CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A deel 5 Bestemmingsplan Te Werve Oost (RV 25-014)

Raadsvergadering 25 maart 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Te Werve Oost (RV 25-014)24.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

2 Watervleermuis Om in voldoende verblijfplaatsen voor een populatie watervleermuizen te voorzien zijn vele volgroeide oude bomen nodig, bij voorkeur bij elkaar in bebost gebied. Daarnaast is er voor een dergelijke populatie tenminste 20 hectare foerageergebied nodig. Gezien het beperkte oppervlak, de beoogde woonfunctie van Te Werve Oost en de hoeveelheid te rooien bomen is bovenstaande niet mogelijk. Daarom is ervoor gekozen om de primaire ecologische verbindingszone als vliegroute / foerageergebied voor watervleermuis geschikt in te richten. Zodoende kan via Te Werve Oost de oost-westverbinding worden gemaakt met grotere foerageergebieden en geschikte verblijfsplekken. Hiervoor dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Foerageergebied / vliegroute: de

De gehele watergang

Het wateroppervlak moet

De gehele watergang binnen

watergang en oevers voor

en natte oevers binnen

ononderbroken zijn

watervleermuis geschikt maken via

de primaire

beschut (via rietkragen of struiken) en

ecologische

gevarieerd oppervlaktewater

verbindingszone

maatregel WV1

de primaire ecologische verbindingszone

De oevers moeten natuurvriendelijk zijn

watervleermuisvriendelijk inrichten

Uitstraling van kunstlicht naar de watergang en oevers zoveel mogelijk minimaliseren. Eventueel kan vleermuisvriendelijke verlichting (590nm +-6nm en 3000 Kelvin) worden toegepast

2/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

3 Kleine watersalamander Kleine watersalamander is afhankelijk van zowel geschikt leefgebied in water als op het land. De watergang en oevers in de primaire ecologische verbindingszone dienen zodanig te worden ingericht dat deze als voortplantingswater gebruikt kan worden. Door naast het creëren van geschikte voortplantingslocaties ook voldoende landhabitat voor kleine watersalamander te maken, profiteert ook de wezel (als meeliftende soort) van deze maatregelen. Voor de kleine watersalamander dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Voortplantingswater: amfibiepoelen,

Wanneer

Het water minimaal enkele uren per dag

Minimaal 3 geschikte

sloten, park- en tuinvijvers,

dichtbegroeide

zon, bij voorkeur onbeschaduwd

voortplantingswateren/locaties,

dichtbegroeide oeverzones

oeverzones worden

maatregel KW1

maar idealiter de gehele

ingericht als

De watergang en oevers minimaal met wat

Let op: combinatie mogelijk met

voortplantingslocatie

onderwatervegetatie, bij voorkeur sterk

voortplantingslocatie glassnijder

geldt 5m in de

begroeid met water- en oeverplanten

lengte als één geschikte

Natuurvriendelijke oever of schuine rand

voortplantingslocatie

(max 45 graden) Deels of geheel geïsoleerde wateren genieten de voorkeur Jaarrond water bevattend

3/17

watergang gunstig inrichten

Kenmerk

Codering

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

maatregel Maximaal 100m tussen 2 voortplantingsplekken KW2

Leefgebied op land: tuinen, parken,

Plekken van

Op maximaal 50m afstand van, maar liefst

Minimaal 6 plekken met

bermen, heggen en plantsoenen

minstens 25m2

direct grenzend aan, voortplantingswater

geschikt leefgebied op land

groot

KW3

Leidt ook tot leefgebied verbetering

Verblijfplaatsen / schuilplekken creëren in

voor wezel, indien de plekken

de vorm van takkenbossen, hopen blad,

aaneengesloten worden gerealiseerd

compost, stenen en dood hout

Verbindend leefgebied

-

Groene stroken ter verbinding zijn

n.v.t.

De oost-west georiënteerde primaire

minstens 5m breed (over korte afstand

ecologische zone kan in zijn geheel

<10m is een 2m brede strook ook

dienen als verbindend leefgebied

voldoende) Verbind tuinen, semi-openbare en openbare ruimtes via groenstroken Straatkolken zoveel mogelijk voorzien van uitklimvoorzieningen, vb. Kruisingen van groenstroken met grote wegen voorzien van amfibieëntunnels en/of ecoduikers (buiten scope project)

4/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

4 Bruin blauwtje Er is minimaal 0,5 ha (5000m2) geschikt leefgebied nodig voor een duurzame populatie bruin blauwtjes. Het advies is om 3 keer 500m 2 bloemrijk grasland (waaronder tenminste de planten als genoemd in de opgavetabel hieronder) te realiseren. Hiermee wordt niet voorzien in voldoende voedsel voor een duurzame populatie, maar kan Te Werve Oost wel onderdeel worden van het leefgebied van bruin blauwtje. De onderlinge afstand tussen elk bloemrijk grasland dient maximaal 100 meter te zijn. Voor het bruine blauwtje dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Verblijfplaatsen en voedsel:

500m2 (bij voorkeur

Bloemrijk grasland realiseren

Minimaal 3x deze maatregel

bloemrijk grasland

aaneengesloten) op

maatregel BB1

maaiveld en op daken

toepassen (in de gehele wijk; Binnen bloemrijk grasland open plekken

dus ook in Stadsbiotoop),

aanbrengen en (via beheer) behouden

waarvan minstens 1x in de primaire ecologische

Zeer veel verschillende nectarplanten

verbindingszone

worden gebruikt als voedselbron, waaronder jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris subsp. vulgaris, synoniem: Senecio jacobaea), boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) en duizendblad (Achillea millefolium)

5/17

Kenmerk

Codering

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

maatregel Waardplanten, ooievaarsbek (Geranium molle L) en reigersbek (Erodium cicutarium), moeten aanwezig zijn tegen struweel aan Gefaseerd beheer uitvoeren (sinusbeheer). Bij elke maaibeurt 10 % tot 30 % laten staan en elke maaibeurt een ander deel laten staan (op te nemen met beheer). Maximaal 100 meter tussen bloemrijke graslandjes aanhouden

6/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

5 Glassnijder Glassnijder neemt de laatste jaren toe in stedelijk gebied. In geschikt leefgebied, bijvoorbeeld rond de waterplas ‘de put’ ten noorden van Te Werve Oost, wordt een dichtheid van circa 4 individuen per hectare waargenomen. Om de primaire ecologische verbindingszone goed in te richten voor glassnijder wordt daarom geadviseerd om ten minste 4 functionele voortplantingslocaties en schuilplekken in te richten. Idealiter wordt de gehele watergang geschikt gemaakt voor glassnijder. Voor glassnijder dient ten minste gerealiseerd te worden: Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Voortplantingslocatie en schuilplekken:

De gehele watergang

Waterplanten als fonteinkruid (Potamogeton) en

De gehele watergang

(of minstens één

blaasjeskruid (Utricularia) moeten aanwezig zijn

maar minimaal 4

natuurvriendelijke oevers

oeverzijde hiervan, bij

maatregel GS1

Let op: combinatie mogelijk met

Oeverplanten als egelskop (Sparganium erectum),

oeverzijde).

lisdodde (Typha latifolia), riet (Phragmites australis)

Minimaal 4 locaties

aanwezig zijn

en moerasvaren (Thelypteridaceae) moeten

voortplantingslocatie kleine watersalamander

locaties van 10m

voorkeur de zonnige

van 10m breed Natuurlijk patroon oever watergang (glooiende oever / golfbeweging met inhammen) zonder duidelijk afgebakende randen Talud van 1:5 of flauwer, bij voorkeur tenminste de zonnige (noord)oever

7/17

breed

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

6 Huismus Voor huismus is het belangrijk dat (ingebouwde) nestplaatsen (in clusters) worden gerealiseerd in combinatie met voldoende groene buitenruimte. Hiervoor is het volgende nodig: Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Nestplaats: plaatsing van

Ruimte in de gevel,

3 – 10 meter boven maaiveld (of boven groene daktuin)

4 clusters van 30

30 nestplaatsen (2 x 15

in fysieke zin circa

plaatsen

nestplaatsen = 120

groepsgewijs)

3m2 per 30 kasten

maatregel HM1

neststenen inbouwen Neststenen dienen qua type en plaatsing te voldoen aan de voorwaarden uit het kennisdocument huismus

Bij voorkeur zoveel mogelijk

(BIJ12, 2023). Ook neststenen ten behoeve van

spreiding over de wijk

gierzwaluw voldoen voor huismus indien gecombineerd

toepassen.

met specifieke neststenen voor huismus Bied verschillende oriëntatie van de neststenen aan. De voorkeur heeft oost en noord Naast het gebruik van neststenen kunnen ook dakpannen toegankelijk gemaakt worden. Hiervoor dient géén vogelschroot aangebracht te worden bij de eerste 3 rijen dakpannen

8/17

Kenmerk

Codering

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

maatregel Verbinding: clusters nestplaatsen op maximaal 100 meter afstand van elkaar plaatsen HM2

HM3

Schuilplekken bij

In geval van

Dichte groenblijvende heggen, hagen, struiken,

Minimaal 8x schuilplekken

nestplaatsen: opgaand

struiken minimaal

klimplanten toepassen die voor voorkeur 30 centimeter

HM2 realiseren

groen (lees: voldoende

50 m2, in geval van

dik/diep zijn

struiken, heggen/hagen,

heggen, hagen en

klimplanten) aanbrengen

klimplanten zorgen

Het groen moet vooral op 3-8 meter hoogte vanaf

op (maximaal) 5-10 meter

voor minimaal 100

maaiveld aanwezig zijn

van de nestplaatsen (zie

m2 verticale

tabel A)

bedekking

Schuilplekken bij

In geval van

Dichte groenblijvende heggen, hagen, struiken,

Minimaal 8x schuilplekken

voedselplekken: opgaand

struiken minimaal

klimplanten (van tabel A) toepassen

HM3 realiseren

2, in geval van

groen (lees: voldoende

50 m

struiken, heggen/hagen,

heggen, hagen en

Het groen moet tenminste 2 meter hoog zijn (vanaf

klimplanten) aanbrengen

klimplanten zorgen

maaiveld) en 30 centimeter dik/diep

op (maximaal) 5-10 meter

voor minimaal 100

van de voedselplekken en

m2 verticale

op (maximaal) 2-5 meter

bedekking

van waterbad en zandige plek HM4

Voedselplekken door

Minimaal 500 m2

75 % van de 500m2 gebruiken voor een (door

Minimaal 8x voedselplekken

kruiden, grassen en

ontwerpers te bepalen) combinatie van grassen,

HM4 realiseren

bloemen: voedselplanten

kruidige planten en bloemen uit tabel B. Dit kan ook op

aanplanten binnen 50

daken worden toegepast

9/17

Kenmerk

Codering

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

maatregel meter van de nestplaatsen

25 % van de 500m2 gebruiken voor structuurrijke

(zie tabel B)

overhoekjes met (onkruid)soorten als straatgras, varkensgras, herderstasje, weegbree, gierst, tarwe, gerst. Dit kan ook op daken worden toegepast Verbinding: voedselplekken op maximaal 25 meter afstand van elkaar realiseren

HM5

Voedselplekken door

25 m2 per boom

bomen: minimaal 10

Vooral inheemse boomsoorten toepassen

Minimaal 8x voedselplekken

Onder de bomen dekking realiseren door struiken,

solitaire bomen plaatsen

HM5 realiseren

heggen, hagen (zie tabel A)

binnen 50 meter van de nestplaatsen Let op: combinatie mogelijk met inrichting voor de doelsoort gewone dwergvleermuis HM6

Zand: droge zandige

5 m2

plek(ken) binnen 50 meter Water: waterbad(en) binnen 50 meter van de nestplaatsen

Minimaal 8x zandige plekken realiseren

Kleine steentjes en grit

van de nestplaatsen HM7

In combinatie met waterbad toepassen

5 m2

In combinatie met zandige plekken toepassen

Minimaal 8x waterbaden realiseren

Het water (of delen ervan) mag slechts enkele centimeters diep zijn. Flauwe natuurvriendelijke oevers voldoen

10/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Tabel A Geschikte (groenblijvende) soorten voor schuilgelegenheid (HM2 en HM3) huismus Hagen

Struikachtigen

Klimplanten

Wilde liguster

Vuurdoorn (solitair)

Klimop

Haagbeuk

Meidoorn (solitair)

Bruidsluier

Coniferen

Conifeer (solitair)

Vuurdoorn Meidoorn Taxus Tabel B Globaal overzicht dieet huismus voor HM4 en HM5 Granen

Insecten

Onkruidzaden

Groene delen

Overig

Gierst, Rogge, Tarwe, Gerst,

Kevers, wantsen,

Varkensgras, Muur,

Knoppen van bomen en

Brood

Haver, Kippenzaad

bladvlooien, bladluizen,

Melganzenvoet, Straatgras,

struiken, bladeren van

Steentjes

schildluizen, muggen,

Akerhoornbloem, Spurrie,

Luzerne, Klaver,

Voedselresten (van mens en

vliegen, vlinders, motten

Bijvoet, Paardenbloem,

Paardenbloem

dier)

Brandnetel, Schapenzuring, Klaproos, Havikskruid, Teunisbloem, Herderstasje, Weegbree

11/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

7 Egel Voor egel wordt ervan uitgegaan dat het plangebied onderdeel gaat worden van het functionele leefgebied van egel. Goede groene verbindingen met de groene omgeving buiten het plangebied zijn derhalve essentieel. Door EG1 en EG2 tenminste 4 keer toe te passen wordt voldoende variatie geboden en wordt de gehele wijk onderdeel van het leefgebied van de egel. Voor maatregel EG3 gaat het er vooral om dat het totale gebied een goede groene aaneengesloten bedekking kent. 20% groenbedekking (boomkronen uitgezonderd) wordt daarvoor als minimum aangehouden. Codering

Specificatie maatregel

maatregel EG1

Benodigde

Randvoorwaarden

Minimale opgave

ruimte Verblijfplaats:

50 m2

Realiseren in struikgewas met een omvang >

Minimaal 4x dergelijke

Compost-, takken- en/of puinhopen

aaneengesloten

50 m2 waar beperkte verstoring is door de

verblijfplaatsen realiseren

(van minimaal 1 m

2) aanleggen in dicht

mens

aaneengesloten struikgewas van minimaal 50 m2 Indien natuurlijke oplossing niet mogelijk is, dan volstaan egelhuizen in dicht aaneengesloten struikgewas EG2

Voedsel: grasvelden met dicht struweel er omheen

100 m2

Tenminste aan één zijde van het grasveld

Minimaal 4 grasvelden voor

lage en dichte begroeiing toepassen

voedsel realiseren

12/17

Kenmerk

Codering

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

maatregel EG3

Benodigde

Randvoorwaarden

Minimale opgave

ruimte Verbindend leefgebied: variatie aan

Lees: minimaal

Een robuuste, fysiek zoveel mogelijk

Voldoende structuurrijk groen

aaneengesloten groen (grasvelden,

20 % van het

doorlopende en gevarieerde groeninrichting

op maaiveld toepassen

struiken en lage dichte begroeiing met

gebied moet

creëren.

Particuliere tuinen en semi-

ondergroei)

struiken en

openbare ruimtes toegankelijk

laagblijvende

Groenstroken zijn minimaal 2 meter breed en

Let op: combinatie mogelijk met

vegetatie

voor tenminste 20-50 % beplant met struiken

inrichting voor de doelsoorten huismus

bevatten

en heesters (dicht struikgewas) met een

en gewone dwergvleermuis

hoogte > 75 centimeter Indien afstanden van > 20 meter overbrugd moeten worden door de egel, dient gebruik gemaakt te worden van groene stapstenen met maximaal 10 meter tussen het groen. Stapstenen moeten minimaal 10 m2 groot zijn en dezelfde (dichte) beplanting hebben als de groenstroken Minimaal 50 % van het dichte struikgewas moet een natuurlijke strooisellaag (bladeren, mos, takken, et cetera) bevatten Om ook tuinen bij het leefgebied te betrekken dienen groene erfafscheidingen gebruikt te worden die passeerbaar zijn of door schuttingen van openingen te voorzien (zie punt hieronder)

13/17

maken voor egel

Kenmerk

Codering maatregel

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

Benodigde

Randvoorwaarden

Minimale opgave

ruimte Barrières voor egel moeten worden vermeden. Openingen van minimaal Ø 13 centimeter of (vierkant) 13 x 13 centimeter (op maaiveld) zijn voldoende om te kunnen passeren Abrupte (verticale) hoogteverschillen > 20 centimeter voorkomen of voorzien van een egeltoegankelijk talud van 1:1 of flauwer

14/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

8 Gewone dwergvleermuis Voor gewone dwergvleermuis is het belangrijk dat (ingebouwde) verblijfsvoorzieningen of toegankelijke spouwmuren worden gerealiseerd in combinatie met voldoende groene lijnvormige elementen en groene buitenruimte. Hiervoor is het volgende nodig: Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Verblijfplaats: verschillende

Door gehele gevels op

Zorg voor zomer-/paarverblijven,

Gehele spouwmuren

typen verblijfplaatsen

verschillende oriëntaties te

kraamverblijven én

vleermuisvriendelijk maken

inpassen. Combinatie van

voorzien van vleermuisvriendelijke

winterverblijven

en/of minimaal 80

tenminste 1 met winterfunctie,

spouwmuren (minimaal 3cm ruimte

2 met kraamfunctie en 7 met

tussen muur en isolatie en een

Plaatsing zo hoog mogelijk in de

zomer/paarfunctie (in elkaars

goede griplaag aan beide zijden)

gevel, maar op minimaal 4 meter

Bij voorkeur zoveel mogelijk

nabijheid

wordt voorzien in veel ruimte voor

hoogte vanaf maaiveld

spreiding over de wijk

maatregel GD1

inbouwkasten realiseren

vleermuizen.

toepassen. Vleermuisstenen dienen qua type

Bij gebruik van ingebouwde

en plaatsing te voldoen aan de

vleermuiskasten rekening houden

voorwaarden uit het

met ten minste 10m2 voor 5 kasten

kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017) Bied verschillende oriëntaties van de vleermuisstenen aan (alle windrichtingen)

15/17

Kenmerk

Codering

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Vliegroutes/foerageergebied:

Minimaal 500 m2

maatregel GD2

Een (op hoogte) fysiek zoveel

Tenminste bomen- en

verbindend leefgebied creëren

mogelijk doorlopende en

struikenrijen realiseren die

door een variatie aan groene

gevarieerde groeninrichting

vanaf de verblijfplaatsen naar

lijnvormige elementen in te

creëren (bomen, struiken en

logische plekken aan de rand

passen

gevel-/dakbeplanting)

van de wijk lopen (bijvoorbeeld naar de primaire ecologische

Let op: combinatie mogelijk

Vliegroutes dienen te voldoen aan

verbinding of bestaande

met inrichting voor de

de voorwaarden uit het

bomenrijen)

doelsoorten huismus en egel

kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2024) Boomkronen en overige opgaande beplanting zoveel mogelijk onverlicht laten

16/17

Kenmerk

N002-1295623JWJ-V02-srb-NL

9 Weidehommel Een weidehommelvolk bestaat uit 50 – 120 individuen. Er wordt vanuit gegaan dat er per hectare één hommelvolk voldoende voedsel en beschutting kan vinden. Gezien Te Werve Oost circa 4 ha groot is, worden beide maatregelen voor deze hommel 4 keer aanbevolen. Codering

Specificatie maatregel

Benodigde ruimte

Randvoorwaarden

Minimale opgave

Voedsel: variatie aan

100m2

Aanplant van bolgewassen en wilg voor voedsel in het vroege

Minimaal 4x de

nectarplanten in (vooral) de

aaneengesloten op

voorjaar

maatregel

kruidlaag, maar ook in

maaiveld en op

bomen en struweel

groene daken

maatregel WH1

toepassen Zorg voor aanwezigheid van soorten als longkruid, hondsdraf, rode klaver, gewone brunel Realiseer ook in de primaire ecologische verbinding voldoende nectarplanten zoals grote kattenstaart, wilgenroosje en gewone smeerwortel

WH2

Verblijfplaats: nestelt bovengronds en soms

Minimaal 10m2

Plaats dood hout, stenen hoopjes, composthopen nabij de

Minimaal 4x de

nectarplanten in de buurt

maatregel

ondergronds

toepassen Behoud oude vogelnesten, deze kunnen dienen als verblijfplaats voor weidehommel Realiseer voor ondergronds nestelende bijen ook nestgelegenheid door toepassing van halfverharding en/of heuvels van leemzand

17/17

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Bijlage A.1 Programma van Eisen

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Bijsluiter PvE Klimaatbestendig Bouwen

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Aanleiding De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant1 Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Eén van de convenantafspraken is het ontwikkelen van een instrumentarium om de klimaatbestendigheid van nieuwbouw te beoordelen en te bevorderen. Dit is een complex en meerjarig traject. In het convenant is afgesproken om in afwachting van de resultaten van dit instrumentarium alvast een “Minimaal Programma van Eisen” te ontwikkelen. Dit Programma is bedoeld als voorlopige maatregel om de nieuwbouwplannen die in de komende jaren ontwikkeld worden klimaatbestendig in te richten. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. De voorliggende bijsluiter geeft de achtergronden en aanwijzingen voor het gebruik van de eisen.

Opbouw Programma van Eisen Klimaatbestendig Bouwen Het Programma van Eisen is een compact overzicht van eisen om klimaatbestendig te ontwikkelen. Een minimaal en praktisch programma van 1 A4’tje, gebaseerd op de huidige inzichten met het richtjaar 2050. Het PvE begint met een kolom met de overkoepelende doelen waar de eisen uit voortkomen. Deze doelen geven richting bij de interpretatie en eventuele aanpassing van de eisen. Met de tijd kunnen inzichten en toetsingsmogelijkheden veranderen kunnen de eisen bijgesteld worden, maar de eisen moeten wel blijven passen bij het doel. Daarnaast hebben partijen de mogelijkheid om aan te tonen dat ze het overkoepelende doel beter kunnen halen met alternatieve oplossingen die mogelijk niet voldoen aan de voorgeschreven eisen. Een programma van eisen is bedoeld om vooraf plannen en ontwerpen te toetsen. Dit betekent dat de eisen meetbaar zijn en er middelen beschikbaar moeten zijn om de eisen eenvoudig te kunnen controleren. Eisen als “het gebied wordt waterrobuust ingericht” of “het gebied is prettig om te verblijven” zijn te abstract en lastig van tevoren te toetsen. Het voorschrijven van maatregelen is wel concreet en toetsbaar, maar beperkt de mogelijkheden van de ontwerpende partij en houdt innovatie en variatie tegen. Bovendien werken maatregelen niet in alle situaties.

De opgestelde eisen zijn daarom zoveel mogelijk geformuleerd dat ze meetbaar zijn zonder specifieke maatregelen voor te schrijven. Bij een aantal onderwerpen was dit niet mogelijk of gewenst en zijn procesmaatregelen opgesteld. De eisen zijn aan de ene kant voorzichtig geformuleerd om onnodige investeringen te voorkomen. Aan de andere kant zijn de eisen stevig genoeg om klimaatschade in de toekomst te voorkomen. Naarmate we meer ervaring en kennis opdoen, zullen de eisen naar nieuwe inzichten aangepast worden.

1

Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland 2018

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Voor een aantal eisen is een range opgenomen om rekening te houden met locatie- of projectspecifieke omstandigheden. Zo kan in een wijk met een slechtdoorlatende grond gekozen worden voor minder infiltratie dan de standaardwaarde.

Tabel 1 Programma van Eisen Klimaatbestendig Bouwen

De onderstaande paragrafen geven een toelichting op de inhoud en het gebruik van de eisen. Wateroverlast door hevige neerslag De kans op hevige neerslag is toegenomen2 en zal de komende jaren verder toenemen door stijging van de temperatuur. Onderstaande tabel geeft de verwachte herhalingstijden voor neerslaggebeurtenissen voor het huidige klimaat en het klimaat in 2050 met een indeling voor standaardisatie3. Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. De kan leiden tot water-op-straat, overlast en schade. De gevolgen van deze buien voor stedelijk gebied kunnen in detail berekend worden met gecombineerde rioleringsen maaiveldmodellen4. Tabel 2 Statistiek neerslaggebeurtenissen stresstest wateroverlast. 5

STOWA-rapport 2018-12 ‘Neerslagstatistiek voor korte duren. Actualisatie 2018’ In de eisen is een vertaling gemaakt van herhalingstijd naar neerslaghoeveelheid. Als er nieuwe neerslagstatistiek beschikbaar komt, worden de neerslaghoeveelheden aangepast op de herhalingstijden. 4 Zie bijvoorbeeld: STOWA-rapport 2017-34, ‘Benchmark Inundatiemodellen’ 5 Werkgroep standaardisatie stresstest wateroverlast, 14 juni 2018, ‘Standaardisatie neerslaggebeurtenissen stresstest wateroverlast’ 2 3

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

De eisen voor het voorkomen van wateroverlast hebben tot doel om hevige neerslag lokaal vast te houden en bebouwing en voorzieningen te beschermen: −

−

N1: Een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein wordt op dit terrein opgevangen en vertraagd afgevoerd. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar, of wordt gestuurd. N2: In het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (1/250 jaar, 90 mm/u).

N1: Deze eis is bedoeld om te zorgen dat extreme neerslag van het privaat gebied niet geheel op het openbaar gebied afgewenteld wordt6. De berging van 50 mm is afgeleid van de bui 70 mm in een uur bij het klimaat in 2050. Wanneer er al weinig waterberging in het openbaar gebied beschikbaar is of als bergingsmaatregelen eenvoudig genomen kunnen worden, kan de eis verhoogd worden naar 70mm of in omgekeerde gevallen verlaagd worden naar 40 mm. Om het stedelijk watersysteem effectief te ontlasten moet de berging geleidelijk afgevoerd worden in een periode vanaf minimaal 24 uur na de bui (ongeveer 2 mm per uur). De berging moet binnen 48 uur na de bui weer beschikbaar zijn om een tweede bui op te vangen. Lokaal kunnen andere ledigingstijden voorgeschreven worden. De ledigingstijden gelden niet voor gestuurde waterbergingssystemen die bijvoorbeeld weersvoorspellingen gebruiken. Hierbij moet wel aangetoond worden dat de gestuurde berging effectief ingezet kan worden voor het opvangen van de 50 mm neerslag. Een belangrijk aandachtspunt voor berging op privaat terrein is dat het aannemelijk gemaakt moet worden dat de waterberging op langere termijn even goed blijft functioneren. N2: Deze eis gaat over de schade in het gehele plangebied, dus op privaat en/of publiek terrein.

De bui van 90 mm in een uur (klimaat 2050) is heviger dan bij N1 en er mag geen schade optreden aan bebouwing en voorzieningen. Bij het aantonen hiervan moet ook rekening gehouden worden met de wisselwerking met het omliggende gebied en watersysteem en moet afwentelen voorkomen worden. Tijdelijke overlast door water op straat of op maaiveld is wel toegestaan. Een belangrijke maatregel om schade te voorkomen is een voldoende hoog vloerpeil van bebouwing en voorzieningen. Eisen voor het vloerpeil ten opzichte van omringend maaiveld zijn niet opgenomen omdat dit andere maatregelen uitsluit en de eisen sterk locatieafhankelijk kunnen zijn. Aanvullend stellen gemeenten in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) eisen aan de duur en waterdiepte van water op straat bij verschillende herhalingstijden.

Art. 3.5 van de Waterwet legt de verantwoordelijkheid voor het afvloeiend hemelwater in eerste instantie bij de lozer als “redelijkerwijs kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen”.

6

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Droogte Klimaatverandering zorgt voor langere periodes van droogte en daarmee verminderde toevoer van water naar het oppervlakte- en grondwater. Het doel is het voorkomen of beperken van schade aan houten fundering, schade aan begroeiing, extra bodemdaling en een slechte waterkwaliteit. De eisen richten zich op het rekening houden met droogte en aanvulling van het grondwater:

D1: De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. − D2: In het plangebied wordt 50% (450mm) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd. D1: Dit is een vrij open eis waarbij aangetoond moet worden dat in het ontwerp rekening gehouden wordt met mogelijke droogte en dat schade voorkomen wordt. Voor het grondwater wordt rekening gehouden met de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en de verwachting van de grondwaterstand in extreme jaren. Dit betekent dat het uitzakken van het grondwaterpeil niet leidt tot extra bodemdaling, sterfte van (openbare) groenvoorzieningen en bomen. Noodmaatregelen als het bewateren met schaars drink- of oppervlaktewater zijn ongewenst. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met beperkte beschikbaarheid van het oppervlaktewater tijdens droogte. Maatregelen als gestuurde drainage hebben niet de voorkeur omdat hierbij de zoetwatervraag in droge periode toeneemt. −

D2: Een voldoende hoge (freatische) grondwaterstand zorgt voor een watervoorraad voor begroeiing in droge tijden en kan bodemdaling en zoutindringing verminderen. Om het grondwater aan te vullen is de standaardeis dat 50% van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd wordt in de bodem. De gemiddelde jaarneerslag is nu ongeveer 850 mm en zal naar verwachting toenemen tot 900 mm in 20507. Bij zeer slecht doorlatende bodems (zware klei) of beperkte ruimte kan deze eis verlaagd worden en bij goed doorlatende bodems (zand) kan deze eis verhoogd worden. Bij grondwateroverlast door hoge grondwaterstand in of buiten het plangebied wordt deze eis aangepast zodat de overlast in ieder geval niet toeneemt. Hitte Extreme, langdurige hitte vermindert het functioneren van mensen en kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De stedelijke omgeving warmt al meer op dan het buitengebied en in de openbare ruimte zijn plekken nodig om af te koelen. De geformuleerde eisen hebben tot doel om koelere plekken buiten te creëren en het opwarmen van de stedelijke omgeving tegen te gaan. Eisen voor temperatuurregulatie in gebouwen zelf zijn hier niet opgenomen. − − −

H1: Tenminste 50% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst. H2: Tenminste 40% van alle oppervlakken wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied verminderen. H3: Koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs-)ruimte in de directe omgeving.

H1: Om voor mensen gezond en prettig in de stad te kunnen verblijven en zich te kunnen verplaatsen worden de gebieden voor wandelen, fietsen en verblijven zo ingericht dat 50% van het gebied op straatniveau schaduw heeft op de hoogste zonnestand op 21 juni. Bijvoorbeeld door schaduw van bomen, gebouwdelen of zonneschermen op wandel- en fietspaden, stoepen, terrassen, voetgangersgebieden en parken. Voor beplanting en bomen kan de verwachte situatie na 10 jaar 7

KNMI'14-klimaatscenario's

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF groei worden aangehouden. Voor pleinen hoeft de eis niet voor het hele plein gehaald te worden, BOUWEN

maar wel voor de logische verbindingsroutes en verblijfsgebieden.

H2: De opwarming van het stedelijk gebied wordt deels veroorzaakt door het opnemen van zonnestraling door oppervlakken en het vervolgens afgeven van warmte door deze oppervlakken. Een hoog albedo zorgt ervoor dat zonnestraling wordt weerkaatst en een lage warmtecapaciteit zorgt ervoor dat er ’s nachts weinig warmte wordt afgegeven. De eis is dat 40% van het totale oppervlak (dus de gehele schil, horizontaal en verticaal) warmtewerend8 wordt ingericht. Dit kan door het gebruik van materialen met een hoge reflectie, lage warmteafgifte en/of door het gebruik van begroeiing. Voor begroeiing is het dan wel belangrijk dat deze toegang heeft tot water om te kunnen blijven verdampen. Voor het bepalen van de warmtewerendheid van materialen nemen we de minimale SRI-waarden over van BREAAM-gebied. Deze Solar Reflectance Index is gebaseerd op de reflectiegraad (albedo) en de thermische emissiegraad (warmtestraling). Tabel 3 Minimale SRI-waarden (Bron: BREAAM-gebied)

H3: Het actief koelen van gebouwen door bijvoorbeeld airconditioning levert warmte op voor de omgeving van het gebouw. Extra opwarming van de openbare ruimte is echter ongewenst. In het ontwerp moet daarom aangetoond worden dat koeling van gebouwen niet leidt tot extra opwarming van de omgeving. Door bijvoorbeeld passieve systemen of warmte-koudeopslag in de bodem kan deze opwarming voorkomen worden. Bodemdaling Bodemdaling wordt veroorzaakt door ontwatering en kan komen door droogte. Bodemdaling kan consequenties hebben voor het waterbeheer. Vooral veengebieden zijn gevoelig voor bodemdaling door oxidatie bij lagere grondwaterstanden9. De geformuleerde eis richt zich op het in beeld brengen van alle kosten en op het gebruikmaken van beschikbare technieken om schade door bodemdaling in de toekomst te voorkomen of te beperken: −

Bo1: Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kosteneffectief zijn over de levensduur van 60 jaar worden in het ontwerp opgenomen.

Bo1: De inrichting van zettingsgevoelige grond tijdens het bouwrijp maken kan in een later stadium leiden tot bodemdaling. Dit leidt tot hoge kosten voor vervanging en herstel in de gebruiksfase. Gemeenten en huiseigenaren hebben dan schade door frequent vervangen van riolering en wegen en door ophogen van het maaiveld. Niet bouwen op slappe grond lijkt een voor de hand liggende oplossing, maar is in West-Nederland planologisch vaak niet haalbaar. Eisen met betrekking tot de zetting na een aantal gebruiksjaren leveren niet altijd de meest kosteneffectieve maatregelen op en kunnen achteraf pas geëvalueerd worden. De geformuleerde eis gaat ervan uit dat alle kosten van

8 9

Meer informatie: Global Cool Cities Alliance, “A practical guide to cool roofs and cool pavement” (2012) Born, G.J. van den et al. (2016), Planbureau voor de leefomgeving, ‘Dalende bodems, stijgende kosten’

CONVENANT bodemdaling over de eerste 60 jaar in beeld gebracht worden. Maatregelen bij het ontwerp die KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

minder kosten dan beheermaatregelen tijdens de eerste 60 jaar worden opgenomen in het ontwerp.

Biodiversiteit Mede door de klimaatverandering en de intensivering van het ruimtegebruik neemt de biodiversiteit af. De eis voor biodiversiteit is gericht op het ondersteunen en stimuleren van biodiversiteit in de bebouwde omgeving door het creëren van geschikte habitats. Voor de versterking van het netwerk is het belangrijk dat de habitats in samenhang met de bestaande groenblauwe structuren worden ingericht en gecreëerd én passen bij de mogelijkheden van de bebouwing. −

B1: Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten.

Met groenblauwe structuren bedoelen we niet alleen visueel water en groen voor beleving, maar juist ook een ecologisch betekenisvolle structuur. Voor de indeling van de omvang van de projecten sluiten we aan bij de indeling van het puntensysteem van Natuur- en groeninclusief Bouwen Den Haag10. Voor kleinschalige projecten is de eis dat er een habitat gecreëerd wordt voor gebouw bewonende soorten, voor middelgrote projecten ook een andere soortencategorie en voor grootschalige projecten wordt er een habitat geëist voor tenminste 3 soortencategorieën. Tabel 4 Indeling omvang projecten (Bron: NIB Den Haag, Arcadis) Footprint

Hoogte

Kleinschalig project

<500 m2

en <15 m

Middelgroot project

<2000 m2

en/of 15-30 m

Grootschalig project

>2000 m2

en/of >30m

De soortencategorie zijn verdeeld in vijf hoofdgroepen: Gebouw bewonend − Boom bewonend − Aan struweel gebonden − Aan bloemrijk grasland gebonden − Aan water en oevers gebonden Binnen een soortencategorie staat het je vrij een soort te kiezen en daarvoor aan de hoogwaardige habitateisen te voldoen. Voor oever- en watergebonden soorten worden de doelsoorten en habitateisen gebruikt die geformuleerd zijn voor de KRW11-doelen voor het betreffende water. Als het geen KRW-waterlichaam is, dan wordt dezelfde systematiek gebruikt. −

Een soort stelt eisen aan zijn biotische (alles wat leeft) en abiotische (alles wat niet leeft) omgeving om te kunnen voortbestaan. Dat noemen we de habitatseisen van die soort. Om het stedelijk gebied aantrekkelijk te maken en te houden voor soorten is het belangrijk dat tenminste aan deze minimale 10 11

‘Puntensysteem voor groen- en natuurinclusief bouwen.’ (Arcadis, 26 sept 2018) Kaderrichtlijn Water

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF levensvoorwaarden voldaan wordt. Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden die eisen van een BOUWEN

soort bedoeld waar men redelijkerwijs op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kunt voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een soort die lokaal gerealiseerd kunnen worden: voortplanting en verspreiding (genenpool), woonplaats, foerageergebied en rustgebied. Samengevat in de 4 v’s: Voedsel, Veiligheid, Voortplantingsmogelijkheden en Variatie. Een habitat is iets anders dan een biotoop; Een biotoop beschrijft een landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen, een habitat beschrijft wat een soort nodig heeft om te leven. Binnen een biotoop kunnen verschillende habitats worden onderscheiden. En de habitat van een soort kan meerdere biotopen vragen.

Van de planmaker wordt een beschrijving verwacht hoe met het bouwplan de eisen voor een hoogwaardig habitat worden behouden en/of gerealiseerd. Hierbij dient de relatie te worden gelegd met voor die locatie relevante natuurwetgeving en doelstellingen zoals N2000, Kader Richtlijn Water, Wet Natuurbescherming en gemeentelijk beleid. Overstromingen De veiligheid tegen overstromingen is in West-Nederland vooral gebaseerd op de sterkte en hoogte van de waterkeringen. Zeespiegelstijging door klimaatverandering zal voorlopig vooral door aanpassingen aan de waterkeringen opgevangen worden (Laag 1 in de meerlaagse veiligheid). Toch past juist bij klimaatadaptief bouwen ook het voorbereid zijn op de gevolgen van overstromingen en het minimaliseren van de schade en overlast (Laag 2 in de meerlaagse veiligheid). De geformuleerde eisen zijn niet direct gebaseerd op herhalingstijden, maar richten zich op het doelmatig robuust maken van het gebied in verschillende scenario’s met overstromingsdiepten. Als het optreden van een bepaald overstromingsscenario niet van toepassing is, zal de bijbehorende eis vervallen. Zo zijn bij een buitendijkse overstroming vaak voorkomende lage overstromingsdiepten realistischer dan grote overstromingsdiepten.

Het uitgangspunt is een gemiddelde waterdiepte die op zou treden in het gebied voordat de nieuwbouw plaatsvindt: V1: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 20 cm treedt geen schade aan gebouwen op en blijven hoofdwegen begaanbaar. − V2: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 50 cm worden maatregelen getroffen om schade aan gebouwen te beperken, als deze doelmatig zijn. − V3: Voor overstromingen met een waterdiepte tot 200 cm worden maatregelen getroffen om vitale infrastructuur en kwetsbare objecten te beschermen. − V4: Voor overstromingen met een waterdiepte boven 200 cm worden maatregelen getroffen om veilig te kunnen schuilen in het overstroomde gebied. V1: Dit gaat om een beperkte overstroming vanuit bijvoorbeeld een boezem of rivier, waarbij aangetoond moet worden dat er geen schade optreedt en hoofdwegen begaanbaar blijven. Maatregelen zoals het aanleggen van hoogteverschillen kunnen gedeeltelijk overlappen met de maatregelen die getroffen worden bij hevige neerslag. −

V2: Bij een grotere waterdiepte tot 50 cm worden maatregelen genomen om schade aan het gebouw te voorkomen of wordt er aangetoond dat voorkomen van schade doelmatig is. V3: Tot 2 meter waterdiepte worden vitale infrastructuur en kwetsbare objecten beschermd. Schade zal dan zeker optreden, maar aangetoond moet worden dat vitale infrastructuur, zoals elektriciteit en drinkwater12 en kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen blijven functioneren, eventueel in een gereduceerde vorm. Voorbeeld richtlijnen essentiële infra: EN 15975 delen 1 &2 Veiligheid van drinkwaterlevering – Richtlijnen voor risico- en crisismanagement.

12

V4: Deze eis is gericht op schuilen in het gebouw of in het overstroomde gebied bij extreme overstromingen.

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Figuur 1 indeling waterdiepten: http://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartverhaal-overstroming

Hoe te gebruiken? De convenantspartijen gebruiken het Programma van Eisen om duidelijk te maken wat zij willen bereiken met het klimaatbestendig bouwen. Met name overheden en organisatoren van planprocessen kunnen met de geformuleerde eisen sturing kunnen geven aan klimaatbestendig bouwen. Dit kan publiekrechtelijk in bijvoorbeeld omgevingsplannen of privaatrechtelijk bij aanbestedingen13. Beide middelen worden door de betrokken partijen benut voor een maximaal resultaat. Naast afspraken bij de bouw zijn duidelijke afspraken over het beheer en functioneren op langere termijn belangrijk voor de effectiviteit van de maatregelen. Beheermaatregelen die nodig zijn voor het blijven voldoen aan de eisen worden zoveel mogelijk publiekrechtelijk als privaatrechtelijk geborgd, bijvoorbeeld in de omgevingsplannen en het bouwplan. Beoordelingsystemen en normering Op dit moment zijn er meerdere sytemen op de markt om de prestaties van nieuwbouw in beeld te brengen. Voorbeelden hiervan zijn BREEAM-NL, LEED en NL gebiedslabel. Deze systemen kunnen ook gebruikt worden om klimaatbestendigheidseisen te formuleren. BREEAM-NL gebied14 heeft bijvoorbeeld categorieën opgesteld voor wateroverlast, hitte en droogte.

Aandachtspunt hierbij is dat er per categorie een minimaal te behalen scoren wordt afgesproken om te voorkomen dat bijvoorbeeld veel punten op hitte een slechte score op wateroverlast opheft. Specifiek voor biodiversiteit kan het puntensysteem Natuur- en groeninclusief Bouwen van de gemeente Den Haag gebruikt worden voor een verdere verfijning.

Meer informatie: Ambient, Colibri Advies; Advies aanpak knelpunten klimaatadaptief bouwen, 15 februari 2019 14 BREEAM-NL Gebied 2018 Keurmerk voor duurzame gebiedsontwikkeling en herontwikkeling Beoordelingsrichtlijn gebied 2018 versie 1.0, op BREEAM.nl 13

CONVENANT KLIMAATADAPTIEF BOUWEN

Op internationaal niveau zijn normen en afspraken ontwikkeld voor het bepalen van de duurzaamheid en klimaatbestendigheid van bouwprojecten. Meer informatie over normering in de bouw in Nederland is beschikbaar via NEN.nl. Voor het verder uitwerken van maatregelen zijn specifieke praktijkrichtlijnen en normen beschikbaar. Voor de uitvoeringspraktijk is het belangrijk om de eisen uit het convenant te kunnen vertalen naar concrete maatregelen. Veelal maken deze uitvoerende partijen daartoe gebruik van standaarden, richtlijnen en handboeken waarin ook alle inzichten rond klimaatadaptatie dienen te worden opgenomen. Verschillende Nederlandse standaardisatie-organisaties zoals NEN, CROW, ISSO en RIONED zijn bezig met het ontwikkelen van dergelijke standaarden voor de uitvoeringspraktijk. 15

Verder met het ontwerpen… Aan het schrijven en lezen van handreikingen en aanbevelingen voor klimaatbestendig ontwerpen komt geen einde. Met deze bijsluiter verwijzen we daarom graag naar beschikbaar materiaal dat behulpzaam is bij het ontwerpproces: − − −

−

Bouw groen en blauw, Amsterdam Rainproof Het klimaat past ook in uw straatje, Hogeschool van Amsterdam, Jeroen Kluck et al. Ontwerprichtlijnen klimaatbestendig groen in de stad. Uit: Klemm, W., Lenzholzer. S., Van den Brink, A., Developing of green infrastructure design guidelines for urban climate adaptation. Blauwgroene netwerken: https://nl.urbangreenbluegrids.com/design-tool/

Bijvoorbeeld: EN 16309 Sustainability of construction works en ISO/AWI; en: 14091 Climate Change Adaptation - A guidance to Vulnerability Assessment 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=a81c9f98-f54d-412c-bcbf-2c3407272c71