brief met als titel ‘Trots op het Rijswijk van morgen’ toe te lichten. Hierin vragen wij aan u om nog meer dan voorheen bij het nemen van uw beslissingen rekening te houden met de gevolgen ervan op de lange termijn. Concreet vraag ik u, als bewoner van Rijswijk, om een nieuwe omgevingsvisie voor Pasgeld, aangepaste bevelenverandering, onder andere maatschappij, klimaat en directe omgeving. Een visie/masterplan dat voor dit gebied een sterk verouderde en onvolledig uit 2009 stammende masterplan voor Rijswijk-Zuid zou moeten vervangen. Allereerst echter zou ik willen beginnen met 2 recente gebeurtenissen waar we enorm van zijn geschrokken. Gebeurtenis 1: in de formatiebijeenkomst op 7 december over het Havenkwartier – en dan
gaat het over meer dan 2500 woningen en 4000 tot 5000 nieuwe bewoners – wordt terloops opgemerkt dat de nodige natuurwaardencompensatie met name elders gedaan zou kunnen worden, zoals bijvoorbeeld de verbetering van de waterkwaliteit in het Wilhelminapark. Bomen aanplanten is helemaal niet zo nodig, een beetje wel, omdat het beleidsstreven van Rijswijk van één boom per inwoner toch allang is losgelaten. Ook werd geponeerd dat, zonder enige berekening, dat het Elsenburgerbos – dat is een deel van het Pasgeld – voldoende overloopgroen zou bieden voor het opvangen van de nieuwe bewonersaantallen en dat Rijswijk als groene gemeente nog ruim voldoende compensatie zou bieden voor de opvang van de grote groei in de komende jaren. Conclusie: het nu nog groene karakter van Rijswijk wordt dus niet gezien als waardevol onderscheiden identiteit, maar als: er is nog genoeg ruimte om te bouwen. Niet gekwalificeerd, niet onderbouwd en tegen het beleid van de gemeente Rijswijk zelf in. Zo kunnen we nog meer ook van overlap getuigende ontwikkelingen melding maken. Gebeurtenis 2: als bewoner van Pasgeld werden we in oktober vorig jaar opgeschrikt door het verkrijgen van gronden en plotseling voorbelast van Pasgeld-West, een deel tussen Lange Kleiweg en het spoor in. Hoewel wij in een participatietraject zitten over de inrichting van Pasgeld was ons niets meegedeeld.
Zonder vergunning werd daar gereden en door formeel protest opkwam middels in een bezwaarschrift trok men zich uiteindelijk terug. Er is echt al heel veel leed geschied: hazen en roofvogels volgens zijn gevlucht, PasgeldWest – ook een stuk oud slagenlandschap – sterk aangetast. Ook hier blijkt naast een grote haast om te bouwen een absolute ontkenning van Rijswijk als groene gemeente. Open ruimte is schijnbaar ruimte om te bouwen, het liefst zo snel en zo vol mogelijk. Helaas kan ik nog een aantal andere voorbeelden noemen, zoals waarbij een totaalvisie ontbreekt of er wordt volstrekt niet nageleefd, zoals het feit dat Rijswijk er via het projectbureau verbreding A4 moet achter komen hoe enorm waardevol het resterende slagenlandschap is. Terug naar de brief. In onze brief tonen we aan dat er sinds 2009 ongelooflijk veel is veranderd, zoveel dat het onverantwoord is om door te bouwen, letterlijk en figuurlijk op het verouderde masterplan Rijswijk-Zuid uit 2009. We tonen dit aan aan de hand van de thema’s klimaat, biodiversiteit, licht, lucht, geluid, bodem, horizon, infrastructuur, historie, landschap bebouwing, bebouwde omgeving, corona, vele stakeholders, recente ontwikkelingen die nooit zijn meegenomen en last but not least de nieuwe financiële modellen en de nieuwe financiële mogelijkheden.
Met vrijwel al deze elementen is in het masterplan van twaalf jaar geleden geen of nauwelijks rekening gehouden. Nu ontbreekt een samenhangende logica en het steeds invullen van steeds die ene postzegel veroorzaakt stelselmatig nieuwe problemen, van blokkades tot ver in de toekomst. Hierover ook het boekje van rijksbouwmeester Floris Alkemade, wat in de brief kort wordt genoemd. In onze schets schetsen we twee scenario’s van een toekomstige Rijswijk. Het ene scenario: stel, we maken even pas op de plaats en beschouwen in het licht van alle veranderingen of we nog op de goede weg zijn. Of er nog eerder gesteld en nu nog steeds hetgeen is wat we voor ogen hebben en dat er geen zaken zijn waar wij met de ogen van nu onszelf in de toekomst zullen benadelen. Op basis van nieuwe inzichten vanuit een breed omgevingsperspectief, niet alleen vanuit het stedenbouwkundige oog, maar ook met de ogen van een landschapsarchitect wordt naar een breder gebied gekeken. Het landschap en verbeterde landschappelijke waarden worden ook gevisualiseerd. De uitkomst zou dan wel eens een hele andere kunnen zijn. Pasgeld in 2030 is de met visie nog meer verbeterde groenblauwe historische corridor die Rijswijk nadrukkelijk van Delft onderscheidt.
Het is een kwalitatief hoogwaardig aaneengesloten gebied, de unieke biodiversiteit is toegenomen en door de sterk in aantal toegenomen omwonenden, recreanten, bewoners van Rijswijk en vele anderen wordt intensief gebruik gemaakt van dit dicht bij huis gelegen gebied. Er is niet alleen naar Pasgeld in stukjes gekeken, maar met een veel grotere blik, waarbij de ontwikkeling en de omgeving nadrukkelijk zijn meegenomen. Een totale visie op de ontwikkeling van het hele gebied. Meer bomen en water hebben het mogelijk gemaakt dat het gebied een deel van de klimaatdruk opvangt. Rijswijk heeft zijn status als groene gemeente niet verloochend, integendeel, daar extra aandacht aan geschonken. Met trots kan Rijswijk, zoals in de recente geschiedenis al is eerder gebeurd, terugkijken op het feit dat een vooruitziende blik haar onderscheidt van andere steden in Nederland. Een stad die niet alleen heeft gebouwd met stenen, maar ook heeft gebouwd met inzicht, groen, beleid, et cetera. Financieel is het plaatje gezond, omdat rekening is gehouden met mogelijke maatschappelijke kosten en baten en waar bovendien een aantal
alternatieve geldbronnen zijn aangeboord. In 2030 wordt met tevredenheid teruggekeken naar het feit dat even pas op de plaats is gemaakt en dat men in 2021 niet is doorgegaan op de oude weg of de bestaande weg, op basis van verouderde plannen. Dat men terdege rekening heeft gehouden met de veranderde en veranderende omstandigheden, wel gebouwd heeft, maar op de juiste plek. Of er is een scenario 2, doorgaan op de ingeslagen weg. Stel dat we doorgaan op de bestaande oude weg. Volgens in overeenstemming met de masterplannen 2009, een stapsgewijze bouw van de deelgebieden. Dan zou het resultaat in 2030 het volgende kunnen zijn: Rijswijk en Delft zijn vastgegroeid, zodat Pasgeld is volgebouwd. In niets onderscheiden de nieuwe wijken zich van vrijwel overal in Nederland in de jaren 20 en 30 van deze eeuw uit de grond gestampte fantasieloze bebouwing in de periferie van de stad. Een deel van het Elsenburgerbos en wellicht nog een heel klein stukje van het deels afgegraven slagenlandschap zijn overgebleven als laatste stuk aaneengesloten groen. Dit groen voelt een enorme druk vanuit de toegenomen bevolking en de aanpalende gebieden. Bijvoorbeeld de duizenden woningen in RijswijkBuiten in het Havengebied. Kenmerk van het huidige gebied zoals lange zichtlijnen, specifieke biodiversiteit, donker in de nacht, et cetera, zijn grotendeels verloren.
Aan de goede ontsluiting in het openbaar vervoer, aangepast aan de enorme woonaanwas wordt nog niet gewerkt, maar brengt voortdurend hoge extra kosten met zich mee. De Plasbroekpolder daarentegen is nog sterk verpauperd, een substantieel deel van het vastgoed is verder verouderend en incourant. De leegstand is nog verder toegenomen. Wat tot nu toe uitstekend openbaar vervoer was – tram en trein – is niet meer rendabel en deels stilgelegd. Het is een desolaat gebied met weinig activiteit. Om de leefbaarheid te vergroten en de scheefgegroeide roodgroenverhouding weer wat te corrigeren wordt overwogen een aantal gebouwen te slopen om een stadspark te maken. Een dure, maar noodzakelijke ingreep waar destijds geen rekening mee gehouden is. In 2030 wordt betreurd dat men destijds niet of te weinig rekening heeft gehouden met de enorm veranderende omstandigheden. Rijswijk zit met enorme kostenposten, de leefbaarheid is enorm afgenomen, een erfenis uit het recente verleden. Ik rond nu af. Concreet vragen wij u: neemt u beslissingen meer dan ooit tevoren in dit nieuwe jaar op basis van de impact op de lange termijn, houd Rijswijk onderscheidend, borduur niet voort op zwaar verouderde plannen, probeer niet te concurreren met andere gemeentes door nog meer woningen te bouwen. Het onderscheid je niet, sterker: je valt terug en wordt onherkenbaar.
Maak juist gebruik van je sterktes, zoals groen, open en klimaat-adaptief. Verzwak Rijswijks identiteit niet door telkens meer aaneengesloten groen in te leveren, totdat het op is. Dan nog wat concreter: stop met blind doorbouwen in Pasgeld. Ik vraag dat voor iedereen in Rijswijk. Maak pas op de plaats en vraag om een nieuw omgevingsplan, een masterplan voor Pasgeld, waarin met alle factoren rekening wordt gehouden, de brede omgeving, alle elementen die genoemd zijn. Zodat we ook straks onze kinderen recht in de ogen kunnen blijven kijken en niet afpakken wat niet meer terug te draaien is, plus opzadelen met de lasten die wij vandaag niet hebben willen zien. Bij deze. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Hoyer. Iets over de tijd, maar dank voor uw inspraak. Zijn er raadsleden die vragen willen stellen? De heer Van Enk CDA: Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee vragen aan mijnheer Hoyer. Klopt het dat ik uit zijn betoog moet afleiden dat hij gewoon voorstelt dat er niet gebouwd wordt op Pasgeld? Want daar komt het volgens mij echt alleen maar op neer en dat is een duidelijk standpunt. Verwoordt hij dat standpunt ook namens de werkgroep Pasgeld, of is het een persoonlijk standpunt? De heer Hoyer: Het laatste is dat het gewoon de werkgroep Pasgeld is die ik vertegenwoordig.
Het eerste is dat wij in alle realiteit en ook in een samenwerkingstraject bekijken wat de mogelijkheden zijn. Wij zijn niet per definitie tussen helemaal niets bebouwen, we zijn geen aartsconservatievelingen. We zeggen alleen: er zijn veel logischere plekken om te bouwen, er zijn andere methodes om te bouwen, er zijn mindere verdichtingsmogelijkheden. Wij doen al mee in een participatietraject, alleen daar is een andere brief over, dat zult u zien. Maar het is niet per definitie helemaal niets. Wij zijn wel reëel, maar we zeggen wel: dit is een zo waardevol stuk groen dat het een heel ander assessment, een hele andere kijk op de zaak nodig
heeft. Naast alle bebouwing in de omgeving zeker geen dubbeltellingen nodig heeft, zodat het nu – wat het lijkt – het afvoerputje van alles wordt van heel Rijswijk. Straks is het volgebouwd en als het enige alternatief is hetzelfde als wat we nu al kunnen nemen, maar het dan doorgeschoven naar een volgende generatie. Ik hoop dat dat antwoord op uw vraag is. De heer Wit GL: Mijnheer Hoyer, bedankt voor uw inspraak. Ik heb eigenlijk in het begin van het hele relaas wat u in een hele korte tijd ons heeft doen toekomen had u het over de participatie. Daar kwam u net nog even op terug. Kunt u mij aangeven hoe u die participatie momenteel ervaart en hoe dat de afgelopen tijd gegaan is? Want ik heb ook begrepen, de andere brief heeft daar ook iets over te zeggen, maar ik zou het graag uit uw mond ook even horen: hoe ervaart u dat momenteel? De voorzitter: De heer Hoyer. De heer Hoyer: Dank u wel. Dat staat letterlijk in de andere ingekomen brief die er is, zo ervaren wij de participatie. Het ene na de andere vertrouwensbreuk die jullie aan alle kanten weer proberen te herstellen. Achter elkaar aanlopen en elke keer voor voldongen feiten komen te staan. Ik kan daar niet veel meer van maken dan dat het is. Er was laatst dus echt een openingspoging gemaakt om te zeggen: wij willen doorgaan. Maar dan moet toch wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan.
Eén van de allerbelangrijkste voorwaarden is dat er gewoon met ons in alle openheid en alle vertrouwen wordt geschakeld en dat niet continu achter onze rug dingen gebeuren. Ik zal u een voorbeeld geven. Zeer recent blijkt dat er toch een soort van natuurwaardenplan wordt gemaakt voor Pasgeld. Wij weten als werkgroep van niets. Dat lijkt me nogal essentieel, niet? Ik kan daar niets meer van maken. Mevrouw Alberts GL: Voorzitter, dank aan de heer Hoyer voor het inspreken vanavond. Het is heel fijn om wat meer langetermijnvisie in de raad te horen of in dit Forum, want dat horen we niet heel regelmatig. Het is heel fijn dat we deze mooie woorden van u mochten ontvangen. Het rekenkamerrapport waar we later vanavond over zullen gaan spreken gaat er ook deels op in en sluit natuurlijk aan bij het hele rijtje met buitenprojecten, dat is zoals de casus daar opgenomen. Heeft u ook kennisgenomen van dit rapport van de rekenkamer en zo ja, onderschrijft u ook de conclusies die daarin staan? De voorzitter: De heer Hoyer. De heer Hoyer: Heel eerlijk gezegd, ik hoorde pas heel kort recent van het rapport, maar in de werkgroep is het bekend. Maar ik kan niets over de conclusies zeggen. Dus daarop moet ik u het antwoord helaas schuldig blijven. De voorzitter: De heer Sleddering wil reageren hierop.
De heer Sleddering VVD: Mag ik u suggereren om vooral te letten dat de raad aanvullende vragen stelt en geen statements maakt? Want dat begint er behoorlijk op te lijken, twee keer GroenLinks achter elkaar. Dus het zijn verhelderende vragen voor de raad en geen discussie, want die dingen komen nog op de agenda. De voorzitter: Punt is duidelijk, ik was er al bewust van, mijnheer Sleddering, maar dank voor uw opmerkzaamheid ook. Mijnheer Veerman. De heer Veerman D66: Dank u wel, voorzitter. Ik heb één aanvullende vraag over het slagenlandschap, wat genoemd wordt door de inspreker. Dank daarvoor trouwens, voor het mooie stuk. Wat valt daar bij u precies onder, het slagenlandschap wat er nu is of vallen daar ook de oude kasgebieden nog onder?
De heer Hoyer: Het slagenlandschap wat wij vaak het slagenlandschap noemen is dat driehoekje achter TNO, de vroegere plofzone, dat sinds 1 januari dan eigenlijk geen plofzone meer is. Als je echt integraal met landschappelijke ogen naar het gebied kijkt is er nog een ander stukje en dat is Pasgeld-West, terwijl degelijk ook nog slagenlandschap daar kassen op hebben gestaan deels. Maar wat nu dus al volledig onder het zand ligt, dat is het slagenlandschap. Ik wil er wel aan aanvullen dat de oplossing die door de A4 is gedicteerd, wat ik eigenlijk dus ook heb aangegeven in mijn stuk, wat ik zei: potverdorie, eigenlijk had Rijswijk allang een visie moeten hebben, maar nu heeft de A4 dat gedicteerd. Waardoor wij – met de mond in ieder geval – van de wethouder hebben gehoord dat het uiteindelijk betekent dat daar niet gebouwd gaat worden. Ik heb dat aangetekend en ik zal dat heel erg bewaren. Maar het is wel dat er een laag vernis over Rembrandt komt. Dus het is een oplossing, waar niemand echt tevreden mee is, maar we doen het er mee en het is een garantie voor niet bouwen en dat is in ieder geval dat we een deel van Pasgeld voor de toekomst gered hebben. Een deel van een uniek gebied, want zoom maar eens in op de tijdreizen.nl en dan zul je zien dat het hier het enige gebiedje is wat nog overgebleven is in de wijde omtrek.
De voorzitter: Dan wil ik overgaan naar inspreker nummer 2, mevrouw Van den Heuvel, eveneens over het raadsadres 20080, ‘Trots op het Rijswijk van morgen’. Mevrouw Van den Heuvel: Ik ben Lisette van den Heuvel, ik woon twintig jaar in Rijswijk en ik ben een bewoner van het Leeuwendaal. In het dagelijks leven ben ik bestuurder van een GGZ en een welzijnsorganisatie. Ik kwam tijdens een wandeling in het gebied Pasgeld tot mijn schrik een bord tegen waar ik zag dat er bebouwing wordt gepland in het gebied. Omdat mij en andere Leeuwendalers dat aan het hart gaat vond ik het van belang om vanavond in te spreken. Pasgeld is een gebied waar zowel ikzelf als veel andere Leeuwendalers graag ontspanning zoeken in de vorm van sporten of wandelen. Pasgeld geeft je het gevoel dat je echt buiten bent, het is een aaneengesloten groot stuk groen en geeft je juist door die groene vlakte en het weidse landschap de indruk je op het platteland te bevinden. Even weg uit de Randstad, zo lijkt het. Het is een stukje Rijswijk met een uniek karakter dat past bij Rijswijk en wat Rijswijk wil uitstralen als kleinere gemeente naast de grote drukke stad. Ik hoor u denken: ja, ja, dat is allemaal wel bekend, dat groen ontspanning geeft. Maar de meerwaarde van groen gaat verder.
Uit onderzoek blijkt dat door toenemende verstedelijking steeds meer mensen in hun dagelijks leven steeds minder in contact komen met groen en natuur. Hierdoor wordt hun gezondheid en welzijn negatief beïnvloed, met name in de vorm van een toename van leefstijl gerelateerde ziekten. Voorbeelden hiervan zijn de opkomst van obesitas en depressie als volksziekte. Binnen zorg en welzijn wordt steeds meer gewerkt met het concept positieve gezondheid, u misschien wel bekend. Dit houdt in dat burgers met een lage zelfredzaamheid werken aan vooruitgang op diverse levensterreinen van zingeving tot beweging en participatie. Groen kan een belangrijke rol spelen binnen dit concept, zo benadrukt ook het ministerie van VWS in het programma ‘Alles is gezondheid’. In het licht van het concept positieve gezondheid kan de inzet van groenvoorzieningen ook in Rijswijk een veel grotere rol spelen, zo ook het groengebied Pasgeld. In het coalitieakkoord van de gemeente Rijswijk beschrijft u grote ambities. U wil vooruitgang boeken op het gebied van welzijn, gezondheid, sociale cohesie, beweging en participatie van burgers van Rijswijk, in het bijzonder daar waar het gaat om kwetsbare groepen. Verbinding met en visie op het beleidsterrein omgeving en ruimtelijke ordening speelt hierin een hele belangrijke rol.
Zaken die het welzijn en de gezondheid van burgers betreffen kunnen niet los gezien worden van de inrichting van de omgeving. Om de ambities van het college waar te kunnen maken is daarom een brede en integrale visie op de omgeving noodzakelijk. De wijze waarop er op dit moment wordt gekeken door het college naar Pasgeld komt op mij over als een eenzijdige en smalle manier van kijken. Het bebouwen van deze omgeving met woningen om financiële tekorten elders op te lossen komt op mij over als: grote stappen, snel thuis. Ik vind het van groot belang dat het college, daar waar het gaat om groen en andere omgevingsvraagstukken, het proces vormgeeft in de juiste volgorde. Dat betekent allereerst een langetermijnvisie ontwikkelen op de omgeving vanuit een domein overstijgende, lees: integrale blik. Dus inclusief gezondheid, welzijn en participatie.
Vanuit die blik zouden er vervolgens besluiten moeten worden genomen over benodigde faciliteiten en infrastructuur en niet andersom. Nu dreigen er besluiten te worden genomen over infrastructuur zonder dat daar een goed doordachte brede visie onder ligt. Ik ben ervan overtuigd dat er vanuit een domein overstijgende stip op de horizon – samen vormgegeven met burgers en bijvoorbeeld ook ondernemers – een completere blik ontstaat op het groengebied Pasgeld en hoe dit gebied nog meer ten goede kan komen aan alle burgers van Rijswijk. Hoe kunnen we het gebied meer benutten voor zaken als recreatie, ontspanning, educatie of als dagbesteding voor kwetsbare burgers? Wat is er dan nodig? Het zou daarbij interessant zijn om het behoud van groen om te zetten in een businesscase. Beter benutten van groen kan leiden tot besparingen op andere beleidsterreinen. Op deze wijze wordt er echt recht gedaan aan de positieve effecten die het groengebied Pasgeld kan hebben voor Rijswijkse burgers op de korte en lange termijn. Alleen de economische blik van bebouwing is echt veel te smal en slechts één van de vele perspectieven. Ik kom tot een slot. Ik zou het college met klem willen vragen eerst stil te staan. Stil te staan om eerst een visie te ontwikkelen, voordat men besluit het karakter van een uniek stukje Rijswijk teniet te doen.
Realiseert u zich hierbij dat groen opheffen nooit meer teruggedraaid kan worden. Ik vraag daarbij aan het college een brede inhoudelijke blik, bewaking van de omgevingsbalans en verder kijken dan de eigen politieke horizon. In uw coalitieakkoord geeft u aan dat u Rijswijk wil vormgeven samen met bewoners. Ik reken er daarom op dat u mijn signaal, dat leeft bij velen Leeuwendalers, meeneemt. Ik ben gaarne bereid om verder met u in gesprek te gaan over dit onderwerp. De voorzitter: De heer Oelen. De heer Oelen VVD: Dank u wel, mevrouw Van den Heuvel, voor uw betoog. U begon uw betoog met het feit dat u een bord heeft zien staan waar woningbouw werd aangekondigd in het gebied. Ik vroeg mij even af welk bord dat is. Doelt u op het bord wat pal naast staat, wat geplaatst is door de werkgroep Pasgeld en wat eigenlijk naast een gebied staat waar geen woningbouw wordt beoogd, maar wat gedacht is om daar de wateropvang vanuit de A4 in op te nemen? Heeft u het over dat gebied nu in dit betoog? De voorzitter: Mevrouw Van den Heuvel. Mevrouw Van den Heuvel: Ik doel op dat gebied en inderdaad ook het gebied wat verderop, als je naar Delft loopt over het Jaagpad, dat is het gebied waar het om gaat. Dat hele gebied daar maken ook mijn wijkbewoners en ikzelf gebruik van voor recreatie en hardlopen. Een bijzonder karakter daar, dus ik heb het over het hele gebied, ja.
De voorzitter: Ik zie nog een handje van de heer Veerman. De heer Veerman D66: Aansluitend wil ik daar toch even op ingaan, want deze mevrouw noemt – bedankt voor uw mooie woorden – de omgevingsbalans. Als voorzitter van de Werkgroep Omgevingswet doet me dat natuurlijk deugd en denk ik: daar moet ik toch iets over zeggen. Want wij in Rijswijk zijn daar natuurlijk ook aan de ene kant wel mee bezig. Het is nog niet zover, om dit soort elementen die u nu noemt als gezondheid, recreatie, oog hebben voor groen en water, welzijn, om die mee te nemen in de infrastructuur zoals die er nu ligt. Dat zal nog wel even duren, want die Omgevingswet komt er wel in 2022. De visie moet nog gemaakt worden en de raad heeft daar nog van alles over te beslissen en terecht. Nou hebben we straks een plan waar we in de toekomst die participatie over dit soort infrastructurele vraagstukken op een hele andere wijze kunnen gaan inrichten. De heer Van Enk: Ik denk dat elk raadslid hier wel ideeën over heeft, maar we zijn bezig met inspreken en hooguit een enkele een verhelderingsvraag, dacht ik. De heer Hoek WIJ., mevrouw Van den Heuvel. Bent u wellicht bereid om, indien we gaan kijken naar een businesscase voor de brede welvaart, om daar ook input aan te leveren.
De voorzitter: Mevrouw Van den Heuvel. Mevrouw Van den Heuvel: Ja, daar ben ik toe bereid, uiteraard. Ja, om daarover mee te denken. De heer Hoek WIJ: Hartstikke fijn. Dank u wel. De voorzitter: Dan dank ik de insprekers voor hun moeite en genomen moeite om naar het stadhuis te komen. 3.
Lijst van ingekomen stukken De voorzitter: Ga ik door met agendapunt 3, de lijst van ingekomen stukken en wijze van afdoening. Er is een verzoek binnengekomen om IB 20174 te agenderen, een verzoek van de heer Oelen VVD. Wilt u dat nog toelichten, mijnheer Oelen? De heer Oelen VVD: Nee, volgens mij is het vrij duidelijk, dat verzoek. Ik wil het graag dat bespreken voor het eerstvolgende Forum. Voorstel wordt gesteund door BvR, GBR en D66. De voorzitter: Dat zijn er al 4, dus bij deze geagendeerd voor 18 februari Forum Stad. Er zijn verder geen verzoeken en de lijst is hiermee vastgesteld.
4.
Vaststelling agenda geen
5.
Mededelingen college geen
6.
Terugkoppeling Gemeenschappelijke Regelingen De voorzitter: mijnheer Sleddering. De heer Sleddering VVD: mevr. Alberts GL en ik hebben een vergadering bijgewoond van de MRDH, de adviescommissie vervoer. Daar is de stand van zaken ons meegedeeld over de plannen voor de financiële problemen bij het openbaar vervoer als gevolg van de corona. Er is ook een brief naar de raad naartoe gegaan, er werd even gevraagd of iedereen dat had gekregen. Nou, wij konden melden dat Rijswijk keurig bediend is door het college, we hebben inderdaad die brief gezien. Er komen nog meer van dit soort brieven, er komen nog meer bijeenkomsten. Maar om even een idee te geven: de MRDH gaat niet uit van het negatiefste scenario, maar bereidt zich voor op een negatief scenario van een bezuiniging, de komende 10 jaar op het openbaar vervoer van 942 miljoen. Dat betekent ruim 90 miljoen per jaar. Die bezuinigingen moeten gevonden worden in de exploitatie, in de MRDH, dus niet in de investering in de infrastructuur. Dat worden bijzondere tijden, maar er wordt nog veel over gesproken en er komen nog veel informatiebrieven over. De voorzitter: Mevrouw Woudstra D66 Mevrouw Woudstra D66: Dank aan de heer Sleddering. Het zal zeker nog, omdat het uit de exploitatie moet komen, veel stof doen opwaaien dan.
Als u zegt ‘er komen nog veel bijeenkomsten’, is dat dan specifiek voor de adviescommissie of ook voor alle raadsleden? De voorzitter: Mijnheer Sleddering.
De heer Sleddering VVD: Bijeenkomsten voor de adviescommissie, bijeenkomsten met de wethouders, de bestuurders. Uiteindelijk zullen wij de voorstellen in de raad krijgen. Mevrouw Woudstra D66: Dank. Ik wil dan graag voorstellen om als raad die inbreng goed voor te bereiden, zodat we dat ook niet achteraf pas commentaar kunnen leveren. Dus misschien kunnen we daar iets over afspreken. De voorzitter: Ik zie de heer Sleddering al een duim opsteken, die zal ook in overleg gaan met de griffie. 7.
Overzicht toezeggingen en moties Geen opmerkingen
8.
Vaststellen Forumverslagen De voorzitter: correctie de heer Cupedo BvR behoorde tot aanwezigen Forum Stad 3 december en de heer Paredes tot aanwezigen van Forum Stad 8 december 2020. Dit wordt gecorrigeerd door griffie.
9.
Rekenkamer onderzoek beheersing en sturing van grote projecten in Rijswijk Betreft: presentatie door Rekenkamer : mevr. Van Enkhuijzen en de heer Mol van Onderzoeksbureau AEF. Mevrouw Van Enkhuizen: Mijn naam is Linda van Enkhuijzen, ik ben lid van de rekenkamer Rijswijk en ik ga vanavond het onderzoek Beheersing grote projecten toelichten. Ik zal dat alleen doen. Ik heb wel iemand meegenomen, digitaal, van het onderzoeksbureau AEF, Yourai Mol, die eventuele inhoudelijke vragen over het onderzoek kan beantwoorden. Ik wil eerst nog even wat vertellen over – o, ik zie de presentatie niet meer – over de rekenkamer zelf. Dit is de eerste keer nu dat wij in deze vorm de rekenkamer in het Forum komen. Wij doen een onafhankelijk onderzoek naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het gevoerde bestuur en brengen hierover verslag uit aan de gemeenteraad, vanavond dus het Forum. Op dit moment zijn we nog bezig met 2 andere onderzoeken, namelijk het H10-onderzoek, naar het inkoopbureau Jeugdzorg, dat loopt nog. En we zijn momenteel nog bezig met een onderzoek naar meldingen in de openbare ruimte. Dat komt, verwachting, tweede kwartaal van dit jaar wordt dat onderzoek beschikbaar. Vanavond ga ik het hebben over het onderzoek Beheersing grote projecten.
Deze presentatie bevat conclusies en aanbevelingen van ons onderzoek naar de beheersing, waarbij RijswijkBuiten als casus is genomen. Overigens zal over dit onderzoek nog een raadsbesluit genomen moeten worden, maar dat is aan u en uiteindelijk niet aan ons als rekenkamer. Mag ik de volgende sheet graag? De centrale onderzoeksvraag bij het onderzoek was: hoe is de sturing vormgegeven bij het project RijswijkBuiten en wat valt daaruit te leren voor andere grote projecten? Deze onderzoeksvraag is voortgekomen uit gesprekken die wij hebben gevoerd met de raadsfracties en ook de klankbordgroep vanuit de raad en is daarna opgenomen op onze groslijst van onderzoeken die wij zouden gaan doen. Dus dat is de reden waarom voor deze onderzoeksvraag is gekozen. Mag ik de volgende sheet? We zijn met dit onderzoek tot de volgende conclusies gekomen. De eerste conclusie is dat de meerwaarde van de procedureregeling Grote Projecten voor de sturing op grote projecten niet helemaal helder is. De procedureregeling bevat voorschriften voor informatievoorziening aan de raad, maar heeft niet echt betrekking op de manier waarop grote projecten worden aangestuurd. Het is niet goed te zeggen of de raad anders of minder goed geïnformeerd zou worden zonder de procedureregeling.
De tweede conclusie is dat de uitvoering van het project Rijswijk-Buiten professioneel is ingericht met een apart programmabureau, maar dat er onvoldoende binding is met de beleidsdirectie. De uitvoering is belegd bij een apart programmabureau, dat direct onder het college valt en wordt aangestuurd door middel van een stuurgroep. Dit heeft gezorgd voor een grote slagkracht van het bureau en ook dat ze echt resultaten hebben kunnen boeken. Maar het heeft ook geleid tot een relatief grote afstand die wordt ervaren tussen het programmabureau en de
beleidsdirectie op het stadhuis, zogezegd. De beheersing is professioneel ingericht met een focus op een financieel sluitende exploitatie. Er zijn uitgebreide risicoanalyses, er vinden jaarlijks actualisaties plaats van de grondexploitatie. Voor de beheersing is het uitgangspunt van een sluitende exploitatie eigenlijk bepalend. De gemeente zou kunnen winnen in een meer inhoudelijk gesprek, dus niet alleen op het gebied van het financiële en een sluitende exploitatie, maar ook over de beheersmaatregelen en andere risico’s. Bijvoorbeeld in scenario’s: wat doen we als? De volgende sheet graag. Onze vierde conclusie is dat de sturing op Rijswijk-Buiten uitgaat van gestelde kaders, waarbij beperkt inhoudelijke herijking plaatsvindt. De sturing vanuit het college vindt met name plaats via de stuurgroep en de sturing is, zoals ik daarnet ook al noemde, vooral gericht op de beheersing van de financiële risico’s en minder op de beleidsinhoudelijke doelen. Conclusie vijf is dat de raad uitgebreid wordt geïnformeerd, maar dat de mogelijkheden tot bijsturing niet altijd helder zijn. Er vindt wel uitgebreide informatievoorziening plaats aan de raad, voor zover wij hebben kunnen vaststellen, maar vraagstukken die politieke aandacht vragen worden niet expliciet genoemd in die stukken, terwijl dit op basis van de procedureregeling wel zou moeten.
Dat staat specifiek in de procedureregeling ook aangegeven. De laatste conclusie is dat de sturing vanuit uw raad beperkt plaatsvindt en wat meer een ad hoc-karakter heeft. De besprekingen in de raad gaan vooral over de zich voordoende risico’s. Een meer strategisch gesprek over de toekomstvisie van het project en eventuele herijking van de uitgangspunten lijkt wat beperkter plaats te vinden. Daarbij hebben we ook nog geconcludeerd dat de Sionsgaerde-bijeenkomsten mogelijk een risico vormen voor democratische verantwoording, omdat ze deels het gesprek in de reguliere raadsvergaderingen ondervangen, maar niet openbaar zijn. Dat zou een bepaalde schijn kunnen wekken van niet-transparantie. Volgende sheet graag. Wij hebben op basis van deze conclusie een drietal aanbevelingen opgesteld. De eerste is: reflecteer periodiek met de raad op de kaders van grote projecten en de informatievoorziening. Wij bevelen aan om in de procedureregeling een bepaling op te nemen dat er jaarlijks een reflectiebijeenkomst wordt georganiseerd met de raad en de verantwoordelijke wethouders. Hierbij kan aandacht besteed worden aan de inhoud van het project en de manier waarop de raad de kaderstellende en controlerende rol verder invult. Wij bieden daarbij aan om eenmalig een reflectiebijeenkomst te faciliteren in het kader van RijswijkBuiten, waarbij we het gesprek voeren over Rijswijk-Buiten als casus.
Het is uiteraard aan u om daar wel of geen gebruik van te maken. Onze laatste aanbeveling is: voer een bredere evaluatie uit naar het project Rijswijk-Buiten, met specifieke aandacht voor governance, organisatie-inrichting, uitvoering, doelstelling en monitoring. Dit onderzoek is met name gegaan over sturing over grote projecten en Rijswijk-Buiten heeft daarin als casus gediend, maar het is geen evaluatie van het project op zich. We zien echter wel dat – gezien de lange looptijd van het project – het zinvol kan zijn om een bredere evaluatie uit te voeren naar het project. Dit waren mijn conclusies en aanbevelingen. De voorzitter: Ik zou de leden van het Forum willen voorstellen om hierop te reflecteren – voor wie daar input of reflectie op wil geven – en dan meteen in uw reactie ook aan te geven of u akkoord bent om dit rapport met conclusies en aanbevelingen van de rekenkamer inclusief de input van het Forum van vanavond te agenderen voor de raad van 2 februari. Dus als u dat zou willen meenemen in het rondje dat we maken de langs de raadsleden voor een reactie. Mevrouw Alberts. Mevrouw Alberts GL: Dank aan mevrouw Van Enkhuijzen voor de presentatie. Zoals ze al aangaf is het de eerste keer dat deze rekenkamer in onze raad, oftewel in dit Forum inhoudelijk een rapport presenteert, dus hartelijk dank daarvoor.
Allereerst wil ik even ingaan op het proces, even nog een stapje teruggaan naar eerdere rekenkamerrapporten van uw hand. De rekenkamerrapporten van het eerdere vervolgonderzoek Burgerparticipatie en een quickscan DoeMee-onderzoek, die heeft de raad pas ontvangen in een mail van de griffie op 8 oktober, één dag na de raadsvergadering waarin het participatiebeleid is vastgesteld. Deze rapporten met de aanbiedingsbrief zijn niet als informatiebrief of als raadsadres in iBabs gekomen en is zodoende niet op de lijst van ingekomen of op de agenda van het Forum gekomen. Zijn deze rapporten wel openbaar beschikbaar? Dat is een vraag die ik heb. Hoe verloopt nu verder de relatie in de communicatie van de rekenkamer met de griffie? Misschien kunt u daar iets over
zeggen. Hoe gaat het contact met de klankbordgroep? Is daarover gesproken met de klankbordgroep vanuit de raad? Dan specifiek ingaan op het rapport Beheersing Grote Projecten. Het raadsvoorstel dat ontbreekt bij dit rapport. Waarom is deze er eigenlijk helemaal niet? Want voorheen was dat wel gebruikelijk, in de voorgaande periodes kregen we altijd in het Forum ook al het betreffende raadsvoorstel erbij. Dus graag daar verder duidelijkheid over. Dus ook als we dat raadsvoorstel ook nog niet hebben, om in te gaan op de vraag die de voorzitter stelde, of we akkoord zijn met het agenderen voor de raad inclusief de input van deze bespreking. Dan weten we eigenlijk nog niet helemaal precies waar we dan akkoord op geven, omdat we dat raadsvoorstel dus ook nog helemaal niet gezien hebben. Dus daar graag nog meer duidelijkheid over, wat er dan precies in het raadsvoorstel komt. De bestuurlijke reactie dan. De bestuurlijke reactie op het rapport is nogal kort, maar niet krachtig. Het rept over een concept, terwijl er toch echt het definitieve rapport van de rekenkamer is gepresenteerd. Het enige dat de reactie behelst is hoe de Sionsgaerde-overleggen zijn ontstaan. De reactie gaat totaal niet in op de conclusies en de aanbevelingen.
Dan dus een vraag aan het college: komt het college nog met een nieuwe bestuurlijke reactie, waarin het rapport wel serieus wordt genomen? Want de rekenkamer geeft bevindingen, conclusies en aanbevelingen die niet alleen voor de raad zijn, maar waar het college zich zeker ook wat van mag aantrekken. Dat bij Rijswijk-Buiten de sturing vooral gericht is op de beheersing van financiële risico’s, dat de stuurgroep in staat dient te zijn – dus waar ook de wethouders in zitten – om de informatie vanuit het programmabureau te beoordelen en waar nodig te challengen en dat het een risico oplevert wanneer de stuurgroep dit onvoldoende objectief kan beoordelen. Voer daarom een brede evaluatie uit naar het project Rijswijk-Buiten, is wat de rekenkamer aanbeveelt, met specifiek aandacht voor governance, organisatie-inrichting, uitvoering, doelstellingen en monitoring. Niet alleen de financiële risico’s van een eventueel niet-sluitende grex. De heer Hoyer gaf het als inspreker eerder ook al aan: het is belangrijk om te kijken wat de gevolgen zijn op langere termijn. Een meer strategisch gesprek over de gewenste toekomstvisie van het project en/of de uitgangspunten herijking verdienen lijkt inderdaad in zeer beperkte mate plaats te vinden, zo schrijft de rekenkamer. Dat vinden we kwalijk.
Pogingen vanuit onze fractie om meer over strategie en toekomstvisie te spreken lijken dikwijls aan dovemans oren gericht. Een reflectiebijeenkomst gaat het gebrek aan visie niet oplossen, maar de eerste aanzet tot verandering die de rekenkamer nu doet is zeer welkom. De heer Van Enk CDA: Omdat ik denk dat er toch een misverstand in het spel is. Mevrouw Alberts bekritiseert het college dat ze het rapport niet serieus nemen, dat ze het hebben over een concept. Als ik het goed begrepen heb heeft het college inderdaad een concept gekregen om vooraf gehoord te worden over de voorlopige resultaten en brengt daarna de rekenkamer het definitieve verslag uit. Heb ik dat zo goed begrepen? Dan is het volgens mij ook gewoon een hele serieuze hoorprocedure van het college geweest. De voorzitter: Ik vraag even aan de heer Keus om hierop te antwoorden. Wethouder Keus. De heer Keus: Dank u wel, voorzitter. Volgens mij moet het inderdaad nog in zijn totaliteit worden vastgesteld door de raad. Mevrouw Alberts GL: Nou, ik kan daar zelf wel even een reactie op geven dan. Want we hebben namelijk eerder in deze raad al wel rekenkamerrapporten ontvangen. Dat was namelijk in de voorgaande periode en ik weet dat natuurlijk een heel groot deel van u toen nog geen zitting had in de raad. Daarbij was er wel een fatsoenlijke bestuurlijke reactie die inging op het rapport.
Er is een rapport gepresenteerd, er staat geen concept op, er is gewoon een rapport gepresenteerd van de rekenkamer. Op dat rapport van die rekenkamer, daarop volgt een bestuurlijke reactie dat ingaat op de aanbevelingen en conclusies. Dat is eerder zo geweest met rekenkamerrapporten en dat verwacht ik deze keer dus ook. Het klopt inderdaad dat er nog een raadsvoorstel moet komen, dat had er dus eigenlijk al moeten liggen, aangezien we dat nu bespreken. Maar dat ligt er niet en de rekenkamer gaat natuurlijk zelf over haar eigen rapport. Dat is alleen
maar aan de raad om dan vast te stellen dat we kennis hebben genomen van dat rapport en wat we gaan doen met de conclusies en aanbevelingen. Maar daarvoor hebben we uw bestuurlijke reactie, die inhoudelijk ingaat op het rekenkamerrapport, wel nodig. De voorzitter: De heer Keus. De heer Keus: Met het risico dat we een inhoudelijke discussie gaan krijgen over het rapport wil ik echt wel de indruk dat wij het rapport niet serieus zouden nemen toch echt ver willen tegenspreken, want dat doen we wel degelijk. Wij herkennen ons namelijk in zowel de conclusies als de aanbevelingen en daar gaan wij graag mee aan de slag. Dus als die indruk bestaat dat wij het niet serieus nemen, dan wil ik dat graag tegenspreken. De voorzitter: Volgens mij is de volgorde vanavond dat alle raadsfracties de kans krijgen om te reageren op de conclusies en aanbevelingen, wordt dat vervolgens verwerkt in het eindrapport, gaat dat naar het college, het college geeft daar zijn reactie op en vervolgens wordt het als totaal geagendeerd, inclusief raadsvoorstel, in de raad van 2 februari. De enige vraag is, en daarom heb ik aan de voorkant gevraagd: reageer daar even op, of dat volgens u mogelijk is en dat is misschien nog aan het college met name om aan te geven, omdat dat een redelijk korte tijdspanne is. Maar dat is dus, volgens mij is uw opmerking correct en is dit in het proces unaniem.
Was uw inhoudelijke inbreng daarmee beëindigd? Ja, dan ga ik naar de volgende. Ik zag de heer Van Enk van het CDA. De heer Van Enk CDA: Zoals u het proces schetst lijkt me dat heel erg logisch in de oren klinken. Natuurlijk zijn er raadsleden die dat eerder hebben meegemaakt, maar dat is geen reden om hier allemaal over het proces te praten, want dat kan op verschillende manieren. Als ik mag reageren op het rapport, dan doe ik dat ook even voorafgaand van mijn complimenten en dank aan mevrouw Van Enkhuijzen en in u door de hele rekenkamer dat u tot dit mooie rapport gekomen bent, voor het eerst in de huidige rekenkamercommissie. Ik heb het met genoegen gelezen en ik heb inderdaad wel een paar vragen. U moet kijken of u dat kunt beantwoorden of dat we dat meenemen in de rest van het proces. De vraagstelling ging over grote projecten en u zegt: dat is vanzelf gefocust op Rijswijk-Buiten. Eigenlijk is het daarmee naar mijn smaak – en u moet het maar zeggen als het niet zo is – een rapport geworden over Rijswijk-Buiten en minder over grote projecten in het algemeen. Want het lijkt mij heel lastig om conclusies over RijswijkBuiten nu ook vanzelf breed te trekken over de andere grote projecten in onze gemeente. Verder, u hebt gezegd in de conclusies: minder sturing op beleidsinhoudelijke doelen vindt er plaats. Wel op de financiën, minder op beleidsinhoudelijke bedoelen.
Ik zou dan moeten weten waar die beleidsinhoudelijke doelen staan overigens, want het bouwen van Rijswijk-Buiten heeft natuurlijk destijds een besluit gekend en ik heb zo’n gevoel dat we dat in de gemeente als vanzelfsprekend hebben overgenomen. Inderdaad, de grip is vooral geweest op de financiën. Als ik het rapport zo lees dan vind ik dat eigenlijk, ook als ik naar de conclusies kijk, wel een groot compliment aan het projectbureau met name en het college en de colleges als ik zie hoe de zaak tot nu toe wordt beheerst. Dat vind ik eigenlijk wel een positieve uitkomst van dit onderzoek van de rekenkamer. Het is altijd zo: als je een zaak goed beheerst, dan kan dat ten koste gaan van flexibiliteit naar buiten. Op dat punt denk ik dat we het ons als raad misschien wel kunnen aantrekken dat we, wij kunnen natuurlijk ook aan het college vragen over andere beleidsdoelen die we belangrijk vinden, om daar een discussie over te voeren. Ik heb dat zelf denk ik aangezwengeld op het voorbeeld wat hier wordt genoemd als uitzondering, namelijk de mate waarin we woningen gaan bouwen in de sociale sector of in de vrije sector. Dat heeft tot nu toe tot een goede discussie, vind ik, geleid in de raad en dat heeft ook consequenties voor de manier waarop we in Rijswijk-Buiten het project gaan afmaken.
Ik denk dat het dus wel kan, maar dat we daar als raad ook een rol in kunnen spelen en ik denk dat het college daar natuurlijk ook een hele belangrijke rol in kan spelen. In die zin zou ik zeggen op voorhand: ja, de aanbeveling om nu dit project Rijswijk-Buiten nog verder te onderzoeken lijkt mij, gelet op de conclusies, niet heel erg nodig. Ik zou dan liever suggereren om de andere grote projecten die wat meer atypisch zijn
of minder atypisch dan Rijswijk-Buiten, om die in het vervolg aan een onderzoek te onderwerpen. Dat zou mijn voorstel zijn. De voorzitter: Dan ga ik naar de heer Leseman D66. De heer Leseman D66: Dank aan de rekenkamer voor het onderzoek en de gegeven presentatie. We herkennen de aanbevelingen van het rapport en zien we ook graag ze dus tegemoet bij de kaders voor de grote projecten en de rol van de voortgangsrapportages hierin worden herijkt. Als fractie van D66 Rijswijk hadden we een tweetal vragen. Als eerste denk ik voor mijnheer Mol van AEF. De rekenkamer geeft aan dat de verbinding tussen beleid en het programmabureau als onvoldoende kan worden geclassificeerd. Wij vroegen ons af waarom die classificatie onvoldoende is en ten tweede of hier voorbeelden van kunnen worden gegeven. Daarnaast vroegen wij ons af of hier vanuit de rekenkamer of vanuit AEF een advies voor is, om deze integraliteit te verbeteren. Hiernaast begrepen wij vanuit de aanbiedingsnota dat er een onderzoek vanuit de H10 in begin 2021 klaarligt. Wij vroegen ons af of hier al een concrete datum voor is. Tot zover. De heer Mol bureau AEF: Het horen is het belangrijkste. Ik zal ook even, misschien dat mevrouw Van Enkhuizen van de rekenkamer daar ook nog op wil reageren.
Het punt over de relatie tussen het programmabureau en de beleidsdirectie, gebaseerd op de gesprekken die wij hebben gevoerd zien we dat dat programmabureau heeft een duidelijke opdracht meegekregen bij het begin, is daarmee aan de slag gegaan. Daar zit ook die voortvarendheid in en dat is, net noemde iemand het al, dat is ook een succesfactor geweest, maar dat is ook wel een eigen spoor geworden binnen de gemeente. Dus er is weinig gesprek, zeker op het niveau van de beleidsmedewerkers. Welke specifieke beleidsdoelen daar dan niet zijn meegenomen, dat weet ik niet. Maar het gaat meer over het gesprek: is er een gesprek over sociale woningbouw en is er een gesprek over Rijswijk-Buiten? Op welk niveau wordt dat dan ook bij elkaar gebracht? Het niveau waarop dat bij elkaar zou moeten komen is de stuurgroep en het college. Op de andere niveaus lijkt dat minder bij elkaar te komen. Mevrouw Van Enkhuijzen: U heeft het goed verwoord inderdaad. Wij hebben geconcludeerd dat er weinig op de beleidsinhoudelijke doelen is gestuurd. In het begin wat meer. Natuurlijk komt er naarmate het project vordert ook steeds minder, zijn er ook steeds minder zaken waarover beleidsinhoudelijk besloten kan worden, dat is vooral natuurlijk in het begin wat meer aan de orde geweest.
Maar we hebben wel nadrukkelijk geconcludeerd dat bij het project Rijswijk-Buiten vooral het financieel sluitend maken van het project en de grondexploitatie, dat daar heel erg de nadruk op heeft gelegen. De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Jense, Onafhankelijk Rijswijk. De heer Jense OR: Dank u wel, voorzitter. Voorzitter, het is inderdaad natuurlijk een groot project en Menno van Enk heeft terecht gezegd: daar zijn er nog wel meer van te bedenken. Waarom denk ik heel sterk op Rijswijk-Buiten wordt ingezoomd is natuurlijk, wat ook zojuist werd toegelicht, voornamelijk het geld en de sturing daarop is natuurlijk van wezenlijk belang. Zo’n 200 miljoen, ik geef het je te doen. Zie dan maar dat dat ook keurig netjes voor elkaar komt. Destijds, in 2006, is heel bewust gekozen voor het projectbureau, een organisatie met mensen die zich uitsluitend met de werkzaamheden van RijswijkBuiten zouden kunnen bezighouden, los van de dagelijkse waan van de dag die in een gemeentelijke organisatie ook natuurlijk altijd weer opduikt. De terugkoppeling aan de gemeentelijke organisatie is naar de mening van Onafhankelijk Rijswijk altijd goed en prettig verlopen, via het college. Uiteraard ook rechtstreeks naar de raad en onder andere die Sions-bijeenkomsten hebben daar een rol in gespeeld.
De discussie: wat kun je dan nog inbrengen om wezenlijk te veranderen? Dat is op zich natuurlijk best lastig, maar laten we ons alsjeblieft als raad nou niet verbeelden, zeker niet als raad, als je weer een nieuwe raad krijgt en daarop weer nog een keer een nieuwe raad, want zolang loopt zo’n project, dat je denkt: we gaan
het nu even totaal anders doen. Als u weet dat we heel lang hebben moeten discussiëren tegen de stroom in bij mensen van ministeries die beweerden dat er in deze regio 60.000 huizen te veel zouden worden gebouwd, kom er nu nog eens om. Kom er nu nog eens om dat we 60.000 huizen te veel zouden bouwen. Eén incident wordt er denk ik in het rapport toegelicht en dat is op zich terecht, want dat was er ook één die gelijk behoorlijke financiële consequenties had. Dat was het hardnekkige bezwaar van DSM. Verder, voorzitter, is Onafhankelijk Rijswijk best tevreden over de gang van zaken, zoals Rijswijk-Buiten werd, wordt en nog verder zal worden gerealiseerd. Ik zou bijna willen zeggen: een broedende kip storen is in deze fase niet echt meer aan de orde. Maar wellicht wel de beeldspraak: laten we deze roedel nou niet te zeer verstoren met weer totaal andere ideeën. Als het gaat om de contacten tussen het programmabureau en de beleidsmensen van het stadhuis, dan zeg ik: dat zijn grote mensen, laten die dan nog eens een keer even met elkaar de koppen bij elkaar steken om te kijken hoe ze dat proces eventueel – als daar al sprake van is, het onttrekt zich aan mijn waarneming, moet ik u zeggen, maar ik zit ook niet meer in die positie om dat zo één op één te kunnen beoordelen – dan moeten die daar maar eens met elkaar de zaak nog eens een keer in zwaluwstaarten.
De opvatting van GroenLinks, dat de reactie van het college niet serieus zou zijn, dat is denk ik terecht toegelicht waarom dat dan misschien kan ontstaan, dat beeld. Kortsluitend en afrondend zou ik willen zeggen: Onafhankelijk Rijswijk zou ervoor willen waken om het kind niet met het badwater weg te gooien. Wij zijn in grote lijnen dik tevreden met de gang van zaken en ik zou bijna willen zeggen: never change a winning team. Dank je wel. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Jense. Ga ik naar de heer Van der Meij. De heer Van der Meij GBR: Voorzitter, dank u wel. Ook namens de fractie van Gemeentebelangen dank aan mevrouw Enkhuizen en de rekenkamer voor het eerste rapport wat de nieuwe rekenkamer aan de raad heeft doen toekomen. Daar wil ik graag een reactie op geven. Inderdaad kan ik me in grote lijnen vinden in het betoog van de heer Jense van zonet, het programmabureau en de positie van het programmabureau Rijswijk-Buiten kent een geschiedenis en bewuste keuzes die in de periode 2006-2010 zijn gemaakt met een groot mandaat vanuit het college, respectievelijk ook de toenmalige raad, om het bureau dedicated met een groter programma gebiedsontwikkeling aan de slag te laten gaan, aan de vooravond van toen de crisis. Waarbij we nog niet eens wisten hoe de woningbouwproductie daarvan los zou komen.
Ik kan me nog goed herinneren de eerste paal die geslagen werd door de toenmalige minister Blok, voor de eerste 25 woningen, mind you. Niet wetende hoe het vervolg zou gaan. Dus ik denk dat we welbewust die keuze hebben gemaakt met elkaar, om het programmabureau met een fors vertrouwen en mandaat, met inderdaad een duidelijke financiële opdracht, maar ook op de andere beleidsterreinen – ik kom er zo meteen eventjes op terug – van quitte te laten gaan. In een reactie even op het rapport. U geeft aan in het rapport dat de procedure Grote Projecten, dat de meerwaarde niet helder is voor wat betreft het onderdeel projectbeheersing, maar met name uitgaat van rapporteren naar de raad toe. Mijn vraag is: hebben jullie in jullie onderzoek Rijswijk-Buiten respectievelijk in de ambtelijke organisatie ook onderzoek gedaan hoe de projectbeheersing in zijn algemeenheid nu is geborgd binnen de ambtelijke organisatie, welke investeringen er daar nu in zijn gedaan de afgelopen jaren? Toevallig weet ik vanuit mijn vorige positie dat dat in gang is gezet. Hoe is dat nu inmiddels ingebed, het projectmatig werken in zijn algemeenheid binnen de ambtelijke organisatie? U geeft aan, ten aanzien van Rijswijk-Buiten, dat er wel expliciet op financiën wordt gestuurd, maar weinig op beleidsmatig inhoudelijke doelen wordt gestuurd.
Ik denk dat het zo is dat er expliciet op financiën wordt gestuurd, omdat dat heel zichtbaar is in de vorm van periodieke grondexploitatie, actualisatie en risicomanagement, maar dat er wel degelijk in mijn optiek ook beleidsmatig behoorlijk gestuurd is. Dan neem ik maar even de duurzaamheidsambities als voorbeeld, waarbij wij begonnen zijn met een EPC-0-norm als richting, als hoop dat we dat zouden halen. Dat is nu min of meer juist standaard beleid geworden. Er is zelfs nu meer gerealiseerd als het gaat om nul-op-demeter-concepten, andersoortige concepten. In hoeverre hebben jullie die kennis opgedaan in jullie onderzoek ten aanzien van wat de markt nu met name op dit onderdeel heeft opgepakt, anticiperend op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van energie, op het gebied van duurzaam waterbeheer, wat wel
degelijk in de doorontwikkeling van Rijswijk-Buiten in verschillende deelplannen naar voren is gekomen? Wellicht dat we dat met elkaar wat weinig opgeschreven hebben in notities, maar wel degelijk die marktpartijen hebben daar in mijn optiek wel invulling aangegeven. Ik hoor daar graag een reactie op. Dan tot slot de vraag in hoeverre – en dat is misschien meer een vraag voor mijnheer Mol, geloof ik, dat dat zijn achternaam is, die heeft denk ik meerdere van dit soort projecten in den lande gedaan – in hoeverre kun je de toch wel succesvolle ontwikkeling van Rijswijk-Buiten tot op dit moment relateren aan de wijze waarop we dat georganiseerd hebben ten opzichte van vergelijkbare projecten in den lande? Waar we nog wel eens van horen dat men daar enorm worstelt met grote grondexploitaties en met vraagstukken als het gaat om projectontwikkeling. Dat waren mijn vragen, voorzitter. De voorzitter: Dan geef ik even het woord aan mevrouw Van Enkhuizen voor de beantwoording. Ik begreep trouwens daarstraks dat ik de vragen van mevrouw Alberts niet heb laten beantwoorden, dus wellicht dat de leden van de rekenkamer daar ook nog even op kunnen ingaan. Maar eerst de vragen van de heer Van Meij. Mevrouw Van Enkhuijzen: De heer Van Meij die vroeg naar projectbeheersing in het algemeen, of wij daar verder onderzoek naar hebben gedaan.
Zoals ik daarstraks had aangegeven hebben we door middel van het onderzoek gekeken naar de grote projecten, maar om daar gevoel bij te krijgen hebben wij gekeken naar de casus Rijswijk-Buiten. Daar is ook wat betreft projectbeheersing zijn de conclusies over getrokken. De andere grote projecten die zijn geweest die waren ook echt anders van aard, bijvoorbeeld de reorganisatie van de gemeente en decentralisering van het sociaal domein. Dat zijn ook weer hele andere soorten grote projecten die je niet zo één op één met elkaar kunt vergelijken. Voor wat betreft het punt van de beleidssturing: ik heb niet gezegd inderdaad dat die niet plaatsvindt, maar wat wij hebben kunnen terugvinden in de stukken en ook wat we hebben begrepen uit interviews die er zijn geweest is dat toch de nadruk vooral heeft gelegen op het sluitend maken van de grondexploitatie. Niet zeggende dat daarbij aan beleidsinhoudelijke doelen geen aandacht is besteed, maar dat lijkt gedurende de loop van het project wel iets meer op de achtergrond te zijn geschoven. De voorzitter: Dat was uw beantwoording, begreep ik. Dan was er nog een vraag aan de heer Mol. De heer Mol: Jazeker.
Misschien dat, zelfs nog een hele korte aanvulling op dat laatste, dat die beleidsinhoudelijke doelen bij aanvang van dat project zijn meegegeven met ook een hele duidelijke opdracht dat die exploitatie sluitend moet zijn, dat moest een kostenneutrale exploitatie worden. Dus er is op dat moment goed over nagedacht voor zover wij kunnen zien. Daarna is die opdracht top of mind geweest en daarna is die trein ook gewoon gaan rijden. Dus die kan ik misschien nog aanvullen. In hoeverre is het programmabureau, heeft het bijgedragen aan het succes ervan? Volgens mij hebben we daar ook in het rapport zijn we daar vrij helder over. Dus die uitvoering is, één van de conclusies die we trekken is dat de uitvoeringslag krachtig is ingericht, ook met dat programmabureau. Dus dat is zeker ook iets om gewoon blij mee te zijn en wellicht trots op te zijn dat dat ook heel veel goeds heeft gebracht. Met de kanttekeningen die wij daar uiteraard bij hebben geplaatst. De heer Van der Meij GBR: Dank voor de beantwoording vanuit de rekenkamer. Ik hoor heel goed de beperkte reikwijdte van het onderzoek ten aanzien van het onderdeel projectbeheersing en ten aanzien van de beleidsinhoudelijke doelen.
Maar plaats ik toch de bal, figuurlijk, naar het college toe, dat het wellicht voor het college een mogelijkheid is om een reactie te geven op de wijze waarop nu projectbeheersing in zijn algemeenheid binnen de ambtelijke organisatie is geborgd, welke investeringen er daar nu in zijn gedaan de afgelopen periode om de ambtenaren daar wat richting te krijgen, dat wij daar toch kennis van kunnen nemen als onderdeel van dit rapport. En als tweede wil ik toch ook aan het college vragen inzicht te geven in hoe erg hier op de beleidsinhoudelijke doelen gestuurd is, waarbij ik van mening ben dat er zeker impliciet een hoop gebeurd is in de afgelopen periode ten opzichte van ons masterplan
Rijswijk-Zuid – ik zie de heer Jense ook knikken – wat nog in die periode was van hopen en wensen. Maar dat we zeker ook aan de markt te danken hebben dat er heel veel op dat beleidsinhoudelijke vlak gebeurd is. De heer Van Enk CDA: Ik wil graag de heer Van der Meij waarschuwen dat we niet impliciet of onbedoeld het college nu nog gaan opzadelen met een vervolgonderzoek. Om nog een keer de vragen over beleid te doen, dat gaat me te ver want ik zie daar helemaal geen aanleiding toe. We kunnen onze ambtelijke capaciteit maar één keer gebruiken. De voorzitter: Even via de voorzitter graag. Ik wil even terug naar mevrouw Van Enkhuizen met het verzoek of zij nog kan reageren op de vraag van mevrouw Alberts. Mevrouw Van Enkhuizen: Jazeker. De vorige twee rapporten die u aanstipte die staan op de website van de rekenkamer. Die zijn, wij waren in de veronderstelling dat we die vorig jaar juli aan de raad hadden aangeboden, maar daar is kennelijk iets misgegaan in het mailverkeer. Dat is geen goed excuus, maar goed, wij waren in de veronderstelling dat die waren aangekomen en dat daar bewust voor is gekozen om die niet in het Forum te behandelen. Dus dat is wat er met die rapporten is gebeurd. Maar ze staan wel op de website in ieder geval. U vroeg ook nog naar de samenwerking met de griffie en onze relatie daarmee. Dat gaan wij in onze eerstvolgende klankbordgroep bespreken.
Die vindt binnenkort plaats, die wordt nu gepland. Even kijken. Verder had u nog een vraag over het raadsvoorstel. Het is inderdaad gebruikelijk dat er een raadsvoorstel komt. Het is volgens ons protocol niet verplicht, maar goed, wil er opvolging gegeven worden aan een onderzoek, aan de conclusies en de aanbevelingen, dan ligt het in de reden, zeker nu we het behandelen in het Forum, dat daar een raadsvoorstel voor opgesteld wordt. Dat zal dan vanuit de griffie moeten worden voorbereid. De heer Jense OR: Voorzitter, ik zou graag willen aansluiten bij de woorden van de heer Van Enk en ik geloof ook niet dat de heer Van der Meij dat zo bedoelde. Wat mij betreft zou er sprake kunnen zijn dat de beleidsdirectie en het programmabureau als grote mensen nog even met elkaar kijken hoe je het beste kunt zwaluwstaarten. Zeker geen behoefte aan. Wat mij betreft zou ons advies zijn: geen vervolgonderzoek. De heer Hoek WIJ: Ook bedankt, rekenkamer, voor het rapport en de presentatie. Als ik zo de conclusies hoor dan lijkt dat wel in lijn te liggen ook met wat er eigenlijk vanuit de inwoners, als je ook de raadsadressen en Rijswijk-Buiten eerder te horen kregen. Als we het dan hebben over de afstand, de grote afstand die ervaren wordt. Als inderdaad sturing op beleidsinhoudelijke doelstellingen, als dat onvoldoende was, dat is niet goed.
Als gemeente moeten we er ook voor zorgen dat die inhoudelijke doelstellingen ook worden behaald. Dat is minstens zo belangrijk als de financiële doelstellingen, als de financiële kaders. Goed, zou ik eigenlijk aanbevelen om dit onderzoek verder uit te diepen en met name hoe het B&W en de raad dan beter sturing en controle kan hebben, kan uitvoeren op het programmabureau, evenals bij andere grote projecten. De heer Van Enk CDA: beleidsdoelen genoemd? De heer Hoek WIJ.: Dat klopt inderdaad, maar ik ga nu even uit van de uitkomsten van het onderzoek. De details heb ik zo niet bij de hand. De voorzitter: Mevrouw Van Enkhuijzen, wilt u daar nog op reageren? Mevrouw Van Enkhuijzen: Eigenlijk weer wat ik al eerder heb gezegd, ik blijf een beetje in herhaling vallen wat betreft de beleidsdoelen. Wij hebben geconcludeerd dat daar meer aandacht voor had kunnen zijn of kan zijn. Nogmaals: niet zeggende dat daar nooit beleidsdoelstellingen zijn geformuleerd, maar dat die in