CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage D De Havenmeester vastgesteld toelichting

Forum Stad 3 december 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan De Havenmeester29.255 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Onderzoek Door Buro Bouwfysica is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 9 oktober 2023). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Hieruit blijkt dat het plangebied in enkele geluidzones valt. De Rijksweg A4 / A13 heeft ter plaatse een geluidzone met een breedte van 600 m (buitenstedelijk gebied). De Burgemeester Elsenlaan, de Koopmansstraat, Handelskade en Bordewijkstraat hebben een geluidzone van 200 m breed. Het plangebied ligt daarmee binnen de geluidzones van de genoemde wegen. Tevens is het gedeelte van de Handelskade waar 30 km/uur gereden mag worden meegenomen in het onderzoek. De maximale ontheffingswaardes bedragen: • 53 dB voor de geluidbelasting vanwege de Rijksweg A4 / A13;

65

• 63 dB voor de geluidbelasting vanwege de Burgemeester Elsenlaan, Koopmansstraat en de Bordewijkstraat. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door het uitvoeren van berekeningen van de geluidsbelasting ten gevolge van het (spoor-)wegverkeer op de gevels van het nieuwe gebouw. Toetsing Wet geluidhinder Per weg is aangegeven wat de geluidsbelasting is, een overzicht is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel zijn per gevel de geluidsbelasting weergegeven van het rekenpunt met de hoogste geluidsbelasting.

Tabel 4.4: Resultaten akoestisch onderzoek (bron: Buro Bouwfysica) Lden is de maat om geluidbelasting in een heel etmaal (day-evening-night) uit te drukken. Voor het overzicht zijn de verschillende geveloriëntaties van het gebouw weergegeven in onderstaande figuur. Het bouwvlak van het gebouw is weergegeven in blauw.

66

Figuur 4.3 Geveloriëntaties van het beoogde gebouw. Ten gevolge van het verkeer op de Rijkswegen, Burgemeester Elsenlaan (incl. trambaan) en Koopmansstraat is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanwege de Rijkswegen is tevens sprake van een overschrijding van de maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 53 dB ter plaatse van de gevels die zicht hebben op de Rijkswegen. Deze gevels dienen doof te worden uitgevoerd. Voor de Rijksweg is dus sprake van overschrijdingen, daarom is onderzoek naar maatregelen vereist om de geluidbelasting te beperken. Aan de bron (op de Rijksweg) zou het asfalt kunnen worden vervangen of in het overdrachtsgebied zou een geluidscherm kunnen worden geplaatst. Omdat deze wegen in beheer zijn van Rijkswaterstaat, kan de gemeente hier geen eisen aan stellen. Ook als gevolg van het verkeer over de Burgemeester Elsenlaan en de Koopmansstraat is sprake van overschrijdingen. Door middel van het toepassen van stil asfalt op deze wegen kan de geluidbelasting op de gevels worden verlaagd. Dit is echter zeer kostbaar in aanleg en onderhoud. Daarnaast zal het aanbrengen van stil asfalt op deze wegen niet leiden tot minder maatregelen ter plaatse van de woningen in het gebouw ten behoeve van het realiseren van een geluidluwe zijde en maatregelen voor de dove gevels. Het aanbrengen van stil asfalt is mede daardoor niet doelmatig.

Door het terugbrengen van de snelheid van 50 km/uur naar 30 km/uur kan de geluidbelasting op de gevel ook gereduceerd worden. Deze optie is echter niet nader onderzocht omdat deze wegen belangrijke verkeersaders zijn. Het toepassen van geluidschermen tussen de wegen en het bouwplan kan bij de lager gelegen verdiepingen van het plan een positief effect hebben. Om ook op de hoger gelegen verdiepingen een voldoende grote reductie te bereiken zijn echter zeer hoge geluidschermen noodzakelijk. Deze zullen zowel op grote stedenbouwkundige en financiële bezwaren stuiten en zijn daarom niet nader onderzocht.

67

Daarom zijn maatregelen op woningniveau noodzakelijk. Dit is vastgelegd in de regels in artikel 3.4. Hogere waarden Gezien het voorgaande is het noodzakelijk voor de appartementen binnen het plan een hogere waarde vast te stellen. In verband met de gewenste flexibiliteit wordt geadviseerd de in de onderstaande tabellen vermelde waarden voor alle woningen in het plan vast te stellen/toe te staan. Aantal woningen

Geluidsbron

Verzochte hogere waarde in dB tot maximaal 199 Rijkswegen 53 199 Burgemeester Elsenlaan incl. 61 tram 199 Koopmansstraat 59 Tabel 4.5 Hogere waarden de Havenmeester onder Wet geluidhinder Toetsing Besluit Kwaliteit Leefomgeving Tabel 4.6 geeft de resultaten weer onder het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.

Ten gevolge van het verkeer op de Rijkswegen en de gemeentewegen is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde van 50/53 dB Lden. Vanwege de Rijkswegen is tevens sprake van een gedeeltelijke overschrijding van de grenswaarde van 60 dB Lden ter plaatse van de zuidoost-gevel (vanaf laag 10, overschrijding bedraagt maximaal 2 dB) gericht op de Rijkswegen. Deze gevels dienen als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen te worden uitgevoerd.

Tabel 4.6 Grenswaarden de Havenmeester onder Besluit Kwaliteit Leefomgeving Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Het wettelijk kader voor geluid gaat dan op in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. De Wet geluidhinder vervalt. De Omgevingswet kent een ander normstelsel. Onder de Omgevingswet is voorzien dat voor Rijkswegen de maximale ontheffingswaarde, in deze wet aangeduid als grenswaarde, wordt verruimd naar 60 dB (er is geen sprake meer van aftrek, dus dit is de geluidbelasting op de gevel). Dit betekent voor het plan dat er onder het regime van de Wet geluidhinder wel dove

68

gevels zijn vereist, maar dat deze gevels onder de Omgevingswet niet meer "doof" hoeven uitgevoerd te worden. Dit worden niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen. Geconcludeerd wordt dat de woningen kunnen worden gerealiseerd die voldoen aan de definitie van een 'niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De woningen hebben de beschikking over een geluidluwe gevel door bouwkundige maatregel aan de gevel volgens het bestaande concept geluidbeleid en beschikken daarmee over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie De grenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege de Rijksweg A4, de Burgemeester Elsenlaan en de Koopmansstraat. Voor deze woningen dienen hogere waarden te worden aangevraagd tot 59 dB voor de Koopmansstraat, tot 61 dB voor de Burgemeester Elsenlaan en tot 53 dB voor de Rijksweg A4. Dit is een separaat besluit dat als ontwerpbesluit tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Voor de woningen met een hogere geluidbelasting dienen dove gevels te worden toegepast. Voor die gevels waar nog sprake is van een overschrijding van de nieuwe grenswaarde van 60 Lden zoals gesteld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, dient de gevel te worden uitgevoerd als ‘niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’.

De uitwerking van deze gevel vindt vervolgens plaats onder het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Dit is geborgd in de regels in artikel 3.4.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden wordt gebruik gemaakt van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld door de VNG (versie 2009). Deze geeft per bedrijfscategorie een "veilige" afstand voor de genoemde milieuaspecten, de zogenaamde richtafstand. Realisatie van woningen binnen deze richtafstand is alleen gemotiveerd mogelijk indien wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat bestaande bedrijven niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. Deze wijze van milieuzonering is toegepast om de milieubelasting van bedrijven in de omgeving van het plangebied ten opzichte van de nieuwe woningen te toetsen. Harbour Village valt buiten dit bestemmingsplan. Op die locatie zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 mogelijk die vermeld staan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan 'Plaspoelpolder 1e algehele herziening'.

Onderzoek Het plangebied ligt in de huidige situatie op een bedrijventerrein. Dit gebied wordt omgevormd tot een werk-woon gebied. In het plangebied is daarom sprake van omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden daarom met één afstandsstap verlaagd, en in de directe omgeving van burgerwoningen worden bedrijfsactiviteiten uit categorie 2 toegestaan. Deze situatie wordt aanvaardbaar geacht gelet op het feit dat de woningen zijn gelegen in een gebied waar veel bedrijfsactiviteiten aanwezig zijn.

69

Parkeergarage Steenplaetsstraat 6 De richtafstand van een parkeergarage in een gemengd gebied is 10 meter. De dichtstbijzijnde geluidgevoelige functies zijn twee bedrijfswoningen aan de Koopmansstraat. Deze liggen beide op circa 15 meter afstand. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de ‘VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering’. Burgemeester Elsenlaan 325 Ten noordoosten van het plangebied ligt een bedrijventerrein waar bedrijven t/m categorie 3.2 die vermeld staan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan 'Plaspoelpolder 1e algehele herziening' mogelijk zijn. Voor het bedrijventerrein ten noordoosten zijn bedrijven t/m categorie 3.2 toegestaan waarvoor een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied geldt. Het bedrijventerrein ligt op een afstand van 12 meter van het plangebied. Voor de bedrijven waar de woningen binnen de richtafstand gelegen zijn is geluidsonderzoek verricht naar het huidige gebruik door Peutz, zie bijlage 6 (Woningbouw Havenkwartier Rijswijk, Peutz, 13-092023). Door Peutz is op basis van vragenlijsten, locatiebezoeken en een informatieavond op 22 maart 2023 de huidige bedrijfsactiviteiten bepaald inclusief eventuele (op korte termijn) toekomst plannen van de bedrijven.

Op basis van deze bedrijfsactiviteiten en geluidsmetingen tijdens de locatiebezoeken is de geluidsbelasting van de omliggende bedrijven op de beoogde woningbouw op het Havenkwartier bepaald. Hierbij wordt getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Onderstaande tabel geeft de geluidgrenswaarden weer.

Uit akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan Havenmeester is gebleken dat bij één bedrijf sprake zal zijn van overschrijding van de voor die bedrijven geldende geluidsnormen op de geprojecteerde woningen.Voor dit bedrijf geldt dat voldaan moet worden aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Bosman (Nijverheidsstraat 8-12) De overschrijdingen van de geluidgrenswaarden bij Bosman zijn het gevolg van de buitenactiviteiten in de dagperiode, het laden en lossen in de avond- en nachtperiode, en de geluidbijdrage van de dakafzuiging in de nachtperiode. Het equivalente (gemiddelde) geluidniveau ten gevolge van het laden en lossen (dieselheftruck/kooiaap) kan worden beperkt door gebruik te gaan maken van elektrisch materieel. Afgesproken is hiervan reeds uit te gaan gezien de snelle ontwikkeling van elektrisch aangedreven materieel in relatie tot de tijd dat de eerste oplevering van de woningen het geval zal zijn. Avond- en nachtperiode De overschrijding van de maximale geluidniveaus (piekgeluidniveaus) als gevolg van laden of lossen van bijv. steigerbuizen is te beperken door gedisciplineerd gedrag, maar ook dan is niet altijd te voorkomen dat geluidgrenswaarden in de avond- en nachtperiode worden overschreden. De geluidisolatie van de gevels van de nieuwe woningen dient dan voldoende hoog te zijn om een acceptabel binnengeluidniveau te garanderen.

70

Dagperiode Door het toepassen van de genoemde maatregelen (stille dakventilator, elektrisch laden en lossen) is nog een beperkte overschrijding (de overschrijding bedraagt 6 dB bij bestaande woningen en 3 dB bij de nieuwe woningen) in de dagperiode. (en 2 dB in de nachtperiode bij bestaande woningen) Geluidpieken ten gevolge van het laden en lossen in de dagperiode worden conform het Activiteitenbesluit buiten de beoordeling gehouden. (De maximale geluidniveaus in de dagperiode worden veroorzaakt door de buiten activiteiten zoals zagen e.d. dit zijn geen laad- en losactiviteiten) Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevels van nieuw te realiseren woningen (inclusief maatregelen) bedraagt ten hoogste 52 dB(A) in de dagperiode, 39 in de avondperiode en 37 dB(A) nachtperiode. De maximale geluidniveaus (inclusief maatregelen) op de gevels van de nieuw te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 74 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Het bedrijf wordt geacht zich te houden aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Naast geluid geldt voor de vuurwerkopslag dat gevaar het maatgevende aspect is. De vuurwerkopslag ligt op een afstand van circa 50 meter. Op basis van de risicokaart valt het plangebied buiten de veiligheidsafstanden van de vuurwerkopslag. De vuurwerkopslag vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Ter plaatse van de woningen kan een aanvaardbaar woon en leefklimaat worden gegarandeerd. Verder is geborgd dat laad- en losactiviteiten voor de bedrijven in het plangebied niet in de avond- en nachtperiode toegestaan zijn. Dit biedt mogelijkheden functiemenging in combinatie met een goed woonklimaat te realiseren. Tot slot is in de regels geborgd dat wanneer de aanvraag van de omgevingsvergunning daar aanleiding toe geeft, er kan worden afgeweken van de normen die zijn benoemd waardoor kan worden getoetst aan de wet- en regelgeving geldend op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierbij geldt de voorwaarde dat voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat. Door het akoestisch bureau Peutz is medio oktober 2024 een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij de maximaal planologische gebruiksruimte voor de omliggende bedrijven in ogenschouw is genomen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er geen geluidsbelemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling De Havenmeester. Het integrale rapport is opgenomen in de bijlagen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

71

4.5

Externe veiligheid

Normstelling en beleid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. De contour 10-6 is de kans van 1 op 1 miljoen dat een persoon dodelijk kan worden getroffen op die bepaalde plaats gelegen binnen de contour. Bij de plaatsgebonden risico contour 10-5/jaar is deze kans 1 op de 100.000.

Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 /jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Figuur 4.5: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met een oriëntatiewaarde voor transport

72

Circulaire LPG-tankstations In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten voor een ongeval (verder: Circulaire LPG-tankstations) zijn effectafstanden geïntroduceerd. Het bevoegd gezag wordt verzocht rekening te houden met deze effectafstanden. Dit betekent tegelijkertijd dat gemotiveerd afwijken is toegestaan, al dient deze afwijking te worden onderbouwd met veiligheidsgeoriënteerde argumenten. Verantwoordingsplicht In het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio.

De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals de mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking, mogelijkheden van hulpverlening en de nut en noodzaak van de ontwikkeling. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, liggen in de omgeving een LPG tankstation en een vuurwerkopslag plaats. Het plangebied ligt niet binnen de invloedsfeer/risico-contour van de LPG en Vuurwerkopslag. Er zijn geen relevante risicovolle inrichtingen in de omgeving aanwezig. LPG tankstation Per 1 juli 2019 heeft de gemeente Rijswijk de vergunning van het LPG-tankstation aan de Burgemeester Elsenlaan 156 ingetrokken. Door het intrekken van de vergunning vindt ook geen transport van gevaarlijke stoffen meer plaats. Het tankstation is hierdoor voor het gebied geen relevante risicobron meer. Inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk De inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk ligt op een afstand van circa 50 meter. Op basis van de risicokaart valt het plangebied buiten de veiligheidsafstanden van de vuurwerkopslag. De inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Ten zuidoosten van het plangebied ligt een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding en ligt de A4 en de A13 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de omgeving zijn verder geen relevante risicobronnen aanwezig. Buisleiding Op een afstand van 510 meter ten oosten van het plangebied ligt een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie gelegen. Het plangebied ligt buiten het plaatsgebonden risico 10-6 contour van de buisleiding en het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van 405 meter. De aardgastransportleiding vormt geen beperking voor het bestemmingsplan.

73

A4 Het plangebied ligt op een afstand van circa 500 meter tot de A4. Over de A4 wordt stofcategorie LT2 (toxische vloeistof) vervoerd. De effectafstand hiervan is 880 meter. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico 10-6 contour van de A4. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van de A4 waardoor een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het toxisch scenario van de A4. Hiervoor dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. A13 Het plangebied ligt op 1 kilometer afstand van de A13. Over de A13 wordt stofcategorie GT4 (toxisch gas) en stofcategorie LT3 (toxische vloeistof) vervoerd. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico 10-6 contour van de A13. Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het toxisch scenario van de A13 van 4000 meter. Beknopte verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Op basis hiervan zal de verantwoording ingevuld worden. Bestrijdbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.

De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Bereikbaarheid Het plangebied wordt ontsloten op de Koopmansstraat vervolgens kan via de Limpergstraat of Handelskade de burgemeester Elsenlaan bereikt worden. De Burgemeester Elsenlaan is een doorgaande weg waarmee het plangebied aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Burgemeester Elsenlaan van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het plangebied wordt woon-werk gebied mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.

74

Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS), het luchtalarm. Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Advies maatregelen Veiligheidsregio Haaglanden Geadviseerd wordt om in de gebouwen een technische voorziening te plaatsen, zodat de ventilatie met een eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld. Om zo de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen te beperken. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Het is daarbij van belang dat ook ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.

De verplichting van het toepassen van mechanische ventilatie is geborgd in de regels in artikel 3.10.3. Daarnaast geeft de Veiligheidsregio adviezen ten aanzien van het voorbereiden van de interne organisatie van de gebouwen en over risicocommunicatie in het geval van noodsituaties. Tot slot dient de bereikbaarheid van het plangebied en bluswatervoorzieningen voor de hulpdiensten goed te zijn. Deze punten dienen bij de uitvoering van het plan in acht te worden genomen. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het toxische scenario van de A4 en A13. Vanwege de afstand tot de A4 en A13 vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.

4.6

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie In en rondom het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen.

75

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijnstof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Tabel 4.5: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst, omdat de grenswaarden hierdoor niet overschreden worden. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Actieplan Luchtkwaliteit 2020-2024 De gemeente Rijswijk wil samen met andere overheden, organisaties, ondernemers en inwoners maatregelen nemen om de luchtkwaliteit in Rijswijk te verbeteren. Door middel van lokale maatregelen wil de gemeente de luchtkwaliteit verbeteren zoals het uitbreiden van milieuzone's, stimuleren van het gebruik van de fiets, OV en elektrische voertuigen. Voor ontwikkelingen zoals de Burgemeester Elsenlaan 325 betreft dat aandacht besteden aan duurzaam en energiezuinig bouwen en wonen en het gebruik van deelmobiliteit.

76

Onderzoek Het bestemmingsplan zelf maakt maximaal 199 woningen en 350 m2 bruto vloeroppervlakte niet-woonfuncties mogelijk. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 1.380 mvt/etmaal. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 0,78 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,21 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving.

Tabel 4.6: Worst-case berekening m.b.v. NIBM-tool Voor de gehele ontwikkeling van het Havenkwartier is in het kader van de m.e.r.-beoordeling een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Hieruit blijkt dat als gevolg van de gehele ontwikkeling geen grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) overschreden worden. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn beoordelingspunten aangegeven. Het plangebied van Havenmeester ligt bij toetspunt 13 en 20. In onderstaande tabel zijn de waardes ter plaatse van dit toetspunt aangegeven in de huidige situatie (jaar 2020). Er wordt ruimschoots aan de grenswaarden voldaan. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stof Toetspunt 13 Toetspunt 20 Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) 26,3 µg/m3 27,8 µg/m3 40 µg/m³ 3 3 fijnstof (PM10) 18,9 µg/m 19,1 µg/m 40 µg/m³ 8 keer p.j. meer 8 keer p.j. meer max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ dan 50 µg / m³ dan 50 µg / m³ fijnstof (PM2,5) 11,0 µg/m3 11,0 µg/m3 25 µg /m³

77

Figuur 4.6: Beoordelingspunten uit het onderzoek luchtkwaliteit behorende bij de aanmeldnotitie m.e.r. Havenkwartier Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.8

Bodemkwaliteit

Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening van belang indien sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden wanneer de bodem waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden geschikt is voor het beoogde gebruik dan wel geschikt wordt gemaakt voorafgaand aan de ontwikkeling. De Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

78

Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wet bodembescherming is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Situatie plangebied Het plangebied betreft het perceel Burgemeester Elsenlaan 325 en de parkeervoorziening aan de Steenplaetsstraat 6.

Het plangebied ligt in het Havenkwartier en is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rijswijk blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone Industrie. Zowel de algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn geclassificeerd als klasse industrie. Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door bureau IDDS (d.d. 09-07-2021). Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 7. Hierin is onderzocht wat de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie is. Dit onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. In het bureauonderzoek is informatie onderzocht die reeds beschikbaar was over het plangebied en de direct aangrenzende percelen. Daarnaast is door middel van boringen de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het plangebied onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op de boorstaten, bestaat vanaf het maaiveld tot 0,5 à 3,0 m – mv. uit zeer fijn zand. Hieronder bevindt zich klei tot de maximale einddieptes van de boringen (ca 5,0 m - mv.). Lokaal zijn in de ondergrond veenlagen waargenomen.

Ter plaatse van diverse boringen (inclusief de locatie van de gedempte sloot) zijn bijmengingen met metselpuin waargenomen. Op basis van de analyse- en toetsingsresultaten blijkt dat de metselpuinhoudende ondergrond sterk verontreinigd is met koper en/of PAK en licht verontreinigd is met diverse metalen, PAK (Polycyclische aromatische koolwaterstoffen), PCB (Polychloorbifenyl) en minerale olie. Mengmonster MM06 betreft de grond ter plaatse van de gedempte sloot.

79

Figuur 4.7: Boorpunten verkennend bodemonderzoek en locatie slootdemping (Bron: IDDS, 2021) Aan het bemonsterde grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. In het grondwater overschrijdt de concentratie barium de desbetreffende streefwaarde. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om voorafgaand aan eventueel geplande grondwerkzaamheden een nader bodemonderzoek te verrichten naar de mate en omvang van de aangetroffen sterke verontreiniging met koper en PAK. Nader bodemonderzoek dient uitsluitsel te verschaffen omtrent het feit of er ten aanzien van de verontreiniging in de grond sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Naar aanleiding van het aantreffen van metselpuin dient de bodem te worden aangemerkt als asbestverdacht. Rekening dient te worden gehouden dat voorafgaand aan de herontwikkeling van de locatie / bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning ten behoeve van nieuwbouw, een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707+C2;2017 dient te worden uitgevoerd. Nader bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, is een nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd door bureau IDDS (d.d. 01-032022).

Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 8. Het doel van het nader bodemonderzoek is om uitsluitsel te verschaffen over de mate en omvang van de verontreiniging die is aangetroffen in het verkennend bodemonderzoek.

80

De aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend asbestonderzoek is het tijdens de werkzaamheden van het verkennend bodemonderzoek aantreffen van asbestverdachte bodemvreemde bijmengingen in de bodem. De doelstelling van het verkennend asbestonderzoek is om een uitspraak te doen over de aan/afwezigheid van asbest (verdenking) en, indien aanwezig, het bepalen van de aard en omvang van de bodemverontreiniging en een bepaling van het gehalte aan asbest. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van het plaatsen van boringen op de locatie. In figuur 4.6 zijn de locatie van de boringen en asbest inspectiesleuven weergegeven Grond, nader onderzoek PAK en koper Vermoed werd dat de verontreiniging met PAK en koper bij boring 15 verband zou houden met de slootdemping en de grond waarmee het gedempt is. Derhalve zijn rondom boring 15 een viertal boringen uitgevoerd om de verontreiniging in horizontaal vlak te onderzoeken. Tevens is meer ten noordoosten op de locatie ter plaatse van de slootdemping een vijftal boringen uitgevoerd om te onderzoeken of hier ook sprake is van een verontreiniging met koper en/of PAK. Rondom boring 15 zijn sterk verhoogde gehalten koper gemeten. Er zijn slechts lichte verhogingen PAK gemeten. Op het noordelijke deel zijn matige verhogingen koper en lichte verhogingen PAK gemeten. Er is geen asbest aanwezig.

Figuur 4.8: Boorpunten nader onderzoek (bron: IDDS, 2022)

81

Het uitgevoerde nader bodemonderzoek is niet volledig afgerond omdat de verontreiniging door middel van extra boringen afgeperkt moet worden. Het terrein is ten tijde van het schrijven van het bestemmingsplan nog bebouwd. De aanvullende boringen moeten bij het nader onderzoek na sloop van de bebouwing worden uitgevoerd. Voor het bestemmingsplan is de bodemkwaliteit voldoende inzichtelijk gemaakt en de initiatiefnemer heeft de saneringskosten (worstcase) begroot in de business case. De sanering bestaat uit de voorbereiding en uitvoering. Er wordt een toplaag ontgraafd en schoon zand wordt gestort. De inschatting van de saneringskosten is €114.000,-. De ontwikkelaar heeft in haar begroting rekening gehouden met deze raming. Hiermee is de economische haalbaarheid van het project op dit punt geborgd. Conclusie Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat ter plaatse geen asbest aanwezig is, maar dat er wel sprake is van een ernstige bodemverontreiniging met koper op het zuidelijk terreindeel. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar de verontreinigingen nodig is. Dit nader onderzoek wordt na de sloop uitgevoerd. In de kostenraming van de ontwikkelaar is rekening gehouden met de kosten ten aanzien van eventuele sanering. Het aspect bodem vormt naar verwachting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebied- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten significant kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken van het gebied. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend.

Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. Onderzoek Gebiedsbescherming en stikstofdepositie

82

Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Westduinpark & Wapendal. Deze gebieden bevinden zich op circa 6,8 en 6,9 kilometer afstand (figuur 4.9). Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland-gebied (Landgoed Te Werve) bevindt zich op circa 1.000 meter van de beoogde bebouwing (figuur 4.10). Gelet op deze afstanden kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering hierdoor worden uitgesloten. Gezien de ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding in de natuurgebieden worden uitgesloten.

Figuur 4.9: Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden

83

Figuur 4.10: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland gebieden In paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect stikstof. Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of er door de werkzaamheden significant negatieve effecten op beschermde natuurwaarden optreden. Onderdeel van de planvorming is de sloop van de bestaande bebouwing en nieuwbouw. Dit kan impact hebben op habitats van beschermde soorten. Daarom is een onderzoek uitgevoerd door Regelink Ecologie & Landschap (d.d. 01-10-2021). Op 30 augustus 2021 heeft het veldbezoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Hieruit blijkt dat:  Houtopstand Binnen het plangebied worden enkele vrijstaande bomen gekapt. De te kappen bomen maken geen deel uit van een houtopstand van meer dan 10 are en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen die uit andere soorten bestaan dan populieren en wilgen. De ingreep valt niet onder houtopstanden in de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming'. In § 1.3 is de bescherming van houtopstanden toegelicht. Wel zijn er mogelijk gemeentelijk verordeningen van kracht, zoals het aanvragen van een kapvergunning. Voor diersoorten is in onderstaande tabel een overzicht gegeven welke soorten mogelijk in het plangebied voorkomen.

Hierin is ook weergegeven welke functie het plangebied kan hebben en of de beoogde ontwikkeling mogelijk effect heeft op deze soorten en/of sprake is van een overtreding op grond van de Wet natuurbescherming. In de laatste kolom zijn de vervolgstappen weergegeven.

84

Tabel 4.9: Effectbeoordeling en overtreding van Wet natuurbescherming (Wnb). (bron: Regelink Ecologie & Landschap, 2021)  Vogels Vogels zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. In het plangebied zijn geen vogelsoorten te verwachten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat het aanwezige groen moet worden verwijderd buiten het broedseizoen. Wanneer het groen wordt verwijderd tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen. Dit brengt de functionaliteit van de nesten in gevaar en dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van broedvogels onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het aan te raden het aanwezige snoeiafval en de vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedende vogels.

Daarnaast wordt in het ontwerp rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. De rapportage 'Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk (TAUW, d.d. 22-12-2021)' vormt het toetsingskader en inspiratiebron voor het toepassen van maatregelen in het kader van natuurinclusief bouwen. In dit document zijn doelsoorten geformuleerd met bijbehorende maatregelen om deze aan te trekken in het gebied. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van het aspect soortenbescherming geldt dat werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden.

85

4.10

Stikstof

Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming:  verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving;  vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen;  legt de rol van het bevoegd gezag voor verlening van vergunningen bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen:  De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.  Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

 Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Daarom wordt de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar aangehouden. Stikstof wordt gemeten in de eenheid 'mol'. De depositie wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Als de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar niet wordt overschreden, betekent dat er door de ontwikkeling geen sprake is toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Onderzoek Door Rho Adviseurs is een stikstofberekening uitgevoerd (Stikstofberekening Burgemeester Elsenlaan 325, 03-10-2024). Deze berekening is toegevoegd in bijlage 10 .

Met het rekenmodel Aerius (versie 2024) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de gebruiksfase berekend (na oplevering van de beoogde ontwikkeling). In de gebruiksfase kan stikstof worden uitgestoot door de uitstoot van gas en door de uitstoot van auto's ten gevolge van verkeersbewegingen. De beoogde ontwikkeling krijgt geen gasaansluiting hierdoor is enkel de verkeersgeneratie in de gebruiksfase meegenomen in de berekening. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is 1.380 mvt/etmaal (weekdag gemiddelde). Uit de berekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De beoogde herontwikkeling is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Daarnaast is door Kubiek ruimtelijke plannen een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanlegfase (Burgemeester Elsenlaan 325 Rijswijk Stikstofdepositieberekening, 04-10-2024). Deze berekening is toegevoegd in bijlage 11. Met het rekenmodel Aerius zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de aanlegfase voor de stikstofdepositie binnen

86

Natura 2000 in beeld te brengen. In het model is het bouwverkeer en de inzet van mobiele werktuigen gedurende de sloop en de bouw ingevoerd. Er wordt gebruik gemaakt van machines, maar er is ook een verkeersaantrekkende werking door bouwverkeer. De sloopperiode omvat 8 weken. Gerekend is op een bouwperiode van ongeveer 31 maanden. De gebouwen worden gebouwd middels een traditionele bouwmethode. Gezien de omvang van het initiatief, en de benodigde sloopwerkzaamheden, vinden de werkzaamheden plaats over meerdere jaren. De sloop/sanering van de bestaande bebouwing vindt plaats in 2025. De bouw van de nieuw te realiseren gebouwen vindt plaats in 2026 en 2027. Bouwverkeer Om de sloop en bouw mogelijk te maken zal er sprake zijn van bouwverkeer. Voor het eerste jaar wordt er gerekend op 600 ritten 'zwaar vrachtverkeer' en 1000 ritten 'licht verkeer'. Deze aantallen zijn gebaseerd op ervaringen met projecten van soortgelijke aard en omvang. De genoemde aantallen zijn verdubbeld ingevoerd (verkeer gaat heen én weer). Voor zowel 2025 als 2026 wordt er gerekend op 1.600 vrachten 'zwaar vrachtverkeer' per jaar om materiaal naar de bouw te vervoeren. Daarnaast zal bouwend personeel zorgen voor 3.500 ritten met 'licht verkeer' per jaar. De aantallen zijn ruim ingeschat en verdubbeld ingevoerd (verkeer gaat heen én weer).

De bronlijn zal via de Koopmansstraat en de Handelskade aansluiten op de Burgemeester Elsenlaan. Deze weg wordt in zuidoostelijke richting vervolgd, waar het overgaat in de Veraartlaan. Bij de kruising met de Diepenhorstlaan zal het verkeer de Diepenhorstlaan in zuidoostelijke richting volgen tot aan de op- en afritten van de A4. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Voor de ritten licht verkeer is tevens uitgegaan van 1 koude start per voertuig, ervan uitgaande dat dit werkend personeel betreft die de gehele dag op locatie aanwezig zijn. Dit betreft het verkeersbewegingen van ‘licht verkeer’ per fase. Inzet mobiele werktuigen Om de sloop en bouw mogelijk te maken, zal gebruik gemaakt worden van mobiele werktuigen. Er is gerekend op de inzet van werktuigen zoals is opgenomen in bijlage 4, 5 en 6 van de stikstofberekening in bijlage 11. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de inzet per fase (sloop & bouw), en per bouwjaar. Naast de inzet zoals is opgenomen in de bijlagen wordt er gebruik gemaakt van elektrisch materieel. Bij onderhavig initiatief zal onder andere de inzet van hijskranen volledig elektrisch zijn. Hierbij vindt er geen stikstofemissie plaats, waardoor dit materieel niet is ingevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000 hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

De beoogde herontwikkeling is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

87

4.11

Archeologie

Toetsingskader De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1992) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren (zgn. behoud in situ) en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, sporen en structuren, waaronder nederzettingsterreinen en landschappelijke- en infrastructurele elementen, die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, houdt de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Indien behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven, om de archeologische informatie zodoende (ex situ) te behouden voor wetenschappelijk onderzoek. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden.

Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Nota Cultureel Erfgoed' en bijbehorende archeologische waardenkaarten vastgesteld. In de nota wordt ingegaan op de vraag hoe resten uit het verleden kunnen worden behouden, zonder moderne ontwikkelingen buiten te sluiten.

Figuur 4.11: Uitsnede archeologische beleidskaart

88

Onderzoek In het kader van de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Het Havengebied van Rijswijk (Z-H) een archeologisch bureauonderzoek, gemeente Rijswijk, J.M. Koot, juli 2019). In dit onderzoek (bijlage 1) wordt niet specifiek ingegaan op het plangebied De Havenmeester. Het geeft een algemene beschrijving van het Havenkwartier. Het Havengebied ligt in een zone waar archeologische resten zijn te verwachten. Deze resten dateren van de Romeinse Tijd (eerste - derde eeuw na Chr.) en de Late Middeleeuwen en jonger. Deze bevinden zich in de top van het Laagpakket van Walcheren. Dit niveau bevindt zich direct onder de bouwvoor en ophogingslagen. Op een dieper niveau, in het Laagpakket van Wormer, kunnen prehistorische duinen met bewoningssporen aanwezig zijn. Een eerder booronderzoek in het westelijk deel van de Landtong leverde aanwijzingen op voor zo'n duin. Dergelijke sporen zijn te verwachten beneden een diepte van 2,8 m - NAP. Voor het dieper in de ondergrond gelegen Niveau A (Prehistorie) met resten uit de Prehistorie is het opsporen van duinen door een booronderzoek de 'next-best' oplossing. Indien een duin wordt aangetroffen, is nader onderzoek nodig om vast te stellen of bewoningsporen aanwezig zijn.

Op enkele locaties binnen het Havengebied heeft dit onderzoek weinig zin meer, namelijk waar in het verleden eerder graafwerk tot onder dit niveau is gedaan: bijvoorbeeld parkeergarages en de havenbekkens. Archeologie is altijd maatwerk. Per deellocatie zal moeten worden nagegaan of archeologisch onderzoek nodig is en zo ja, in wat voor vorm. Het bureauonderzoek vormt een eerste indicatie met betrekking tot de verwachte aan- of afwezigheid van archeologische waarden. Om vast te kunnen stellen of en in welke mate de bodem nog intact is en dus of archeologische niveaus in potentie nog aanwezig zijn, is verkennend archeologisch booronderzoek de meest geëigende methode. Voor het opsporen van archeologische vindplaatsen in het direct onder de bouw voor en ophogingslagen gelegen Niveau B (Romeinse Tijd en jonger) is een proefsleuvenonderzoek (onderdeel van Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek) de beste methode; deze fase van het Inventariserend Veldonderzoek volgt in de regel op het verkennend booronderzoek, indien dit uitwijst dat potentiële archeologische niveaus nog geheel of gedeeltelijk intact aanwezig zijn. Een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek is nodig om meer inzicht te krijgen in de werkelijke archeologische waarden van het plangebied. Om deze eventueel aanwezige waarden te beschermen is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' opgenomen.

Conclusie Het aspect archeologie vormt naar verwachting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits de archeologische monumentenzorg deel uitmaakt van het ontwikkelingsproces en benodigde onderzoeksfasen tijdig worden uitgevoerd.

89

4.12

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de Erfgoedwet zijn de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. In de gemeentelijke nota 'Tussen oud en nieuw: Actualisering nota cultureel erfgoed' zijn ook cultuurhistorische waardenkaarten opgenomen. In deze nota zijn diverse gebieden/structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn. Figuur 4.11 geeft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weer.

Figuur 4.12: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met het plangebied Onderzoek Op basis van toetsing aan de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Rijswijk en de Provincie Zuid-Holland blijken er geen beschermde cultuurhistorische waarden in het plangebied te liggen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13

Water

Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.

90

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met uitdagingen als klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, arbeidsmarkt en digitalisering om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Deze uitdagingen zorgen ervoor dat ze flexibel moeten blijven, moeten innoveren, samenwerken en anticiperen op de veranderende omgeving. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. In het waterbeheerprogramma staat de missie van het Hoogheemraadschap van Delfland centraal, deze is: ‘droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater’.

Hierbij zijn de aspecten duurzaam circulair, waterkwaliteit, samenwerken en financiën leidend. In het waterbeheerprogramma zijn 32 thema’s opgesteld met de doelen, ambities en maatregelen. Het programma is te vinden op https://wbp6.dpipreview.nl/. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de handreiking watertoets. De handreiking watertoets biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de watertoetsprocedure bij ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op beleid van Delfland en sluit aan op de provinciale en landelijke regelgeving. In de legger van het Hoogheemraadschap zijn de watergangen, waterkeringen en zoneringen aangegeven.

91

Figuur 4.13: Uitsnede legger met plangebied rood omkaderd (bron: Hoogheemraadschap Delfland) Gemeentelijk beleid Het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Rijswijk hebben een gedeelde verantwoordelijkheid in het waterbeheer. Gezamenlijk hebben zij het "Gemeentelijk Rioleringsen Waterplan Rijswijk 2021-2025" opgesteld. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het watersysteem en draagt zorg voor een goede waterkwaliteit en de veiligheid van dijken en kades en bergen van overtollig water. De gemeente Rijswijk is verantwoordelijk voor een goed functionerend rioolsysteem om afvalwater te kunnen inzamelen en transporteren, het goed onderhouden van constructies in- en langs het water en van de openbare ruimte en stedelijke inrichting daaromheen. Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Koopmansstraat in Rijswijk. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een kantoorgebouw en is nagenoeg volledig verhard. Grondwater Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Rijswijk ligt is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Het plangebied ligt in de Aalkeet-Buitenpolder in peilgebied GPG2006PSH I noord (maatgevend peil -1,19 NAP m) en GPG2007BZM I-a (maatgevend peil 0,43 NAP m).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=4452c354-c787-4a0c-9c99-0f4a5b91ea07