CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Was-wordt-tabel aanpassing Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk (RV24-054)

Raadsvergadering 26 november 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening Rijswijk APV (RV 24-054)12.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was-wordt-tabel APV oktober 2024 Artikel 1:1 – toevoegen (definities) Was Artikel 1:1 Definities

Wordt Artikel 1:1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder: (…) - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; (…)

In deze verordening wordt verstaan onder: (…) - college: het college van burgemeester en wethouders; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt uitgeoefend; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; (…)

Opmerkingen De definitie over een exploitant is ontleend aan de definitie die oorspronkelijk in hoofdstuk 3 stond (exploitatie seksbedrijf). In hoofdstuk 2 wordt echter ook vaak gesproken van een exploitant. Het is daarom goed om de definitie op de hele APV toe te passen. Voor de definitie van ‘exploitant’ is aansluiting gezocht bij een van de definities van het begrip leidinggevende in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1°, van de Alcoholwet. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Onder deze definitie valt ook de vennoot in een personenvennootschap.

De wijziging van de definitie ‘gebouw’ komt uit de VNGledenbrief van zomer 2024. Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel II, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd.

Artikel 1:2 – wijzigen (beslistermijn) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 2 van 36

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om vergunning voor: a. een evenement als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid; b. een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid; c. een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28c, derde lid; d. een seksinrichting of escortbedrijf als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om vergunning voor: a. een evenement als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid; b. een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid; c. een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:80, derde lid; d. een seksinrichting of escortbedrijf als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid.

Vanwege de verplaatsing van artikel 2:28c naar artikel 2:80 wordt de uitzondering op de beslistermijn ook gewijzigd naar artikel 2:80. In artikel 2:28 betreft het geen horecabedrijf, maar een openbare inrichting.

Artikel 2:1b – toevoegen (Verbod oproep tot ordeverstoring) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 3 van 36

Artikel 2:1b Verbod oproep tot ordeverstoring 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden in het openbaar, mondeling of bij (online) geschrift of afbeelding tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag op te roepen waarmee de openbare orde wordt verstoord. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen in de volgende gevallen: a. herhaaldelijk overtreden van het verbod in het eerste lid; b. een grote ernst van de verstoring van de openbare orde.

In Rijswijk is meerdere keren voorgekomen dat online werd opgeroepen tot bijvoorbeeld een demonstratie of het plegen van een strafbaar feit. Met de komst van dit artikel kan opgetreden worden tegen online aangejaagde ordeverstoringen. Volgens het tweede lid kan ook een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Deze bepaling is toegevoegd aan de lijst in artikel 6:1, tweede lid (geldboete van de eerste categorie).

Artikel 2:10 – laten vervallen (voorwerpen op of aan de weg) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 4 van 36

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 2 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. (gereserveerd); c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

24.084070

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg (Vervallen)

pagina 5 van 36

Dit artikel dubbelt met artikel 8.1.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving en kan daarom vervallen. De bepaling past qua thematiek het beste in de Verordening Fysieke Leefomgeving en wordt in praktijk ook als zodanig gehandhaafd.

6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Zuid-Holland of de Waterschapsverordening Delfland of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:24, 2:25, 2:25a – wijzigen (evenementen) Was Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

24.084070

Wordt Artikel 2:24 Evenementen 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue;

pagina 6 van 36

Opmerkingen Op dit moment is sprake van een ‘groot’ en ‘klein’ evenement. Dit brengt onvoldoende onderscheiding met zich mee als het gaat om het inschatten van de risico’s voor evenementen. Er is een (concept) evenementenbeleid opgesteld. Dit heeft gevolgen voor de APV. Met de komst van dit beleid hanteert de gemeente Rijswijk de volgende categorieën: - Meldingplichtige (kleine) evenementen; - Klasse A evenementen (kleine evenementen, laag risico); - Klasse B evenementen (middelgrote evenementen, enig risico, enige impact op de openbare orde en veiligheid en leefomgeving, aandacht evenement); - Klasse C evenementen (grote evenementen, hoog risico, hoge impact op de openbare orde en veiligheid en leefomgeving).

d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10m2 vierkante meter per object. f. er een organisator is; en g. de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4.Onder een groot evenement wordt verstaan: ieder evenement dat geen klein evenement is.

24.084070

f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder een meldingplichtig evenement verstaan een klein eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 uur en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur en het geluidsniveau niet hoger is dan 75 dB(A) en 87 dB(C); d. er wordt géén dan wel slechts zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt zodat het niet noodzakelijk is om meer dan één verkeersmaatregel te treffen; e. slechts kleine objecten geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; f. er een organisator is; en g. de organisator ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. Onder een vergunningplichtig evenement wordt verstaan: ieder evenement dat niet onder de voorwaarden van een meldingplichtig evenement valt.

pagina 7 van 36

In het nieuwe lid 3 is deze wijziging al te zien: ‘... in deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement ...’ wordt vervangen door ‘... in deze afdeling wordt onder een meldingsplichtig evenement verstaan een klein eendaags evenement ...’ De bepaling onder c is aangevuld: het geluidsniveau mag niet hoger dan 75 dB(A) en 87 dB(C). De bepaling onder d is ook gewijzigd. Het nemen van één verkeersmaatregel is gebruikelijk, ook bij heel kleine evenementen. Om ervoor te zorgen dat niet (bijna) alle evenementen vergunningsplichtig zijn en kleine evenementen gemakkelijker kunnen worden gefaciliteerd, is in de huidige verwoording van de bepaling duidelijk gemaakt wat de belemmering/beperking voor het verkeer in mag houden.

De bepaling onder e is ook gewijzigd: voor een meldingplichtig evenement wordt de objectgrootte vastgesteld op 25m2 in plaats van 10m2. Op dit moment zien wij dat voor heel veel objecten een vergunningplicht zou gelden, terwijl dit nagenoeg geen risico's meebrengt voor de openbare orde en een eenvoudig buurtevenement al snel ingewikkeld wordt. Het wijzigen van de objectgrootte neemt deze verhindering weg, zodat minder kleine evenementen vergunningsplichtig zijn. Deze evenementen zijn wel meldingsplichtig, zodat deze wel bij ons bekend zijn en eventueel contact opgenomen kan worden met de organisator als er onregelmatigheden worden geconstateerd. De bepaling onder g is gewijzigd: een organisator dient volgens deze bepaling ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan een melding te doen in plaats van ten minste 15 werkdagen. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

24.084070

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, tenzij het een meldingplichtig evenement betreft als bedoeld in artikel 2:24, derde lid. 2. De volgende categorieën vergunningplichtige evenementen worden onderscheiden: a. Klasse A evenementen (kleine evenementen, laag risico);

pagina 8 van 36

Het vierde lid is ook gewijzigd. Hier wordt gesproken over een ‘vergunningplichtig evenement’ in plaats van een ‘groot evenement’.

2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

24.084070

b. Klasse B evenementen (middelgrote evenementen, enig risico, enige impact op de openbare orde en veiligheid en leefomgeving, aandacht-evenement); c. Klasse C evenementen (grote evenementen, hoog risico, hoge impact op de openbare orde en veiligheid en leefomgeving). 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4. Geen vergunning is vereist voor een meldingplichtig evenement, als de organisator ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een meldingplichtig evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

pagina 9 van 36

Lid 2 is nieuw toegevoegd. In het tweede lid zijn de categorieën van de vergunningplichtige evenementen opgenomen. De categorie van een evenement wordt onder meer bepaald door de mate van risico’s voor de openbare orde en veiligheid, het publieksprofiel, de impact op de omgeving en de gevolgen voor het verkeer.

Het vierde lid is gewijzigd: 20 werkdagen in plaats van 15 werkdagen.

Artikel 2:25a Weigering evenementenvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning voor een evenement weigeren indien onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten en/of de gemeentelijke diensten.

Artikel 2:25a Weigering evenementenvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning voor een evenement weigeren indien: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten en/of de gemeentelijke diensten; b. het voor een evenementenlocatie vastgestelde maximum is bereikt.

Artikel 2:25b Beslistermijn 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 neemt de burgemeester het besluit op de aanvraag om vergunning voor een evenement binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Artikel 2:25b Beslistermijn 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 neemt de burgemeester het besluit om de aanvraag om vergunning voor een evenement binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

Het oude artikel bevat een onjuiste verwijzing. Dit moet zijn artikel 1:8 in plaats van 1:7. Verder is in het nieuwe artikel een nieuwe weigeringsgrond opgenomen. Een vergunning kan nu ook geweigerd worden als het voor een evenementenlocatie vastgestelde maximum is bereikt.

2. De burgemeester kan het nemen van een besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste 12 weken verdagen.

Het derde lid is nieuw toegevoegd.

24.084070

pagina 10 van 36

2. De burgemeester kan het nemen van een besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste 12 weken verdagen.

3. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 van dit artikel geldt voor klasse C evenementen een termijn van 16 weken waarin de burgemeester het besluit neemt op de aanvraag voor vergunning alsmede de termijn van 16 weken voor het nemen van een besluit op de aanvraag om vergunning ten hoogste kan worden verdaagd.

Volgens het derde lid geldt voor klasse C evenementen dat een evenementenorganisator ten minste 16 weken voorafgaand aan het evenement een aanvraag voor een evenementenvergunning moet indienen. De termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag voor een klasse C evenement kan met 16 weken worden verdaagd.

Artikel 2:24a - toevoegen (evenementenkalender) Was

Wordt Artikel 2.24a Evenementenkalender 1. De burgemeester stelt jaarlijks een evenementenkalender vast. Dit is een lijst van evenementen die in een daarop volgend kalenderjaar in de gemeente kunnen plaatsvinden. 2. Van organisatoren van vergunningplichtige evenementen wordt verwacht dat zij voor deze kalender evenementen aanmelden voor 1 oktober voor het daaropvolgende jaar.

Opmerkingen Doordat evenementen aanzienlijke consequenties kunnen hebben voor de openbare orde en veiligheid, is het belangrijk om overzicht te houden van de te houden evenementen. Dit artikel bepaalt dat de burgemeester jaarlijks een evenementenkalender vaststelt. De organisatoren wordt verzocht voor 1 oktober van elk jaar vergunningplichtige evenementen voor het daaropvolgende jaar voor de evenementenkalender aan te melden.

Artikel 2:28 – wijzigen (exploitatie openbare inrichting) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 11 van 36

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. De woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. De exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. De exploitant of de leidinggevende(n) in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde dan wel aantasting van het woonen leefklimaat dan wel op grond van artikel 13b Opiumwet gesloten is geweest. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; 24.084070

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid tevens weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. De woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. De exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. De exploitant of de leidinggevende(n) in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat dan wel op grond van artikel 13b Opiumwet gesloten is geweest. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. Is gehandeld in strijd met het in deze afdeling bepaalde; b.

Aannemelijk is dat een exploitant of leidinggevende van de openbare inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

pagina 12 van 36

In dit artikel zijn verschillende intrekkingsgronden toegevoegd. Artikel 1:6 geeft al veel mogelijkheden om een vergunning in te trekken, maar sluit niet altijd aan bij concrete situaties. De intrekkingsgronden in dit artikel passen bij de VNG-systematiek: deze intrekkingsgronden staan ook in artikel 2:81. Daarnaast geven ze inzicht en voldoende mogelijkheden om handhavend op te treden en/of verstoring van de openbare orde te voorkomen. De bepaling is vanaf het vierde lid vernummerd. Zo voorkomen we dat het inhoudelijke deel van de bepaling niet verspreid wordt. Voor handhavingsdoeleinden levert dit geen beperking op.

c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

24.084070

c.

Er strafbare of beboetbare feiten in de openbare inrichting hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. Zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting; e. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; f. De exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; g. Er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; i. Geen van de exploitanten op de vergunning meer als zodanig functioneert. 5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; d. bedrijfskantine of -restaurant; e. rouwcentrum; f. crematorium. 6. (gereserveerd) 7. (gereserveerd) pagina 13 van 36

In het oude lid 4 waren het rouwcentrum en het crematorium uitgezonderd van een exploitatievergunning. Dit is per abuis verdwenen. We willen dit herstellen.

8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 9. Een afschrift van de vergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

Tot op dit moment kunnen horecabedrijven met een alcoholwetvergunning exploiteren zonder exploitatievergunning en is een alcoholwetvergunning onbeperkt geldig. Het is dus niet mogelijk om tussentijds te toetsen of nog voldaan wordt aan alle criteria die wij aan deze bedrijven willen stellen. Door de wijziging van de leden 6 en 7 wordt de tussentijdse toetsing wel mogelijk gemaakt. Omdat er geen sprake meer is van een vrijstelling zal er nu een aanvraag ingediend moeten worden. Deze wijziging is mogelijk volgens het VNG-model (keuzemogelijkheid). Het negende lid is toegevoegd om aan te geven dat de vergunning aanwezig moet zijn. Zo is het toezicht gemakkelijker te organiseren.

Artikel 2:28a – aanvullen (indieningsvereisten vergunningaanvraag openbare inrichting) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 14 van 36

Artikel 2:28a Indieningsvereisten vergunningaanvraag In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld dan wel bijgevoegd: a. De persoonsgegevens van de exploitant; b. De persoonsgegevens van de leidinggevende(n); c. Een bewijsstuk waaruit blijkt dat de exploitant rechtmatig verblijf heeft in Nederland; d. De aard van de openbare inrichting; e. Een plattegrond van de openbare inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk de afmetingen van de inrichting en een eventueel terras zijn aangegeven; f. Een op grond van de Wet Bibob vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.

Artikel 2:28a Indieningsvereisten vergunningaanvraag 1. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld dan wel bijgevoegd: a. Een plattegrond van de openbare inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk de afmetingen van de inrichting en een eventueel terras zijn aangegeven; b. Een op grond van de Wet Bibob vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden; c. Het aanvraagformulier, volledig en naar waarheid ingevuld; d. Een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant en leidinggevende(n); e. Een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale inlichtingen, verstrekt door de Belastingdienst. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Het nieuwe lid 1 sub d ondervangt de persoonsgegevens, de status van verblijf en de aard van de openbare inrichting. Dit zorgt voor overzicht en compleetheid bij het behandelen van de aanvraag. Een identiteitsbewijs is nodig om de persoonsgegevens te kunnen verifiëren. De verklaring betalingsgedrag wordt in principe altijd opgevraagd in het kader van de Wet Bibob. Het is daarom transparant om dit te vermelden. In het tweede lid is toegevoegd dat er aanvullende gegevens en bescheiden kunnen worden opgevraagd. Ook dit is toegevoegd in het kader van transparantie: in de praktijk gebeurt het nagenoeg altijd dat nog extra gegevens moeten worden opgevraagd. Deze kunnen alleen niet gevangen worden in een algemene regel, omdat de situaties te veel van elkaar verschillen.

Artikel 2:28d – wijzigen (wijziging leidinggevende / overdraagbaarheid vergunning) Was Artikel 2:28d Wijziging leidinggevende

24.084070

Wordt Artikel 2:28c Overdraagbaarheid vergunning 1. Een vergunning voor een bedrijf als bedoeld in dit hoofdstuk is gebonden aan het bedrijf waarvoor zij is verleend en is niet overdraagbaar.

pagina 15 van 36

Opmerkingen Dit artikel vernummert omdat artikel 2:28c vervalt. Dat kan, omdat de artikelen met een letter (dus bijvoorbeeld 2:28a of 2:28c) eigen toevoegingen zijn, naast het VNGmodel.

1. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende indien de exploitant of leidinggevende kan aantonen dat de nieuwe leidinggevende op de exploitatievergunning is bijgeschreven. 2. In afwijking van het eerste lid kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien de exploitant of leidinggevende een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe leidinggevende ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.

2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende binnen hetzelfde bedrijf waarvoor de vergunning is verleend indien de leidinggevende is bijgeschreven aan de exploitatievergunning.

Toegevoegd is het eerste lid. Op dit moment gebeurt het vaak dat een rechtspersoon overgaat in een andere rechtspersoon zonder dat tussentijds onderzoek naar de nieuwe rechtspersoon kan plaatsvinden. Dit is in het kader van het doel van de vergunning en het handhaven van de openbare orde onwenselijk. Het oude lid 2 is verwijderd. Het is wenselijk dat een leidinggevende eerst aan een toets wordt onderworpen vóórdat deze daadwerkelijk de leiding uit mag oefenen. Dit is van belang omdat de openbare orde beschermd moet worden.

Artikel 2:28e – verwijderen (Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 16 van 36

Artikel 2:28e Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:80 (zie verderop)

Artikel 2:80 is bij de wijziging van de model-APV najaar 2023 toegevoegd door de VNG. Wij houden de nummering en verwoording van de VNG aan. Daarom kan dit artikel worden verwijderd; doen wij dit niet, dan is er sprake van een dubbeling in de APV. Daarnaast is de verwoording van ‘zedelijkheid’ juridisch niet houdbaar. De plaats van dit artikel kan worden ingenomen door het artikel ‘Sluiting openbare inrichting’

Artikel 2:28d – toevoegen (Sluiting openbare inrichting) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 17 van 36

-

Artikel 2:28d Sluiting openbare inrichting 1. De burgemeester kan een vergunningplichtige openbare inrichting al dan niet voor een bepaalde duur gesloten verklaren als: a. een openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. de openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel de bepalingen in deze afdeling; c. de burgemeester oordeelt dat één of meer van de in artikel 1:6 of artikel 2:28 van de APV genoemde situaties waarin intrekking van een vergunning mogelijk is, zich voordoet. 2. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:80 betreft een algemene bevoegdheid voor het sluiten van voor publiek openstaande gebouwen, bijvoorbeeld op grond van verstoring van de openbare orde of het woonen leefklimaat. Deze bepaling is specifiek bedoeld voor openbare inrichtingen. In de praktijk komt het veel voor dat er geëxploiteerd wordt zonder dat een vergunning is verleend. Voor het exploiteren van openbare inrichtingen moet echter een strakke vinger aan de pols gehouden worden: inrichtingen zonder vergunning brengen potentieel een groot risico met zich mee voor de openbare orde. Vergunningplichtige openbare inrichtingen zonder vergunning moeten daarom gesloten kunnen worden. In het najaar wordt een nieuwe horeca-sanctiestrategie opgesteld waarin uiteengezet wordt hoe deze bepaling wordt ingezet (beleidsregels).

Artikel 2:28f – verwijderen (Overgangssituatie) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 18 van 36

Artikel 2:28f Overgangssituatie 1. In het geval het exploiteren van de openbare inrichting is beëindigd, vervalt de exploitatievergunning: a. indien niet binnen 12 weken na het beëindigen van het exploiteren van de openbare inrichting een volledige aanvraag om een nieuwe vergunning voor het exploiteren van dezelfde openbare inrichting is ingediend; b. op het moment dat op een ingediende aanvraag om een nieuwe vergunning voor het exploiteren van dezelfde openbare inrichting is ingediend; 2. Van beëindiging van het exploiteren van de openbare inrichting is sprake, indien: a. de openbare inrichting blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel niet meer voor rekening van de exploitant op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd; b. op grond van nadere informatie blijkt dat de openbare inrichting niet meer voor rekening van de exploitant op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd. 3. Gedurende de periode dat nog niet op een ingediende aanvraag om een nieuwe vergunning is beslist, kan de burgemeester met het oog op de in artikel 2:28b juncto artikel 1:8 genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen.

24.084070

-

Deze bepaling vormde een uitzondering op het overgangsrecht, zodat een oude of ongebruikte exploitatievergunning het verlenen van een nieuwe exploitatievergunning niet in de weg stond. Op dit moment is een overgangssituatie niet nodig en ook niet wenselijk, omdat met het oog op de openbare orde eerst een toets uitgevoerd moet worden voordat tot exploitatie mag worden overgegaan.

pagina 19 van 36

Artikel 2:28g – wijzigen (duur van de af te geven exploitatievergunningen) Was Artikel 2:28g Duur van de af te geven exploitatievergunningen 1. Aan bestaande horecabedrijven, waarvan over de laatste jaren geen (overlast)incidenten of klachten van omwonenden bekend zijn, zal een exploitatievergunning voor de duur van 5 jaar worden afgegeven. 2. Aan nieuwe horecabedrijven, die aan de criteria voldoen, en bestaande horecabedrijven waarvan wel (overlast)incidenten of klachten bekend zijn, wordt een exploitatievergunning voor de duur van 1 jaar worden afgegeven.

24.084070

Wordt Artikel 2:28e Duur van de af te geven exploitatievergunningen 1. Aan bestaande openbare inrichtingen wordt een exploitatievergunning van vijf jaar afgegeven indien in de voorgaande jaren geen sprake is geweest van: a. Melding(en) of registratie(s) van overlast of incidenten; b. Overtreding van een of meer vergunningvoorschriften of andere regelgeving met betrekking tot openbare inrichtingen; c. Opgelegde bestuurlijke maatregelen. 2. Aan nieuwe openbare inrichtingen en inrichtingen die niet voldoen aan het gestelde onder 1., wordt een exploitatievergunning voor de duur van 1 jaar afgegeven.

pagina 20 van 36

Opmerkingen Dit artikel vernummert omdat artikel 2:28c en 2:28f vervallen. Dat kan, omdat de artikelen met een letter (dus bijvoorbeeld 2:28a of 2:28c) eigen toevoegingen zijn, naast het VNG-model. De term ‘horecabedrijf’ is gewijzigd naar ‘openbare inrichting’, zodat deze conform de overige teksten in de afdeling is. De nieuwe tekst geeft nog iets meer ruimte om af te wijken van de exploitatievergunning met een duur van vijf jaar. Niet alleen overlast die ervaren wordt door de omgeving, maar alle overlast is onwenselijk. Daarnaast zijn er ook verschillende openbare inrichtingen waar de afgelopen jaren geen melding is gemaakt van overlast, maar waar stelselmatig vergunningvoorschriften of wet- en regelgeving wordt overtreden. Deze overtredingen hoeven op zichzelf niet ernstig te zijn, maar het laat wel zien dat de houding van deze bedrijven te laconiek is om de openbare orde-taken goed uit te kunnen voeren. Deze bedrijven moeten eerst bewijzen dat zij dit op kunnen pakken voordat aan hen een vergunning voor langere duur wordt verleend.

Artikel 2:28f - toevoegen – aanwezigheid van en toezicht door exploitant, beheerder of leidinggevende Was -

Wordt Artikel 2:28f Aanwezigheid van en toezicht door exploitant, beheerder of leidinggevende 1. Het is verboden een vergunningplichtige openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant, beheerder of leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen of categorieën van openbare inrichtingen.

Opmerkingen Deze bepaling is toegevoegd omdat aanwezigheid van de exploitant, beheerder of leidinggevende noodzakelijk is tijdens de openingsuren van de inrichting. De exploitant is verantwoordelijk voor wat in de inrichting gebeurt. De bepaling is daarnaast opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden.

Artikel 2:48b - wijzigen (Messen en steekwapens) Was Artikel 2:48b Messen en steekwapens 1. Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt zonder duidelijk en legitiem doel bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie. 3. Het verbod geldt niet op messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt en die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik geschikt zijn.

24.084070

Wordt Artikel 2:50a Messen en steekwapens 1. Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

pagina 21 van 36

Opmerkingen We sluiten aan bij het VNG-model om een goede samenwerking met de politie en OM mogelijk te maken. Het aanhouden van de juiste volgorde wat betreft de volgorde van het artikel en het artikelnummer zijn daarbij erg belangrijk. We wijken af van de modeltekst wat betreft het aanwijzen van de plaatsen waarop dit verbod geldt, omdat gewenst is het verbod voor de hele gemeente in stand te houden.

Artikel 2:54 – toevoegen (Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats) Was Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats (gereserveerd)

Wordt Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. in de hele gemeente Rijswijk; b. (gereserveerd) 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5.2.5 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk of het omgevingsplan is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4.2.2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk of het omgevingsplan zijn aangewezen.

Opmerkingen Deze wijziging is afkomstig van de zomerwijziging van de model-APV van de VNG. Na navraag blijkt dat in Rijswijk ook hinder wordt ondervonden door het slapen op slaapplaatsen die hier niet voor geschikt zijn. Op dit moment wordt gehandhaafd op grond van artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen), maar het nieuwe voorstel is specifieker en geschikter om op deze overtreding handhaving toe te kunnen passen. Bij lid 1 heeft de VNG verschillende differentiatiemogelijkheden gegeven om te bepalen welke gebieden aangewezen worden voor het verbod. Het verbod willen wij echter laten gelden voor de hele gemeente Rijswijk. Daarom is onderdeel b gereserveerd.

Artikel 2:60 – lid verwijderen (Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 22 van 36

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen buiten een gebouw bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen buiten een gebouw bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

De bepaling in het tweede lid is ook opgenomen in het derde lid. Het derde lid is verwijderd, waardoor het artikel nu in totaal drie leden heeft. Inhoudelijk is niets gewijzigd.

Artikel 2:71 – wijzigen (Consumentenvuurwerk) Was

24.084070

Wordt

Opmerkingen

pagina 23 van 36

Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

De onderscheiden categorieën sluiten niet meer aan bij de wettekst. Door de wijziging sluiten we aan bij het VNGmodel en is de formulering toekomstbestendiger.

Artikel 2:78 – wijzigen (Gebiedsontzeggingen) Was Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

24.084070

Wordt Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 72 uur een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

pagina 24 van 36

Opmerkingen We sluiten hierbij aan bij het VNGmodel: de leden 1, 2, 3 en 5 zijn toegevoegd vanuit de wijziging van de model-APV najaar 2023, lid 4 is toegevoegd vanuit de wijziging van de model-APV zomer 2024. Uitzondering op de VNG-tekst is in het eerste lid de 24 uur. Voor de voorgestelde wijziging van artikel 2:78 is gekeken naar aantal omringende gemeenten voor wat betreft de termijn van een eerste gebiedsontzegging. De gemeente Westland heeft recent de termijn genoemd in het eerste lid van artikel 2:78 op verzoek van de politie verruimd naar maximaal zeven dagen. De gemeente Midden-Delfland hanteert op grond van artikel 2:78 van de APV een termijn van ten hoogste 48 uur voor een kortlopende gebiedsontzegging.

3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

In de APV van de gemeente Delft is de termijn 24 uur voor een gebiedsontzegging. In het voorgestelde artikel 2:78, eerste lid van de APV is de termijn van een eerste gebiedsontzegging verruimd van 24 uur naar 72 uur. Door maximaal 72 uur aan te houden, kunnen ook kortere gebiedsontzeggingen worden uitgereikt en kan er meer gekeken worden naar wat wenselijk is per situatie. De termijn van 72 uur is ontstaan om personen die herhaaldelijk overlastgevend gedrag vertonen te weren. Er wordt een beleidsregel vastgesteld voor toepassing van deze bepaling.

24.084070

pagina 25 van 36

Artikel 2:80 – wijzigen (sluiting voor het publiek openstaande gebouwen) Was Artikel 2:41a Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

24.084070

Wordt Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is verboden een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen, te betreden zonder toestemming van de burgemeester. 6.Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw als bedoeld in het eerste lid, of het bij dat gebouw behorende erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen, te betreden. 7.

De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

pagina 26 van 36

Opmerkingen Dit artikel is nieuw opgenomen in de Model-APV. Een soortgelijk artikel bestond al in artikel 2:41a van de huidige APV. Dit artikel was echter niet helemaal in overeenstemming met artikel 174 van de Gemeentewet. De nieuwe modelbepaling is dit wel. Een kleine wijziging ten opzichte van de modelbepaling betreft de leden 5 en 6. Deze leden zijn toegevoegd naar voorbeeld van de APV van de gemeente Schiedam. In deze leden is duidelijker verwoord dat zowel een rechthebbende als een bezoeker of enig ander persoon het pand niet mag betreden. Als er sprake is van dringende omstandigheden, kan de burgemeester een uitzondering maken.

Artikel 2:81 – wijzigen (tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat) Was Artikel 2:28c Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die feitelijk leiding geeft of de leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: 24.084070

Wordt Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a.

voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; pagina 27 van 36

Opmerkingen Ook deze bepaling kenden wij al, namelijk als artikel 2:28c. Het aansluiten bij de VNG-modelbepalingen is echter juridisch correcter. In de praktijk levert dit nagenoeg geen andere werkwijze op.

a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid 5 en 6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of het Besluit activiteiten leefomgeving.

24.084070

e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of het Besluit activiteiten leefomgeving. 6.

De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

pagina 28 van 36

5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=837fa0be-7a04-421a-9a93-f14dc258afa7