CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Campus At the Park_vastgesteld_Toelichting

Forum Stad 4 juni 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan ''Campus at the Park"" (RV 24 029)26.024 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de Stadsvisie Rijswijk 2030, vastgesteld op 27 september 2016, zijn de gemeentelijke ambities voor Rijswijk beschreven. Rijswijk staat de komende jaren voor uitdagingen als bevolkingsgroei, verouderde woningen uit de wederopbouw, groeiende verschillen in de bevolkingssamenstelling, veranderingen op de arbeidsmarkt en het bedrijfsleven en de impact van klimaatverandering. De vraagstukken die in Rijswijk spelen kunnen ondergebracht worden binnen drie pijlers: betrokken inwoners pakken kansen: het sociaal domein en de samenleving in 2030; groene buitenplaats voor stedelijk wonen: de ruimtelijke ordening in 2030; innovatieve katalysator van de regionale economie: de bedrijvigheid en werkgelegenheid in 2030. Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de de ruimtelijke en economische pijlers relevant. Voor de ruimtelijke pijler heeft de gemeente de ambitie om Rijswijk tot een groene buitenplaats te maken, die ruimte geeft aan Rijswijkers en nieuwkomers, levendige ontmoetingsplekken kent en slim is ingericht met de blik op de toekomst. Concreet betekent dit de ontwikkeling van energie-neutrale wijken met verschillende type woningen, uitstekend openbaar vervoer en voorzieningen voor elektrisch rijden. Ook dient er te worden ingezet op het behoud en verbeteren van bestaande groenstructuren om een leefbare stad te creëren waar genoeg ruimte is voor vrijetijdsbesteding.

Voor de beoogde ontwikkeling in de Plaspoelpolder is specifiek de ambitie benoemd om het meer woon- en andere functies te geven. Daarbij sluiten de ambities woningbouw op plekken met bestaande bebouwing en het transformeren van verouderde bedrijven en kantoorpanden naar woningen tevens aan op de beoogde ontwikkeling. Voor de economische pijler heeft de gemeente de ambitie om een bruisende en gevarieerde economie tot stand te brengen, met een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor nieuwkomers. De gemeente moet een aantrekkelijke locatie zijn voor starters en kleine bedrijven, zodat zij de mogelijkheid hebben om goed zaken te doen en te groeien. Voor de Plaspoelpolder is de

Campus At the Park Pagina 31 van 71

specifieke ambitie om het tot een bruisende plek te ontwikkelen waar ondernemende mensen wonen, werken en recreëren. Het moet een bruisend economisch klimaat krijgen dat innovatieve processen stimuleert. Dit klimaat is tevens een ideale gelegenheid voor de vestiging van ondersteunende diensten zoals catering, schoonmaak en onderhoud. Betekenis voor het plan De beoogde ontwikkeling is in lijn met zowel de ruimtelijke als de economische ambitie van de Stadsvisie Rijswijk 2030. De herontwikkeling van het bedrijventerrein Kessler Park tot een bruisend groen woon-werk gebied voorziet zowel in de algemene doelen van de gemeente als in de specifieke doelen voor de Plaspoelpolder. 3.4.3

Toekomstvisie Plaspoelpolder 2017-2027met doorkijk naar 2040 + Addendum

Toekomstvisie Plaspoelpolder De Toekomstvisie Plaspoelpolder, vastgesteld op 7 februari 2017, schetst een concreet toekomstbeeld voor de Plaspoelpolder met de gewenste ruimtelijke-economische ontwikkelingsrichting tot en met 2027 met een doorkijk naar de lange termijn (tot 2040). Het is een nadere uitwerking van de Stadsvisie Rijswijk 2030. Het beschreven doel in de visie is om een toekomstbestendig en modern kennis- en werklandschap te laten groeien, waarin werken, leren, verblijven, cultuur, leisure, vergroening en duurzaamheid alle een prominente plek krijgen. Om dit te creëren wordt ruimte geboden aan nieuwe initiatieven die aansluiten bij deze geformuleerde ontwikkelambities. Hierbij wordt de ruimtelijke kwaliteit en het economisch potentieel nauw bewaakt. Naast deze combinatie van functies is in de Plaspoelpolder ook een broedplaats voor ontwikkeling van kennis, producten, materialen en technieken. Specifiek hiervoor wordt het Kessler Park aangewezen. Ten tijden van het schrijven van deze visie, was Shell met haar onderzoek naar exploratietechnieken voor de petrochemie nog aanwezig in het gebied. Het gebied had daardoor een aantrekkende werking voor medewerkers en ingenieurs en daarmee kennis. Addendum Het Addendum is een toevoeging op de Toekomstvisie Plaspoelpolder uit 2017.

Het dient om de speerpunten van de toekomstvisie beter te bewerkstelligen, namelijk het bereiken van een 24/7 verblijfsklimaat en daarmee een goed vestigingsklimaat van de Plaspoelpolder. In de addendum wordt een nieuwe gebiedsindeling van de Plaspoelpolder met gebiedsprofielen en functies gemaakt, de wens voor een campusmilieu op het Kessler Park benoemd en een duidelijke definitie van werken, hotel, shortstay en wonen benoemd. Inmiddels had Shell haar panden in het Kessler Park verkocht en is in het pand het Center for Sustainable Geoenergy (RCSG) opgericht. Dit behoudt en versterkt de aantrekkende werking voor ingenieurs en onderzoekers naar het Kessler Park. Het wensbeeld voor het Kessler Park in het Addendum is dan ook om in het gebied onderzoeks- en onderwijsinstellingen plus bedrijven die onderzoek doen naar de toepassing van innovaties te huisvesten. Ook wordt er functiemenging met verblijfsvormen op pandniveau die de economische en ruimtelijke structuur versterkt beoogt. De functiemenging dient geen hinder te geven aan de bedrijven in en om het Kessler Park. Er dient ten minste sprake te zijn van een commerciële plint en een mix van gebruikersgroepen / functies per pand. In relatie tot de campusontwikkeling kan studentenhuisvesting wenselijk zijn in het gebied.

Betekenis voor het plan De beoogde ontwikkeling in het Kessler Park creëert een bruisend campusklimaat waarbij werken, wonen, leren, verblijven, cultuur, vrije tijd, vergroening en duurzaamheid centraal staan. Ook zet het in op de kracht van het Center for Sustainable GeoEnergy (RCSG) en het onder onderzoek dat ten goed komt aan de energietransitie. Het Kessler Park wordt een bruisende werk-, woon- en verblijfslocatie dat een aantrekkelijke werking heeft op kennis- en innovatieve bedrijven. In het campusklimaat zal functiemenging binnen panden plaatsvinden, wordt er een commerciële plint aangelegd en worden er woningen ten behoeven van studentenhuisvesting gerealiseerd. Ook wordt gewaarborgd dat de ontwikkeling van diverse functies geen hinder veroorzaken voor de aanwezige bedrijven in en rond het Kessler Park. Daarmee past de beoogde Campus At the Park Pagina 32 van 71

ontwikkeling zowel binnen en is niet in strijd met de Toekomstvisie Plaspoelpolder 2017-2027 als de aanvullende Addendum. 3.4.4

Rijswijk Onderneemt - Economische visie 2030

Op 21 februari 2023 heeft de gemeenteraad 'Rijswijk onderneemt – Economische visie 2023' vastgesteld. Hierin wordt beschreven hoe er tot 2030 vorm wordt gegeven aan de Rijswijkse economie, rekening houdend met de landelijke en wereldwijde uitdagingen waar de regio voor staat. De economische kracht van Rijswijk bestaat uit de bereikbare en centrale ligging, de ruimte voor bedrijven, het arbeidspotentieel en het krachtige bedrijfsleven. De visie is om deze economische kracht te behouden en te versterken. Daarvoor heeft de gemeente de volgende vier pijlers opgesteld: 1. Sterk profiel: benutten en versterken van de eigen economische kracht. Rijswijk heeft een goed vestigingsklimaat voor bedrijven vanwege de uitstekende ligging in de regio, een krachtig bedrijfsleven, voldoende ruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven én een groot arbeidspotentieel. Deze economische kracht moet optimaal benut en versterkt worden. 2. Sterk netwerk: Intensiveren van (boven)lokale samenwerking. Rijswijk heeft een sterk lokaal en regionaal netwerk en werkt samen met verschillende partners en stakeholders aan een bestendige economie. In de toekomst ligt de focus op het intensiveren van dit lokaal en regionaal netwerk. 3. Sterke structuur: Stimuleren van innovaties en sectoren. Rijswijk is de plek voor innovatieve bedrijven op het gebied van techniek en energie.

De focus ligt op het optimaliseren van de clustering van onderzoek, kennis en bedrijven om een aantrekkelijk en innovatief werkklimaat te creëren. 4. Sterke werklocaties: Realiseren van een toekomstbestendig vestigingsklimaat. De Rijswijkse werk- en winkellocaties zijn aantrekkelijk en toekomstbestendig. De focus ligt op het nog meer realiseren van economisch vitale, levendige en toekomstbestendige kerngebieden waar ondernemen, werken, wonen en verblijfskwaliteit samen komen. Betekenis voor het plan De beoogde ontwikkeling sluit aan op de ambitie van Rijswijk om haar eigen economische kracht de benutten en te versterken. Het Kessler Park biedt kansen voor de vestiging van innovatieve bedrijven en het creëren van een vooruitstrevend, onderzoeks- en innovatief klimaat, vanwege de aanwezigheid van het RCSG in het gebied. De beoogde ontwikkeling wil deze kansen benutten en door een gunstig campusklimaat te creëren die als aantrekkende kracht werkt voor innovatieve (onderzoeks)bedrijven op het gebied van innovaties, techniek en energie(transitie). Het gebied wordt daarmee een broedplaats voor samenwerkingen en het aanjagen van businessmodellen. De ontwikkeling van het gebied met een campuskarakter sluit tevens aan op de ambitie om economische vitale, levendige, toekomstbestendige kerngebieden te realiseren waar ondernemen, werken, wonen en verblijfskwaliteit samen komen.

De beoogde ontwikkeling 'Campus (here) at the park' kan daarmee als katalysator dienen voor het verbeteren van het imago van Rijswijk. Zodoende past de ontwikkeling binnen en is het niet strijdig met de Rijswijkse economische visie, 'Rijswijk Onderneemt - Economische visie 2030'. 3.4.5

Groenbeleidsplan 2010-2020

In februari 2010 heeft de gemeenteraad het Groenbeleidsplan 2010-2020 'BomeNatuuRecreatie' vastgesteld. In het plan staan de 'groene' ambities voor ontwikkelingen in de stad om het groen meer in de belangstelling te zetten. De groenstructuur is het fundament van Rijswijk en bestaat uit de boomstructuur, natuurstructuur en recreatiestructuur. De leidende principes van het groendbeleidsplan zijn duurzaam, verbinden en beleven. De focus ligt zodoende op het creëren van een duurzame groenstructuur door het behoud van bestaand groen, het versterken van de identiteit en kwaliteit van het groen én te zorgen dat het groen in de omgeving past. Groene verbindingen zorgen voor samenhang in de groenstructuur en vergroten de belevingswaarde van het groen. Investeren in de groenstructuur door middel van

Campus At the Park Pagina 33 van 71

herinrichting en beheer betekent investeren in de stad als geheel. Het groenbeleidsplan fungeert als het groene toetsingskader voor ontwikkelingen en geeft richting aan het denken over groen, prioritering bij de uitvoering en keuzes in groenbeheer. De visie en beleidsspeerpunten van het plan zijn uitgewerkt in 16 deelgebieden. Per deelgebied is de hoofdgroenstructuur aangegeven waarvan de plaats vast ligt. Voor de rest van het groen in de deelgebieden geldt dat de plaats niet vastligt en veranderd mag worden indien de kwaliteit en kwantiteit van het groen gewaarborgd blijft. Betekenis voor het plan Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied L 'Plaspoelpolder' in het groenbeleidsplan. Voor dit deelgebied wordt er gestreefd naar het behoud van de aanwezige bomenlanen. Deze bomenlanen vormen de hoofd boomstructuur van het gebied die dient te bestaan uit doorlopende bomenrijen van de 1e grootte (meer dan 15 meter hoog). Langs overige straten dienen bomen van de 2e grootte aanwezig te zijn (minder dan 15 meter hoog). Van de vier wegen die het plangebied omsluiten, behoren de Volmerlaan en de Lange Kleiweg tot de hoofd boomstructuur. Langs deze wegen dient een doorlopende bomenrij van de 1e grootte in stand te worden gehouden. De Visseringlaan is aangewezen als belangrijke bomenlaan. Hier dienen bomen aanwezig te zijn van de 2e grootte.

Figuur 3.2: Weergave van deelgebied L Plaspoelpolder De beoogde ontwikkeling voorziet in het behoud van de bomenrij van de 1e rang langs de Volmerlaan en de Lange Kleiweg. Indien bomenkap langs de Visseringlaan noodzakelijk blijkt, zal deze kap binnen het plangebied gecompenseerd worden. Zo voorziet het plan in het behoud van de kwaliteit en kwantiteit in het gebied.

Campus At the Park Pagina 34 van 71

3.4.6

Mobiliteit & Parkeren

Mobiliteitsprogramma Rijswijk 2040 'Rijswijk: bereikbaar, leefbaar & veilig' Het Mobiliteitsprogramma Rijswijk 2040 'Rijswijk: bereikbaar, leefbaar & veilig' is een samenhangend pakket van maatregelen waarmee de gemeente de bereikbaarheid van de stad wil veiligstellen en de leefbaarheid en veiligheid van Rijswijk wil verbeteren. Dit programma is ontworpen naar aanleiding van de tweeledige opgave waar Rijswijk voor staat, namelijk de toenemende drukte en verstedelijking én de negatieve effecten van mobiliteit zoals toenemende verkeersonveiligheid, slechte luchtkwaliteit en geluidshinder. De doelstellingen van het mobiliteitsprogramma zijn: bereikbaar, leefbaar en veilig. Om de doelstellingen te bereiken, zijn de volgende uitgangspunten opgesteld: 1.de mens staat centraal; 2.de stad wordt gemaakt samen met de inwoners en de ondernemers; 3.een gebiedsgerichte aanpak; 4.gebiedsontwikkeling als vliegwiel; 5.verdeling van de mobiliteitsbehoefte over de verschillende vervoerssoorten; 6.gebruik maken van innovaties en experimenten; 7.het samen doen met de regio. Deze uitgangspunten maken het mogelijk de overgang te maken naar een verkeerssysteem dat de ontwikkeling van Rijswijk, zoals beschreven in de Stadsvisie, blijvend ondersteunt.

Parkeren Het hierboven besproken Mobiliteitsprogramma Rijswijk 2040 richt zich ook op het stimuleren van alternatieven voor autoverkeer. Het mobiliteitssysteem in Rijswijk, met name rond Plaspoelpolder en Kessler Park, staat onder druk en vereist actie om de leefbaarheid niet verder te verslechteren. De ontwikkeling van Kessler Park, nabij openbaar vervoer, biedt kansen voor een transitie in mobiliteit door minder afhankelijkheid van auto's en de focus op een aantrekkelijke leefomgeving. Het in 2021 opgestelde ontwikkelkader Kessler Park en omgeving (23-12-2021) bevat daarom parkeernormen die passen bij het karakter van het gebied.

Type woning

Grootte per P-norm Mobiliteits-korting Parkeernorm Kessler woning (gbo) Havenkwartier Park, maximaal

Zelfstandige kamer

30 m2

0,3

33%

0,2

Micro appartement

40-50 m2

0,4

25%

0,3

Klein appartement

50-80 m2

0,6

33%

0,4

Middelgroot appartement

80-120 m2

0,8

38%

0,5

Totalen Tabel 3.1: Maximale parkeernormen zoals vastgesteld in het ontwikkelkader Kessler Park en omgeving.

Betekenis voor het plan De beoogde ontwikkeling voorziet in de verbetering van de bereikbaarheid, leefbaarheid en Campus At the Park Pagina 35 van 71

veiligheid binnen het plangebied en haar direct omgeving door een optimaal mobiliteitsprogramma op te stellen. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren. De beoogde ontwikkeling is zodoende in lijn met de mobiliteitsstukken van de gemeente. 3.4.7

Retail- en horecabeleid

De gemeenteraad heeft op 29 juni 2023 het retail- en horecabeleid vastgesteld. De gemeente Rijswijk heeft een gemeentebrede visie opgesteld voor de structuur van detailhandel en horeca. Er is actueel beleid nodig dat inspeelt op veranderende consumentenbehoeften, zoals de toename van online winkelen, en de ontwikkelingen in het economische klimaat. De snelle woningbouw in de gemeente zorgt voor een toegenomen behoefte aan een passend aanbod van detailhandel en horeca, rekening houdend met leefbaarheid en thema's als bereikbaarheid, gezondheid, duurzaamheid en toegankelijkheid. Het doel van het retail- en horecabeleid is het ontwikkelen van een ruimtelijk-economische visie die de gemeente richtlijnen geeft voor beleid, toetsing van initiatieven en marktpartijen inzicht biedt in kansen. Het nieuwe beleid vormt de eerste overkoepelende visie die alle initiatieven gemeentebreed kan afwegen, en het adviseert over het actualiseren of opstellen van specifieke verordeningen en beleidsregels om de voorzieningenstructuur te bereiken. Het moet leiden tot een duurzame structuur die inspeelt op veranderende consumentenvoorkeuren en gedrag. Betekenis voor het plan De geplande woningbouw van binnen het Kessler Park is meegenomen in de actualisering van het retail- en horecabeleid.

Het beleid voorziet in ruimte om extra voorzieningen te creëren die bijdragen aan een aantrekkelijke en gevarieerde mix van functies in het gebied. Deze kunnen bestaan uit maatschappelijke en culturele instellingen, leisure-activiteiten, en commerciële voorzieningen, waaronder ondergeschikte detailhandel en passende horeca die strategisch geplaatst zijn nabij het station. De toenemende vraag maakt Kessler Park een geschikte locatie voor de uitbreiding van het horeca-aanbod. In het bijzonder rond het station en de kop van Kessler Park kan horeca ontwikkeld worden die zowel op reizigers als op de nieuwe inwoners van Kessler Park is gericht. Door deze horecavoorzieningen te concentreren rondom de zuidelijke ingang van het stationsgebied, ontstaat er een herkenbaar cluster dat bijdraagt aan een kwalitatieve verbetering van het gebied. Dit zorgt ook voor gebundelde bezoekersstromen, wat meer mogelijkheden biedt voor innovatieve horecaconcepten. De nadruk ligt op de nieuwvestiging van lichte en middelzware horeca, oftewel categorie 1 en 2, om het gewenste karakter van het gebied te ondersteunen. 3.4.8

Beoordeling initiatief

Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.

3.5

Conclusie

Aan de hand van het hierboven besproken beleid valt te concluderen dat het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid geen belemmering vormen voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

Campus At the Park Pagina 36 van 71

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt per omgevingsaspect toegelicht wat het relevante beleidskader is. Vervolgens wordt er per omgevingsaspect toegelicht wat de betekenis voor de beoogde ontwikkeling is, eventueel met een onderbouwend onderzoek. De in dit hoofdstuk beschreven milieuaspecten en uitgevoerde onderzoeken hebben enkel betrekking op het nieuw te ontwikkelen gedeelte van het plangebied. Het bestaande programma dat aansluit bij het faciliteitencampusconcept is niet meegenomen omdat dit in een eerder stadium al mogelijk is gemaakt middels een omgevingsvergunning en dit conserverend is bestemd in onderhavig bestemmingsplan.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1

Beleidskader

Archeologie Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze is vigerend totdat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zal treden. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. In het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk is opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden 4.2.2

Onderzoek

Archeologie In april 2023 heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek uitgevoerd naar de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit het onderzoek volgt het advies om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Rijswijk. Cultuurhistorie De gemeente Rijswijk heeft een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Op deze kaart is het plangebied niet aangemerkt als cultuurlandschap of plek met cultuurhistorische waarde. Ook zijn er geen rijks- of gemeentelijke monumenten gelegen in het plangebied. Daarom vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Campus At the Park Pagina 37 van 71

4.2.3

Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Voor enkele delen van het plangebied is het niet nodig om te voorzien in een dubbelbestemming ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor een deel van het plangebied wordt wel voorzien in een dubbelbestemming ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden, die regelt dat bij bepaalde ingrepen een onderzoek moet worden voorgelegd. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

4.3.1

Beleidskader

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden wordt gebruik gemaakt van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld door de VNG (versie 2009). In de brochure zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Realisatie van woningen binnen deze richtafstand is alleen gemotiveerd mogelijk indien wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat bestaande bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. Deze wijze van milieuzonering is toegepast om de milieubelasting van bedrijven in de omgeving van het plangebied ten opzichte van de nieuwe woningen te toetsen. Deze wijze van milieuzonering wordt ook toegepast voor de bedrijven binnen het plangebied in relatie tot de woningen.

Bij toetsing van een plan volgens de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' wordt een stappenplan doorlopen. Als het plan niet inpasbaar is na toetsing volgens stap 1, is een toetsing volgens stap 2 noodzakelijk. Indien noodzakelijk volgen stappen 3 en 4. Hieronder is het stappenplan uit de handreiking weergegeven.

Stap 1

Indien de richtafstand (zie de lijsten in bijlage1) voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: buitenplanse inpassing is mogelijk. NB: voor de afstand tot gemengd gebied mag rekening gehouden worden met de vermindering van één afstandstap, zie paragraaf 2.1 onderdeel omgevingstypen (bijvoorbeeld: richtafstand tot gemengd gebied voor categorie 3.2 is 50 meter in plaats van 100 meter).

Stap 2 Indien stap 1 niet toereikend is: Vanaf stap 2 is - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen een geluidsin gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: onderzoek - 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; noodzakelijk - 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden); - 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking en; - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: - 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden); - 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; buitenplanse inpassing is mogelijk.

Campus At the Park Pagina 38 van 71

Stap 3

Indien stap 2 niet toereikend is: - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: - 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden); - 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking en; - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: - 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden) exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer; - 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; is buitenplanse inpassing mogelijk. Het bevoegd gezag dient echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Het bevoegd gezag kan daarbij gebruik maken van gemeentelijk geluidbeleid, indien de te verwachten geluidbelasting voldoet aan de in dat gemeentelijk geluidbeleid vastgestelde grenswaarden voor het betreffende gebied.

Stap 4

Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken.

4.3.2

Onderzoek

Bedrijvigheid buiten het plangebied In het kader van bedrijven en milieuzonering is door het bureau LBP Sight een beoordeling gemaakt van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied (Bijlage 3). Het plangebied ligt in de huidige situatie op een bedrijventerrein dat wordt omgevormd tot een campus waar gewoond en gewerkt kan worden. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is daarom aan te merken als het omgevingstype 'gemengd gebied'. Rondom het plangebied bevinden zich voornamelijk bedrijven met milieucategorie 2. Uitgaande van het omgevingstype 'gemengd gebied' hoort hier een richtafstand bij van 10 meter. Alleen ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een aantal locaties waar een hogere milieucategorie mogelijk is gemaakt.

Campus At the Park Pagina 39 van 71

In de bovenstaande afbeelding is een bufferzone met richtafstanden van de bedrijven over het plangebied gelegd. Zoals te zien in de afbeelding overlapt alleen gebied H uit de afbeelding met het plangebied. Hieronder zal dieper ingegaan worden op de bedrijvigheid binnen gebied H op de kaart. De overige bedrijvigheid heeft geen impact op het plangebied. Relevant voor de voorgenomen ontwikkeling van Kessler Park zijn de ‘bedrijfspanden’ van Jumpsquare/Monkey Town (Lange Kleiweg 1-E en 1-H) en de Broodfabriek (Volmerlaan 12). Jumpsquare/Monkey Town is een indoorspeelhal/trampolinepark en de Broodfabriek is een beurzen- en evenementencomplex. Zoals hiervoor verduidelijkt, staat het bestemmingsplan maximaal categorie 3.2 bedrijvigheid toe. In de praktijk hebben de aanwezige bedrijven een lagere milieucategorie. Het plangebied en de directe omgeving zijn te typeren als gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen in de nieuwe situatie andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Omdat er sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden voor de milieuaspecten (behalve veiligheid) met 1 afstandsstap verkleind worden.

Conform de VNG-handreiking kan Jumpsquare/Monkey Town aangemerkt worden als een ‘sporthal’ (SBI-2008: 931) met milieucategorie 3.1 en een richtafstand van 30 meter en de Broodfabriek als ‘evenementenhal’ (SBI-2008: 9004) met milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter. De kortste afstand tussen het plangebied van Kessler Park en de percelen van Jumpsquare/Monkey Town en de Broodfabriek is 31 meter. Uitgaande van het feitelijke gebruik wordt daarmee voldaan aan de richtsafstanden. Zowel voor Jumpsquare/Monkey Town als de Broodfabriek is het bepalende milieuaspect geluid (voor de milieuaspecten geur, stof en gevaar is in beide gevallen geen richtafstand aan de orde). Uit recente luchtfoto’s van hun panden blijkt dat er verschillende luchtbehandelingsinstallaties op de daken aanwezig zijn. Omdat installatiegeluid als hinderlijk ervaren kan worden en omdat aan de zuidzijde van het plangebied Kessler Park woningbouw is beoogd, is in het kader van de verdere planuitwerking akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de bedrijfsactiviteiten van Jumpsquare/ MonkeyTown en de Broodfabriek. Op grond van de uitgevoerde geluidmetingen en de daarna uitgevoerde berekeningen kan worden

Campus At the Park Pagina 40 van 71

geconcludeerd dat er geen overschrijding is van de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Gelet op de voorgaande conclusie vormen de bedrijfsactiviteiten van Jumpsquare/Monkey Town en de Broodfabriek vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de woningbouw die in het plangebied is voorzien en omgekeerd komt de bedrijfsvoering van deze bedrijven niet in gevaar door realisatie van Campus At the Park. Bedrijvigheid binnen het plangebied Er is niet alleen sprake van bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied, maar ook binnen het plangebied is sprake van bedrijvigheid. Het plangebied wordt zoals eerder toegelicht ontwikkeld tot een faciliteitencampus waar wonen, werken en ontspanning met elkaar worden gecombineerd. Hierdoor ontstaat zowel een levendig en aantrekkelijk gebied voor bewoners als een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor allerlei innovatieve bedrijven. Voor de beoogde ontwikkeling van het Kessler Park tot een gemengd campus gebied dient echter wel gemotiveerd te worden dat de woonfunctie en de beoogde (en bestaande) bedrijvigheid naast elkaar kan worden gerealiseerd. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan valt in te delen in twee aparte gedeelten.

Er is een gebied waarin vrijwel alleen bedrijvigheid plaatsvindt (bestemming Gemengd – 1) en een gebied waar bedrijvigheid, voorzieningen, horeca en wonen worden gerealiseerd (bestemming Gemengd – 2). De bedrijvigheid, voorzieningen en horeca bevinden zich hier in de plint van woongebouwen. Binnen de bestemming 'Gemengd – 1' is er een ondergrondse parkeergarage bedekt door gras en enkele bomen aanwezig. Ook is er een testfaciliteit ten behoeve van onderzoek naar geothermie gelegen binnen de bestemming. Deze bestaande testfaciliteit kent een zwaardere milieucategorie dan de nieuw toegestane bedrijvigheid. Door LBP Sight is akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbronnen welke onder representatieve bedrijfsomstandigheden zijn te onderscheiden binnen de bestemming 'gemengd-1': gebruik testfaciliteit; uitstraling dak- en geveldelen; ventilatie gebouwen; transportbewegingen met bestelwagens en vrachtwagens; Uitstraling ketelhuis; Uitstraling installaties ondergrondse parkeergarage.

Wat betreft de testlocatie blijkt uit het onderzoek dat de geluidbelasting door bedrijvigheid ter plaatse van de geplande woningen, na het treffen van maatregelen bij een aantal installaties van de testlocatie en het treffen van gebouwgebonden maatregelen bij de nieuw te bouwen woningen niet leidt tot een overschrijding van de in het kader van het Activiteitenbesluit aan te houden grenswaarde van 50 dB(A). De maatregelen die alle genomen moeten worden om het gewenste resultaat te bereiken, zijn: het beperkt op hoge toeren draaien van boorinstallatie RIG. Hooguit 5 minuten op 180 bpm, het gedurende 25 minuten op ten hoogste 160 bpm draaien en de rest van de tijd (3,5 uur) op nog een lager toerental van 140 bpm; het overkappen van de boorinstallatie met een reductie van 10 dB als gevolg; het geluidisolerend uitvoeren van het rooster van de powercontainer en het aanbrengen van een geluidscherm rondom de shaker. Een andere maatregel die op basis van het onderzoek noodzakelijk wordt geacht is het aanbrengen van dove gevels bij woningen waar de geluidbelasting hoger is dan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De dove gevels zijn opgenomen in de planverbeelding. Door het treffen van maatregelen met betrekking tot het aspect akoestiek is er geen sprake meer van een negatieve invloed op een goed woon- en leefklimaat.

Na het treffen van de in het akoestisch onderzoek (Bijlage 13) voorgeschreven maatregelen kunnen woningen in de omgeving van de testfaciliteit worden gerealiseerd. Omdat niet wordt voldaan aan de richtafstanden, is hierbij getoetst aan het toetsingskader (stappenplan handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' VNG). Uit deze toetsing blijkt dat er sprake is van een geluidsbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking van de betreffende bedrijvigheid die hoger is dan 50 dB(A). Daarom wordt niet voldaan aan

Campus At the Park Pagina 41 van 71

de voorwaarden van stap 2 en is getoetst aan stap 3 van de eerdergenoemde handreiking. De mate van overschrijding is beperkt (54 dB(A) ten opzichte van de toegestane belasting van 50dB(A)) en de maximale belasting uit stap 3 (65 dB(A)) wordt niet overschreden. De indirecte hinder van het wegverkeer is lager dan de geluidbelasting van het wegverkeer van de omliggende wegen én deze geluidbelasting treedt alleen overdag op. Daarmee wordt de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de bedrijvigheid als aanvaardbaar beschouwd en wordt voldaan aan stap 3 van de eerdergenoemde handreiking. De bestemming 'Gemengd – 1' regelt dat bedrijven worden toegestaan die binnen het vastgestelde acceptatiekader voor At the Park passen en die maximaal tot categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten Gemengd – 1 behoren. Door de koppeling aan zowel het acceptatiekader als de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt geborgd dat zich geen bedrijven kunnen vestigen die zich niet verhouden tot de beoogde woonfunctie. De bestemming 'Gemengd – 2' regelt dat bedrijvigheid, voorzieningen en horeca worden toegestaan naast een woonfunctie.

Voor de bedrijvigheid is hier gewerkt met een op maat gemaakte Staat van Bedrijfsactiviteiten Gemengd – 2, waarop in principe alleen bedrijven zijn opgenomen die passen bij de campusgedachte en een milieucategorie hebben, niet zwaarder dan milieucategorie 2. Dit zijn bedrijven die in een gemengd gebied kunnen worden gerealiseerd in de plint van de woongebouwen, eventueel door het treffen van bouwkundige maatregelen conform het bouwbesluit. Om overlast te voorkomen, geldt er een beperking ten aanzien van toegestane laaden losactiviteiten van deze bedrijven (alleen toegestaan in de dagperiode). De ter plaatse toegestane categorie bedrijven vormen vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering dan ook geen belemmering voor de woningbouw die in het plangebied is voorzien. 4.3.3

Conclusie

De bedrijvigheid in en om het plangebied vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. De bedrijvigheid is, gelet op de VNG-handreiking, ruimtelijk inpasbaar in een gebied dat zich laat typeren als gemengd gebied. Voor de testfaciliteit en gebouwgebonden installaties binnen het plangebied is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat maatregelen getroffen moeten worden voordat de woningen in gebruik genomen mogen worden. Het treffen van deze noodzakelijke maatregelen is tevens privaatrechtelijk vastgelegd middels een overeenkomst tussen de betrokken partijen.

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1

Beleidskader

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening van belang indien sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden wanneer de bodem waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden geschikt is voor het beoogde gebruik dan wel geschikt wordt gemaakt voorafgaand aan de ontwikkeling. De Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. 4.4.2

Onderzoek

De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd ter plaatse van de beoogde woningbouw: Verkennend bodemonderzoek Visseringlaan 26-28, uitgevoerd door Koenders en Partners, zie Bijlage 4; Beperkt aanvullend bodemonderzoek Visseringlaan 26-28, uitgevoerd door Amos Milieutechniek, zie Bijlage 5. Campus At the Park Pagina 42 van 71

Verkennend bodemonderzoek Kessler Park te Rijswijk, uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V, zie Bijlage 6; Uit de resultaten van de onderzoeken blijkt dat de grond en het grondwater ten hoogste licht verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van woningbouw binnen het plangebied. . 4.4.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

4.5

Ecologie

4.5.1

Beleidskader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Uitgangspunt van de wetgeving is een integrale bescherming van de aangewezen natuurwaardenen gebieden. Dit betekent dat in beginsel elke aantasting, die schadelijke gevolgen kan hebben voor de aangewezen waarden dient te worden gereguleerd. Dit kan worden omschreven als een algehele zorgplicht. Het is verboden om, zonder vergunning, projecten of andere handelingen te realiseren/verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de aangewezen gronden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.

In het kader van de wet- en regelgeving voor natuur zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: Here At The Park - Quick scan flora en fauna Visseringlaan 26-28, uitgevoerd door ECOquicksan, zie Bijlage 7; Here At The Park - Nader vleermuisonderzoek Visseringlaan 26-28, uitgevoerd door Kwinfra, zie Bijlage 8; At The Park - Quick scan flora en fauna Kessler Park 1, uitgevoerd door ECOquickscan, zie Bijlage 9; At The Park - Nader onderzoek flora en fauna Kessler Park 1, uitgevoerd door ECOquickscan, zie Bijlage 10. 4.5.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied te Rijswijk ligt in de bebouwde kom in een stedelijke omgeving. Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN)) liggen op grote afstand van het plangebied. Gezien de grote afstand van circa 6,5 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal en ruim 850 m tot het NNN (Landgoed te Werve ten noorden van het plangebied)), het stedelijke karakter en de beperkte omvang van de ingrepen zijn negatieve effecten op beschermde gebieden uit te sluiten. Enkel voor het aspect stikstof is aanvullend onderzocht of er sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Dit is beschouwd in paragraaf 4.10. Soortenbescherming Op basis van de quickscan kan voor het gehele plangebied niet worden uitgesloten dat er vleermuizen voorkomen. Het voorkomen van andere beschermde soorten in het plangebied wordt niet waarschijnlijk geacht. In een deel van het plangebied (At The Park) blijkt uit nader onderzoek naar vleermuizen dat hier

Campus At the Park Pagina 43 van 71

geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. Ook in het gedeelte Here At The Park is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Hier zijn wel verblijfplaatsen van de vleermuis aangetroffen. 4.5.3

Conclusie

In het gedeelte Here At The Park van het plangebied (Visseringlaan 26-28) zijn verblijfplaatsen van de vleermuis aangetroffen. Daarom is er een ontheffing op de Wet natuurbescherming vereist om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Ter mitigatie voor het verlies van verblijfplaatsen zijn al maatregelen getroffen. In de nieuwbouw worden permanente alternatieve verblijfplaatsen geïnstalleerd in de vorm van inbouwkasten. Deze mitigatie zal minimaal hetzelfde potentieel bieden als die van de verloren verblijfplaatsen. Er zal voor worden gezorgd dat vleermuizen een variatie aan microklimaten wordt aangeboden door de kasten in alle windrichtingen te oriënteren, deze op verschillende hoogtes te monteren en door binnenin de kasten verschillende ruimtes te creëren. De nieuwe verblijfplaatsen zullen potentieel geschikt zijn om minimaal hetzelfde aantal vleermuizen als in de huidige situatie te huishouden. Zodoende is het aannemelijk dat de onheffing op de Wet natuurbescherming verleend kan worden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd Natura 2000-gebied of NNN gebied. Effecten op de beschermde Natura 2000-gebieden of het NNN worden niet verwacht. Aanvullend onderzoek heeft uitgewezen dat er op de vleermuizen na geen beschermde soorten voorkomen in het plangebied.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Beleidskader

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van de aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 4.6.2

Onderzoek

Om de externe veiligheid van het plan te toetsen, heeft het bureau LBP Sight in juni 2023 een beoordeling externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 11. Campus At the Park Pagina 44 van 71

Risicovolle inrichtingen In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen zijn een gasontvangststation van de Gasunie en gasdrukregelstation van Stedin aan de Lange Kleiweg 3, op circa 420 meter van het plangebied. De voorgenomen herontwikkeling vindt niet plaats binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Er is geen nadere beoordeling nodig. Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt op circa 400 meter ten noordwesten van rijksweg A4, op circa 1700 meter ten noordwesten van rijksweg A13 en circa 1400 meter ten noordwesten van knooppunt Ypenburg. Het plangebied ligt ruim buiten de PR- en GR-plafonds van de betreffende rijkswegen. Er is geen nadere beoordeling nodig. Het plangebied ligt buiten de 200-meterzone waarvoor conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Er is daarom geen nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Wel geldt volgens het Bevt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter, in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover deze binnen het invloedsgebied van de transportroute zijn gelegen.

Het plangebied van Kessler Park ligt op de rand van het invloedsgebied voor de klasse GF3 (355 m). Over de A4 (wegvak Z9) vindt tevens transport van categorie LT2 (vloeibare giftige stoffen) plaats met een invloedsgebied van 880 m. Het plangebied valt daar volledig binnen. Bovendien vindt op de A13 (wegvak Z29) transport plaats van gevaarlijke stoffen in de categorie L2 en LT3 (vloeibare giftige stoffen) met een invloedsgebied tot 4 km. Het plangebied ligt ook volledig binnen dat invloedsgebied. Ten behoeve van het bestemmingsplan moet daarom een motivatie van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid opgesteld worden en afgestemd met de Omgevingsdienst Haaglanden en de Veiligheidsregio. Ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen van de categorie LT2 en LT3 (zie paragraaf 2.2) is het ergst denkbare scenario een lekkage of het ineens vrijkomen van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen van een (tank)wagen met een giftige vloeistof. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is onder andere afhankelijk van de stof (mate van giftigheid) en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Daarbij hebben ook de weersomstandigheden een grote invloed op de verspreiding van de giftige stoffen. In het ergste geval kan dit leiden tot een invloedsgebied van 4.000 meter.

Gezien de afstand tot het plangebied is het mogelijk dat de aanwezigen slachtoffer worden of overlijden als de wind in de richting van het plangebied staat. De kans op dit scenario is zeer klein. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. De verplichting van het toepassen van mechanische ventilatie is geborgd in de regels in artikel 4.3.4. Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van ‘dagelijkse incidenten’, zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn. In het plangebied komt het uitgebreide wegennetwerk de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Visseringlaan, Lange Kleiweg en Volmerlaan van de bron worden gevlucht, wat ten goede komt aan de zelfredzaamheid. Advies maatregelen Veiligheidsregio Haaglanden Gezien de afstand van deze risicobronnen tot aan het plangebied worden de volgende maatregelen geadviseerd: 1. Afschakelbare ventilatie; 2. Voorbereiding interne organisatie; 3. Risicocommunicatie;

Campus At the Park Pagina 45 van 71

4. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Het volledige advies van de Veiligheidsregio is opgenomen in Bijlage 11. 4.6.3

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het toxische scenario van de A4 en de A13. Vanwege de afstand tot de A4 en de A13 vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.

4.7

Geluid

4.7.1

Beleidskader

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van deze wet is dat geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen) worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg of spoorweg worden gerealiseerd, dan mag de geluidsbelasting van het wegverkeer of van de spoorweg niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Hiertoe hanteert de Wet geluidhinder een voorkeursvolgorde, te weten: maatregelen aan de bron; maatregelen in de overdrachtssfeer; maatregelen bij de ontvanger. Bij voorkeur wordt geluidhinder dus bij de bron aangepakt. Dat kan bijvoorbeeld door een stil wegdek aan te leggen, een snelheidsverlaging in te voeren of door het verkeer om te leiden. Helaas zijn bron maatregelen niet altijd mogelijk of hebben ze onvoldoende effect. In dat geval kan een geluidsscherm of -wal soelaas bieden. Vooral in situaties waar de geluidsbelastingen hoog zijn en veel woningen aanwezig zijn, is een geluidsscherm (mits inpasbaar) een goede oplossing.

Als het echt niet mogelijk is om bron- of overdrachtsmaatregelen te treffen kan worden gedacht aan het isoleren van woningen met gevelmaatregelen. Denk bijvoorbeeld aan suskasten of een sterker geluidwerende gevel. Blijken bron- of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Voor het verlenen van hogere waarden wordt een besluit genomen. Dit ontwerpbesluit hogere grenswaarden wordt gelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Bij overschrijding van de maximale geluidbelasting kan een geluidgevoelig gebouw toch gerealiseerd worden als de gevel waar sprake is van overschrijding van die waarde "doof" wordt uitgevoerd. Een dove gevel bevat geen te openen delen. Voor gevels die als dove gevel worden uitgevoerd in de zin van de Wet geluidhinder wordt geen hogere waarde vastgesteld. Voor woonerven en voor wegen waarop de maximum snelheid 30 kilometer per uur bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze op basis van de Wet geluidhinder niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel verplicht deze wegen mee te nemen in de afweging.

Voorwaarden beleid hogere waarden gemeente Rijswijk Het vaststellen van hogere waarden is mogelijk voor geluidsbelastingen tussen de wettelijke voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Naast de wettelijk bepaalde voorwaarden hanteert de gemeente Rijswijk voorwaarden met betrekking tot: Campus At the Park Pagina 46 van 71

voorschrijven van een geluidsluwe zijde; grens aan gecumuleerde geluidsbelasting; voorschrijven van toe te passen doelmatige geluidsmaatregelen; voorschrijven van geluidsluwe buitenruimtes; voorschrijven maximale binnenniveau bij functietransformatie naar wonen. In het kader van de wet- en regelgeving voor geluid zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: Akoestisch onderzoek herontwikkeling Kessler Park in Rijswijk, uitgevoerd door het bureau LBP Sight (Bijlage 12). 4.7.2

Onderzoek

In dit akoestisch onderzoek is ingegaan op de geluidbelasting van het wegverkeer en het railverkeer rondom het plangebied. Geluidbelasting railverkeer Voor de Spoorlijn Den Haag – Delft bedraagt de geluidbelasting maximaal 59 dB. De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt hiermee niet overschreden. Geluidbelasting wegverkeer Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde (48 dB) voor de volgende gemeentelijke wegen wordt overschreden. Kessler Park: de geluidbelasting is maximaal 57 dB; Lange Kleiweg: de geluidbelasting is maximaal 58 dB; Visseringlaan: de geluidbelasting is maximaal 52 dB; Volmerlaan inclusief tram: de geluidbelasting is maximaal 59 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt voor deze wegen niet overschreden. Voor de Rijksweg A4 bedraagt de maximale geluidbelasting 60 dB. De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt bij drie gebouwen overschreden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij dit project geluidbeperkende maatregelen op dit moment geen optie zijn. De maatregelen zijn niet doeltreffend genoeg en kennen technische, financiële en stedenbouwkundige bezwaren.

De gemeente Rijswijk kan in dit geval hogere waarden voor de geluidbelasting vanwege Rijksweg A4, Kessler Park, Lange Kleiweg, Visseringlaan, Volmerlaan en de spoorlijn Den Haag – Delft vaststellen. Uit het akoestisch onderzoek in Bijlage 12 blijkt dat aan de voorwaarden die de gemeente Rijswijk hiervoor stelt voor het verlenen van hogere waarden wordt voldaan. 4.7.3

Conclusie

Gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan Campus At the Park heeft een besluit hogere waarden ter inzage gelegen, waarna de ontheffing voor de hogere geluidsbelasting is verleend. Om te voldoen aan de wettelijke voorwaarden is er in de planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan geborgd dat op verschillende locaties in het plangebied, waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden, dove gevels worden gerealiseerd. De exacte locatie van deze dove gevels is ingetekend in de verbeelding bijbehorende bij dit bestemmingsplan. Na vaststelling van de hogere waarden vormt het aspect verkeerslawaai geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De vastgestelde hogere waarden zijn opgenomen Bijlage 7 bij de regels van onderhavig bestemmingsplan.

Campus At the Park Pagina 47 van 71

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Beleidskader

De Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.

Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. Het plangebied ligt niet binnen 300 m van Rijkswegen, zodoende is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing op het plangebied Het Schone lucht akkoord en -actieplan luchtkwaliteit De gemeente Rijswijk heeft zich aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord.

In het Schone Lucht Akkoord hebben de deelnemende partijen de ambitie uitgesproken om samen in alle relevante sectoren de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken om zo in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te halen. Het gaat hierbij om gezondheidseffecten van blootstelling aan de uitstoot van Nederlandse bronnen. Een gecombineerde inzet van maatregelen moet ertoe leiden dat in 2030 gemiddeld ruim vier maanden gezondheidswinst is gerealiseerd. De gemeente wil samen met andere overheden, organisaties, ondernemers en inwoners maatregelen nemen om de luchtkwaliteit in Rijswijk te verbeteren. Om de omgeving voor iedereen gezonder te maken, heeft de gemeente het Actieplan luchtkwaliteit 2020–2024 opgesteld. Hierin staan dertien maatregelen die de komende tijd verder worden onderzocht en uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Uitbreiding milieuzone Haagweg Uitbreiding netwerk van laadpalen Onderzoek milieuzone Prinses Beatrixlaan Stimuleren fietsgebruik Verbeteren openbaar vervoer Milieuzone brom- en snorfietsen Campus At the Park Pagina 48 van 71

7. Verbetering doorstroming verkeer 8. Emissievermindering werktuigen en machines 9. 0-emissie eigen wagenpark en 0- emissie groenbeheer 10. Aanpak uitstoot huishoudens 11. Duurzaam en energiezuinig bouwen en wonen 12. Vermindering blootstelling long- en hartpatiënten 13. Beleidslijn gevoelige bestemmingen bij ruimtelijke plannen 4.8.2

Onderzoek

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het plan dat ten opzichte van de bestaande situatie een combinatie van woningbouw, bedrijvigheid en commerciële en maatschappelijke voorzieningen mogelijk maakt valt niet onder een van de categorieën die volgens de Regeling niet in betekenende mate bijdragen per definitie niets bijdragen aan de luchtverontreniging. Om de gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit te bepalen is daarom voor dit plan de NIBM-tool gebruikt. Op basis van de worst-case extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan, afkomstig uit de mobiliteitsstudie, blijkt dat de bijdrage als gevolg van het extra verkeer niet-in-betekenende-mate is en dat geen nader luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. De normen voor NO2, PM10, en daarmee ook de norm voor PM 2,5 worden niet overschreden.

Ingevulde NIBM-Tool gebaseerd op de extra voertuigbewegingen als gevolg van het planvoornemen. In onderstaande figuur is een uitsnede van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) opgenomen. Het plangebied ligt bij toetspunt 1 tot en met 5. In onderstaande tabel zijn de waardes ter plaatse van de toetspunten, afkomstig van het CIMLK, aangegeven in de huidige situatie (jaar 2021). Er wordt ruimschoots aan de grenswaarden voldaan. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stof

Grenswaarde Meetpunt Meetpunt Meetpunt Meetpunt Meetpunt 1 2 3 4 5

Stikstofdioxi 40 µg/m³ de (NO2)

21,69

21,99

21,75

21,97

21,96

Campus At the Park Pagina 49 van 71

fijnstof (PM10)

40 µg/m³

fijnstof (PM2,5)

16,93

16,96

16,84

16,85

16,85

max. 35 keer 6,03 p.j. meer dan 50 µg / m³

6,03

6,02

6,02

6,02

25 µg /m³

8,80

8,76

8,77

8,76

8,78

Figuur 4.8.2 Uitsnede Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Het Schone lucht akkoord en -actieplan luchtkwaliteit Door woningen toe te voegen in de nabijheid van een openbaar vervoersknooppunt, wordt het voor toekomstige bewoners en bezoekers aantrekkelijk om de fiets te gebruiken. Voor de bewoners zal dan ook voorzien worden in voldoende fietsparkeerplaatsen in een afgesloten stalling en voor bezoekers zullen in de openbare ruimte voldoende fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden. Daarnaast worden de woningen gasloos verwarmd en tijdens de bouw zal gebruik worden gemaakt van emissiearme werktuigen en machines. Hierdoor sluit het planvoornemen aan op maatregelen 4, 8 en 11 zoals genoemd in het Actieplan luchtkwaliteit dat is opgesteld op basis van het Schone lucht akkoord. 4.8.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=d950b2d4-65c4-4cc7-96dc-5ff592b0dc78