CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Omgevingsplan gemeente Rijswijk - regels gewijzigd

Raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel wijziging Omgevingsplan gemeente Rijswijk, Havenkwartier fase 2, openbare ruimte en haven (RV 26 017)46.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Bij de aanvraag wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 5.228 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 63 van 380

1.

Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

2.

Bij vergunningvoorschrift kan een plicht worden opgelegd over de wijze van slopen van een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Paragraaf 5.2.33 Activiteit in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Artikel 5.229 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in, op of aan een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingengebied.

Artikel 5.230 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische waarden.

Artikel 5.231 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde vrijstelling 100 m2, als de verstoring een oppervlakte heeft van meer dan 100 m2.

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde vrijstelling 50 cm, als de verstoring een diepte heeft van meer dan 50 cm.

3.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde vrijstelling 50 cm 100 m2, als de verstoring: a. b.

een oppervlakte heeft van meer dan 100 m2; of een diepte heeft van meer dan 50 cm.

4.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde geen vrijstelling.

5.

De verboden, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, gelden niet voor activiteiten die het normale onderhoud of gebruik betreffen.

Artikel 5.232 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1.

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b. c.

2.

een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de werkzaamheden; een rapport waarin de archeologische waarde van die locatie is vastgesteld; en een binnen het grondgebied van de gemeente Rijswijk uitgevoerd onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dat voldoet aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, op of aan een gebied met een archeologische verwachtingswaarde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

b. c. d. e. f. g.

een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; als sprake is van een opgraving: een programma van eisen voor de opgraving; als sprake is van een booronderzoek: een plan van aanpak voor een booronderzoek; als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

Artikel 5.233 Eisen aan tekeningen

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 64 van 380

Tekeningen als bedoeld in Artikel 5.232 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. b. c.

1:2000, als het gaat om een topografische kaart; 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en 1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 5.234 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1.

Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a.

b. c. 2.

Bij vergunningvoorschrift kan een plicht worden opgelegd tot: a. b. c. d.

3.

de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden; als er geen archeologische waarden aanwezig zijn: een vooronderzoek waarin dat is aangetoond dat; en als er wel archeologische waarden aanwezig zijn: onevenredige schade voor deze archeologische waarden wordt voorkomen.

het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

Gedeputeerde staten zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, als de aanvraag betrekking heeft op het gebied Archeologie PZH.

Paragraaf 5.2.34 Activiteiten in de landgoedbiotoop Artikel 5.235 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen en slopen van bouwwerken in de Landgoedbiotoop.

Artikel 5.236 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Landgoedbiotoop Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te slopen in de Landgoedbiotoop.

Artikel 5.237 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Landgoedbiotoop 1.

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen van een bouwwerk in de Landgoedbiotoop wordt een beeldkwaliteitsplan verstrekt.

2.

Het beeldkwaliteitsplan beschrijft het effect van de ontwikkeling op de Landgoedbiotoop. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed gaat het beeldkwaliteitsplan in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop beschermd of versterkt worden.

Artikel 5.238 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Landgoedbiotoop 1.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. b.

2.

geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de Landgoedbiotoop; of de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de Landgoedbiotoop.

Gedeputeerde staten zijn adviseur voor de omgevingsvergunning.

Paragraaf 5.2.35 Boom kappen en beschadigen Artikel 5.239 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over het kappen van bomen en het verrichten van andere handelingen die de dood van een boom kunnen veroorzaken of een boom ernstig kunnen ontsieren.

2.

Deze paragraaf gaat niet over:

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 65 van 380

a. b. c.

het vellen van houtopstanden waarop afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is; het dunnen van houtopstanden; en het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 5.240 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het op: a. b. c. d. e. f.

de natuurwaarde van de boom; de landschappelijke waarde van de boom; de waarde van de boom voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de boom; de cultuurhistorische waarde van de boom; en de waarde voor de leefbaarheid van de boom.

Artikel 5.241 Meetbepalingen De diameter van de boom wordt gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld.

Artikel 5.242 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een andere handeling te verrichten die de dood van een boom kan veroorzaken of een boom ernstig kan ontsieren.

2.

Het verbod geldt niet voor: a. b. c. d. e. f. g.

bomen met een diameter van minder dan 15 cm; bomen gelegen in een voortuin kleiner dan 20 m2; bomen gelegen in een achtertuin kleiner dan 50 m2; schubconiferen; dode bomen; bomen die een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormen; en bomen met een besmettelijke boomziekte of bomen die een gevaar vormen voor verspreiding van een besmettelijke boomziekte.

3.

Het verbod geldt ook niet voor noodkap bij houtopstanden die een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormen, of houtopstanden met een besmettelijke (boom)ziekte.

4.

Het tweede lid, onder a, geldt niet voor bomen in openbaar toegankelijk gebied, tenzij het kappen gebeurt door of in opdracht van de gemeente.

Artikel 5.243 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere boom waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

2.

Per genummerde boom worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b. c. d. e. f.

de soort boom; een foto van de boom; de locatie van de boom; de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; een onderzoeksrapportage, als de boom wordt gekapt vanwege ziekte; en de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 5.244 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1.

De omgevingsvergunning kan worden geweigerd als de belangen, bedoeld in Artikel 5.240, onevenredig worden geschaad.

2.

Bij vergunningvoorschrift kan een herbeplantingsplicht worden opgelegd.

Artikel 5.245 Algemene regels boom kappen en beschadigen

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 66 van 380

De afstand tot de perceelsgrens, bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, is 0,5 m voor bomen en 0,0 m voor heggen en heesters.

Paragraaf 5.2.36 Kamperen buiten kampeerterrein Artikel 5.246 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het kamperen buiten een kampeerterrein.

Artikel 5.247 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het beschermen van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; het in stand houden van de natuur; en het waarborgen van de veiligheid.

Artikel 5.248 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning te kamperen buiten een kampeerterrein.

2.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor kamperen door de rechthebbende op eigen terrein.

3.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor kamperen buiten een kampeerterrein gedurende twee of minder overnachtingen, wanneer de rechthebbende van het terrein daartoe toestemming verleent.

Artikel 5.249 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b. c.

een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de kampeermiddelen; een tekening of duidelijke omschrijving van het aantal en uiterlijk van de kampeermiddelen; en de voorgenomen tijdsduur van de activiteit.

Artikel 5.250 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. b.

de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de natuur en landschappelijke elementen; en het uiterlijk aanzien van de omgeving niet onevenredig wordt geschaad, voor zover de activiteit zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied.

Paragraaf 5.2.37 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen en wijzigen van gebruik naar bodemgevoelig gebruik Artikel 5.251 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over het bouwen en in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw en het wijzigen van gebruik van een locatie naar bodemgevoelig gebruik.

2.

Een bodemgevoelig gebouw is: a. b.

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of een woonschip of woonwagen.

3.

Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.

4.

Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd:

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 67 van 380

a. b. c.

de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of een onmiddellijk aan een op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein.

Artikel 5.252 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b.

het beschermen van de gezondheid; en het verbeteren van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 5.253 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bodemgevoelige gebouwen en gebruik Het is verboden zonder een omgevingsvergunning: a. b.

een bodemgevoelig gebouw te bouwen of in gebruik te nemen; of het gebruik van een locatie te wijzigen naar bodemgevoelig gebruik.

Artikel 5.254 Bijzondere aanvraagvereisten bodemgevoelige gebouwen en gebruik 1.

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b. c. d. e.

de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; het adres waarop de activiteit wordt verricht; bij wijzigen van gebruik: welk nieuw gebruik wordt voorzien; en bij overschrijding van een waarde als bedoeld in Artikel 5.256: de gegevens en bescheiden over sanerende of andere beschermende maatregelen die worden getroffen.

2.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML volgens SIKB 0101.

3.

Het bevoegd gezag kan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn een afwijking van het eerste lid, onder a, toestaan als uit het vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.

4.

Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, vindt het bodemonderzoek plaats nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 5.255 Beoordelingsregels bodemgevoelige gebouwen en gebruik 1.

De omgevingsvergunning voor het bouwen of in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en voor het wijzigen van gebruik naar bodemgevoelig gebruik wordt alleen verleend als: a.

b.

de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.256, ter plaatse van het gebouw, het woonschip, de woonwagen, en de onmiddellijk daaraan grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, of ter plaatse van de locatie waarvan het gebruik wijzigt, niet worden overschreden; en bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.

Het bevoegd gezag kan, met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of voor het wijzigen van het gebruik van een locatie naar bodemgevoelig gebruik, als het van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 68 van 380

Artikel 5.256 Toelaatbare bodemkwaliteit 1.

De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

In afwijking van en in aanvulling op het eerste lid, zijn voor de stoffen lood en PFAS de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties opgenomen in onderstaande tabel, waarbij het voor lood gaat om de gemeten waarden zonder bodemtypecorrectie: Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood (in mg/kg droge stof)

Waarden PFOA (in ug/kg droge stof)

Waarden PFOS en overige PFAS (in ug/kg droge stof)

Woning met tuin

370

60

59

Kinderdagverblijf met buitenruimte

370

60

59

School met buitenruimte

370

60

59

Winkel, kantoor en overige bodemgevoelige gebouwen

Interventiewaarde conform bijlage IIA Bal

60

59

Kinderspeelplaats

100

Moestuin

60

3.

Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.

Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het derde lid is niet van toepassing op asbest.

Artikel 5.257 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit 1.

Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen gebouwd, of wordt het gebruik van een locatie alleen gewijzigd naar bodemgevoelig gebruik, als een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2.

Een sanerende maatregel is in ieder geval een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.258 Ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen in gebruik genomen, of wordt het gebruik van een locatie alleen gewijzigd naar bodemgevoelig gebruik, als de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in Artikel 5.257, zijn getroffen.

Artikel 5.259 Informatieplicht maatregelen op verontreinigde bodem Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, worden het college van burgemeester en wethouders ten minste 4 weken voordat een bodemgevoelig gebouw in gebruik wordt genomen, of voordat het gebruik van een locatie wordt gewijzigd in bodemgevoelig gebruik, geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in Artikel 5.257, zijn getroffen.

Paragraaf 5.2.38 Grondwatergevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen Artikel 5.260 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over het bouwen en in gebruik nemen van een grondwatergevoelig gebouw.

2.

Een grondwatergevoelig gebouw is:

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 69 van 380

a. b. c.

een gebouw of een gedeelte van een gebouw de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; een woonschip of woonwagen; of elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.

3.

Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een grondwatergevoelig gebouw.

4.

Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. b.

5.

de locatie waarop een grondwatergevoelig gebouw is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein.

Voor de toepassing van deze paragraaf is er sprake van verontreiniging van het grondwater als voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume de waarde, bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, wordt overschreden.

Artikel 5.261 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b.

het beschermen van de gezondheid; en het verbeteren van de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 5.262 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwatergevoelig gebouw Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een grondwatergevoelig gebouw te bouwen of in gebruik te nemen.

Artikel 5.263 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwatergevoelig gebouw 1.

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b. c.

d.

e.

f.

2.

de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; het adres waarop de activiteit wordt verricht; een voorafgaand onderzoek, waaruit blijkt of er sprake is van verontreiniging van het grondwater, bestaande uit een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, er geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier zodat spoedige sanering noodzakelijk is; als er sprake is van verontreiniging van grondwater: een afschrift van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; als uit de

risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als sanerende maatregel wordt getroffen.

De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML volgens SIKB 0101.

Artikel 5.264 Beoordelingsregel omgevingsvergunning grondwatergevoelig gebouw

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 70 van 380

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. b.

c.

er geen sprake is van verontreiniging van het grondwater; bij verontreiniging van het grondwater: als voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of bij verontreiniging van het grondwater: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat: 1. er geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; 2. er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; of 3. er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als sanerende maatregel wordt getroffen, voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 5.265 Voorschriften omgevingsvergunning grondwatergevoelig gebouw Aan een omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, die is verleend met toepassing van Artikel 5.264, aanhef en onder c, aanhef en onder 2 en 3, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er één of meer sanerende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in die onderdelen.

Artikel 5.266 Maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging 1.

Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in Artikel 5.264, onder c, onder 2 of 3, wordt een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen gebouwd als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. b.

2.

een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld als bedoeld in Artikel 5.264, onder c, onder 3.

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 5.267 Algemene regel saneren bij bronaanpak De saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet toegestaan bij het saneren van de bodem in de vorm van een bronaanpak als bedoeld in Artikel 5.264, aanhef en onder c, onder 2, tenzij: a. b.

de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 5.268 Afbakening maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak Met een maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een andere saneringsaanpak worden toegestaan als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 5.269 Informatieplicht ingebruikname grondwatergevoelig gebouw Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in Artikel 5.264, onder b of c, wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in Artikel 5.266, zijn getroffen of, als de sanerende

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 71 van 380

maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

Artikel 5.270 Informatieplicht: voor het begin van een bronaanpak Gelijktijdig met de aanvraag, bedoeld in Artikel 5.263, worden aan gedeputeerde staten dezelfde gegevens en bescheiden verstrekt die aan het bevoegd gezag worden verstrekt.

Artikel 5.271 Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak Gelijktijdig met het verstrekken van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij beëindiging van de sanerende maatregel, bedoeld in Artikel 5.266, aan het bevoegd gezag, worden aan gedeputeerde staten dezelfde gegevens en bescheiden verstrekt die aan het bevoegd gezag worden verstrekt.

Paragraaf 5.2.39 Nazorg verrichten na saneren van de bodem Artikel 5.272 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

2.

Deze paragraaf gaat ook over het verrichten van nazorg als tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet.

Artikel 5.273 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c. d. e.

het beschermen van de gezondheid; het beschermen van de kwaliteit van de bodem; het voorkomen van verspreiding van verontreinigde grond; het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem; en het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.274 Nazorg na afloop van saneren van de bodem 1.

De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet.

Paragraaf 5.2.40 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Artikel 5.275 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

2.

Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. b. c.

3.

het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; het tijdelijk opslaan van grond; en het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 72 van 380

Artikel 5.276 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het beschermen van de gezondheid; het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.277 Informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1.

Ten minste een week voor het begin van de activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. b. c.

de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; de verwachte datum van het begin van de activiteit; en de verwachte duur ervan.

2.

Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. b.

als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 5.278 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 5.279 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Paragraaf 5.2.41 Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 5.280 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van een activiteit op een ‘locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico’.

Artikel 5.281 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b.

het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en het voorkomen of beperken van verontreinig van de bodem.

Artikel 5.282 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.280 in ieder geval in dat degene die de activiteit verricht in het belang van het beschermen van de bodem, het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem of het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Paragraaf 5.2.42 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken Artikel 5.283 Toepassingsbereik

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 73 van 380

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.

Artikel 5.284 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b.

het voorkomen van interferentie tussen gesloten en open bodemenergiesystemen; en het bevorderen van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

Artikel 5.285 Aanwijzing vergunningplicht aanleggen en gebruiken gesloten bodemenergiesysteem 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken in de Interferentiegebieden Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder.

2.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

Artikel 5.286 Bijzondere aanvraagvereisten aanleg en gebruik gesloten bodemenergiesysteem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b. c. d. e.

f. g. h. i.

een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de bodemlussen en het middelpunt; de einddiepte van de bodemlussen onder het maaiveld in meters; de lengte van de bodemlussen in meters; de coördinaten van de bodemlussen en het middelpunt van het bodemenergiesysteem; gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten; en als het gesloten bodemenergiesysteem mede op het perceel van een andere particuliere eigenaar wordt aangelegd: de schriftelijke toestemming van die andere particuliere eigenaar.

Artikel 5.287 Beoordelingsregel aanleg en gebruik gesloten bodemenergiesysteem De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. b.

het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

Artikel 5.288 Algemene regels gesloten bodemenergiesystemen in interferentiegebieden 1.

De bodemlussen voor een gesloten bodemenergiesysteem in de Interferentiegebieden Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder worden op een diepte van maximaal 110 m – N.A.P. aangelegd.

2.

Het gesloten bodemenergiesysteem, met inbegrip van de bodemlussen en het leidingwerk, wordt: a. b.

binnen de grenzen van het eigen perceel aangelegd; of mede op het perceel van een andere particuliere eigenaar aangelegd, als die andere eigenaar daarvoor schriftelijke toestemming heeft gegeven.

Paragraaf 5.2.43 Milieu - algemeen Artikel 5.289 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de wet.

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 74 van 380

a. b. c. d. e.

f. 3.

wonen; het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 5.290 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; en het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.291 Specifieke zorgplicht 1.

De specifieke zorgplicht houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.289 in ieder geval in dat: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

k.

alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; de beste beschikbare technieken worden toegepast; geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet; afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn; en afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

2.

De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval ook in dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt.

3.

De specifieke zorgplicht, voor zover die ziet op het tweede lid van dit artikel, is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 5.2.44 Afvalwater lozen - algemeen Artikel 5.292 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater.

2.

Deze paragraaf geldt niet voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.293 Oogmerken

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 75 van 380

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het doelmatig beheer van afvalwater; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 5.294 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater te lozen: a. b.

2.

op of in de bodem; en in een schoonwaterriool.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. b. c. d.

lozingen die op grond van andere bepalingen in dit omgevingsplan zijn toegestaan; wonen; een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

Artikel 5.295 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. b.

de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en het soort afvalwater.

Artikel 5.296 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten Op het verlenen van de omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.297 Beoordelingsregel vanwege gevolgen voor het watersysteem 1.

Voor zover een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan gevolgen kan hebben voor watersystemen, wordt die vergunning, onverminderd de andere beoordelingsregels in dit omgevingsplan, alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. b. c.

2.

het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

Bij de verlening van de omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.

Artikel 5.298 Verbod rechtstreeks lozen in het grondwater 1.

Met het oog op het beschermen en verbeteren van chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen worden verontreinigende stoffen niet rechtstreeks in het grondwater geloosd onder doorsijpeling door de bodem of ondergrond.

2.

Het verbod geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of de waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is of waaraan op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

Artikel 5.299 Afbakening maatwerkvoorschrift rechtstreeks lozen in grondwater Met een maatwerkvoorschrift of een voorschrift aan een omgevingsvergunning, waarin een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater wordt toegestaan, wordt voldaan aan:

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 76 van 380

a. b.

de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water; en het bereiken van de voor het grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen.

Paragraaf 5.2.45 Afvloeiend hemelwater en grondwater lozen Artikel 5.300 Toepassingsbereik 1.

Deze paragraaf gaat over het lozen van: a. b.

2.

grondwater afkomstig van ontwatering; en afvloeiend hemelwater dat: 1. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; 2. geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en 3. geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

In deze paragraaf wordt verstaan onder nieuw bouwwerk: bouwwerk dat is opgericht na 22 september 2022.

Artikel 5.301 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het doelmatig beheer van afvalwater; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 5.302 Informatieplicht lozen van grondwater 1.

Ten minste vier weken voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. b.

2.

Het eerste lid geldt niet als: a. b.

3.

de aard en omvang van de lozing; en de verwachte datum van het begin van de activiteit.

het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of het lozen plaatsvindt bij wonen.

In afwijking van het eerste lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 5.303 Lozen van grondwater bij ontwatering 1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

2.

Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

3.

Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

4.

Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

5.

Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 5.304 Lozen van afvloeiend hemelwater 1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 77 van 380

2.

Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: a. b.

afkomstig is van wonen; of al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

4.

In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

5.

Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Artikel 5.305 Algemene regel waterberging bij nieuwbouw 1.

Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater wordt, in afwijking van Artikel 5.304, alleen hemelwater vanaf nieuwe bouwwerken in een openbaar riool of in de openbare ruimte geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden op het betreffende perceel of ander particulier terrein.

2.

Het eerste lid geldt niet voor nieuwe bouwwerken met een totaal oppervlak van ten hoogste 50 m².

3.

De minimale capaciteit van de hemelwaterberging op het perceel of ander particulier terrein van een nieuw bouwwerk is: a. b.

4.

De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze weer voor 100% beschikbaar is: a. b. c. d.

5.

50 liter per m² bebouwd oppervlak plus 50 % van het onbebouwde oppervlak van het perceel; of als dit leidt tot een hogere capaciteit: de capaciteit volgens de watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland.

binnen een ledigingstijd van 1 tot 2 dagen als het opgevangen hemelwater niet is bedoeld voor hergebruik; binnen een ledigingstijd van 3 tot 4 dagen als het opgevangen hemelwater is bedoeld voor hergebruik en de hemelwaterberging niet is voorzien van een geautomatiseerd systeem; tijdig voor de eerstvolgende bui, als het opgevangen hemelwater is bedoeld voor hergebruik en de hemelwaterberging is voorzien van een geautomatiseerd systeem; of als dit leidt tot een kortere ledigingstijd: de ledigingstijd volgens de watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland.

De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of in de openbare ruimte.

Artikel 5.306 Algemene regel afkoppelen bij functiewijziging 1.

Bij een functiewijziging van een bouwwerk, waarvoor verandering van het bouwwerk nodig is, wordt alleen hemelwater in een openbaar riool of in de openbare ruimte geloosd, als minimaal 17,1 m² verhard oppervlak per bewoner is afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel.

2.

Het eerste lid geldt niet bij een functiewijziging van een bouwwerk met een totaal oppervlak van ten hoogste 50 m².

Artikel 5.307 Aanwijzing vergunningplicht afwijken waterberging Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de verplichting om een hemelwaterberging aan te brengen en in stand te houden of het afkoppelen van verhard oppervlak van het gemengde rioolstelsel, voor zover aannemelijk is gemaakt dat het aanbrengen of in stand houden van de hemelwaterberging op het perceel of ander particulier terrein of het afkoppelen redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 5.308 Bijzondere aanvraagvereisten afwijken waterberging

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 78 van 380

Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt onderbouwd waarom het aanbrengen of in stand houden van de hemelwaterberging of het afkoppelen redelijkerwijs niet mogelijk is of nodig is.

Artikel 5.309 Beoordelingsregel lozen hemelwater en grondwater in vuilwaterriool 1.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van hemelwater of grondwater kan worden gevergd, dit ter beoordeling aan het college.

2.

Het college kan aan de omgevingsvergunning in ieder geval een financiële voorwaarde verbinden.

Paragraaf 5.2.46 Grondwater lozen bij sanering Artikel 5.310 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van: a. b. c.

een bodemsanering of grondwatersanering; een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.311 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het doelmatig beheer van afvalwater; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 5.312 Gegevens en bescheiden 1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.310, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. b.

2.

de aard en omvang van de lozing; en de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 5.313 Lozen van grondwater bij saneringen 1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

2.

Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

3.

Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.2, gemeten in een steekmonster.

Naftaleen

0,2 µg/l

PAK’s

1 µg/l

BTEX

50 µg/l

Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

20 µg/l

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 79 van 380

Aromatische organohalogeen-verbindingen

20 µg/l

Minerale olie

500 µg/l

Cadmium

4 µg/l

Kwik

1 µg/l

Koper

11 µg/l

Nikkel

41 µg/l

Lood

53 µg/l

Zink

120 µg/l

Chroom

24 µg/l

Onopgeloste stoffen

50 mg/l

Tabel 5.2 Emissiegrenswaarden 4.

Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Paragraaf 5.2.47 Huishoudelijk afvalwater lozen Artikel 5.314 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 5.315 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c. d.

het beschermen van de gezondheid; een doelmatig beheer van afvalwater; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 5.316 Informatieplicht: lozen van huishoudelijk afvalwater 1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. b. c.

het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; de wijze van behandeling van het afvalwater; en de verwachte datum van het begin van de activiteit.

2.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. b.

vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 5.317 Geen voedselvermaling Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen bij wonen en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 80 van 380

Artikel 5.318 Lozen van huishoudelijk afvalwater 1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. b. c. d. e.

2.

40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; 100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; 600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; 1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en 3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. b.

vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

3.

In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

4.

In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd: a. b.

vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 5.319 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater 1.

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

2.

Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.3.

30 mg/l

60 mg/l

150 mg/l

300 mg/l

30 mg/l

60 mg/l

Tabel 5.3 Afvalwater 3.

Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank: a. b.

4.

met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: a. b.

vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Paragraaf 5.2.48 Koelwater lozen Artikel 5.320 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Deze Regeling is op 11-01-2026 gemaakt m.b.v. GISkit TransStop Api, versie: 2026-01-09-9792cee

Pagina 81 van 380

Artikel 5.321 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

het doelmatig beheer van afvalwater; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 5.322 Informatieplicht: lozen van koelwater 1.

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.320, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. b.

2.

de maximale warmtevracht; en de verwachte datum van het begin van de activiteit.

Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 5.323 Koelwater 1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.

2.

Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

3.

Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Paragraaf 5.2.49 Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken Artikel 5.324 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 5.325 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. b. c.

een doelmatig beheer van afvalwater; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 2. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.326 Periodiek reinigen 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=2d8d52cc-7b1a-4215-bfb2-9f71da9bb284