CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Basisregeling Omgevingsplan Rijswijk

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging Omgevingsplan gemeente Rijswijk basisregeling (RV 25 103)44.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Artikel 4.69 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.58, wordt bij het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.64 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage.

Artikel 4.70 Vaste mest opslaan Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel Artikel 4.58, wordt bij het opslaan van vaste mest voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.65 Vaste mest opslaan.

Artikel 4.71 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.58, wordt bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.66 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan.

Artikel 4.72 Kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen opslaan Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.58, wordt bij het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.67 Opslaan van kuilvoer en andere bijvoedermiddelen.

30

Artikel 4.73 Landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels fokken, houden en trainen Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.58, wordt bij het fokken, houden en trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels voldaan aan: a. Paragraaf 5.2.43 Milieu – algemeen; en b. Paragraaf 5.2.68 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels.

Paragraaf 4.1.7 Bodem Artikel 4.74 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met betrekking tot bodem.

Artikel 4.75 Doelen Voor bodem gelden de volgende doelen: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit; c. het doelmatig benutten van de bodem; d. het zuinig gebruik van grondstoffen; en e. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 4.76 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen en gebruik wijzigen naar bodemgevoelig gebruik Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het bouwen en in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw en bij het wijzigen van het gebruik van een locatie naar bodemgevoelig gebruik voldaan aan Paragraaf 5.2.37 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen en gebruik wijzigen naar bodemgevoelig gebruik.

Artikel 4.77 Grondwatergevoelig gebouw bouwen Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het bouwen en in gebruik nemen van een grondwatergevoelig gebouw voldaan aan Paragraaf 5.2.38 Grondwatergevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen.

Artikel 4.78 Grond en baggerspecie toepassen Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het toepassen van grond en baggerspecie voldaan aan Paragraaf 5.2.69 Grond en baggerspecie toepassen.

Artikel 4.79 AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie en metaalslakken toepassen Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken voldaan aan Paragraaf 5.2.74 AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie of metaalslakken toepassen.

Artikel 4.80 Thermisch gereinigde grond toepassen Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het toepassen van thermisch gereinigde grond voldaan aan Paragraaf 5.2.75 Thermisch gereinigde grond toepassen.

Artikel 4.81 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het graven in de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.40 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde, als het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3.

Artikel 4.82 Grootschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het graven in de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.72 Grootschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde, als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3.

Artikel 4.83 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het verrichten van een activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico voldaan aan Paragraaf 5.2.41 Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.

Artikel 4.84 Saneren Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.75, wordt bij het saneren van de bodem voldaan aan Paragraaf 5.2.73 Saneren.

Artikel 4.85 Nazorg verrichten na saneren van de bodem Met het oog op de doelen, bedoel in Artikel 4.75, wordt bij het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden voldaan aan Paragraaf 5.2.39 Nazorg verrichten na saneren van de bodem.

Afdeling 4.2 Gebiedstypen Paragraaf 4.2.1 Algemeen Artikel 4.86 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten met gebruiksruimte:

31

a. agrarische activiteiten; b. bedrijfsactiviteiten; c. detailhandelsactiviteiten; d. dienstverleningsactiviteiten; e. horeca-activiteiten; f. infrastructuuractiviteiten; g. kantooractiviteiten; h. maatschappelijke activiteiten; i. recreatie-activiteiten; j. sportactiviteiten; en k. woonactiviteiten.

Artikel 4.87 Doelen Voor gebiedstypen gelden de volgende doelen: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; g. het bieden van voldoende woonruimte; h. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden; en i. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling.

Artikel 4.88 Aanwijzing bebouwingscontour geur Er is een bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 4.2.2 Centrumgebied Artikel 4.89 Aanwijzing Er is een gebiedstype Centrumgebied.

Artikel 4.90 Doelen Binnen het Centrumgebied gelden de volgende doelen : a. een levendige stad; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.91 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.90, worden binnen het Centrumgebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a. detailhandelsactiviteiten; b. dienstverleningsactiviteiten; c. horeca-activiteiten; d. infrastructuuractiviteiten; e. kantooractiviteiten; f. maatschappelijke activiteiten; en g. woonactiviteiten.

Paragraaf 4.2.3 Woongebied Artikel 4.92 Aanwijzing Er is een gebiedstype Woongebied.

Artikel 4.93 Doelen Binnen het Woongebied gelden de volgende doelen : a. een prettig woon- en leefklimaat; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.94 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.93, worden binnen het Woongebied, voor zover het gaat om activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a. bedrijfsactiviteiten, uitsluitend in de vorm van het exploiteren van een warmteoverslagstation;

32

b. dienstverleningsactiviteiten; c. horeca-activiteiten; d. infrastructuuractiviteiten; e. maatschappelijke activiteiten; f. sportactiviteiten; en g. woonactiviteiten.

Paragraaf 4.2.4 Werkgebied Artikel 4.95 Aanwijzing Er is een gebiedstype Werkgebied.

Artikel 4.96 Doelen Binnen het Werkgebied gelden de volgende doelen: a. een economisch sterke stad; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.97 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.96, worden binnen het Werkgebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a. bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. horeca-activiteiten; e. infrastructuuractiviteiten; en f. kantooractiviteiten.

Paragraaf 4.2.5 Werk-woongebied Artikel 4.98 Aanwijzing Er is een gebiedstype Werk-woongebied.

Artikel 4.99 Doelen Binnen het Werk-woongebied gelden de volgende doelen : a. een economisch sterke stad met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; b. <PM uit omgevingsvisie halen>; en c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.100 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.99, worden binnen het Werk-woongebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a. bedrijfsactiviteiten; b. detailhandelsactiviteiten; c. dienstverleningsactiviteiten; d. horeca-activiteiten; e. infrastructuuractiviteiten; f. kantooractiviteiten; g. maatschappelijke activiteiten; en h. woonactiviteiten.

Paragraaf 4.2.6 Groengebied Artikel 4.101 Aanwijzing Er is een gebiedstype Groengebied.

Artikel 4.102 Doelen Binnen het Groengebied gelden de volgende doelen : a. een aantrekkelijke groene omgeving; b. het verhogen van natuurwaarden; c. <PM uit omgevingsvisie halen>; en d. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.103 Regels voor activiteiten met gebruiksruimte

33

Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.102, worden binnen het Groengebied, voor zover het gaat om de activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.86, alleen de volgende activiteiten verricht: a. horeca-activiteiten; b. infrastructuuractiviteiten; c. recreatie-activiteiten; en d. woonactiviteiten.

34

Hoofdstuk 5 Activiteiten Afdeling 5.1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Met uitzondering van Afdeling 5.1 en Paragraaf 5.3.1 is een paragraaf in dit hoofdstuk alleen van toepassing voor zover dat in Hoofdstuk 4 is bepaald.

Artikel 5.2 Normadressaat Aan Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 5.3 Maatwerkvoorschriften 1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels voor activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

2 Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de wet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, over de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald.

3 Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in dit hoofdstuk, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daartegen verzet.

4 Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.

5 Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.

6 Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over de regels in dit hoofdstuk worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.

7 Op het stellen van maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften over de regels in dit hoofdstuk, waarmee instructieregels van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of hoofdstuk 7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn verwerkt, zijn die instructieregels van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Artikel 5.5 Algemene gegevens bij een melding Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. als de melding elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van degene die de activiteit verricht; e. als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer, woonplaats en e-mailadres van de gemachtigde; en f. de dagtekening.

Artikel 5.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. als de gegevens en bescheiden elektronisch worden ingediend: het e-mailadres van degene die de activiteit verricht; en e. de dagtekening.

35

Artikel 5.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat 1 Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen Artikel 5.5 of Artikel 5.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

2 Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 5.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders 1 Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in dit hoofdstuk en maatwerkvoorschriften op grond van dit hoofdstuk voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

2 Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 5.9 Algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning [Gereserveerd]

Artikel 5.10 Gelijkwaardige maatregelen (algemeen) [Gereserveerd]

Artikel 5.11 Informeren over een ongewoon voorval Het bevoegd gezag wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval bij de volgende activiteiten: a. hoofdgebouw bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.2; b. bijbehorend bouwwerk bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.3; c. dakkapel bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.5; d. pre-mantelzorghuisvesting bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.6; e. dakopbouw bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.11; f. dakterras bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.12; g. overig bouwwerk geen gebouw zijnde bouwen als bedoeld in Paragraaf 5.2.13; h. objecten plaatsen op de weg als bedoeld in Paragraaf 5.2.20; i. activiteiten in een beperkingengebied leidingen als bedoeld in Paragraaf 5.2.27; j. bouwwerk slopen als bedoeld in Paragraaf 5.2.32; k. milieubelastende activiteiten als bedoeld in Paragraaf 5.2.43; l. activiteiten met gebruiksruimte als bedoeld in Artikel 4.86; anders dan wonen.

Artikel 5.12 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval 1 Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen, indien van toepassing; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.

2 Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.13 Informeren over bijzondere omstandigheden die geen ongewoon voorval zijn [Gereserveerd]

Artikel 5.14 Maatregelen bij bijzondere omstandigheden in de fysieke leefomgeving [Gereserveerd]

Artikel 5.15 Omgevingsvergunning afwijken van regels in dit omgevingsplan [Gereserveerd]

Artikel 5.16 Algemene beoordelingsregel

36

[Gereserveerd]

Afdeling 5.2 Thematische activiteiten Paragraaf 5.2.1 Bouwen - algemeen Artikel 5.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over: a. het bouwen van hoofdgebouwen; b. het bouwen van bijbehorende bouwwerken; c. het bouwen van dakkapellen; d. het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting; e. het bouwen van erf- en perceelafscheidingen; f. het wijzigen van kozijnen en gevels; g. het bouwen van ondergeschikte bouwdelen; h. het bouwen van airconditioningsunits en warmtepompen; i. het bouwen van dakopbouwen; j. het bouwen van dakterrassen; en k. het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde.

Artikel 5.18 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties; e. het beschermen van de gezondheid; en f. het stimuleren van van klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen.

Artikel 5.19 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.17, in ieder geval in dat bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 5.20 Meetbepalingen 1 Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten: a. bebouwingsgebied: achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; b. beukmaat: de breedte van hart op hart van de woningscheidende muur; c. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen; en d. straatpeil: 1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang met dien verstande dat, indien een bouwwerk is gelegen aan meerdere wegen, de laagste weg bepalend is; 2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; en 3. voor een bouwwerk boven water: het plaatselijk aan te houden waterpeil.

2 Ondergeschikte bouwonderdelen als bedoeld in het eerste lid zijn: a. toegangen van bouwwerken, stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen, funderingen; b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, voor zover deze niet dieper zijn dan 0,2 m ten opzichte van de gevel; c. luchtbehandelingskasten, liftschachten en technische ruimten op het dak, voor zover deze niet hoger zijn dan 4 m ten opzichte van het dak en architectonisch meeontworpen worden; d. gevel en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen en galerijen, voor zover deze niet dieper zijn dan 0,50 m ten opzichte van de gevel; e. luifels, voor zover deze niet dieper zijn dan 2 m ten opzichte van de gevel; f. erkers, voor zover deze niet dieper zijn dan 1,50 m ten opzichte van de gevel; g. balkons, voor zover deze niet dieper zijn dan 2,50 m ten opzichte van de gevel; h. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze niet dieper zijn dan 1,5 m ten opzichte van het straatpeil; en i. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand ten opzichte van de voorgevelbouwgrens dieper zijn dan 1 m.

3 Er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over de meetbepalingen.

37

Artikel 5.21 Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving te verrichten, als daarbij niet wordt voldaan aan de eisen in: a. dat artikel; en b. Paragraaf 5.2.2 tot en met Paragraaf 5.2.13.

Artikel 5.22 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken is niet in ernstige mate in strijd met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

Artikel 5.23 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet door het bevoegd gezag; en b. het straatpeil is uitgezet door het bevoegd gezag.

Artikel 5.24 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit, als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 100 m; of b. de aansluitafstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.25 Aansluiting op distributienet voor gas 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand: 1. niet groter is dan 40 m; of 2. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 5.26 Aansluiting op distributienet voor warmte 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand: 1. niet groter is dan 40 m; of 2. groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3 Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4 Als voor de inwerkingtreding van de wet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 5.27 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

38

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als: a. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m; of b. de aansluitafstand groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 5.28 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1 Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2 De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3 Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4 Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 5.3 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 5.29 Eigendom aansluitleiding 1 De grens tussen het gemeentelijk eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting.

2 De grens ligt ter plaatse van de aansluiting op de pompput, als een rioolwaterpomp voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater is vereist.

3 De grens ligt in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 m buiten de perceelgrens, als er geen ontstoppingsstuk of rioolwaterpomp is.

Artikel 5.30 Beheer, onderhoud, renovatie en vervanging aansluitleiding 1 Het beheer, onderhoud, de renovatie of vervanging van de gemeentelijke aansluitleiding komt voor rekening van de gemeente en wordt door of namens de gemeente uitgevoerd.

2 Onder renovatie wordt ook verstaan een wijziging in de gemeentelijke voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

3 Het eerste lid geldt niet bij onjuist gebruik van de particuliere aansluitleiding.

4 Er is sprake van onjuist gebruik als: a. het lozen van stoffen die verstoppingen in de aansluitleiding of de voorzieningen voor het beheer van afvalwater kunnen veroorzaken; b. het lozen het stoffen die de constructie van de aansluitleiding kunnen aantasten; of c. het lozen van afvalwater op een niet daarvoor bedoeld openbaar riool.

39

5 De kosten voor het onderhoud van de particuliere aansluitleiding komen voor rekening van de eigenaar.

6 De kosten voor onderhoud van de particuliere aansluitleiding komen voor rekening van de gemeente als de noodzaak tot onderhoud veroorzaakt is door de gemeente.

Artikel 5.31 Verstopping of andere storing 1 De zakelijk gerechtigde of gebruiker toont bij een verstopping of storing aan of er sprake is van een probleem in de particuliere aansluitleiding of in de gemeentelijke aansluitleiding.

2 De eigenaar, zakelijk gerechtigde of gebruiker neemt bij een verstopping of ander probleem in de gemeentelijke aansluitleiding contact op met de gemeente, zodat de gemeente in de gelegenheid wordt gesteld voor het verrichten van noodzakelijke werkzaamheden.

3 De eigenaar, zakelijk gerechtigde of gebruiker zorgt bij een verstopping of andere storing in de particuliere aansluitleiding dat het probleem wordt verholpen.

4 De kosten voor het onderzoek als bedoeld in het eerste lid komen voor rekening van de eigenaar of gebruiker.

5 In afwijking van het vierde lid vergoedt de gemeente maximaal € 200,- voor het onderzoek als de oorzaak bij de gemeente ligt.

Artikel 5.32 Bluswatervoorziening 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2 De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3 De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.33 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3 Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4 Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere

40

hulpverleningsdiensten.

5 Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.34 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3 De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4 Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 5.33, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5 Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.35 Eisen aan tekeningen 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling hebben tekeningen een schaal die kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2; en c. 1:200, als het gaat om een geveltekening, plattegrond of doorsnede van een bouwwerk met een bruto-vloeroppervlakte van 10.000 m2 of groter.

2 Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

3 Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

Artikel 5.36 Plattegrond, doorsnede en aanzicht 1 Bij een aanvraag waarbij plattegronden worden verstrekt, worden deze plattegronden verstrekt met een doorsnede van een bouwlaag op 1.200 mm boven vloerniveau waarop zijn aangegeven: a. uitwendige en inwendige scheidingsconstructies, met inbegrip van de materiaalaanduiding; b. peilmaten van de vloer; c. trappen en hellingbanen; d. binnen- en buitenkozijnen; e. kokers, schachten, kanalen en schoorstenen; f. alle oppervlakken die een directe relatie hebben met of behoren tot: 1. gebruiksfuncties; 2. gebruiksoppervlakten en vloeroppervlakten; 3. verwarmde en onverwarmde zones; 4. gebruiksgebieden, functiegebieden en verblijfsgebieden; 5. verkeersruimten; en 6. toegankelijkheidssectoren; en g. overige gegevens die zich hiervoor lenen, waaronder in ieder geval toiletruimten, badruimten, buitenbergingen, buitenruimten, liften, stallingsruimten, technische ruimten, opslagruimten en opstelplaatsen van het aanrecht en kook-, stook- en warmwatertoestellen.

41

2 De vloerpeilen ten opzichte van het straatpeil en de hoogte van het maaiveld zijn aangeduid ter plaatse van de entree van het bouwwerk.

3 Plattegronden en doorsneden zijn voorzien van maatvoering en hoogtelijnen.

4 Alle aanzichten, met inbegrip van geveltekeningen, worden in loodrechte verticale projectie weergegeven.

Paragraaf 5.2.2 Hoofdgebouw bouwen Artikel 5.37 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen.

Artikel 5.38 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties.

Artikel 5.39 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.

Artikel 5.40 Bijzondere aanvraagvereisten 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; e. een landschapsplan en een plan voor ecologische voorzieningen in de omgeving en aan de gebouwen; en f. een plan met de voorzieningen voor klimaatadaptatie.

2 Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Artikel 5.41 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 5.42 Stedenbouwkundige omgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in Artikel 5.41 houdt in ieder geval in dat: a. het aangevraagde bouwwerk aansluit op bestaande stedenbouwkundige structuren en een kwaliteitsimpuls is voor de omgeving; b. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal woningen’: niet meer woningen worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; c. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum dichtheid’: niet meer woningen per hectare worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; of d. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’: de bouwhoogte niet hoger is dan aangegeven bij die aanduiding.

Artikel 5.43 Aanvullende beoordelingsregel vanwege provinciale instructieregels 1 Onverminderd Artikel 5.41 wordt de omgevingsvergunning voor een hoofdgebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels, bedoeld in de volgende

42

paragrafen van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening: a. paragraaf 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen; b. paragraaf 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit; c. paragraaf 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen; en d. paragraaf 7.3.8a Wonen.

2 Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.38, de oogmerken die blijken uit de instructieregels.

Artikel 5.44 Aanvullende beoordelingsregel vanwege rijksinstructieregels 1 Onverminderd Artikel 5.41 wordt de omgevingsvergunning voor een hoofdgebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2 Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.38, de oogmerken die blijken uit de instructieregels.

Paragraaf 5.2.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen Artikel 5.45 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken, met inbegrip van mantelzorgwoningen, anders dan bij: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

2 Deze paragraaf gaat niet over: a. het bouwen van een dakkapel, bedoeld in Paragraaf 5.2.5; b. het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting, bedoeld in Paragraaf 5.2.6; en c. het bouwen van een dakopbouw, bedoeld in Paragraaf 5.2.11.

3 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Artikel 5.46 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties.

Artikel 5.47 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen in het voorerfgebied.

2 Het verbod geldt niet voor het bouwen van een fietsenberging of scootmobielbox, als: a. het achtererfgebied alleen via het hoofdgebouw bereikbaar is; b. deze een oppervlakte heeft van ten hoogste 4 m2; c. deze een bouwhoogte heeft van ten hoogste 1,25 m; d. deze op een afstand van minimaal 0,25 m van openbaar gebied wordt gebouwd; en e. het dak ervan met sedum wordt uitgevoerd.

3 Het verbod geldt niet voor het bouwen van een erker of toegangsportaal, als: a. er niet meer dan één erker of één toegangsportaal wordt gebouwd; b. de breedte ervan niet meer bedraagt dan 30% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; c. de afstand ervan tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 0,5 m bedraagt, tenzij sprake is van een gezamenlijke erker of toegangsportaal met het naastgelegen hoofdgebouw;

43

d. de diepte ervan ten opzichte van de voorgevel niet meer bedraagt dan 1,20 m; en e. de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan: 1. de hoogte de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en 2. 3 m.

Artikel 5.48 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil.

2 Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Artikel 5.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het bouwwerk: a. identiek is aan een ander bijbehorend bouwwerk in hetzelfde aaneengesloten bouwblok waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend, als deze aanwezig is; en b. een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw is.

2 Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk alleen verleend, als het bijbehorend bouwwerk: a. een grondgebonden toevoeging is van ten hoogste één bouwlaag; b. wordt gebouwd aan: 1. een oorspronkelijke voorgevel en op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied; of 2. een zijgevel, op meer dan 1 m achter de voorkant van het hoofdgebouw en op meer dan 1 m van het openbaar toegankelijk gebied; c. niet hoger is dan: 1. 4 m; en 2. 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; d. niet breder is dan: 1. aan de voorgevel: de breedte van het kozijn of de kozijnen waaraan het bijbehorend bouwwerk wordt geplaatst; en 2. aan de zijgevel: 3 m; e. niet dieper is dan: 1. aan de voorgevel: 1 m; en 2. aan een zijgevel: van 1 m achter de voorgevel tot 4 m achter de oorspronkelijke achtergevelrooilijn; f. vormgegeven wordt: 1. aan een voorgevel: als een erker met kozijnen; 2. aan een zijgevel: op een rechthoekige wijze; 3. met een plat dak of dakvorm afgestemd op de dakvorm van het hoofdgebouw; en 4. zonder doorgetrokken dakvlakken vanaf het hoofdgebouw over de aan- of uitbouw; en g. voor wat betreft het materiaal- en kleurgebruik van de zichtbare delen is afgestemd op het hoofdgebouw.

3 In afwijking van het tweede lid wordt de vergunning voor een bijbehorend bouwwerk aan de zijgevel van een hoekwoning alleen verleend, als: a. de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied ten minste 1 m is; b. de afstand tot de voorgevel en het verlengde van de voorgevel ten minste 1 m is; en c. de bouwhoogte ten hoogste: 1. de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw is; en 2. 3 m is.

4 In afwijking van het tweede lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondgebonden toevoeging met een hoogte van ten hoogste 1,20 m alleen verleend als deze: a. gebouwd wordt op meer dan 0,3 m van openbaar toegankelijk gebied; b. een oppervlakte heeft van niet meer dan 4 m2;

44

c. duidelijk rechthoekig is vormgegeven met een sobere detaillering; en d. is uitgevoerd: 1. in metselwerk of hout; en 2. zonder opvallend kleurgebruik.

Artikel 5.50 Algemene regels achtererfgebied 1 Dit artikel gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied.

2 Het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied.

3 Voor zover wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk niet hoger dan: a. het hoofdgebouw; b. 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; en c. 5 m.

4 Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk hoger is dan 3 m: a. wordt deze voorzien van een schuin dak; b. is de dakvoet niet hoger dan 3 m; en c. wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.

5 Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

6 De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: a. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; b. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en c. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.

Paragraaf 5.2.4 Overig gebouw bouwen Artikel 5.51 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige gebouwen.

2 Deze paragraaf gaat niet over: a. het bouwen van een hoofdgebouw, bedoeld in Paragraaf 5.2.2; b. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in Paragraaf 5.2.3.

Artikel 5.52 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties.

Artikel 5.53 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen overig gebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.

Artikel 5.54 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning overig gebouw 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overig gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

45

a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil.

2 Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Artikel 5.55 Beoordelingsregel omgevingsvergunning overig gebouw De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en c. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 5.56 Stedenbouwkundige omgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in Artikel 5.55 houdt in ieder geval in dat: a. het aangevraagde bouwwerk aansluit op bestaande stedenbouwkundige structuren en een kwaliteitsimpuls is voor de omgeving; b. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal woningen’: niet meer woningen worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; c. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum dichtheid’: niet meer woningen per hectare worden gerealiseerd dan aangegeven bij die aanduiding; en d. voor zover het bouwwerk wordt aangevraagd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’: de bouwhoogte niet hoger is dan aangegeven bij die aanduiding.

Artikel 5.57 Aanvullende beoordelingsregel vanwege provinciale instructieregels 1 Onverminderd Artikel 5.55 wordt de omgevingsvergunning voor een overig gebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels, bedoeld in de volgende paragrafen van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening: a. paragraaf 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen; b. paragraaf 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit; c. paragraaf 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen; en d. paragraaf 7.3.8a Wonen.

2 Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.52, de oogmerken die blijken uit de instructieregels.

Artikel 5.58 Aanvullende beoordelingsregel vanwege rijksinstructieregels 1 Onverminderd Artikel 5.56 wordt de omgevingsvergunning voor een overig gebouw alleen verleend, als dat verenigbaar is met de instructieregels, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

2 Voor de toepassing van het eerste lid zijn de oogmerken, in aanvulling op Artikel 5.52, de oogmerken die blijken uit de instructieregels.

Paragraaf 5.2.5 Dakkapel bouwen Artikel 5.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van dakkapellen.

Artikel 5.60 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties.

Artikel 5.61 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen dakkapel

46

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gelegen zijdakvlak te bouwen.

Artikel 5.62 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning dakkapel Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand, met daarop de maatvoering en afstanden vanaf de randen van het dak en de perceelsgrenzen; b. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil; e. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; f. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; g. kleurenfoto’s van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; h. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan; en i. als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren.

Artikel 5.63 Beoordelingsregels omgevingsvergunning dakkapel 1 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de dakkapel identiek is aan een andere dakkapel in hetzelfde aaneengesloten bouwblok waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend, als deze aanwezig is.

2 Onverminderd het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel alleen verleend, als: a. de geleding en plaatsing van de dakkapel gerelateerd is aan het stramien, de geleding en de indeling van de gevel; b. de indeling en profielen van de dakkapel in overeenstemming zijn met de indeling en de profielen van de ramen en kozijn van de gevel; c. het materiaal en kleurgebruik van de dakkapel zijn afgestemd op de gevel en het hoofdgebouw; en d. het uiterlijk of de plaatsing van de dakkapel zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet.

Artikel 5.64 Algemene regels plaatsing dakkapel 1 Dit artikel heeft betrekking op een dakkapel die niet in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gelegen zijdakvlak wordt gebouwd

2 Een dakkapel wordt niet op een bijbehorend bouwwerk gebouwd.

3 Alle dakkapellen in hetzelfde dakvlak worden naast elkaar gebouwd.

4 Bij het bouwen van een dakkapel wordt de dakkapel voorzien van een plat dak.

5 De dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger dan 1,75 m.

6 De onderzijde van de dakkapel ligt verticaal gemeten meer dan 0,5 m maar niet meer dan 1 m boven de dakvoet.

7 De bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 m onder de daknok.

8 De zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak.

9 De breedte is in totaal niet meer dan 2/3 van de beukmaat van het dakvlak.

10 Onverminderd het eerste lid wordt de dakkapel in een meerlaags dakvlak onder in het dakvlak gebouwd.

47

11 De hoogte van de boeiboord is ten hoogste 0,25 m.

Artikel 5.65 Algemene regel detaillering, materiaal en kleur Het voorvlak is gevuld met glas.

Artikel 5.66 Algemene regels kapvorm 1 Bij het plaatsen van een dakkapel op een schilddak, tentdak, piramidedak of mansardedak is de afstand tot hoekkepers minimaal 1 m.

2 Bij een mansardedak wordt een dakkapel geplaatst in het onderste deel van het dakvlak onder de knik, waarbij de bovenkant van de dakkapel gelijk is aan de knik in het dakvlak.

Paragraaf 5.2.6 Pre-mantelzorghuisvesting bouwen Artikel 5.67 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting.

Artikel 5.68 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de omgevingskwaliteit; b. het beschermen van het woon- en leefklimaat; en c. het behouden van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties.

Artikel 5.69 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning pre-mantelzorghuisvesting te bouwen.

Artikel 5.70 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie; b. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2; c. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; d. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil; en e. informatie over de situatie van en sociale relatie met de toekomstige hulpbehoevende.

2 Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

Artikel 5.71 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van pre-mantelzorghuisvesting wordt alleen verleend als: a. de toekomstige zorgbehoevende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of een progressieve ziekte heeft; b. er sprake is van een directe verwantschap tussen de eigenaar van de grond en de toekomstige zorgbehoevende; c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; d. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast; en e. de pre-mantelzorghuisvesting niet leidt tot verslechtering van de woonsituatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=fc276661-49de-4e01-90f1-445ed5b78e39