Bijlage 6 Omgevingsplan gemeente Rijswijk
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘parapluherziening parkeernormering Rijswijk’ Deze parapluherziening bevat regels over parkeren en zorgt ervoor dat in alle gemeentelijke ruimtelijke plannen een toereikende regeling voor het parkeren is opgenomen. Het bestemmingsplan stelt dat strijdig gebruik in ieder geval het voorzien in onvoldoende parkeergelegenheid is. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning geldt verder een voorwaardelijke verplichting waarbij voldaan moet worden aan de Nota Parkeernormen 2011 of diens rechtsopvolger. Daarnaast is afwijken hiervan onder voorwaarden mogelijk. Bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen Rijswijk’ Met het paraplubestemmingsplan worden de regels voor ‘wonen’ en ‘bed & breakfast’ in een aantal bestemmingsplannen herzien.
65
Bestemmingsplan ‘De Havenmeester’ Conform het bestemmingsplan ‘De Havenmeester’ hebben de gronden, die zijn gelegen binnen het plangebied’ de functie ‘Verkeer’
Figuur 18 Uitsnede bestemmingsplan ‘De Havenmeester’ (bron: Regels op de kaart)
Op het deel van de gronden dat aan het water is gelegen, geldt verder een functieaanduiding ‘verblijfsgebied’. Op het deel van de gronden dat het meest richting de Steenplaetsstraat is gelegen, geldt een functieaanduiding ‘parkeergarage’. Op de gronden is het verder toegestaan om bermen, beplanting, geluidwerende voorzieningen, erftoegangswegen en verblijfsgebieden, parkeervoorzieningen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde te bouwen. Dit gebruik is ondergeschikt aan het verblijfsgebied en de parkeergarage. Verder ligt er op de gronden een archeologische waarde. De ‘Waarde – Archeologie’ beschermt en zorgt voor het behouden van de archeologische waarden in de gronden. Voorgenomen wijziging Conserverend deel De wijziging van het omgevingsplan bestaat enerzijds uit het conserveren van de huidige activiteiten en anderzijds uit een ontwikkelgericht deel. Voor het conserveren van de huidige activiteiten worden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan die relevant zijn overgenomen. De activiteiten die op dit moment worden verricht en die dus met het conserverende deel van het omgevingsplan worden beschermd, zijn reeds toegestaan op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, mede bestaande uit de bestemmingsplannen ‘Plaspoelpolder, 1e algehele herziening’ en ‘De Havenmeester’.
Ontwikkelgericht deel De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een transformatie van een werkgebied naar een gemengd werk-woongebied. Het toelaten van meer woningen en het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte worden niet volledig toegelaten door de regels van de bovengenoemde bestemmingsplannen die onderdeel zijn van het gemeentelijk omgevingsplan.
66
Om die reden worden de regels van het omgevingsplan door middel van deze omgevingsplanwijziging gewijzigd. Na die wijziging is het voortzetten van bestaande bedrijfsactiviteiten (behoudens de Rijswijkse Vuurwerkhal) en de voorgenomen transformatie naar een gemengd werk-woongebied mogelijk.
3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid (en eventuele instructieregel) 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. De NOVI is een instrument onder de Omgevingswet en kenmerkt zich door een aanpak waarin samenhang, integraliteit en samenwerking met andere overheden en maatschappelijke organisaties. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio’s; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes opgenomen: combineren boven enkelvoudig gebruik, afwenteling van negatieve ruimtelijke consequenties voorkomen en sturen op identiteit en kenmerken van een gebied.
Relatie tot ontwikkeling Het planvoornemen sluit goed aan bij de NOVI-prioriteit om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Er wordt sterk ingezet op vergroening, waterberging, klimaatadaptieve inrichting en natuurinclusief bouwen. Nieuwbouw wordt aardgasvrij gerealiseerd en er is aandacht voor duurzame energievoorziening. Ook op het gebied van duurzaam economisch groeipotentieel scoort het plan positief. Door functiemenging – het combineren van wonen en werken – ontstaat een levendig gebied waar bestaande bedrijven worden behouden en nieuwe bedrijvigheid wordt gestimuleerd. De toevoeging van betaalbare bedrijfsruimte en een gevarieerd woningaanbod (sociaal, betaalbaar en duur) versterkt de economische vitaliteit en maakt het gebied aantrekkelijk voor verschillende doelgroepen. De prioriteit ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ wordt ingevuld door te investeren in een hoogwaardige openbare ruimte, goede voorzieningen (zoals een wijkcentrum, sport en zorg), en een veilige, toegankelijke leefomgeving. Tot slot wordt ook de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied meegenomen, ondanks de stedelijke ligging. De relatie met het omliggende landschap en water is een belangrijk uitgangspunt. De haven wordt ontwikkeld als hoogwaardige, ecologische openbare ruimte, met aandacht voor waterveiligheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie.
Samenvattend laat het planvoornemen zien dat er sprake is van een integrale aanpak waarin duurzaamheid, economische ontwikkeling, leefbaarheid en toekomstbestendigheid hand in hand gaan. Het planvoornemen is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB’S) Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de AMvB's die invulling geeft aan de Omgevingswet. Het Bkl stelt onder andere omgevingswaarden en instructieregels. Artikel 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat de instructieregels uit afdeling 5.1 van toepassing zijn op het stellen van regels in het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor onder andere de volgende hoofdonderwerpen: ● Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1 Bkl); ● Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl) ● Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl) ● Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; ● Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 Bkl), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
67
● ●
●
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).
Voor de instructieregels voor bovenstaande thema’s is een toepassingsbereik bepaald. Het is mogelijk dat een thema niet van toepassing is op een specifieke activiteit.
Relatie tot ontwikkeling Bij een wijziging van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de instructieregels van het Bkl. Hieronder worden de voor de onderhavige ontwikkeling relevante instructieregels beschouwd. Paragraaf 5.1.2 Waarborgen van veiligheid Conform artikel 5.7 dient het omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht te nemen bij een (zeer) kwetsbaar gebouw of locatie. Het plangebied is niet gelegen in een plaatsgebonden risicocontour. Op grond van het Bal gelden brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden. Verder geldt op grond van artikel 5.14 dat een brand- en voorschriftengebied in het omgevingsplan wordt aangewezen voor een brand- en explosieaandachtsgebied. Het aanwijzen van dergelijke voorschriftengebieden is alleen verplicht als zeer kwetsbare gebouwen worden toegelaten. Een dergelijk voorschriftengebied is voor het Havenkwartier niet noodzakelijk. Wel is het op grond van artikel 5.15 Bkl noodzakelijk dat een omgevingsplan binnen een aandachtsgebied rekening houdt met de kan op overlijden van een groep personen of meer per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongeval, veroorzaakt door een activiteit. In paragraaf 4.9.2 van deze motivering staat beschreven hoe hiermee rekening wordt gehouden.
Paragraaf 5.1.3 Beschermen van de waterbelangen Artikel 5.37 van het Bkl vereist dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en betrekken van waterbeheer. In paragraaf 4.12 van deze motivering is de weging van het waterbelang opgenomen. Paragraaf 5.1.4 Beschermen van gezondheid en van het milieu Paragraaf 5.1.4 stelt regels over de bescherming van de gezondheid en van het milieu. De artikelen 5.50 tot en met 5.54 stellen regels over luchtkwaliteit. Deze zijn alleen van toepassing bij de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis, de aanleg van een autoweg of autosnelweg en binnen bepaalde aandachtsgebieden. Het plangebied valt niet binnen een dergelijk aandachtsgebied. Verder worden regels gesteld over geluid door activiteiten. Het omgevingsplan houdt rekening met geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Verder dient een omgevingsplan rekening te houden met het geluid door wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen en geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Voor het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied worden regels gesteld in het omgevingsplan. In paragraaf 4.5 van de motivering is het aspect geluid verder beschouwd. In artikel 5.98i e.v.
van het Bkl staan instructieregels die van toepassing zijn op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. In het omgevingsplan van de gemeente Rijswijk zijn reeds regels opgenomen over het bouwen en gebruiken van bodemgevoelige gebouwen. Ook zijn regels opgenomen met betrekking tot nazorg zoals bedoeld in artikel 5.98n van het Bkl. Paragraaf 5.1.5 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Artikel 5.29g van het Bkl stelt dat rekening moet worden gehouden met de behoefte van de stedelijke ontwikkeling met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1.3 is de ladder voor duurzame verstedelijking beschouwd. In een omgevingsplan dient verder rekening te worden gehouden met het belang voor het behoud van cultureel erfgoed. In het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waarden aanwezig. In
68
de omgeving is wel cultureel erfgoed aanwezig. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het cultureel erfgoed. Paragraaf 4.2 van deze motivering bevat een beschouwing van archeologie en cultuurhistorie. Paragraaf 5.1.6 Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.6 bevat een aantal reserveringsgebieden waarbinnen toekomstige ontwikkelingen van het Rijk zijn beoogd. Hiermee wordt voorkomen dat onwenselijke ontwikkelingen daar plaatsvinden. De A13 is in de buurt van het plangebied aangewezen als een reserveringsgebied voor autoweg of autosnelweg. Het plangebied is niet gelegen in het reserveringsgebied. Het plangebied is verder ook niet gelegen in een zoekgebied voor de aanleg van een buisleiding dan wel in een reserveringsgebied buisleiding van nationaal belang. Er gelden verder nog een aantal regels met betrekking tot landsverdediging en nationale veiligheid. Deze gelden voor bijvoorbeeld militaire terreinen. Deze regels zijn niet van toepassing op het plangebied. Ook valt het plangebied niet binnen locaties voor waarborging van grootschalige elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrale en hoogspanningsverbinding. Paragraaf 5.1.7a Gebruik van bouwwerken Artikel 5.161c van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan regels kan stellen over te realiseren woningbouwcategorieën.
Als er regels worden gesteld over te realiseren woningbouwcategorieën, dan dient in het omgevingsplan ook de instandhouding van deze woningbouwcategorieën te worden geborgd. De regels van de wijziging van het omgevingsplan stellen regels over woningbouwcategorieën en instandhoudingstermijn. Paragraaf 5.1.8 Bevorderen van toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Artikel 5.162 van het Bkl bepaalt dat bij nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de openbare ruimte rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. De openbare ruimte van het Havenkwartier wordt gekenmerkt door groenere en verkeersveilige straten en meer autovrije en autoluwe straten. Dit verhoogt de verkeersveiligheid van personen met functiebeperking in de openbare ruimte. Verder worden er meer verblijfsgebieden gerealiseerd. Daarnaast wordt een extra doorsteek voor langzaam verkeersroutes en en verschillende pleintjes aangelegd. Verder worden stoepen verbreed en wordt een duidelijk voetgangersdomein gerecreëerd. Dit draagt bij aan de mobiliteit en de veiligheid van personen met een functiebeperking. Het planvoornemen is in lijn met het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling een motivering op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven: ● Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. ● Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: ● De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en ● als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
● Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: ● Op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en ● Nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
69
●
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Relatie tot ontwikkeling Uit jurisprudentie volgt dat elke ontwikkeling van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Havenkwartier fase 2 betreft de realisatie van 663 nieuwe woningen, circa 4.100 m2 aan bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 en 250 m2 aan voorzieningen. De toevoeging van crica 4.100 m² bruto vloeroppervlak voor bedrijvigheid past binnen het huidige bestemmingsplan. Hierdoor is het niet noodzakelijk om de ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen voor dit onderdeel van het plan. Daarnaast bedraagt de toevoeging aan voorzieningen 250 m². Dit ligt onder de landelijke ondergrens van 500 m² die geldt voor het uitvoeren van een laddertoets bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Voor deze omvang aan voorzieningen is het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet vereist. Woningbehoefteraming (WBR 2021) De grote regionale woningbehoefte blijkt uit de provinciale woningbehoefteraming (WBR). De Woningbehoefteraming 2019 ging nog uit van 57.420 woningen in de periode 2020 tot 2030. Uit de Woningbehoefteraming 2021 blijkt dat in de regio Haaglanden (waar Rijswijk deel van uitmaakt) in de periode 2021 tot en met 2030 nog 80.900 woningen nodig zijn. De regionale woningbehoefte komt circa 23.500 woningen (41%) hoger uit dan de prognose uit 2019.
Woningmarktafspraken regio Haaglanden De gemeenten in Haaglanden hebben met de in Haaglanden opererende woningcorporaties en de Provincie Zuid-Holland afgesproken Nieuwe (regionale) woningmarktafspraken op te stellen. Deze afspraken gaan over de woningbouwopgave van de afzonderlijke gemeenten in deze regio voor de periode 2019 t/m 2029 en specifiek over voldoende betaalbare woningvoorraad. De inzet van Rijswijk is om in de periode 2019 t/m 2029 ruim 5.700 woningen toe te voegen. Het regionale Tussenakkoord waarin de aantallen woningen voor alle gemeenten is vastgelegd is ondertekend in december 2021. Rijswijk is een compacte gemeente met maar weinig open ruimte. Qua woningvoorraad heeft de gemeente een echt stedelijk karakter: veel gestapelde bouw, een meer dan gemiddelde huurvoorraad en een grote doelgroepenvoorraad. Rijswijk richt zich de komende jaren meer op de middendure koop- en huursegmenten en op het duurdere marktsegment.
De consequentie van dit beleid is dat de doelgroepenvoorraad procentueel zal afnemen zoals in lijn met de regionale doelstelling en in lijn met het 'meer evenwichtscenario' Regionale Realisatieagenda Wonen Haaglanden (Regionale woondeal) De Regionale Realisatieagenda Wonen Haaglanden (regionale woondeal) is op 7 maart 2023 ondertekend door provincie, colleges van gemeenten in de regio Haaglanden, de minister van VRO en bestuurders van woningcorporaties. De ontwikkeling van woningen op Havenkwartier fase 2 is in deze realisatieagenda opgenomen op de lijst van projecten waar tot en met 2030 meer dan 200 woningen worden gerealiseerd. De 663 woningen worden gerealiseerd met een verdeling van 2/3e betaalbaar, waarvan 1/3 sociale huurwoningen. Vanwege de verschillende woningtypen en -groottes zullen verschillende doelgroepen hiervan gebruik kunnen maken. De ontwikkeling draagt hiermee met name bij aan de behoefte aan (midden)dure en koopwoningen in de regio Haaglanden en provincie Zuid-Holland. Beschrijving behoefte overige stedelijke functies In het Havenkwartier is behoefte aan een gemengd werk-woongebied, waar meer dan alleen woonfuncties plaats hebben. Dit is noodzakelijk voor de leefbaarheid. Het Ontwikkelkader Havenkwartier (2021) heeft reeds de behoefte beschreven aan een multifunctioneel gebied waarin ruimte is voor wonen, werken en ontspannen.
Er is sprake van grote leegstand van bedrijfspanden in de Plaspoelpolder en in het Havenkwartier, waardoor het noodzakelijk is te kijken naar andere functies/mogelijke invullingen. Gelet op de grote woningbehoefte is transformatie en het toevoegen van woningen gewenst. De gemeente Rijswijk heeft de ambitie om, als onderdeel van de versterking van de Plaspoelpolder, het Havenkwartier te transformeren van een monofunctionele bedrijvenlocatie met veel
70
leegstand tot een aantrekkelijke plek waar het goed werken, wonen en verblijven is. Dat wil de gemeente doen door woningen te bouwen, de openbare inrichting sterk te verbeteren en het gebied aantrekkelijker en veiliger te maken voor ondernemers. Dit is mogelijk door woningen toe te voegen en diverse nietwoonfuncties toe te staan. Voorliggende ontwikkeling voegt 663 woningen toe en biedt tegelijkertijd een grote impuls in de openbare ruimte. Er wordt een groter gebied openbaar toegankelijk en dit wordt groen en aantrekkelijk ingericht. Daarnaast is er ruimte voor ongeveer 250 m2 aan voorzieningen en wordt er in totaal circa 4.100 m2 bedrijvigheid toegevoegd in milieucategorie 1 en 2.
3.2 Provinciaal beleid (en eventuele instructieregel) 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland visie is op 20 februari 2019 door de Provinciale Staten vastgesteld en op 1 april 2019 in werking getreden De Omgevingsvisie Zuid-Holland vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale omgevingsbeleid en biedt een strategische blik op de gehele fysieke leefomgeving. De provincie kiest hierbij voor een opgavegerichte aanpak, waarbij steeds samenhangende beleidsonderdelen worden vernieuwd waar nodig. De provincie heeft 7 vernieuwingsambities geformuleerd die dienen als stip op de horizon: ● Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; ● Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; ● Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; ● Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; ● Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; ● Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; ● Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling van Havenkwartier fase 2 sluit aan bij de zeven vernieuwingsambities uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland, zoals vastgesteld door de Provinciale Staten op 20 februari 2019. Het plan draagt bij aan een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving door in te zetten op klimaatadaptieve maatregelen, vergroening en natuurinclusief bouwen. De gebiedsontwikkeling stimuleert duurzame mobiliteit via een autoluwe inrichting en goede fiets- en wandelverbindingen, en voorziet in aardgasvrije nieuwbouw en bodemenergie, waarmee wordt bijgedragen aan de transitie naar schone energie. Door functiemenging en het behoud van bestaande bedrijven wordt de economische vitaliteit versterkt, terwijl het woningbouwprogramma met aandacht voor sociale kwaliteit en openbare ruimte aansluit op de ambitie voor sterke steden en dorpen. Tot slot wordt participatie actief toegepast, waarmee het plan ook voldoet aan de ambitie om samen te werken aan Zuid-Holland.
3.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is 15 december 2021 vastgesteld door de Provinciale staten en per 1 januari 2024 is in werking getreden. In de verordening zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling passend is of gebiedsvreemd. • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen betrokkenheid van de provincie. • Afwijkingen van de aard en schaal raken mogelijk wel provinciale doelen of belangen. • Afhankelijk van de ruimtelijke impact onderscheiden we inpassingen, aanpassingen en transformaties. In de ZHOV wordt gewerkt met kwaliteitskaarten. De integrale kwaliteitskaart geldt voor de gehele provincie. Daarnaast worden beschermings-categorieën onderscheiden, waar onder voorwaarde van ruimtelijke kwaliteit ontwikkelingen mogelijk zijn. Door kwetsbaarheid of authenticiteit van het gebied zijn er wel extra voorwaarden van toepassing.
71
Relatie tot ontwikkeling De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland bestaat uit direct werkende regels en instructieregels. Direct werkende regels gelden, zoals de naam reeds doet vermoeden, direct bij het verrichten van een activiteit. Deze regels behoeven niet meer te worden opgenomen in het omgevingsplan. Instructieregels stellen regels voor een bevoegd gezag en gelden bijvoorbeeld wanneer een bevoegd gezag regels stelt in het omgevingsplan. Dit kan betekenen dat een bevoegd gezag extra regels op dient te nemen in het omgevingsplan of bepaalde aspecten uitgebreider dient te motiveren. Voor de onderhavige ontwikkeling wordt hieronder ingegaan op de relevante instructieregels. Grondwaterkwaliteit Paragraaf 7.3.5 gaat over grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw. Een grondwatergevoelig gebouw betreft een bodemgevoelig gebouw (5.98g Bkl) of elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt. Een bodemgevoelig gebouw is conform artikel 5.98g Bkl een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn, een woonschip of een woonwagen.
De ontwikkeling maakt, gelet op bovenstaande definitie, bodemgevoelige gebouwen mogelijk. Een grondwatergevoelige locatie is onder andere een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw mogelijk is conform het omgevingsplan. De ontwikkeling maakt het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op een grondwatergevoelige locatie mogelijk. Dit is in het conserverende deel overigens ook reeds het geval. Op grond van artikel 7.29 van de omgevingsverordening dient in een omgevingsplan te worden bepaald dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegestaan als is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater. Het onderzoek bestaat uit een bodemonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal, of het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 jo 37 lid 1 Wet bodembescherming waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico’s voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Dit kan achterwege worden gelaten als de locatie in het omgevingsplan is aangewezen als een locatie waar een verdenking van verontreiniging van het grondwater, als bedoeld in artikel 7.30 van de omgevingsverordening, redelijkerwijs is uit te sluiten.
Indien uit het onderzoek, die verplicht dient te worden uitgevoerd wanneer een omgevingsvergunning voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt aangevraagd, blijkt dat er sprake is van een verontreiniging, dient het omgevingsplan, conform artikel 7.31 van de omgevingsverordening, te bepalen dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, als bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de omgevingsverordening, benodigd is. Deze risicobeoordeling kan achterwege blijven als de bron van verontreiniging van het grondwater zich niet (langer) in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt. Indien uit onderzoek blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag, dan is deze uitzondering niet van toepassing (artikel 7.31 lid 2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening). Een risicoanalyse behoeft ook niet te worden uitgevoerd als de verontreiniging het gevolg is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie of een restverontreiniging na het uitvoeren van grondwatersanering die is opgenomen in een evaluatieverslag conform artikel 3.141e van de omgevingsverordening of artikel 39c van de Wet bodemsanering (artikel 7.31 lid 3 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening). Het omgevingsplan dient verder sanerende maatregelen verplicht te stellen bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie.
Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie dient in het omgevingsplan meldingsplichtig te worden gesteld indien het bouwen van een dergelijk gebouw op een dergelijke locatie niet reeds vergunningplichtig is gesteld. Verder dient het omgevingsplan, in het geval van significante grondwaterverontreiniging, regels te stellen over het moment waarop een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie in gebruik kan worden genomen. In paragraaf 5.2.39 van het omgevingsplan van de gemeente Rijswijk is reeds een regeling opgenomen voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw. Dit artikel stelt een vergunningplicht in voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw. Daarbij geldt dat ook de regels met betrekking tot het saneren van de bodem, zoals bedoeld in paragraaf 7.3.5.2 van de omgevingsverordening, ter uitvoering van een bronaanpak reeds in het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze regeling is van toepassing binnen de gehele gemeente Rijswijk waardoor met wijziging van het omgevingsplan niet regels gesteld hoeven te worden ten aanzien van het bouwen van grondwatergevoelige gebouwen op grondwatergevoelige locaties.
72
Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Artikel 7.41a van de omgevingsverordening bepaalt dat in een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en risico’s van bodemdaling. Indien het omgevingsplan een of meer gebouwen met een totale vloeroppervlakte van 1.000 m2 of meer mogelijk maakt, worden, conform artikel 7.41aa van de omgevingsverordening, daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrokken. Hierbij worden tevens de risico’s van klimaatverandering, energiehuishouding van gebouwen, toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten, de mogelijkheden tot beperking van de emissies van NOx en CO2 in de bouw- gebruiksfase, het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen, het versterken van de biodiversiteit en het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving betrokken. In artikel 23.20 van het omgevingsplan zijn regels opgenomen over klimaatadatief en natuurinclusief bouwen. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 stelt de provincie instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. Deze regels zijn, conform het toepassingsbereik van artikel 7.41b, van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Artikel 7.43a bepaalt vervolgens dat een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit wordt rekening gehouden met de beschermingscategorie en het gebiedstype, het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling en de relevante richtpunten zoals genoemd in bijlage IX onder A. Op de gronden van de onderhavige ontwikkeling geldt geen beschermingscategorie zoals opgenomen in artikel 7.42 van de omgevingsverordening. Aan deze beschermingscategorieën zijn in artikel 7.42 lid 4 tot en met 6 gebiedstypen gekoppeld.
73
Figuur 19 uitsnede van kaart 16 Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën van de Omgevingsverordening
Verder dient rekening te worden gehouden met de soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling. De omgevingsverordening onderscheidt drie soorten van ruimtelijke ontwikkeling, namelijk inpassing, aanpassing en transformatie. Onderhavige ontwikkeling betreft inpassen. Het gebied is op dit moment uitsluitend bedoeld voor bedrijvigheid. De functie binnen het gebied wijzigt naar een werkwoongebied. Er is echter geen sprake van een nieuw stedelijk gebied. Stedelijke ontwikkelingen Paragraaf 7.3.8 van de omgevingsverordening stelt regels ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen. Een stedelijke ontwikkeling is een ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g van het Bkl. Het gaat om de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailvoorziening of andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In het onderhavige geval is er sprake van een dergelijke ontwikkeling. Regionale behoefte Artikel 7.44 van de omgevingsverordening stelt dat een omgevingsplan, waarin een nieuwe ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk wordt gemaakt, rekening houdt met de afgestemde regionale behoefte. In paragraaf 3.3 wordt de onderhavige ontwikkeling getoetst aan de regionale afspraken die de regionale behoefte representeren.
Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 7.45 lid 1 van de omgevingsverordening is daarnaast opgenomen dat in de motivering van een omgevingsplan in dient te worden gegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Bkl wanneer het omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In paragraaf 3.1.2 is reeds getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
74
Woningdichtheid Artikel 7.45b va de omgevingsverordening stelt dat als een omgevingsplan een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt, dan wordt rekening gehouden met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en wordt bijgedragen aan een goede woon- en leefomgeving. Bereikbaarheid Verder stelt artikel 7.45c van de omgevingsverordening dat rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Dit betekent dat onderzoek nodig is naar de gevolgen van de ontwikkeling voor het omliggende verkeers- en vervoersnetwerk. De beschouwing van de bereikbaarheid van het gebied is opgenomen in paragraaf 4.7. Biologische diversiteit Daarnaast dient een omgevingsplan de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit te betrekken (artikel 7.45ca van de omgevingsverordening). De provincie verwacht dat gemeenten aan bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen actief de natuur betrekken. De provincie heeft de ‘Handreiking Versterken biodiversiteit bij stedelijke ontwikkelingen Provincie Zuid-Holland’ opgesteld voor de praktische toepassing van de invulling van dit artikel. Parkeernorm sociale huur De omgevingsverordening bepaalt in artikel 7.45f dat een omgevingsplan, die voorziet in nieuwe sociale huurwoningen, moet voorzien in maximaal 0,7 autoparkeerplaatsen per sociale huurwoning.
Van deze norm mag worden afgeweken als er lokaal regels of beleid voor parkeren is vastgesteld die is gebaseerd op het autobezit per woningtype of woonoppervlak. Indien er sprake is van de bouw van sociale huurwoningen, dan dient te worden voldaan aan deze parkeernorm. Voor huurwoningen met een oppervlakte van minder dan 50 m2 gebruiksoppervlakte is rekening gehouden met een norm van 0,6 parkeerplaatsen per woning. Functiemenging en meervoudig ruimtegebruik De omgevingsverordening bepaalt in artikel 7.45h dat een omgevingsplan, dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen of bedrijven, rekening houdt met de moeilijkheden voor functiemening en meervoudig ruimtegebruik. De onderhavige ontwikkeling betreft een werk- woongebied. Dit betekent dat functies binnen het Havenkwartier zullen worden gemengd. Verder zal bebouwing op de begane grond kunnen bestaan uit bedrijven, terwijl wonen op de verdiepingen van bebouwing wordt gerealiseerd. Hierdoor is er binnen het Havenkwartier tevens sprake van meervoudig ruimtegebruik. Wonen Paragraaf 7.3.8a worden regels gesteld die van toepassing zijn op ontwikkelingen die wonen mogelijk maken. Een omgevingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen of meer dient te voorzien in voldoende sociale huurwoningen. Deze sociale huurwoningen dienen 25 jaar in stand te worden gehouden.
Er is volgens artikel 7.47a van de omgevingsverordening sprake van voldoende sociale huurwoningen wanneer minimaal 1/3 sociale huurwoningen zijn dan wel minimaal hetgeen hiervoor is vastgesteld in het afgestemde regionale woningbouwprogramma wordt gerealiseerd. In totaal worden er 663 woningen gerealiseerd. In totaal worden 221 sociale huurwoningen gerealiseerd, namelijk 53 in kwadrant NoordOost, 80 in kwadrant Zuid-Oost, 60 in kwadrant Zuid-West en 28 in kwadrant Noord-West. Van de woningen die binnen het Havenkwartier Fase 2 mogelijk worden gemaakt zal, gelet op bovenstaande aantallen, 1/3 sociale huurwoningen betreffen. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste uit de omgevingsverordening. De komst van sociale huurwoningen is in de regels geborgd. Bedrijven Paragraaf 7.3.11 bevat instructieregels die van toepassing zijn op bedrijventerreinen, watergebonden bedrijventerreinen en nieuwe te ontwikkelen bedrijventerreinen. Het plangebied is in de omgevingsverordening aangeduid als bedrijventerrein en als watergebonden bedrijventerrein.
75
Figuur 20 uitsnede kaart 19 Bedrijventerreinen van de omgevingsverordening
76
Figuur 21 uitsnede kaart 19 Watergebonden bedrijventerrein van de omgevingsverordening
Op grond van artikel 7.52 lid 1 dient op een bedrijventerrein bedrijven te worden toegelaten met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Lid 4 stelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein, hetgeen hier aan de orde is, in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe dient te staan. Voorheen bevond zich hier een betonmortelcentrale. Deze is reeds gesloopt en planologisch gesaneerd. Feitelijk is er geen watergebonden bedrijvigheid meer. De provincie ZuidHolland heeft aangegeven dat de provinciale verordening hiermee bij de eerst volgende wijziging in overeenstemming wordt gebracht. Op grond van lid 5, 6 en 7 is het mogelijk om functiemenging of functiewijziging toe te staan in een omgevingsplan. Lid 5 staat functiemenging toe met bedrijfswoningen, tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en andere functies ondersteunend aan het profiel van het bedrijventerrein. De ontwikkeling gaat verder dan voornoemde functies. Lid 6 maakt functiewijziging mogelijk. Het moet dan gaan om een bedrijventerrein met lage milieucategorieën (zoals opgenomen in de publicatie bedrijven- en milieuzonering VNG), de beschikbare ruimte voor bedrijven moet per saldo gelijk blijven door meervoudig ruimtegebruik en de activiteiten dienen bij te dragen aan de opgaven van energietransitie, circulaire economie of klimaatadaptatie.
Op grond van het geldende omgevingsplan, welke mede bestaat uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Dit leidt ertoe dat deze regeling niet van toepassing is op het ontwikkelgebied. In lid 7 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Deze afwijkingsmogelijkheid maakt het mogelijk om op een bedrijventerrein een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang, er geen reële andere mogelijkheden zijn en compensatie van de toegedeelde functies van het bedrijventerrein is verzekerd. Het zwaarwegende belang is tweeledig. Aan de ene kant is er sprake van een tekort aan woningen in Nederland. Dit geldt ook voor de gemeente Rijswijk. Het bouwen van woningen is dan ook van groot belang. Anderzijds kampt het bedrijventerrein met veel leegstand. Dit betekent dat waardevolle gronden binnen het gebied ongebruikt blijven. Het belang van woningen en het tegengaan van leegstand leidt
77
ertoe dat er sprake is van een zwaarwegend belang om het gebied te ontwikkelen. Daarbij verdwijnen de bedrijven niet, maar wordt een werk-woongebied gerealiseerd. Het principe van meervoudig ruimtegebruik wordt hier dan ook toegepast. Juist door de leegstand is het gebied uitermate geschikt om te ontwikkelen. De bestaande bedrijven kunnen binnen het gebied blijven bestaan. Daarbij geldt wel dat voldaan moet worden aan de geluidruimte die is vastgelegd in het geluidregister. In het bestuurlijk Woon-werkakkoord tussen de provincie Zuid-Holland, de gemeenten Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Delft en Rijswijk is afgesproken dat in de transformatiegebieden Havenkwartier en Kessler Park en omgeving wonen mag worden toegevoegd en 'feitelijk compenseren per peildatum 1-12021' mag worden toegepast. Daartoe is voor het Havenkwartier een compensatieplan opgesteld en overeengekomen met de provincie Zuid-Holland (bijlage 2 bij deze motivering). In dit compensatieplan is ervan uitgegaan dat alle bedrijvigheid met milieucategorie 3.1 en 3.1 in het gebied behouden blijft. Daaruit blijkt dat in het Havenkwartier 1.340 m2 milieucategorie 3.1 moet worden behouden en 3.415 m2 van milieucategorie 3.2 en de bijbehorende buitenruimte bij de bedrijven. De m2 bvo aan bedrijvigheid zijn opgenomen als minimale m2 bvo die behouden moeten blijven in het geval sprake is van transformatie.
Hiermee wordt, in combinatie met naastgelegen transformatie van Sijthoff, voldaan aan de eisen van het compensatieplan.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Strategie werklocaties 2019-2030 Het regionale beleid ten aanzien van werklocaties is beschreven in de Strategie Werklocaties 2019-2030 (MRDH). De strategie stuurt op kwaliteit van de werklocaties, marktevenwicht in vraag en aanbod naar werklocaties en verduurzaming. In de regionale Strategie Werklocaties is de grote opgave voor voldoende werkgelegenheid een belangrijk speerpunt. Tot 2030 groeit het inwoneraantal van de metropoolregio Rotterdam Den Haag met bijna een half miljoen mensen. Wonen en werk zijn daarmee grote uitdagingen in een gebied met beperkte ruimte. De bouw van woningen kan niet ten koste gaan van bedrijfsruimte en daarvoor zijn er lokaal- en regionale afspraken nodig om voldoende bedrijfsruimten te behouden. Zowel extra banen als extra woningen zijn bepalend voor de verdere ontwikkeling van de MRDH. De bedrijventerreinen zijn daarbij bedoeld voor bedrijven die zich niet met de woonfunctie verhouden. Werkgelegenheid is belangrijk voor de leefbaarheid in een stad. Daarom worden in dit gebied bedrijven die zich goed verhouden met de woonfunctie mogelijk gemaakt. Met het beleid voor bedrijventerreinen stuurt de regio op evenwicht tussen vraag en aanbod, en borgt duurzame vitaliteit. Het marktevenwicht is redelijk in balans, maar in sommige gebieden gaat de uitgifte bovengemiddeld snel.
Een aantal trends zijn innovaties en verduurzaming en functiemenging. Dit leidt tot het ontstaan van stedelijke interactiemilieus: bedrijven en stedelijke voorzieningen komen hierin gemengd voor. Met name in de Haagse regio geldt een problematisch tekort aan kleinschalige vestigingsmilieus.
Relatie tot ontwikkeling Transformatie van het Havenkwartier naar een multifunctionele werkwoonlocatie is regionaal afgestemd op grond van de Strategie Werklocaties MRDH en de Omgevingsverordening van de Provincie ZuidHolland. De beoogde ontwikkeling van woningen, met ook bedrijfsruimten en voorzieningen, geeft invulling aan de regionale ambities van verduurzaming en functiemenging (in het gebied Plaspoelpolder) en past uitstekend in de geformuleerde strategie van herstructurering van bestaande bedrijfslocaties. Plaspoelpolder (inclusief Havenkwartier) is specifiek aangemerkt als transformatielocatie, van bedrijventerrein naar een mix van werken en wonen.
3.3.2 Groeiagenda Zuid-Holland De Groeiagenda Zuid-Holland, opgesteld door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) in 2021 is een actie- en investeringsagenda van 80 overheden, bedrijven en kennisinstellingen in Zuid-Holland. Deze agenda omvat het volgende: ● Het doel is 40% van de nationale CO2-reductie te realiseren door de industrie en chemie te verduurzamen. ● Het doel is om 200.000 woningen te bouwen en zo in twintig jaar 25% van de nationale woningbouwopgave te realiseren. ● Het doel is over tien jaar 12% extra economische groei in onze regio te realiseren en 120.000 nieuwe banen.
78
●
Het doel is het vernieuwen van bedrijvigheid door middel van innovatie, digitalisering, verduurzaming en nieuwe technologieën. Werkenden helpen we door middel van omscholing aan nieuwe banen.
Relatie tot ontwikkeling Het plan draagt hieraan bij door ruimte te bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven, het toevoegen van betaalbare bedrijfsruimte en het stimuleren van functiemenging tussen wonen, werken en voorzieningen. Daarnaast wordt ingezet op circulaire en klimaatadaptieve maatregelen, zoals vergroening, waterberging en aardgasvrije nieuwbouw, waarmee het project bijdraagt aan de transitie naar een toekomstbestendige economie en leefomgeving.
3.3.3 Strategische Agenda MRDH 2023-2026 In de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) werken 21 gemeenten aan het vernieuwen van de economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. De MRDH streeft naar meer welvaart en welzijn door samenwerking, verbeterde fysieke verbindingen en versterking van het economisch vestigingsklimaat. De Strategische Agenda 2023-2026 benadrukt het belang van brede welvaart. De MRDH richt zich nu op vier regionale opgaven: ● Groei van de regio ● Vernieuwing van de economie ● Kwaliteit van de leefomgeving ● Herstel na de coronacrisis Deze zijn vertaald naar zes concrete opdrachten. ● Investeren in bereikbaarheid ● Toekomstbestendige economie stimuleren ● Actieve en collectieve vormen van mobiliteit stimuleren ● Vernieuwen van de werklocaties ● Versterken van het regionale mobiliteitsnetwerk ● Herstellen van het Ov-systeem
Relatie tot ontwikkeling Het plan draagt bij aan meerdere regionale opgaven, waaronder de groei van de regio en de kwaliteit van de leefomgeving, door functiemenging, woningbouw, vergroening en verduurzaming. Daarnaast wordt geïnvesteerd in een autoluwe inrichting en goede fiets- en OV-verbindingen, waarmee het project bijdraagt aan een toekomstbestendig mobiliteitsnetwerk. Ook sluit het aan bij de opdracht om werklocaties te vernieuwen en de economie te versterken via innovatie en duurzame bedrijvigheid.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Rijswijk De Omgevingsvisie Rijswijk: Gezonde buitenplaats in de metropool dient als integrale visie op de toekomst van de fysieke leefomgeving van Rijswijk. De visie vormt daarmee de leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit wordt vertaald in drie kernambities voor 2050: ● In 2050 is Rijswijk een groene, gezonde buitenplaats waar iedereen prettig en betaalbaar kan wonen, werken en recreëren. ● In 2050 is Rijswijk een klimaatbestendige stad. Stadsparken, de landgoederenzone en groene netwerken vormen een stadsbiotoop. Door natuurinclusief te bouwen, zorgvuldige inpassing van ontwikkelingen en investeringen in duurzame energie en warmte, is de stad straks voorbereid op de toekomst. ● In 2050 is Rijswijk een creatieve werkplaats voor de regio, waar innovaties worden toegepast en mensen passend werk vinden. De Plaspoelpolder speelt hierin een sleutelrol als broedplaats, met ruimte voor bedrijvigheid, wonen en verblijf op de vernieuwde campus. De doelen die verbonden zijn aan de drie kernambities, zijn onderverdeeld in negen thema’s.
79
Figuur 22 kernambities en thema’s omgevingsvisie
Locatie plangebied werk-woongebieden Voorliggend plangebied is in de omgevingsvisie daarnaast specifiek aangeduid als ‘werkwoongebied’: Aan de randen (behalve aan de kant van de snelweg) van de Plaspoelpolder vindt een geleidelijke transitie naar werk-woongebied plaats door het toevoegen van woningen. Er blijven dus ook bedrijven zitten. Het gaat om het Havenkwartier, Kessler Park, de Broodfabriek, Noordzijde en de Hof van Elsenburglocatie. De uitdaging in de werk-woon gebieden is het wonen en werken op elkaar af te stemmen op een zodanige manier dat sprake is van een prettig en gezond leefklimaat enerzijds en van voldoende speelruimte voor bedrijven anderzijds. Voor het Havenkwartier vormt het Ontwikkelkader Havenkwartier (2021) het (gedetailleerde) kader voor de herontwikkeling naar een gemengd werk-woongebied. Dit is vervolgens aangevuld met het addendum Havenkwartier (2025).. Naast de hoeveelheid bedrijven en voorzieningen wordt ook ingegaan op randvoorwaarden en beeldkwaliteit van de toekomstige bebouwing, leefbaarheid in het gebied en een groenvisie. Tot slot is voor de werk-woongebieden een afwegingskader opgenomen in de omgevingsvisie: ● Passend woon- en zorgaanbod: Aanvullend op het werken kan hier ook gewoond worden. Daarom verdient een passend woon- en zorgaanbod in dit gebiedstype extra aandacht.
● Gezonde leefomgeving: Door de combinatie van wonen en werken kennen deze gebieden meer reuring en daardoor mogelijk meer geluid, ook op momenten dat het in een rustige woonwijk stil is. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, rekening houdend met de belangen van de gevestigde bedrijven en de wettelijke kaders die de Omgevingswet biedt. Daarbij worden kansen benut om het leefmilieu te verbeteren. ● Leefbare en veilige wijken: Leefbaarheid en veiligheid zijn zowel in een werkomgeving als in een woonomgeving van belang. ● Zichtbare historie en ruimtelijke kwaliteit: Dit zijn werkgebieden die transformeren naar werkwoongebieden. Daarom is zeker aandacht voor de historie en de ruimtelijke kwaliteit, maar minder dan gemiddeld in Rijswijk. ● Groene stadsbiotoop: Een groene inrichting is belangrijk voor de uitstraling en voor het welzijn van de bewoners en werknemers. De groene inrichting draagt bij aan de biodiversiteit. ● Klimaatbestendige leefomgeving: Hittestress is een probleem op veel van de bedrijventerreinen, net als het bergen van water. Daarom krijgt dit prioriteit. ● Duurzame energievoorziening: Hier is de energietransitie kansrijk, omdat bijvoorbeeld veel bedrijven ruimte hebben om zonnepanelen op het dak te leggen en anderszins het vermogen hebben innovatief bij te dragen aan het opwekken van energie, het besparen van energie en de warmtetransitie.
Dit geldt ook voor nieuwe woongebouwen.
80
●
●
Innovatieve economie: Juist op de bedrijventerreinen moet de innovatieve en circulaire economie tot bloei komen. Op termijn moeten we hier ook de ruimte voor benutten. Hier kunnen alleen met het oog op de menging met wonen geen bedrijven in zware milieucategorieën gehuisvest worden. Goede bereikbaarheid: De woon-werkgebieden moeten goed bereikbaar zijn met in beginsel alle vervoersmodaliteiten. We streven een verschuiving na richting duurzame mobiliteit (STOMP-principe).
Relatie tot ontwikkeling Voorliggend planvoornemen past binnen het ontwikkelkader Havenkwartier, zoals toegelicht in paragraaf 3.4.2. Daarnaast draagt voorliggende ontwikkeling bij aan verschillende onderdelen uit het afwegingskader zoals opgenomen in de omgevingsvisie: ● Passend woon- en zorgaanbod: Het plan voorziet in een gemengd werk-woonmilieu met een gedifferentieerd woningaanbod, inclusief sociale huur, en ruimte voor maatschappelijke voorzieningen zoals zorg en ontmoeting. ● Gezonde leefomgeving: Er wordt nadrukkelijk rekening gehouden met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat door milieuzonering, geluidsonderzoek en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De inrichting is klimaatadaptief en natuurinclusief. ● Leefbare en veilige wijken: Het plan zet in op vergroening, autoluwe inrichting, sociale veiligheid en een hoogwaardige openbare ruimte, wat bijdraagt aan zowel leefbaarheid als veiligheid voor bewoners en ondernemers. ● Zichtbare historie en ruimtelijke kwaliteit: Hoewel cultuurhistorie in dit gebied minder prominent is, wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt door stedenbouwkundige inpassing, hergebruik van structuren en aandacht voor de historische waterstructuur. ● Groene stadsbiotoop: Het plangebied wordt ten opzichte van de huidige situatie sterk vergroend.
● Klimaatbestendige leefomgeving: De groene inrichting draagt bij aan het verminderen van hittestress. Er wordt voldoende waterberging gerealiseerd op het gehele terrein van Havenkwartier fase 2. De provinciale eisen (convenant) op het gebied van vasthouden, vertraagd afvoeren en infiltratie worden opgevolgd. ● Duurzame energievoorziening: er wordt geen gebruik gemaakt van aardgas en er is ruimte voor bodemenergie en zonnepanelen. ● Innovatieve economie: Het plan biedt ruimte aan bestaande en nieuwe bedrijven, stimuleert functiemenging en meervoudig ruimtegebruik, en sluit zware milieucategorieën uit om een gezonde werkwoonbalans te behouden. ● Goede bereikbaarheid: Er wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het Ontwikkelkader Havenkwartier voor wat betreft het onderdeel mobiliteit. Dit uitgangspunt is STOMP.
3.4.2 Ontwikkelkader + addendum In maart 2021 heeft gemeente Rijswijk het Ontwikkelkader Havenkwartier vastgesteld. Dit is het uitgangspunt voor de gebiedsontwikkeling. De gemeente Rijswijk benoemt daarin de ambitie om het Havenkwartier te transformeren van een verpauperde bedrijvenlocatie tot een aantrekkelijke plek waar het goed werken, wonen en verblijven is, als onderdeel van de versterking van de Plaspoelpolder. Dat wil ze doen door woningen te (laten) bouwen, de openbare inrichting sterk te verbeteren en het gebied aantrekkelijker en veiliger te maken voor ondernemers. Naast extra groen tussen de gebouwen moet het water toegankelijk worden gemaakt om van te kunnen genieten. En ze wil een grote sprong voorwaarts maken in de thema’s duurzaamheid, betreffende duurzame energievoorziening, klimaatadaptiviteit, mens- en natuurinclusiviteit, circulariteit en leefbaarheid. Zo ontstaat een uniek stuk Rijswijk. Voor fase 2 is dit nog steeds van toepassing, maar aangevuld met het addendum. Dit addendum is vastgesteld door de raad in november 2025. De inhoud van het addendum is toegelicht in paragraaf 2.2. Het Ontwikkelkader Havenkwartier en het addendum zijn opgenomen in de bijlagen.
81
Figuur 23 Gebiedspaspoorten Havenkwartier fase 2
3.4.3 Toekomstvisie Plaspoelpolder 2017-2027 + addendum De Toekomstvisie Plaspoelpolder is op 7 februari 2017 vastgesteld door de gemeenteraad en duidt het Havenkwartier aan als een potentieel ”aangenaam verblijfsgebied met functies als wonen, werken, horeca en maatschappelijke functies". De Toekomstvisie geeft richting om het gebied verder te verduurzamen en toekomstbestendig te maken. Plaspoelpolder moet zich in de toekomst ontwikkelen tot een stedelijk interactiemilieu. In een stedelijk interactiemilieu gaan werken, wonen en verblijven hand-in-hand. De ruimtelijke structuur die opgebouwd is volgens een kruis is hierbij leidend. Werken vindt hierin plaats in het hart van het gebied, terwijl in de gebieden die grenzen aan woningen een gemengd woon-werkmilieu ontwikkeld wordt. Het doel is om het gebied meer integraal onderdeel uit te laten maken van de stad.
Figuur 24 Visiekaart Toekomstvisie Plaspoelpolder
Relatie tot ontwikkeling Voorliggende ontwikkeling geeft direct invulling aan de ambitie om het Havenkwartier te transformeren tot een aangenaam verblijfsgebied met functies als wonen, werken, horeca en voorzieningen. De visie benoemt het Havengebied expliciet als transformatiegebied met het profiel “verblijven aan het water”,
82
waarbij levendigheid, sociale veiligheid en ruimtelijke kwaliteit centraal staan. Het plan sluit aan bij het streven naar een stedelijk interactiemilieu, waarin wonen, werken en verblijven hand-in-hand gaan. Door functiemenging, het verbeteren van de openbare ruimte en het versterken van de verbinding met de stad, draagt het plan bij aan een toekomstbestendige, duurzame en aantrekkelijke Plaspoelpolder.
3.4.4 Welstandsnota 2015 gemeente Rijswijk Onder de Omgevingswet zijn regels voor de welstandstoets opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat in het Omgevingsplan. Deze regels schrijven voor dat een te verwachten ontwikkeling (bouwen van bouwwerken) niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, die zijn vastgelegd in een gemeentelijke welstandsnota. De gemeenteraad van Rijswijk heeft op 16 juni 2025 de welstandsnota 2015 vastgesteld waaraan wordt getoetst. Tot slot heeft de gemeente Rijswijk de samenstelling, inrichting en werkwijze van de commissie ruimtelijke kwaliteit in de verordening op de commissie ruimtelijke kwaliteit opgenomen. In de welstandsnota zijn op zo concreet en objectief mogelijke wijze welstandscriteria met betrekking tot het bouwen vastgelegd. Naast welstandscriteria voor monumenten, zijn er algemene welstandscriteria en objectgerichte welstandscriteria opgenomen. Tot slot zijn de (bestaande) volkstuincomplexen als welstandsvrije gebieden aangewezen.
Relatie tot ontwikkeling Het havenkwartier valt onder het reguliere welstandsniveau. Onder regulier welstandsniveau vallen gebieden waar bouwplannen minder ingrijpende gevolgen hebben. In het reguliere welstandsniveau gelden de algemene toetsingscriteria en zijn er specifieke objectcriteria (zie hieronder). De objectcriteria gaan over veel voorkomende (kleine bouwwerken) zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en dakkapellen. Alle ontwikkelingen worden wel aan de algemene toetsingscriteria getoetst. Voor het Havenkwartier is een beeldkwaliteitsplan, een ruimtelijk kader, opgesteld om de gewenste beeldkwaliteit te definiëren. Dit beeldkwaliteitsplan is vervolgens vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota van gemeente Rijswijk. Het beeldkwaliteitsplan is daarmee het toetsingskader voor voorliggende ontwikkeling, en wordt in paragraaf 3.4.5 nader toegelicht.
3.4.5 Beeldkwaliteitsplan van het Havenkwartier (2022) Het beeldkwaliteitplan bouwt voort op het hoofdstuk ‘Beeldkwaliteit’ en bijlage Ruimtelijk kader uit het Ontwikkelkader voor het Havenkwartier. In dit beeldkwaliteitplan Havenkwartier zijn ten aanzien van de bebouwing en openbare ruimte de essentiële randvoorwaarden en beoogde uitgangspunten opgenomen. In specifieke situaties biedt dit document ruimte voor maatwerk. De openbare ruimte wordt globaler behandeld zodat deze later kan worden uitgewerkt in de vorm van inrichtingsplannen. Het beeldkwaliteitplan vormt de leidraad voor deze inrichtingsplannen. Passages uit het beeldkwaliteitsplan In het algemeen geldt dat gebouwen alzijdig zijn. Aan- en opbouwen worden voorkomen doordat alle (technische) voorzieningen inpandig worden opgelost. De enkelvoudige volumes die zo ontstaan, met materialisatie die de hoek om gaat, zorgen voor samenhang binnen het plangebied en een aantrekkelijke aanblik ook van buitenaf. Speciale aandacht gaat uit naar de aanhechting van de gebouwen op de grond en de dakbeëindiging. Het streven is naar gebouwen die sterk bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de stad op ooghoogte. Voor een aantrekkelijke omgeving is het wenselijk dat er een goede overgang gemaakt wordt tussen gebouwen en openbare ruimte.
Wanneer gebouwen betrokken zijn op de straat wordt de omgeving meer aantrekkelijk, veilig en samenhangend. Zeker in watersteden is er een nauw verband tussen bebouwing en ruimte. Gebouwen maken de ruimte. Voor het Havenkwartier wordt daarom voorgesteld te bouwen in de rooilijn, woningen en bedrijfsruimtes aan de straat te realiseren en om extra zorg te besteden aan de plinten en de hoeken van gebouwen. Daar waar woningen direct aan de straat staan (zoals bij laagbouw) wordt de overgang tussen openbaar en privé mee ontworpen. Dit zijn bijvoorbeeld voortuinen met een muurtje, hekwerk of haag. Daar waar bedrijfsruimtes aan de straat staan is een transparante en geactiveerde plint gewenst. Hierdoor wordt de identiteit naar buiten gedragen en wordt anonimiteit voorkomen. Rijen met gesloten roldeuren dragen niet bij aan de kwaliteit van dit gebied. In alle gevallen spreekt hieruit een zorg vanuit de bebouwing naar de openbare ruimte. Een betrokkenheid die de kwaliteit van het gebied ten goede komt.
83
De hogere gebouwen zijn een toevoeging aan de basislaag met Rijswijkse hoogte. De hoge gebouwen zijn in principe alzijdig en slank. Van de hoogbouw wordt een bepaalde abstractie en ingetogenheid verwacht die bijdraagt aan lichtheid en schaalloosheid van de gebouwen. Specifiek wordt gekeken naar de overgangen in de gevel. Van openbare ruimte naar plint, van plint naar basisvolume, van basisvolume naar toren en tenslotte de verticale beëindiging van de gebouwen. Hoe ingetogener de gebouwen hoe meer nadruk komt te liggen op deze overgangen. Hier verandert de ruimtelijkheid van het gebouw en ontstaan functionele en dus architectonische mogelijkheden. Op de overgangen kunnen accenten gemaakt worden in uitstraling, programma en volume. De overgang tussen basisvolume en hoogbouw speelt een rol voor de functionaliteit van het basisvolume en voor de effecten van wind en schaduw op de grond. Gevoelsmatig kan hier een menselijke maat worden neergezet en het 'gewicht' van de bovenliggende massa minder voelbaar worden gemaakt. De overgang tussen basisvolume en toren kan op meerdere manieren worden vormgegeven waarbij in principe de hoogbouw in de tweede lijn ligt. Het daklandschap is integraal deel van de bouwopgave en wordt beschouwd als vijfde gevel. Het daklandschap dient aanvullend op de primaire dakfunctie (beschutting) benut te worden als: buitenruimte, groen of regenwaterbuffer.