Bijlage 3a Motivering - Aanmeldnotitie (plan- en project)mer-beoordeling Havenkwartier fase 2
Tekst van het document
27
Tabel 3.3: Verdeling kwadranten plangebied Havenkwartier Fase 2
De gemeente Rijwsijk stelt aan de hand van de verordening afvoer hemelwater (2022) dat; -
Kwadrant 1 685 m3 water moet bergen.
-
Kwadrant 2 680 m3 water moet bergen.
-
Kwadrant 3 664 m3 water moet bergen. Kwadrant 4 555 m3 water moet bergen.
Vanuit de berekeningen van het Hoogheemraadschap Delfland (gebaseerd op de watersleutel) volgt een extra opgave waterberging. Dit gaat om 83 m3 waterberging in kwadrant 3 en om 143 m3 waterberging in kwadrant 4. De gemeentelijke opgave is maatgevend en geeft dus de totale bergingscapaciteit die binnen het plangebied moet worden gerealiseerd. Door in te zetten binnen de kwadranten op bovengrondse en ondergrondse voorzieningen, zoals wadi’s, retentiedaken, waterbergingskelders en waterbergende pleinen kan de opgave worden ingevuld. Vanwege klei- en veenlagen is infiltratie in de ondergrond beperkt mogelijk, bovengrondse oplossingen krijgen de voorkeur. De transformatie van het gebied betreft geen activiteiten met een risico op waterverontreiniging. De sanering van de bodemverontreinigingen in het plangebied kunnen tevens de grondwaterkwaliteit verbeteren. Het plangebied ligt deels binnen de beschermingszone van de regionale waterkering (boezemkade), er worden hier geen negatieve effecten op de waterveiligheid verwacht. De aan te leggen waterberging gaat vertraagd afvoeren op het naastgelegen watersysteem. Dit watersysteem bestaat bij het plangebied uit watergang de Rijswijksche Haven. Deze haven zelf is geen KRW-waterlichaam, maar staat wel in verbinding met de Delftsche Vliet. De Delftsche Vliet is onderdeel van het KRW-waterlichaam ‘Boezem Schie’ met code NL15_01b.
Het KRW-type van het oppervlaktewaterlichaam is M7b, kunstmatig meer. Door ervoor te zorgen dat het hemelwater in de waterbergingsvoorziening niet vervuild is, worden ook negatieve effecten op de waterkwaliteit van het KRW-waterlichaam voorkomen. Conclusie Er treden geen belangrijke nadelige milieueffecten op voor de waterhuishouding, waterkwaliteit of waterveiligheid.
28
3.7
Ecologie
In de Quick-scan flora en fauna d.d. 1 oktober 2025 van Equipe Adviseurs is het thema flora en fauna vooruitlopend op de vaststelling van het addendum in kaart gebracht. De ontwikkeling van het Havenkwartier Fase 2 is getoetst aan de eisen van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde besluiten: het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze wetgeving borgt dat ruimtelijke ontwikkelingen geen significante nadelige effecten veroorzaken op beschermde natuurgebieden of soorten. De bescherming van de natuur kent drie niveaus; -
Gebiedsbescherming, via de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland
-
(NNN) Soortenbescherming, gericht op het behoud van individuen en hun verblijfplaats.
-
Houtopstanden, via regels in de Omgevingswet en het Bal worden bomen en boomgroepen beschermd
Hiernaast geldt de zorgplicht (artikel 1.6 Omgevingswet), iedereen die activiteiten uitvoert die nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen hebben, moet redelijke maatregelen nemen om schade te voorkomen of te beperken. Op de bescherming van houtopstanden wordt niet verder ingegaan. Dit is niet aan de orde aangezien er geen (vergunningsplichtige) bomen worden gekapt in het plangebied Effecten Gebiedsbescherming Binnen het plangebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden of NNN-gebieden. In de omgeving bevinden zich wel: - Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Westduinpark & Wapendal, dit ligt op circa 6,7 kilometer afstand. - Het dichtstbijzijnde NNN-gebied, Park te Werve, dit ligt op circa 750 meter afstand. Gezien de afstanden tot de beschermde gebieden en de stedelijke omgeving worden geen negatieve effecten verwacht. De mogelijke effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden zijn eerder beschreven aan de hand van de resultaten van het stikstofonderzoek4 dat in het kader van het Ontwikkelkader uitgevoerd is. In november 2025 zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Uit de berekening volgt dat de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen aanwezig is: 1. Eerste bouwjaar (rekenjaar 2028): 0,00 mol N/ha/jaar. 2. Laatste bouwjaar incl.
90% gebruik (rekenjaar 2037): 0,01 mol N/ha/jaar op N2000gebieden “Meijendel & Berkheide”, “Solleveld & Kapittelduinen” en “Westduinpark & Wapendal”. 3. Gebruiksfase (rekenjaar 2038): 0,01 mol N/ha/jaar op N2000-gebieden “Meijendel & Berkheide”, “Solleveld & Kapittelduinen” en “Westduinpark & Wapendal”.
4
Antea Group, Stikstofberekening Havenkwartier Rijswijk, oktober 2020
29
Er is voor deze bijdragen een ecologische voortoets opgesteld door Equipe5. In de Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 zijn een aantal criteria/voorbeelden opgenomen waarbij significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten kunnen worden. Deze zijn: Er is sprake van stikstofdepositie maar geen (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Er is sprake van stikstofdepositie op een leefgebied van een soort maar de soort komt niet voor en er gelden geen uitbreidingsdoelstellingen voor de soort. Er is sprake van een overschrijding van de KDW op een zeer klein oppervlak. Dit oppervlak moet kleiner zijn dat het minimumoppervlak van de betreffende habitat. Er is sprake van stikstofdepositie op alleen stikstofgevoelig leefgebied, maar stikstofdepositie is geen knelpunt voor dit leefgebied. Er is sprake van stikstofdepositie maar er staat vast dat de instandhoudingsdoelstellingen van een soort/habitattype niet in het geding komt door stikstofdepositie Er is sprake van stikstofdepositie maar dit is tijdelijk en binnen de norm (0,05 mol/hectare/jr gedurende twee jaar). Er is stikstofdepositie maar het habitat- en/of leefgebied type komt feitelijk niet voor. Uit de Handreiking Voortoets Stikstof blijkt dat om invulling te geven aan de voortoets ook andere onderdelen gebruikt kunnen worden, mits deze objectief zijn.
In de voortoets van Equipe zijn daarom nog de volgende criteria beoordeeld: effecten van stikstof op concurrentiedepositie van planten; de natuurlijke fluctuatie van stikstof; cumulatie/tijdelijke depositie; depositietrend. Kritische depositiewaarde en overbelasting De kritische depositiewaarde (hierna: KDW) en de achtergronddepositie van habitat (hexagoon) dat overbelast is, is van groot belang voor het beoordelen van de planbijdrage. Er is dus sprake van overbelasting wanneer de achtergronddepositie (al dan met de berekende depositie van een project) groter is dan de KDW. De aanwezigheid van overbelaste hexagonen betekent niet dat het gebied zich in de praktijk in een slechte staat bevindt aangezien de KDW een risicoindicatie is. Wel laten overbelaste hexagonen zien dat er een kans is dat het habitat is, of wordt aangetast en verder moet worden gekeken naar de effecten van de extra stikstofdepositie op de habitattypes (Natura 2000, sd). Voor de hexagonen die voor dit project relevant zijn in de aanlegfase is circa 52,4% en in de gebruiksfase 58,1% overbelast of is sprake van een naderende overbelasting. Dubbele hexagonen zijn bij de berekening voor de overbelasting niet verwijderd omdat een hexagoon meerdere habitattypes kan hebben met verschillende KDW’s.
De stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol/ha/jr) als gevolg van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een klein percentage van de huidige achtergronddepositie van de getroffen hexagonen (0,001%). Oppervlakte beïnvloedt habitat door stikstofdepositie Op basis van de Handreiking Voortoets Stikstof geldt dat significante effecten kunnen worden uitgesloten als er sprake is van stikstofdepositie op een zeer klein oppervlak. Dit oppervlak moet kleiner zijn dan het minimumoppervlak van de betreffende habitat. Daaruit kan worden
5
Equipe, voortoets stikstof, 25Q0931, d.d. 28 november 2025
30
opgemaakt dat voor geen van de habitattypes en leefgebieden het op pervlak waar depositie op berekend is, kleiner is dan het minimumoppervlak. Concluderend, significante effecten kunnen, op basis van de relevante oppervlakte voor geen van de habitattypen/leefgebieden worden uitgesloten (voor criterium 3). Ook kan worden vastgesteld dat criterium 7 (er is stikstofdepositie maar het habitat- en/of leefgebied type komt feitelijk niet voor) kan worden uitgesloten. De getroffen oppervlaktes zijn zodanig groot dat er geen sprake is van het feitelijk niet voorkomen van een habitattype of leefgebied. Effect stikstof op habittattype In de voortoets is per habitattype, waarbij een overschrijding van de KDW is als gevolg van het projectvoornemen of de al reeds verhoogde aanwezige achtergronddepositie, het habitattype beschreven en bezien of er een negatief effect ontstaat vanuit dit project op behoud en/of ontwikkeling van dit habitattype/leefgebied. Ook is een aantal habitattypen in bijbehorende Natura 2000-gebieden op voorhand niet meegenomen om dat daar geen sprake is van overschrijding van de KDW gedurende de aanlegfase, of omdat het relevante oppervlak kleiner is dan het minimumoppervlak. Effect van stikstof op concurrentiepositie planten Extra stikstofdepositie heeft als gevolg dat er meer bouwstof beschikbaar is voor de aanwezige planten.
Dit is gunstig voor planten die relatief snel (kunnen) groeien, waardoor zij minder snel groeiende planten (vaak zeldzamer dan snelgroeiende planten) kunnen weg concurreren. Aangezien de minder snel groeiende planten vaak zeldzamer zijn, kan het verlies van deze planten leiden tot een lagere biodiversiteit, verminderde kwaliteit van het habitat en mogelijke vermindering van de kwantiteit van de habitat. De depositie van 0,01 mol/ha/jaar in de aanlegfase is hiermee tussen de 0,0004% en 0,0001% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof. Zelfs indien deze hoeveelheid in zijn geheel wordt opgenomen door de aanwezige vegetatie (wat niet het geval is), leidt dit niet tot significant meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten. Door de minimale toename van 0,01 mol/ha/jaar als gevolg van het projectvoornemen ontstaat er geen verandering in concurrentieposities van planten en is er geen meetbare aantasting van de habitat. Natuurlijke fluctuatie stikstof Bij de bovenstaande berekening is aangenomen dat de achtergronddepositie en de extra depositie als ge volg van het projectvoornemen vast staat. In de werkelijkheid wordt de depositie sterk beïnvloed door windsnelheden, windrichtingen en neerslag en is er een natuurlijke fluctuatie.
In een rapportage van het RIVM/Planbureau voor de Leefomgeving staat dat bij de Nederlandse concentratie- en depositiekaarten, de natuurlijke fluctuaties kunnen zorgen voor een afwijking van ongeveer 10% ten opzichte van de gemiddelde achtergronddepositie (Velders, et al., 2010). De gemiddelde achtergronddepositie van de (overbe laste) hexagonen in de aanlegfase is 1.207,97 mol/ha/jr en 1.249,91 mol/ha/jr in de gebruiksfase. Met de waarde van het RIVM aanhoudend, betekent dit dat de daadwerkelijke depositie respectievelijk ongeveer 120,8 en 125,0 mol kan afwijken (zowel hoger als lager). De depositie die plaatsvindt door het projectplan valt weg tegen deze natuurlijke fluctuaties en is daarmee geen risico voor het optreden van negatieve effecten. Cumulatie/tijdelijke depositie Beoordeeld is of sprake kan zijn van tijdelijke depositie of cumulatie in de tijd. De Handreiking Voortoets Stikstof hanteert voor tijdelijke stikstof het volgende uitgangspunt: “een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase, kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar (of een equivalent hiervan), is in beginsel niet vergunningplichtig voor het aspect stikstofdepositie”. Gedurende de aanlegfase is er een
31
maximale stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jr. Een dergelijke depositie valt binnen de norm van de handreiking. Significant negatieve effecten gedurende aanlegfase kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten (criterium 6). Voor de gebruiksfase kan dit criterium echter niet worden gehanteerd. Echter wordt criterium 6 niet meer gehanteerd door het bevoegd gezag. Depositietrend In AERIUS Monitor is te zien dat er voor Meijenveld & Berkheide een afname van stikstof wordt verwacht voor de komende jaren van gemiddeld 14,8 kg/ha/jr in 2020 naar 10,5 kg/ha/jr in 2040 (AERIUS Monitor, 2025). Per jaar is dit dus een gemiddelde afname van 0,22 kg/ha/jr wat gelijk staat aan circa 15,05 mol/ha/jr (AERIUS Calculator, 2015). De toename van 0,01 mol/ha/jr door het projectvoornemen is hierbij maar 0,07%. De cumulatie van stikstof als gevolg van het projectvoornemen valt daarbij in het niet ten opzichte van de stikstofdepositie afname. In AERIUS Monitor is te zien dat er voor Solleveld en Kapittelduinen een afname van stikstof wordt verwacht voor de komende jaren van gemiddeld 15,9 kg/ha/jr in 2020 naar 11,5 kg/ha/jr in 2040 (AERIUS Monitor, 2025). Per jaar is dit dus een gemiddelde afname van 0,22 kg/ha/jr wat gelijk staat aan circa 15,4 mol/ha/jr (AERIUS Calculator, 2015). De toename van 0,01 mol/ha/jr door het projectvoornemen is hierbij maar 0,06%.
De cumulatie van stikstof als gevolg van het projectvoornemen valt daarbij in het niet ten opzichte van de stikstofdepositie afname. In AERIUS Monitor is te zien dat er voor Westduinpark en Wapendal een afname van stikstof wordt verwacht voor de komende jaren van gemiddeld 17,3 kg/ha/jr in 2020 naar 13,1 kg/ha/jr in 2040 (AERIUS Monitor, 2025). Per jaar is dit dus een gemiddelde afname van 0,21 kg/ha/jr wat gelijk staat aan circa 14,7 mol/ha/jr (AERIUS Calculator, 2015). De toename van 0,01 mol/ha/jr door het projectvoornemen is hierbij maar 0,07%. De cumulatie van stikstof als gevolg van het projectvoornemen valt daarbij in het niet ten opzichte van de stikstofdepositie afname. Conclusie gebiedsbescherming Er is sprake van stikstofdepositie en er is een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde op een aantal hexagonen. Voor de getroffen habitattypen is er voor H2180B, ZGH2180B, ZGH2160 en H2190Ae in Meijendel & Berkheide en voor H2160 en H2120 in Solleveld & Kapittelduinen in zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake van een overschrijding van de KDW. Daarnaast is er voor het habitattype H2190Aom in Meijendel & Berkheide in de aanlegfase geen sprake van een overschrijding van de KDW. Op basis van criterium 1 kunnen significante negatieve effecten daarom voor deze habitattypen in de bijbehorende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
Voor de overige habitattype en leefgebied in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase in de drie getroffen Natura 2000-gebieden is er wel sprake van een overschrijding van de KDW door de hoge achtergronddepositie. Op basis van criterium 1 kunnen significant negatieve effecten daarom voor deze overige habitattypen en leefgebied niet worden uitgesloten. Er is geen sprake van stikstofdepositie op alleen een leefgebied van een soort en de soort komt niet voor of er gelden geen uitbreidingsdoelstellingen voor de soort. Dit criterium is in dit geval niet relevant omdat er veelal sprake is van stikstofdepositie op habitattypen. Er is echter sprake van stikstofdepositie op leefgebied Lg12 in Meijendel & Berkheide. Er is hier enkel sprake van het ontbreken van uitbreidingsdoelstellingen voor de doelsoort nauwe korfslak. Middels criterium 2 kunnen daarom alleen significante effecten van stikstofdepositie op Lg12 in Meijendel & Berkheide worden uitgesloten. Er is sprake van een overschrijding van de KDW op een zeer klein oppervlak. Dit oppervlak is echter niet kleiner dan het minimumoppervlak van de betreffende habitat.
32
Aan dit criterium 3 wordt niet voldaan omdat het getroffen oppervlak groter is dan het minimumoppervlak van 0,01 en 0,1 hectare per habitattype. Op basis van dit criterium kunnen significante effecten dus niet worden uitgesloten. Er is sprake van stikstofdepositie op alleen stikstofgevoelig leefgebied, maar stikstofdepositie is geen knelpunt voor dit leefgebied. Dit criterium is in dit geval niet relevant omdat er veelal sprake is van stikstofdepositie op habitattypen. Er is echter sprake van stikstofdepositie op leefgebied Lg12 in Meijendel & Berkheide. Stikstof voortkomend uit het projectvoornemen vormt voor Lg12 geen knelpunt voor het behalen van de in standhoudingsdoelstellingen van dit leefgebied. Er is sprake van stikstofdepositie maar er staat vast dat de instandhoudingsdoelstellingen van een soort/habitattype niet in het geding komt door stikstofdepositie. Voor het leefgebied Lg12 zijn de nauwe korfslak een aangewezen doelsoort. Stikstof voortkomend uit het projectvoornemen vormt daarbij geen knelpunt voor de instandhoudingsdoelstellingen van deze soort. Daarnaast komen de instandhoudingsdoelstellingen van een aantal habitattypen in het geding tenzij het effect van de stikstofdepositie te verwaarlozen is.
Voor de overige habitattypen en leefgebied in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase in de drie getroffen Natura 2000-gebieden staat de stikstofdepositie de te behalen doelstellingen wel in de weg en kunnen op basis van dit criterium significante effecten dus niet worden uitgesloten. Er is sprake van stikstofdepositie en dit is tijdelijk of binnen de norm (0,05 mol/hectare/jaar gedurende twee jaar) Dit criterium wordt niet meer door het bevoegd gezag gehanteerd. In deze voortoets wordt daarom dit criterium niet verder uitgewerkt. Er is stikstofdepositie maar het habitat- en/of leefgebied type komt feitelijk niet voor. Dit criterium blijkt niet van toepassing Op basis van verdere berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat met intern salderen wel een uitkomst van 0,00 mol N/ha/jaar op N2000-gebieden is te verwachten. De ecologische voortoets geeft aan dat significante (negatieve) gevolgen op de hiervoor genoemde gebieden nog niet (volledig) uitgesloten kunnen worden. In de AERIUS-berekening is de referentiesituatie echter nog niet meegenomen. Vanuit de bestaande bedrijvigheid is saldo beschikbaar uit directe emissies (zoals gasverbruik), (vracht)verkeer en koude starts. Het ligt daarom voor de hand om intern salderen toe te passen als mitigerende maatregel bij dit plan. Hiervoor zal een passende beoordeling worden opgesteld.
De gemeente moet in beginsel een plan-milieueffectrapport (plan-MER) maken als er bij het omgevingsplan een passende beoordeling in het kader van natuurbescherming nodig is. Artikel 16.36 lid 3 en 4 van de Omgevingswet biedt echter de mogelijkheid van een plan-merbeoordeling, ook als een passende beoordeling nodig is. Dit is mogelijk als het gaat om kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Europese jurisprudentie geeft een eerste inkleuring van het begrip 'klein gebied'. Het Hof concludeerde dat de grootte van het betrokken gebied, vergeleken met die van dat grondgebied klein moet zijn. Door de Afdeling bestuursrechtspraak is 1% van het grondgebied van de gehele gemeente als een klein gebied aangemerkt. Het Havenkwartier voldoet hier ruimschoots aan, dit bedraagt namelijk circa 0,02% van het gemeentelijk grondgebied. Dat maakt dat nog steeds kan worden volstaan met een (plan)mer-beoordeling.
33
Beschermde soorten Uit de quickscan blijkt dat binnen het plangebied geen zwaar beschermde soorten zijn aangetroffen, maar dat aanwezigheid van enkele algemene soorten niet volledig kan worden uitgesloten. In het gebied zijn (potentieel) aanwezig: - Algemene broedvogels zijn aanwezig in het gebied omdat de vegetatie en groenstructuren nestgelegenheid bieden. Het advies volgens beschermingsregime artikel 3.10 (Bal) is dat buiten het broedseizoen gewerkt moet worden of dat er vooraf ecologische controle plaatsvindt. - Vleermuizen zijn potentieel aanwezig in het gebied en gebouwbewonend. In het plangebied zijn vijf panden met open stootvoegen geschikt als verblijfplaats. Volgens artikel 3.5 (Bal) en het Vleermuisprotocol (2021) is aanvullend onderzoek verplicht. Als vleermuizen aanwezig blijken zijn mitigerende maatregelen als vleermuiskasten of gefaseerde sloop nodig. De omgeving langs de Rijswijksche Haven vormt bovendien een foerageer- en vliegroute voor vleermuizen. Langs deze route wordt geadviseerd om lichtverstoring te beperken, geen verlichting op vegetatie of waterlichamen en nachtelijke werkzaamheden. - Overige soortengroepen, zoals amfibieëen, reptielen, vissen, planten en ongewerfelden, kunnen worden uitgesloten vanwege het stedelijke karakter en het ontbreken van een geschikte habitat.
Conclusie beschermde soorten Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Directe aantasting is hierdoor uit te sluiten. Vanwege de afstand en de afscherming worden geen effecten op soorten, habitats van soorten of habitattypen in het Natura 2000gebied verwacht. Voor stikstof is een bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar op N2000-gebieden “Meijendel & Berkheide”, “Solleveld & Kapittelduinen” en “Westduinpark & Wapendal” verwacht. Daarom wordt nu een ecologische voortoest uitgevoerd. Ook indien een passende beoordeling moet worden uitgevoerd, dan hoeft in dit geval geen planMER te worden uitgevoerd vanwege artikel 3, lid 3 smb-richtlijn. Uit onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden. Dit betekent dat er voorafgaande aan de uitvoering aanvullend onderzoek gedaan moet worden naar het voorkomen van vleermuizen en algemene broedvogels. Eventuele effecten zijn veelal te voorkomen door een goede fasering van de werkzaamheden (buiten het broed- /paarseizoen) en door het aanbieden van vervangende verblijfplaatsen. Mits met deze voorwaarden rekening wordt gehouden worden geen belangrijke nadelige effecten op beschermde soorten verwacht.
3.8
Archeologie
Beleidskader Voordat plannen worden uitgevoerd, is het noodzakelijk om duidelijk te hebben wat de mogelijke effecten zijn van de ontwikkeling op de archeologische potentie in de ondergrond. Voor archeologie wordt er door een gemeente zelf vastgesteld waar archeologische waarden aanwezig kan zijn en hoe groot de kans is op een archeologische vondst. Als er een risico is op een archeologische vondst en de ontwikkeling de richtlijnen van de gemeente overtreft zal er voorafgaan aan de ontwikkeling een onderzoek uitgevoerd worden. De gemeente Rijswijk heeft hiervoor al bij het Ontwikkelkader een archeologisch bureauonderzoek6 uitgevoerd.
6
Gemeente Rijswijk, Een archeologisch onderzoek, Het Havengebied van Rijswijk (Z-H), juli 2019
34
Doel van dat onderzoek was het in kaart brengen en waarderen van archeologische resten. Voor behoudenswaardige archeologische resten geldt dat gestreefd dient te worden naar behoud in situ (in de bodem). Alleen indien behoud niet mogelijk is, zal een opgraving plaatsvinden. Voor het bureauonderzoek is een groter onderzoeksgebied aangehouden, dit gebied wordt afgebakend door de Lindelaan (ten noorden), Diepenhorstlaan (ten westen), Rijksweg & A13 (ten oosten) en het noordelijke deel van de Rijswijkse Golfbaan dient als zuidelijke grens (zie figuur 3.4).
Figuur 3.4: Het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (blauw omkaderd) (bron: Gemeente Rijswijk).
Onderzoek In het kader van de m.e.r.-beoordeling uit 2020 is al archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om de verwachte archeologische waarden binnen het Havenkwartier vast te stellen. De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op de bodemopbouw, de historische ontwikkelingen en eerdere bodemverstoringen in het gebied. Het Havengebied bevindt zich in een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting, met name voor resten uit de Romeinse Tijd en de Late Middeleeuwen, vermoedelijk aanwezig in de top van het Laagpakket van Walcheren. Ook kunnen in diepere lagen prehistorische duinvormingen met bewoningssporen voorkomen. Indien op specifieke locaties grondwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan de bestaande verstoringsdiepte, kan aanvullend booronderzoek of proefsleuvenonderzoek worden verlangd om de aanwezigheid van archeologische sporen te verifiëren. De mate van bodemverstoring door grondwerkzaamheden is bepalend voor de aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten, niet de ruimtelijke invulling of het bouwprogramma bovengronds. Omdat het plangebied en de bodemcondities ongewijzigd zijn ten opzichte van de situatie in 2020, is aanvullend of nieuw archeologisch onderzoek niet nodig.
De bestaande resultaten en conclusies blijven onverkort van toepassing waardoor afhankelijk van de diepte en aard van de grondwerkzaamheden nader onderzoek nodig kan zijn.
35
Conclusie Uit het archeologisch bureauonderzoek van 2020 blijkt dat binnen het plangebied op verschillende locaties archeologische vondsten te verwachten zijn. Om dit vast te stellen kan, afhankelijk van de diepte en aard van de grondwerkzaamheden, nader onderzoek nodig zijn. De bodemopbouw, verstoringsdiepte en archeologische verwachtingswaarden blijven ongewijzigd ten opzichte van de eerder onderzochte situatie.
3.9
Cultuurhistorie
In het Bkl is ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Direct aangrenzend aan het plangebied liggen twee cultuurhistorisch waardevolle elementen: gemeentelijke monument de Steenplaetsbrug en het Rijn- Schiekanaal (een oude trekvaartroute) (zie figuur 3.13). Bij de vaststelling van het Ontwikkelkader is geconstateerd dat beide behouden blijven en deze worden niet in waarde aangetast door de ontwikkeling van het Havenkwartier.
Figuur 3.5: Aanwezige cultuurhistorische waarden in en om het plangebied Havenkwartier
Conclusie De aanwezige cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied blijven behouden en worden niet negatief beïnvloed door de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat het thema cultuurhistorie geen belangrijke nadelige milieugevolgen oplevert.
36
4 CONCLUSIE De gemeente Rijswijk heeft het voornemen het Havenkwartier te transformeren tot gemengd woon- en werkgebied. Deze transformatie vindt plaats in een gebied dat momenteel voornamelijk in gebruik is als bedrijventerrein. Voor het Ontwikkelkader Havenkwartier is eerder een m.e.r.-beoordeling opgesteld, uitgaande van o.a. 2500 woningen en 70.000 m2 bedrijvigheid. Deze (plan- en project)mer-beoordeling is opgesteld omdat de gemeente op 25 november 2025 een addendum heeft vastgesteld, waardoor extra programma wordt voorzien in fase 2 van het Havenkwartier. Het gaat om 289 woningen en 3.850 m2 bedrijvigheid. Deze aanmeldnotitie (plan- en project)mer-beoordeling is opgesteld om mogelijk belangrijke nadelige milieueffecten in beeld te brengen van dit extra programma, zodat het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit kan nemen. Als onderbouwing bij deze (plan- en project)merbeoordeling zijn milieuonderzoeken uitgevoerd. Deze milieuonderzoeken zien op het totale programma van het Havenkwartier fase 2 en niet uitsluitend gericht op het extra programma. Op deze manier is ook het totaal van het nog te ontwikkelen programma in beeld gebracht. Daar waar dit mogelijk relevant is, is cumulatie in beeld gebracht en opgenomen in de conclusies.
Voor de voorgenomen activiteit geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen uit de onderzoeken en onderhavige notitie er verwacht wordt dat er geen belangrijk nadelige milieugevolgen optreden. Dit volgt uit de volgende conclusies uit de onderzoeken die aan deze aanmeldnotitie ten grondslag hebben gelegen: - Verkeer: bepaalde kruispunten al (zwaar) belast zijn in de autonome en plansituatie in de ochtend- en/of avondspits. De plansituatie is daarvoor niet verantwoordelijk. Oplossingen worden aangedragen in de mobiliteitsstrategie (juli 2024); - Geluid: Op basis van het akoestisch onderzoek en het beoordelingskader voor zowel het geluid van bedrijven als verkeer kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling akoestisch inpasbaar is. Dit vraagt dat in de verdere planuitwerking zorgvuldig wordt omgegaan met het geluid van bedrijven en verkeer en dat maatregelen, waaronder bouwkundige, voldoende effect sorteren; - Luchtkwaliteit: De luchtkwaliteit zal in de beoogde situatie ruimschoots voldoen aan de rijksomgevingswaarden ten aanzien van stikstofdioxide en fijn stof. In toekomstige jaren wordt zelfs voldaan aan de veel strengere WHO-waarden; - Externe veiligheid: Ten aanzien van het aspect externe veiligheid worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht.
Wel zal het wijzigingsbesluit omgevingsplan moeten beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of de bescherming afdoende is; - Bodem: In het plangebied is sprake van bodemverontreiniging op aantal locaties. Door hiervoor maatregelen te treffen of de verontreinigingen te saneren, kunnen negatieve effecten voorkomen worden. Door deze sanering zullen de effecten van de ontwikkelingen binnen Havenkwartier positief zijn; - Water: Er treden geen belangrijke nadelige milieueffecten op voor de waterhuishouding, waterkwaliteit of waterveiligheid; - Ecologie, beschermde soorten: Uit onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden. Dit betekent dat er voorafgaande aan de uitvoering aanvullend onderzoek gedaan moet worden naar het voorkomen van vleermuizen en algemene broedvogels. Een dergelijk onderzoek geldt voor alle te slopen of realiseren gebouwen en geldt niet specifiek voor de ontwikkelingen binnen Havenkwartier;
37
-
-
-
Ecologie, Natura 2000: Uit onderzoek naar de stikstofdepositie is op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden is gebleken dat in het laatste bouwjaar en de gebruiksfase de stikstofdepositie na intern salderen maximaal 0,01 mol/ha/jaar zou kunnen zijn. Een ecologische voortoets is uitgevoerd. De ecologische voortoets geeft aan dat significante (negatieve) gevolgen op de hiervoor genoemde gebieden nog niet (volledig) uitgesloten kunnen worden. In de AERIUS-berekening is de referentiesituatie echter nog niet meegenomen. Vanuit de bestaande bedrijvigheid is saldo beschikbaar uit directe emissies (zoals gasverbruik), (vracht)verkeer en koude starts. Het ligt daarom voor de hand om intern salderen toe te passen als mitigerende maatregel bij dit plan. Hiervoor zal een passende beoordeling worden opgesteld. Op grond van artikel 16.36 lid 3 en 4 is sprake van een klein gebied en kan ook met passende beoordeling worden volstaan met een (plan)merbeoordeling. Archeologie: Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat binnen het plangebied op verschillende locaties archeologische vondsten te verwachten zijn. Bij daadwerkelijke uitvoering van grondwerkzaamheden zal aanvullend proefsleuvenonderzoek en aanvullend booronderzoek noodzakelijk geacht worden.
De ruimtelijke invulling is daarvoor niet bepalend voor mate van bodemverstoring; Cultuurhistorie: De aanwezige cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied blijven behouden en worden niet negatief beïnvloed door de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat ook het thema cultuurhistorie geen belangrijke nadelige milieugevolgen oplevert.
Er wordt daarom geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een mer-procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling.
38