Bijlage 3a Motivering - Aanmeldnotitie (plan- en project)mer-beoordeling Havenkwartier fase 2
Tekst van het document
Havenkwartier Rijswijk Aanmeldnotitie (plan- en project)mer-beoordeling, d.d. 3 december 2025
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
Inleiding ................................................................................................................................................. 3 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................................... 3
1.2
Waarom een aanmeldnotitie mer-beoordeling ...................................................................... 6
1.3
Criteria voor het toetsen van activiteiten in een mer-beoordeling...................................... 7
1.4
Leeswijzer ..................................................................................................................................... 8
Plaats en kenmerk van de activiteit ................................................................................................... 9 2.1
Kenmerken van de activiteit....................................................................................................... 9
2.2
Plaats van de activiteit .............................................................................................................. 11
2.3
Cumulatie met andere ontwikkelingen .................................................................................. 13
Kenmerken van het potentiële effect .............................................................................................. 14 3.1
Verkeer en parkeren ................................................................................................................. 14
3.2
Geluid .......................................................................................................................................... 18
3.3
Luchtkwaliteit ............................................................................................................................. 22
3.4
Externe veiligheid ...................................................................................................................... 24
3.5
Bodem ......................................................................................................................................... 26
3.6
Water ........................................................................................................................................... 27
3.7
Ecologie ....................................................................................................................................... 29
3.8
Archeologie ................................................................................................................................. 34
3.9
Cultuurhistorie ........................................................................................................................... 36
Conclusie .............................................................................................................................................. 37
ii
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Het Havenkwartier in Rijswijk transformeert van een verouderd bedrijventerrein met veel leegstand naar een gemengd stedelijk werk- en woongebied met een robuust, industrieel karakter aan het water. Het Ontwikkelkader Havenkwartier (2021) geeft aan dat in de toekomst het Havenkwartier ruimte zal bieden aan maximaal 2.500 woningen en 70.000 m2 bedrijfsruimte. Met de voorgenomen doorontwikkeling van het Havenkwartier in fase 2 wordt het programma aangepast. Deze aanmeldnotitie (plan- en project)mer-beoordeling gaat daar op in.
Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (globaal aangegeven met rode kader) binnen de gemeente Rijswijk
Fasering De ontwikkeling vindt gefaseerd plaats op basis van het Ontwikkelkader Havenkwartier. In fase 0 en fase 1 zijn de randen van het gebied aangepakt, met de transformatie van leegstaande
3
kantoren en de bouw van eerste nieuwe woningen en bedrijfsruimten. In fase 0 en 1 heeft de leegstand plaatsgemaakt via verschillende bestemmingsplanwijzigingen voor circa 2.100 woningen, ruim 30.000 m2 bedrijfsruimten en 13.000 m2 voorzieningen. Met fase 2 volgt de afronding van de gebiedsontwikkeling: het hart van het Havenkwartier. In deze fase worden werken en wonen verder gecombineerd; blijft bestaande bedrijvigheid behouden en ca 4.000 m2 bedrijfsruimte toegevoegd en worden circa 500 – 700 woningen toegevoegd in verschillende prijsklassen. Tevens wordt de doorsteek tussen de Vliet en OudRijswijk gerealiseerd en krijgen de waterkanten een centrale rol in de openbare ruimte.
Figuur 1.2 Fasering Havenkwartier
In het Ontwikkelkader Havenkwartier van 2021 is ruimte voorzien voor in totaal 2.500 woningen en 70.000 m2 bedrijven en voorzieningen. Voor de transformatie van het Havenkwartier gold ten tijde van het opstellen van het ontwikkelkader een mer-beoordelingsplicht. Deze merbeoordeling concludeerde dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat daardoor het opstellen van een MER niet noodzakelijk is. HUIDIGE SITUATIE 2021, CIRCA
PROGRAMMA ONTWIKKELKADER (2021), CIRCA
PROGRAMMA ONTWIKKELKADER INCLUSIEF ADDENDUM (2025), CIRCA
3 woningen
Maximaal 2.000-2.500 woningen
Maximaal 2.789 woningen
40.000 m2 bvo zelfstandige kantoren
0 m2 bvo zelfstandige kantoren
0 m2 bvo zelfstandige kantoren
80.000 m2 bvo bedrijfsruimte
Minimaal 70.000 m2 bedrijfsruimte
Minimaal 73.850 m2 bedrijfsruimte
0 m2 bvo voorzieningen
Maximaal 10.000 m2 bvo voorzieningen en 20.000 m2 bvo hotel
Maximaal 10.000 m2 bvo voorzieningen waarvan 5.100 m2 bvo hotel
Figuur 1.3: wijziging in programma, ontwikkelkader en addendum
4
Figuur 1.4 Impressie Havenkwartier (incl. addendum)
Op 25 november 2025 is een addendum op dit Ontwikkelkader vastgesteld. In het addendum is de combinatie werken en wonen uitgangspunt. Vanuit de positieve benadering is gezocht naar de beste functionele clustering, waarbij zowel bedrijvigheid als woningbouw van elkaar profiteren en tegelijk voldoende eigen interne samenhang en kritische massa genereren. Met het vaststellen van het addendum is sprake van een toename van 289 woningen en 3.850 m2 bvo bedrijvigheid dan in het Ontwikkelkader uit 2021 was beoordeeld op milieueffecten. De eerder uitgevoerde mer-beoordeling voldoet daarom niet meer voor de gehele ontwikkeling van fase 2. Voor de 289 extra woningen en 3.850 m2 bvo bedrijfsactiviteiten is daarom een aanvulling op de mer-beoordeling vereist. In deze (plan- en project)mer-beoordeling is voor dit extra programma beoordeeld of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het doorlopen van de merprocedure noodzakelijk maken. Omdat de toevoeging van programma onderdeel is van Havenkwartier Fase 2 en het onderliggende Havenkwartier is in deze aanmeldnotitie het grotere geheel van deze ontwikkelingen beschreven. De reeds in gang gezette ontwikkelingen binnen fase 0 en fase 1 hebben vooruitlopend op de resultaten van onderzoek geen milieueffect op de ontwikkelingen binnen het grotere geheel waar deze aanmeldnotitie betrekking op heeft.
De ontwikkelingen binnen fase 0 en 1 behoeven daarom geen aanpassingen. Deze (plan- en project)mer-beoordeling is geen beoordeling van de milieueffecten die in het kader van het wijzigingsbesluit omgevingsplan noodzakelijk zijn, maar richt zich (uitsluitend) op de beoordeling van de vraag of een mer noodzakelijk is. De voorliggende aanmeldingsnotitie (plan- en project)mer-beoordeling bevat de aanvullende informatie op basis waarvan het bevoegd gezag het mer-beoordelingsbesluit kan nemen. Hierbij geldt deze aanmeldnotitie merbeoordeling als aanvulling op de eerder uitgevoerde mer-beoordeling.
5
1.2
Waarom een aanmeldnotitie (plan- en project)mer-beoordeling
Het Havenkwartier in Rijswijk zal ontwikkeld worden van een bedrijventerrein naar een bruisend woon- werkgebied. Om in beeld te brengen wat de effecten van de ontwikkeling zijn op het milieu is het belangrijk om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. De regelgeving rondom mer is opgenomen in de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is aangegeven welke projecten mer-beoordelingsplichtig zijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat in de eerste kolom de omschrijving van projecten. de verplichting bestaat een milieueffectenrapportage (MER) op te stellen of dat een merbeoordeling uit te voeren. In een (plan- en project)mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van de activiteiten onderzocht, alternatieven geëvalueerd en mogelijke maatregelen om negatieve effecten te beperken (mitigatie) bekeken.
De procedure bestaat uit verschillende stappen, waaronder openbare inspraak en toetsing door de onafhankelijke Commissie mer. Vooraf kan men reageren op wat er onderzocht moet worden, en na afronding kan men het MER beoordelen op volledigheid en juistheid. Bij een (plan- en project)mer-beoordeling is het aan het bevoegd gezag om te besluiten of een mer-procedure nodig is, op basis van de verwachte milieueffecten. Dit besluit wordt vaak genomen met een aanmeldnotititie waarin de activiteit, locatie, milieuwaarden en verwachte effecten worden beschreven, meestal zonder uitgebreide onderzoeken. In tegenstelling tot de mer-procedure wordt er geen alternatievenonderzoek gedaan en is er geen openbare inspraak of toetsing door een commissie. Voor het Ontwikkelkader 2021 is eerder een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze ontwikkeling viel toen onder categorie D11.2 van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage. Er werd geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen werden verwacht en geen MER nodig was, wat door de raad werd bekrachtigd. Bij latere bestemmingsplanwijzigingen (Harbour Park, Urban Parks, De Havenmeester) zijn eveneens m.e.r.-beoordelingen opgesteld, waarbij voor cumulatie werd verwezen naar de eerdere m.e.r.-beoordeling. Voor Havenkwartier Fase 2 is sprake van een mer-beoordelingsplicht.
In categorie V is in categorie J11 het “stedelijk ontwikkelingsproject” opgenomen. Ten opzichte van de eerder uitgevoerde m.e.r.-beoordeling gaat het om het toevoegen van 289 woningen en 3.850 m2 bvo bedrijfsactiviteiten. Voor deze transformatie geldt geen directe mer-plicht (zie kolom 2), wel geldt hiervoor een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) bij het besluit op de omgevingsplanwijziging (kolom 4). Er is vanuit gegaan dat het plan voldoende concreet is om onder kolom 4 te vallen (er is dus geen sprake van een kaderstellend plan) en dat activiteiten binnen Fase 2 geen relatie hebben tot andere categorieën in bijlage V. Via de route van de Passende Beoordeling kan eveneens een Plan-merplicht gelden.
6
Figuur 1.5 Uitsnede bijlage V
1.3
Criteria voor het toetsen van activiteiten in een mer-beoordeling
De toets wordt opgesteld op basis van een lijst met criteria die is opgesteld voor een merbeoordeling. Deze beoordeling is gebaseerd op de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling1 (uit 2011). Deze richtlijn is door het Europees parlement opgesteld om eerder in het planningsproces na te denken over de effecten op het milieu. In de richtlijnen staan drie criteria met uitgangspunten per criterium benoemd: kenmerken van de activiteit, plaats van de activiteit en kenmerken van het potentiële effect (zie figuur 1.5). Criteria Kenmerken van de activiteit
Beoordelingscriterium
Plaats van de activiteit
1
Omvang en het ontwerp van het gehele project de opstapeling van effecten (cumulatie) met andere projecten het gebruik van natuurlijke hulpbronnen de productie van afvalstoffen verontreiniging en hinder het risico van zware ongevallen of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering de risico’s voor de menselijke gezondheid bestaand (en goedgekeurd) bodemgebruik relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en de ondergrond ervan het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: wetlands, oeverformatie en riviermondingen kustgebieden en het mariene milieu berg- en bosgebieden reservaten en natuurparken gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32011L0092
7
Kenmerken van
het potentiële effect
gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten. Bijvoorbeeld hoe groot het gebied is waar effecten optreden en hoeveel mensen daar wonen. de aard van het effect het grensoverschrijdend karakter van het effect de intensiteit en de complexiteit van het effect de waarschijnlijkheid van het effect de verwachte aanvang, de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen
Figuur 1.6 Overzicht criteria 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'
1.4
Leeswijzer
Deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd op basis van bovenstaande criteria: Hoofdstuk 2: de plaats van de activiteit en de kenmerken van de activiteit (aard en omvang, de wijze van aanleg); Hoofdstuk 3: de kenmerken van het potentiële effect van de activiteit; Hoofdstuk 4: de conclusie.
8
2 PLAATS EN KENMERK VAN DE ACTIVITEIT 2.1
Kenmerken van de activiteit
De plannen voor het Havenkwartier bestaan uit het transformeren en herontwikkelen van het bestaande bedrijventerrein tot een gemengd gebied waarin zowel werken als wonen mogelijk is. Het Havenkwartier is op dit moment een deels leegstaand bedrijventerrein in Rijswijk aan de rand van de Plaspoelpolder. Voor de transformatie wordt 80.000 m2 aan bestaande bebouwing gesloopt waarna er 2.789 woningen, 73.850 m2 aan bedrijfsruimte en 13.600 m2 voorzieningen wordt gerealiseerd in het plangebied. Deze toevoeging geschiedt op basis van een gefaseerde uitvoering, met naar verwachting een volledig gerealiseerd Havenkwartier in 2040. Fase 0 en 1 vormen de randen van het plangebied en fase 2 is het hart van het Havenkwartier en de ontwikkeling van de openbare ruimte en de haven (zie figuur 1.3). De transformatie maakt het behoud van bestaande bedrijfspanden, ofwel het terugkeren in nieuwbouw mogelijk. Voor wonen betreft de nieuwbouw met name appartementen en deels ook grondgebonden stadswoningen. De randen langs de lange insteekhaven lenen zich voor de grondgebonden stadswoningen. Naast bebouwing wordt minimaal 20% van elk kwadrant ingericht als openbaar gebied met ruimte voor groen en water. Een kwadrant is een ontwikkelveld van verschillende grondeigenaren. Er zijn vier ontwikkelvelden in het plangebied. In figuur 2.1 is het plangebied weergeven.
De verkeersontsluiting blijft bij de transformatie gelijk aan de huidige situatie.
Prunuskade
Nijverheidsstraat
Burgemeester Elsenlaan
Steenplaetsstraat RijnSchiekanaal
Limpergstraat
A4 Van Benthemlaan
Figuur 1.1 Plangebied Havenkwartier
Fase 2 van het Havenkwartier (zie figuur 2.2) bestaat uit het behouden en/of bebouwen van het hart van het Havenkwartier en het vastleggen van de openbare ruimte en de haven.
9
Figuur 2.2 Plangebied Havenkwartier fase 2
In Fase 2 komen bedrijfsruimten en een mix van woningtypes (ook grondgebonden woningen), worden verbindingen door het gebied en met de omgeving gemaakt en wordt de openbare ruimte vergroend. Bij aanvang van de planvorming is reeds een deel van Fase 2 bestempeld als openbare ruimte, dit zijn de kade langs de Lange Haven en de Doorsteek. Fase 2 wordt opgedeeld in 4 kwadranten. Over deze 4 kwadranten wordt het gewenste programma verdeeld, voor zowel bedrijfsruimten als woningen. De gewenste woningen bestaan uit 1/3 sociale huur, 1/3 betaalbare woningen en 1/3 dure woningen. De doelstellingen voor de vier kwadranten zijn vastgelegd in gebiedspaspoorten gebaseerd op de stedenbouwkundige illustratieve schets (zie figuur 2.3).
Figuur 2.3 Gebiedspaspoorten van Fase 2 Havenkwartier Rijswijk
10
Figuur 2.4 Elementen ruimtelijke kwaliteit van Fase 2 Havenkwartier Rijswijk
Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven, richt deze aanmeldnotitie zich op het extra programma dat het addendum mogelijk heeft gemaakt, het toevoegen van 289 woningen, 3.850 m2 bvo bedrijfsactiviteiten en de mogelijke cumulatie-effecten van deze toevoeging. Omdat de toevoeging van programma onderdeel is van Havenkwartier Fase 2 en het onderliggende Havenkwartier is in de aanmeldnotitie het grotere geheel van deze ontwikkelingen beschreven.
2.2
Plaats van de activiteit
Plangebied Het plangebied van Havenkwartier Fase 2 is gelegen in een grootstedelijk gebied. Als onderdeel van Rijswijk maakt fase 2 deel uit van het Havenkwartier en daarmee van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag, waarbij het Havenkwartier dicht tegen de stad Den Haag is aangelegen. De ontsluiting naar het snelwegennetwerk is op slechts 800 meter van het plangebied. Via de A4 en A13 is Rotterdam goed bereikbaar. Naast de ontsluiting op het hoofdwegennetwerk is het dichtstbijzijnde treinstation station Rijswijk, gelegen op ongeveer 1,5 kilometer van het plangebied. Tramhaltes zijn langs de Burgemeester Elsenlaan naast het plangebied gelegen. In Havenkwartier Fase 2 zijn op dit moment in hoofdzaak bedrijfsactiviteiten mogelijk. Gevoelige gebieden en waarden in en rond plangebied Het plangebied ligt niet in of direct nabij beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Westduinpark & Wapendal (zie figuur 2.3). Dit duingebied aan de kust bij Den Haag is gelegen op circa 6,6 km afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft Park te Werve (zie figuur 2.4). Dit park, gelegen in de gemeente Rijswijk, ligt op circa 650 meter afstand tot het plangebied.
11
Figuur 2.5 Ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: AERIUS
Figuur 2.6 NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied (bron: provincie Zuid-Holland).
Het plangebied ligt niet in of nabij een (reserveringsgebied) waterbergings-, drinkwaterwinnings of grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied zijn archeologische verwachtingswaarden aanwezig. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.8. Het plangebied is gelegen in de verloopcontour van de landgoederenzone, deze zone loopt van de oude duinenrij van Monster naar Haarlem. De zone zelf loopt echter niet door het plangebied. Naast deze verloopcontour kent het plangebied geen bijzonder landschappelijke of cultuurhistorische
12
waarden en maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht, een Rijks-, gemeentelijk- en/of archeologische monumenten.
2.3
Cumulatie met andere ontwikkelingen
De ontwikkelingen in het Havenkwartier is geen losstaande ontwikkeling, het project valt binnen de toekomstvisie Plaspoelpolder (vastgesteld op 07-02-2017). De toekomstvisie is opgesteld als maatgevend kompas voor de komende tien jaar, met een doorloop tot 2040. In de toekomstvisie wordt geanticipeerd op de integrale benadering van vraagstukken in de fysieke leefomgeving dat centraal staat in de (destijds nog komende) Omgevingswet. Op 24 september 2019 is het addendum op de toekomstvisie Plaspoelpolder (2017) vastgesteld door de gemeenteraad van Rijswijk. Hierin zijn het vertrek van Shell uit het gebied en de extra vraag naar kantoren, bedrijfsruimte en woningen meegenomen. Hierin worden op meer locaties functiemenging toegestaan. De ontwikkeling van het Havenkwartier past binnen deze grotere ambitie waarbij ieder deelgebied zijn eigen profiel kent. Dit is vervolgens ook in de Omgevingsvisie (vastgesteld april 2025) opnieuw bevestigd. De plannen voor de rest van de Plaspoelpolder zijn nog in ontwikkeling. Direct naast het Havenkwartier is Rijswijk Wonen van plan om Galjoenstraat e.o. sloop/nieuwbouw te plegen. Aan de overzijde van de Burgemeester Elsenlaan worden een aantal leegstaande panden getransformeerd. Het middengebied van de Plaspoelpolder blijft bedrijventerrein.
De effecten van de transformatie van het hart (fase 2) van het Havenkwartier zijn beperkt en zeer lokaal (zie hoofdstuk 3). Wel is voor zover ontwikkelingen in de nabije omgeving bekend zijn in deze aanmeldnotitie de cumulatie op het gebied van verkeer, geluid, lucht en stikstof inzichtelijk gemaakt.
Figuur 2.7 De Plaspoelpolder (paarce arcering) en het plangebied van het Havenkwartier fase 2 (bron Omgevingsvisie) En indicatieve ligging van de drie ontwikkelgebieden: Bordewijkzone, Galjoenstraat e.o. en Havenkwartier Fase 2 (binnen het plangebied van de volledige transformatie (bron: bijlage I, raadsvoorstel fase 2)
13
3 KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT De voorgenomen ontwikkeling kan invloed hebben op het milieu. In dit hoofdstuk zijn de verwachte milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergeven. Dit is weergegeven op basis van de gebieds- en milieuonderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het wijzigingsbesluit. Hierbij is dus het totaal van de ontwikkeling van Havenkwartier fase 2 onderzocht. Enerzijds worden de verkeersgerelateerde effecten beschouwd, zoals eventuele effecten van de verkeerstromen op de bereikbaarheid, de geluidbelasting en de luchtkwaliteit. Anderzijds worden meer locatie gerelateerde effecten beschouwd die te maken hebben met de ontwikkelingen en wijzigingen binnen het gebied. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten op water en op flora en fauna.
3.1
Verkeer en parkeren
Verkeer Voor het inzichtelijk maken van de verkeerskundige effecten van het voornemen op de doorstroming van het verkeer in het Havenkwartier heeft de gemeente Rijswijk eerder in het kader van de eerder uitgevoerde m.e.r.-beoordeling een verkeerskundig onderzoek laten uitvoeren door Goudappel Coffeng2. Op basis van dit onderzoek is beoordeeld of er door de uitvoering van het voornemen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren. De gemeente heeft een gemeentebrede Mobiliteitsstrategie (d.d. juli 2024) vastgesteld. De mobiliteitsstrategie van Rijswijk (2024) is ontwikkeld als uitwerking van het Mobiliteitsprogramma 2040 en richt zich op het vinden van een nieuw evenwicht tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in een groeiende stad. De strategie kiest expliciet voor schone vervoermiddelen met een lage ruimtelijke impact, waarbij het STOMP-principe (Stappen, Trappen, OV, deelMobiliteit, Personenauto) centraal staat. Dit betekent dat lopen, fietsen en openbaar vervoer prioriteit krijgen boven de auto, met een wijkgerichte aanpak die rekening houdt met de specifieke kenmerken van verschillende gebieden. De zeven strategische pijlers zijn: nabijheid (voorzieningen dichtbij), efficiënt ruimtegebruik, doorstroming, keuzevrijheid, veiligheid, leefbaarheid en gezondheid.
Deze pijlers zijn leidend voor de inrichting van de stad en het stimuleren van duurzaam mobiliteitsgedrag. Er wordt gewerkt met een gebiedsgerichte benadering, waarin maatwerk gegeven kan worden aan gebiedsontwikkelingen, maar wel met oog voor een integraal mobiliteitsnetwerk in Rijswijk. In 2024 heeft Goudappel het verkeersonderzoek herijkt aan de hand van het verkeersmodel (V-MRDH 3.0). Scenario’s Goudappel heeft vervolgens drie scenario’s onderzocht: 1. Een scenario met 2.500 woningen, 70.000 m2 bvo bedrijfsruimte en 17.201 m2 bvo aan voorzieningen. 2. Bovenstaand scenario met 6.000 m2 minder voorzieningen. 3. Kwalitatief een doorkijk naar het toevoegen van 1.000 woningen in Havenkwartier Bij de eerste twee scenario’s kunnen de cyclustijden op alle kruispunten als “goed” of “redelijk/matig” geclassificeerd worden. Uitzondering is het kruispunt Diepenhorstlaan – Veraartlaan, dit vormt een knelpunt in de avondspits. Verder speelt bij alle onderzochte 2
Goudappel Coffeng, Verkeerseffecten ontwikkeling Havenkwartier Rijswijk, oktober 2019
14
kruispunten dat de wachtrijlengte een bottleneck vormt. Bij het belangrijkste knelpunt (de kruising Diepenhorstlaan-Veraartlaan) is 13% van het verkeer te relateren aan Havenkwartier in scenario 2 en in de avondspits 20%. In het derde scenario is cumulatie van ontwikkelingen in de omgeving in beeld gebracht. Bij het derde scenario (toevoegen van 1.000 woningen) stijgt de 13% in de ochtendspits naar 17% en de 20% in de avondspits naar 22%. Ook zonder de herontwikkelingen zijn de kruispunten echter al zwaarbelast, dit speelt dus ook al in de referentiesituatie. Op de kruispunten op de Burgemeester Elsenlaan zijn inmiddels iVRI’s geplaatst. De extra capaciteit die dit levert, wordt gefaseerd toegevoegd afgestemd op de bouwontwikkelingen. Havenkwartier fase 2 Antea Group heeft op 3 september 2025 in de Verkenning potentiële milieueffecten Bordewijkzone, Galjoenstraat e.o. en Havenkwartier fase 2 de cumulatieve effecten in beeld gebracht. Hierbij is rekening gehouden met drie scenario’s en is de verkeersafwikkeling op een zevental (twee extra) kruispunten onderzocht (zie figuur 3.2). Hierbij is beschouwd wat het effect is indien scenario 3 wordt gespreid over Havenkwartier en de directe omgeving (Galjoenstraat e.o. en Bordewijkzone) in het kader van cumulatie-effecten. Dat blijkt op het netwerk nauwelijks effect te hebben.
De volgende stap bestaat uit een verkeersonderzoek bij de verdere planuitwerking van fase 2. Bij de omgevingsplanwijziging dient namelijk aangetoond te worden dat het plan ‘niet evident onuitvoerbaar’ is, daarin speelt de verkeersafwikkeling naar verwachting een cruciale rol. In het Verkeersonderzoek Havenkwartier Fase 2 d.d. 10 november 2025 van Antea Group is de toename van verkeersintensiteiten als gevolg van Fase 2 vooruitlopend op de vaststelling van het addendum in kaart gebracht. Hier is voor gekozen om te zorgen dat verkeersafwikkeling een onderdeel van de besluitvorming kan zijn bij het wijzigingsbesluit. Dit onderzoek is gedaan door de verkeersgeneratie van de ontwikkeling in het MRDH-verkeersmodel (versie 3.0.2) in te voeren waarbij gekeken is naar het toekomstjaar 2040 (scenario hoog). In totaal zijn zeven kruispunten in de omgeving onderzocht, omdat uit eerdere verkeersstudies blijkt dat het wegennet rondom de ontwikkellocatie al grotendeels benut wordt en er weinig reservecapaciteit is. In onderstaand figuur is de liggen van het Havenkwartier opgenomen en zijn de kruispunten weergegeven. Hiervan betreffen er zes VRI-kruispunten en één rotonde: 1. Kruispunt Burg. Elsenlaan – Handelskade 2. Kruispunt Burg. Elsenlaan – Limpergstraat 3. Rotonde Diepenhorstlaan – Verrijn Stuartlaan 4. Kruispunt Veraartlaan – Diepenhorstlaan 5.
Kruispunt Diepenhorstlaan – Polakweg – A4 6. Kruispunt Burg. Elsenlaan – Generaal Spoorlaan 7. Kruispunt Burg. Elsenlaan - Churchilllaan
15
Figuur 3.1 Ligging kruispunten
Het MRDH-verkeersmodel is gebruikt om de verkeersstromen per kruispunt te bepalen in de autonome en plansituatie. Vervolgens zijn de kruispunten doorgerekend met behulp van standaard verkeerskundige software. Voor de VRI-kruispunten is gebruik gemaakt van COCON. Voor de rotonde is gebruik gemaakt van de Meerstrooksrotondeverkenner. Met betrekking tot de uitkomsten van de kruispuntberekeningen zijn algemeen geaccepteerde verkeerskundige criteria gehanteerd: Voor de kruispuntberekeningen zijn de ochtend- en avondspits als maatgevende momenten gehanteerd. Bij een VRI geldt dat een cyclustijd van meer dan 120 seconden als ongewenst wordt beschouwd. Voor rotondes geldt dat een verzadigingsgraad boven 0,8 als ongewenst wordt beschouwd. Uit het onderzoek van AnteaGroup blijkt dat kruispunt 1, 2, 5 en 7 zowel in ochtend- als avondspits van de autonome- als plansituatie een goede cyclustijd kennen, ruim onder de 100 seconden. Ook de verzadigingsgraad van de rotonde blijft tijdens beide spitsmomenten in de autonome en plansituatie ruim onder de grenswaarde. De doorstroming op deze VRIkruispunten en rotonde is op basis van de cyclustijden dan ook goed. Kruispunt 4 kent in de autonome situatie een matige cyclustijd (tussen de 100 en 120 sec). Dit geldt zowel voor de ochtend- als avondspits.
In de plansituatie neemt de cyclustijd in de ochtendspits verder toe waarmee deze precies uitkomt op de grens wat nog acceptabel is. In de avondspits neemt de cyclustijd juist af ten opzichte van de autonome situatie. Door een andere verdeling van verkeer over de richtingen komt deze onder de 100 seconden uit. Daarnaast is de cyclustijd van kruispunt 6 in de autonome situatie (te) lang. In de ochtendspits bedraagt deze 105 seconden, maar in de avondspits loopt deze op tot 127 sec. In de plansituatie nemen de cyclustijden niet toe ten opzichte van de autonome situatie. In de bijlage van het Verkeersrapport zijn de resultaten per kruispunt verder uitgewerkt. Hierin zijn ook de benodigde opstellengtes in vergelijking met de beschikbare opstellengtes nader toegelicht. Over het algemeen valt te stellen dat vrijwel alle kruispunten meerdere signaalgroepen kennen waarvan de opstelcapaciteit een bottleneck vormt. Deze knelpunten worden niet door het Havenkwartier Fase 2 veroorzaakt: het netwerk is ook zonder Havenkwartier Fase 2 al zwaarbelast met wachtrijen langer dan de opstelvakken. Enkel kruispunt 5 (Diepenhorstlaan - A4) kent bij alle signaalgroepen in de autonome- als plansituatie, zowel bij de ochtend- als avondspits, voldoende opstellengte.
16
Parkeren Onderdeel van de mobiliteitsstrategie is de toepassing van STOMP (Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a service, Prive-auto). Zo wordt er meer ingezet op fietsen en lopen en minder op de auto. Al het parkeren wordt op eigen terrein georganiseerd. De parkeernormen uit het Ontwikkelkader Havenkwartier blijven van toepassing. Er is een gemiddelde norm benut om te komen tot een goede inschatting of het parkeren oplosbaar is binnen de voorkeursvariant. Het uitgangspunt is voor de inschatting van het parkeren is: 1,4 parkeerplaats per 100 m2 bvo bedrijfsruimte 0,6 parkeerplaats per sociale woning; 1 parkeerplaats voor betaalbare appartementen; 1,15 parkeerplaats voor dure appartementen; 1.6 per eengezinswoning; 1,7 per 100 m2 bvo voorzieningen. In het Verkeersonderzoek Havenkwartier Fase 2 d.d. 10 november 2025 van Antea Group is de totale parkeerbehoefte van Havenkwartier Fase 2 (woningen, werken en voorzieningen) vooruitlopend op de vaststelling van het addendum in kaart gebracht. Dit komt afgerond uit op 1.251 parkeerplaatsen. Daarnaast worden in het gebied parkeerplaatsen gerealiseerd voor de ontwikkeling van ‘De Havenmeester’. Voor deze ontwikkeling zijn 213 parkeerplaatsen benodigd. Samen met de benodigde parkeerplaatsen voor de ontwikkeling van het Havenkwartier Fase 2 komt de parkeerbehoefte in het plangebied neer op 1.464 parkeerplaatsen.
In het gebied wordt gestuurd op het gebruik van een intelligente flexibele manier van vervoer doormiddel van bijvoorbeeld deelauto’s. De verwachting is dat deelautogebruik het autobezit verlaagt en er daarmee ook een lagere parkeerbehoefte is. De verwachte parkeerbehoefte binnen het gebied ligt lager dan de huidige inschatting op basis van deze gemiddelde normen. De gedetailleerde berekening van de parkeerbehoefte en verdere uitwerking van de parkeervoorzieningen vindt plaats bij de omgevingsvergunning. De borging hiervan wordt voorzien in de planregels van het wijzigingsbesluit. De normen van het wijzigingsbesluit volgen het Ontwikkelkader Havenkwartier 2021. Conclusie Uit de kruispuntberekeningen blijkt dat vijf van de zeven kruispunten zowel in de autonome als plansituatie een acceptabele cyclustijd kennen. Kruispunt 4 kent in de ochtendspits van de plansituatie een cyclustijd die precies uitkomt op de grens wat nog acceptabel is. Kruispunt 6 overschrijdt in de avondspits zowel in de autonome- als plansituatie de acceptabele cyclustijd. De realisatie van fase 2 leidt niet tot een toename van cyclustijd. Alle kruispunten kennen meerdere signaalgroepen waarvan de opstelcapaciteit een bottleneck vormt, met uitzondering van kruispunt 5.
Deze knelpunten worden niet door het Havenkwartier Fase 2 veroorzaakt: het netwerk is ook zonder Havenkwartier Fase 2 al zwaarbelast met wachtrijen langer dan de opstelvakken tot gevolg. Ook in cumulatief opzicht is beoordeeld wat de effecten op de verkeersafwikkeling zijn. Ook zonder de herontwikkelingen zijn de kruispunten al zwaarbelast. Op de kruispunten op de Burgemeester Elsenlaan zijn inmiddels iVRI’s geplaatst. De extra capaciteit die dit levert, wordt gefaseerd toegevoegd afgestemd op de bouwontwikkelingen. De gemeente heeft een gemeentebrede Mobiliteitsstrategie (d.d. juli 2024) vastgesteld. Hierin wordt gewerkt met een gebiedsgerichte benadering, waarin maatwerk gegeven kan worden aan gebiedsontwikkelingen, maar wel met oog voor een integraal mobiliteitsnetwerk in Rijswijk. De parkeerbehoefte is op
17
hoofdlijnen inzichtelijk gemaakt, omdat de omgevingsplanwijziging een flexibel karakter heeft en het definitieve ontwikkelprogramma nog niet is vastgesteld. De gedetailleerde berekening van de parkeerbehoefte en verdere uitwerking van de parkeervoorzieningen vindt plaats bij de omgevingsvergunning. De borging hiervan wordt voorzien in de planregels van het wijzigingsbesluit.
3.2
Geluid
Omgevingswet Geluid door activiteiten De Ow geeft instructieregels (minimale vereisten) voor de beoordeling van geluid bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze instructieregels kunnen worden aangevuld met extra gemeentelijke beleidsregels. Ook kunnen gemeentelijke beleidsregels zwaardere eisen aan het geluid stellen dan de verplichte instructieregels. Voor geluid gelden regels: Als een ontwikkeling geluidgevoelige functies bevat (bijvoorbeeld woningen, scholen of zorgfuncties met een bedgebied); Als een ontwikkeling zelf geluid produceert; Als indirect het geluid toeneemt als gevolg van een toename van de verkeersproductie door de ontwikkeling. In het Bkl worden ten aanzien van geluid op een geluidgevoelig gebouw de volgende termen gehanteerd: - Standaardwaarde: een geaccepteerd geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken (artikel 5.65); - Grenswaarde: een grens waarvan alleen bij uitzondering (zoals bij zwaarwegende belangen) en met geluidbeperkende maatregelen kan worden afgeweken (artikel 5.66 Bkl) Het Bkl bevat instructieregels voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw in de vorm van standaardwaarden (tabel 5.65.1 uit het Bkl) en grenswaarden voor het geluid in geluidgevoelige ruimten binnen een in- en aanpandige geluidgevoelig gebouwen (tabel 5.65.2 uit het Bkl).
Ook geldt op basis van genoemd artikel 5.66 Bkl een flexibiliteitsbepaling. Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie andere waarden (hoger of lager) bevatten dan de standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw mits dit niet leidt tot overschrijding van de grenswaarde voor toelaatbaar geluid binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen inen aanpandige geluidgevoelige gebouwen (tabel 5.66 uit het Bkl). Bij wijziging van het omgevingsplan voor fase 2 kan dus aangesloten worden bij het Bkl waarbij gemotiveerd afwijken van de standaardwaarde voor toelaatbaar geluid mogelijk is. Hiervoor is het Geluidkader Fase 2 Havenkwartier’ opgesteld. Geluid door wegen Ook geeft de Ow een kader voor beoordeling van het geluid van (gemeente)wegen op de gevels van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. In het Havenkwartier worden geluidgevoelige gebouwen aan het geluid van rijksweg A4 en gemeentewegen blootgesteld. Vergelijkbaar met het geluid oor activiteiten worden in het Bkl ten aanzien van geluid de volgende termen gehanteerd: - Standaardwaarde: een geaccepteerd geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken (artikel 5.78t uit het Bkl);
18
-
Grenswaarde: een grens waarvan alleen bij uitzondering (zoals bij zwaarwegende belangen) en met geluidbeperkende maatregelen kan worden afgeweken (artikel 5.78u van het Bkl). Wanneer de standaardwaarde voor rijksweg A4 en/of die voor gemeentewegen wordt overschreden, wordt volgens artikel 5.78ab uit het Bkl, het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken. Daarnaast dient volgens artikel 5.78ac uit het Bkl de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld. Het gecumuleerde geluid betreft het geluid van de in het Bkl aangewezen geluidbronsoorten, in de situatie voor het havenkwartier het geluid van de rijksweg A4 en de gemeentewegen. De beoordeling kan plaatsvinden conform artikel 3.38 uit het Bkl. Het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen is geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. De karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is niet kleiner dan het verschil tussen gezamenlijke geluid, bedoeld in bijlage I bij het Bkl en 33 dB. Geluidkader Fase 2 Havenkwartier De gemeente heeft voor Havenkwartier Fase 2 het “Geluidkader Fase 2 Havenkwartier” vastgesteld. Dit is een beleidsmatig toetsingskader voor de omgang met geluid door activiteiten binnen de tweede fase van de gebiedsontwikkeling.
In fase 2 transformeert het Havenkwartier van een bedrijventerrein naar werk- woongebied. Dit kader is door de gemeente opgesteld met als doel dat bestaande bedrijven hun activiteiten kunnen voortzetten, terwijl binnen het plangebied tegelijkertijd geluidgevoelige functies (zoals woningen) kunnen worden gerealiseerd met behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De locatie van de nieuwe woningen is nog niet vastgesteld dus in dit geluidkader wordt gewerkt met geluidruimte. De kern van het geluidkader is dat de geluidruimte van bestaande bedrijven in het gebied wordt vastgelegd in geluidcontouren. Deze geluidcontouren zijn gebaseerd op de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uitgedrukt in etmaalwaarden en piekgeluiden van de bedrijven. Buiten deze contouren met standaardwaarden kan woningbouw zonder meer plaatsvinden. Binnen de contouren wordt eerst beoordeeld of maatregelen bij het bedrijf mogelijk zijn om de geluiduitstraling te beperken; als dat niet haalbaar is, kan onder voorwaarden een hogere grenswaarde worden toegestaan dan de standaardwaarde. Voor nieuwe bedrijven geldt dat binnen 10 meter van de perceelgrens aan de standaardwaarden uit het Bkl moet worden voldaan. Wanneer binnen 30 meter geen geluidgevoelige functies zijn voorzien, mag die afstand worden verruimd. De gemeente kan onder voorwaarden maatwerkvoorschriften verlenen voor hogere waarden, mits: 1.
de Beste Beschikbare Technieken (BBT) worden toegepast; 2. het geluidniveau als aanvaardbaar wordt beoordeeld (max. 55 dB(A) cumulatief); en 3. passende bouwkundige maatregelen worden getroffen. Bedrijven binnen de plint van een te realiseren woongebouw zijn toelaatbaar indien aantoonbaar gemaakt wordt dat voldaan kan worden aan de grenswaarden binnen gevoelige ruimten (zie tabel 5.65.2 uit het Bkl. Verkenning potentiële milieueffecten Antea Group heeft in een verkenning de potentiële milieu-effecten in de omgeving voor geluid cumulatief beschouwd. Uit deze analyse blijkt dat het Havenkwartier ligt in een gebied met een
19
relatief hoge geluidbelasting. In de mer-beoordeling uit 2020 is geconcludeerd dat een aanvaardbaar geluidklimaat gecreëerd kan worden door middel van mitigerende maatregelen, waardoor significante effecten kunnen worden voorkomen. De inpassing, uitwerking en borging van maatregelen is nader beschouwd in het onderzoek van Peutz (november 2025). Geluidonderzoek Peutz In het onderzoek van Peutz is het geluid van bedrijven inzichtelijk gemaakt door middel van geluidcontouren ten gevolge van activiteiten bij de bestaande bedrijven voor zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (uitgedrukt als etmaalwaarde) als maximale geluidniveaus, zie ook de paragraaf onder Geluidkader Fase 2 Havenkwartier. De waarden van de
geluidcontouren zijn gebaseerd op de zowel de standaardwaarden als de grenswaarden voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Dit betreft contouren van elk afzonderlijk bestaand bedrijf waarbij de overige bebouwing binnen het besluitgebied is verdwenen en contouren van alle bedrijven gezamenlijk waarbij de bebouwing is gehandhaafd. Bij woningbouwontwikkeling wordt daarmee inzicht verschaft in de te verwachten geluidniveaus op de gevels. In de beschikbare rekenmodellen kunnen de te projecteren bebouwingen worden ingevoerd om het effect ervan op het geluid bij andere ontwikkelingen te bepalen. Aanvullend is het geluid op de te realiseren woningen bepaald voor een voorkeursvariant. Naast het geluid van bedrijven zoals beschreven is tevens het geluid van wegverkeer in beeld gebracht en zijn de consequenties beschreven. Het geluid van wegverkeer wordt met name veroorzaakt door rijksweg A4. Geluid van activiteiten Uit de gegeven geluidcontouren (dus zonder afschermende werking van bestaande en/of toekomstige bebouwing) vanwege activiteiten (bedrijven) volgen de (on)mogelijkheden beperkingen om woningbouw te realiseren binnen het geluidkader. Afwijking is mogelijk bij
maatwerk waarbij voldaan moet worden aan de voorwaarden zoals genoemd in het geluidkader Havenkwartier fase 2 Per woningbouwontwikkeling zal daarom in het kader van vergunningverlening nader onderzoek uitgevoerd moeten worden. De onderzoeken kunnen gebaseerd worden op de geluidgegevens en modellen welke worden opgenomen in een geluidregister. De in het onderzoek onderzochte voorkeursvariant leidt tot gezamenlijke geluid op een aantal gevels van woningen hoger dan 50 dB(A)-etmaalwaarde, maar niet hoger dan 55 dB(A)etmaalwaarde. Daarmee is de voorkeursvariant ten aanzien de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus inpasbaar binnen het geluidkader Havenkwartier fase 2. De berekende maximale geluidniveaus zijn in de avond- en nachtperiode lager of gelijk aan 70 dB(A) voor aandrijfgeluid (vrachtverkeer) en 65 dB(A) voor overige activiteiten (laden/lossen e.d.). Ook hier wordt aan de voorwaarden uit het geluidkader Havenkwartier fase 2 voldaan. In de dagperiode kunnen op een aantal gevels geluidpieken tot maximaal 83 dB(A) optreden als gevolg van het pletten van autowrakken en/of laten klappen van airbags bij het autodemontagebedrijf Binckhorst.
Hoewel formeel dergelijke piekgeluidniveaus die nu uitsluitend in de dagperiode optreden geen beoordeling behoeven, wordt geadviseerd door het treffen van maatregelen bij het bedrijf, de geluidemissie te beperken tot maximaal 75 dB(A) op de gevels van woningen. Nog te vestigen bedrijven zullen een zodanige geluidemissie moeten hebben dat dit inpasbaar is binnen de geluidgrenswaarden uit het geluidkader (zie hoofdstuk 2). Dit kan betekenen dat sprake dient te zijn van:
20
stille buiten opgestelde (dak)installaties;
geen luidruchtige activiteiten buiten de bebouwing;
laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode op voldoende afstand van woningbouw of afscherming realiseren of laden en lossen inpandig realiseren.
Bedrijven binnen de plint van een te realiseren woongebouw zijn toelaatbaar indien aantoonbaar gemaakt wordt door het realiseren van voldoende hoge geluidsisolaties avn scheidingsconstructies dat voldaan kan worden aan de grenswaarden binnen gevoelige ruimten (zie tabel 5.65.2 uit het Bkl. Geluid van wegen Rijksweg A4 Uit de resultaten van de berekeningen van de geluidcontouren volgt dat de standaardwaarde van 50 dB in het gehele besluitgebied wordt overschreden, zowel op 5 als op 20 meter hoogte. De grenswaarde van 60 dB wordt in een beperkt gebied in de noordwestzijde van het besluitgebied. Maatregelen, brongericht aan de weg of overdrachtsbeperkend door toepassing van geluidschermen, leiden indien al mogelijk tot een beperkte en onvoldoende geluidreductie. Geluidschermen als overdrachtsbeperkende maatregelen zullen eveneens onvoldoende effect hebben gezien het uitgestrekte brongebied. Daar waar de grenswaarde wordt overschreden kunnen de gevels waarop de geluidbelasting hoger is dan de grenswaarde uitgevoerd worden als een niet-geluidgevoelige gevel. Het is ook mogelijk om een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen te realiseren (artikel 5.78y, lid 2 Bkl). De geluidbelasting als gevolg van gemeentewegen is in een tweetal kleine gebieden (noordwestzijde en zuidoostzijde) binnen het besluitgebied (figuren 6.5 en 6.6) hoger dan de standaardwaarde 53 dB.
Op geen enkele te realiseren woning wordt de grenswaarde van 70 dB(A) overschreden. Maatregelen als niet-geluidgevoelige gevels, al of niet met bouwkundige maatregelen, zijn niet vereist. Maatregelen om het geluid van gemeentewegen te beperken middels geluidarm asfalt zijn niet doeltreffend. Er zijn immers veel kruispunten waar het aanbrengen van een geluidarm asfalt stilwegdek vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk is. De slijtage vanwege optrekken, remmen en bochten nemen is veel groter dan op rechte delen van een weg. Geluidschermen zijn in een stedelijke omgeving sowieso niet wenselijk en leidt tot een beperkte reductie door de in- en uitritten en kruisingen met andere wegen, waardoor gesloten geluischermen onmogelijk zijn. Gemeentewegen De geluidbelasting als gevolg van gemeentewegen is in een tweetal kleine gebieden (noordwestzijde en zuidoostzijde) hoger dan de standaardwaarde 53 dB. Op geen enkele te realiseren woning wordt de grenswaarde van 70 dB(A) overschreden. Maatregelen als nietgeluidgevoelige gevels, al of niet met bouwkundige maatregelen, zijn niet vereist. Maatregelen om het geluid van gemeentewegen te beperken middels geluidarm asfalt zijn niet doeltreffend. Er zijn immers veel kruispunten waar het aanbrengen van een geluidarm asfalt stilwegdek vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk is.
Geluidschermen zijn in een stedelijke omgeving sowieso niet wenselijk en leidt tot een beperkte reductie door de in- en uitritten en kruisingen met andere wegen, waardoor gesloten geluischermen onmogelijk zijn.
21
Cumulatie Het gecumuleerde geluid van wegen (rijksweg en gemeentewegen) varieert van <50 tot 65 dB. De beoordeling varieert tussen goed en tamelijk slecht. Het hoogste gecumuleerde geluid wordt veroorzaakt op de woningen waarbij de zuidoost- en noordoostgevels gericht zijn naar rijksweg A4 en de toerit naar de A13. Veel gevels zijn ook vanwege wegen als geluidluw te bestempelen, een aantal gevels is dat niet. Minimaal één gevel van een woning dient geluidluw te zijn. Daar waar dat nog niet het geval is, dient dit gerealiseerd te worden door de toepassing van Harbour fensters, afsluitbare loggia’s, geluiddempende ventilatieboxen o.d. Conclusie Bij daadwerkelijke invulling van het besluitgebied, al of niet gefaseerd, dient per woning berekend te worden wat de geluidbelasting is per bedrijf en gecumuleerd bij blootstelling aan het geluid van meerdere bedrijven. Tevens dient daarbij het geluid van wegen inzichtelijke gemaakt te worden. Alleen het geluid van rijksweg A4 leidt tot overschrijding van de grenswaarde. Als maatregel voor het geluid van de rijksweg A4 dient een niet-geluidgevoelige gevel gecreëerd te worden, al of niet met bouwkundige maatregelen. Daar waar de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 50 dB dient te bedragen om de gevels als geluidluw te bestempelen, dienen maatregelen als Harbour fensters, afsluitbare loggia’s, geluidgedempte ventilatieboxen o.d.
te worden toegepast. Bewoners kunnen bij geopende geveldelen dan alsnog relatief stil ventileren. Op basis van het akoestisch onderzoek en het geluidkader voor Havenkwartier fase 2 kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling akoestisch inpasbaar is, mits in de verdere planuitwerking zorgvuldig wordt omgegaan met de aanwezige geluidbronnen. Het geluid van bestaande bedrijven blijft binnen de beleidskaders; buiten de geluidcontouren is woningbouw zonder beperkingen mogelijk, en binnen de contouren kan onder voorwaarden een hogere waarde worden toegestaan. Voor piekgeluiden bij het autodemontagebedrijf zijn aanvullende maatregelen vereist. Het wegverkeerslawaai, met name van de rijksweg A4, vormt de dominante geluidbron binnen het plangebied. Hoewel de standaardwaarden worden overschreden en de grenswaarde lokaal wordt bereikt, kunnen plaatselijk maatregelen getroffen worden en ter plaatse van de overschrijdingen met niet-geluidgevoelige gevels of gerichte bouwkundige voorzieningen te werken. De ontwikkeling van Sijthoff levert daarbij een aanzienlijke afschermende werking. Cumulatief blijft het merendeel van de gevels binnen een aanvaardbaar akoestisch niveau, waardoor in veel gevallen sprake is van geluidluwe gevels.
Waar dat niet mogelijk is, kunnen maatregelen zoals Harbour-fensters, afsluitbare loggia’s en geluiddempende ventilatieoplossingen een goed woon- en leefklimaat alsnog waarborgen.
3.3
Luchtkwaliteit
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de rijksomgevingswaarden opgenomen. De nu vigerende en maatgevende rijksomgevingswaarden zijn opgenomen in de onderstaande tabel.
22
Op 26 oktober 2022 heeft de Europese Commissie het voorstel gepubliceerd voor de nieuwe richtlijn luchtkwaliteit. Het meest opvallende in het voorstel is de aanscherping van de grenswaarden voor de meest luchtvervuilende stoffen. Zo moeten uiterlijk in 2030 de jaargemiddelde concentraties van PM2,5 en PM10 gedaald zijn naar de concentraties getoond in onderstaande tabel.
Deze Richtlijn is begin 2024 aangenomen en dient binnen twee jaar geïmplementeerd te worden in landelijke wetgeving. De rijksomgevingswaarden zijn nog niet op dit punt aangepast, zodat nog getoetst wordt aan de normen van Bkl. Een toetsing aan de (rijks)omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de rijksomgevingswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 µg/m3. Projecten of activiteiten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet getoetst te worden aan de omgevingswaarden. Voor veehouderijen geldt dat NIBM niet zomaar toepasbaar is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorieën blijft. Onder deze ‘standaardgevallen’ NIBM vallen kantoren, woonwijken, het telen van gewassen en het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement.
Dit moet dan wel onder een bepaalde getalsmatige omvang blijven. Voor woonfuncties omvat het standaardgeval maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt, bijvoorbeeld middels een berekening met de NIBM-tool.
23
Conclusie In de memo beoordeling luchtkwaliteit d.d. 10 november 2025 van Antea Group is het thema luchtkwaliteit vooruitlopend op de vaststelling van het addendum in kaart gebracht. De ontwikkellocatie ligt in een aandachtsgebied voor zowel NO2 als PM10 namelijk het aandachtsgebied ‘Den Haag/Leiden’ waar 12 gemeenten inliggen. Daarom dient getoetst te worden aan de (rijks)omgevingswaarden of dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze toetsing niet nodig is. Er is daarom een NIBM-toets uitgevoerd. Ter aanvulling is de heersende luchtkwaliteit in en rond het plangebied onderzocht en is het plan afgezet tegen het Actieplan Luchtkwaliteit. In fase 2 zijn maximaal 663 woningen voorzien, wat ruim onder het standaardgeval voor woonfuncties blijft. De woonfuncties worden gecombineerd met bedrijfsfuncties, voor deze combinatie bestaat geen standaardgeval. De bedrijvigheid is grotendeels al toegestaan in het vigerende planologische regime. Zekerheidshalve is de NIBM-tool (versie 20 april 2025) ingevuld met worst-case de verkeersgeneratie per weekdag van het totale plan vanuit het verkeersmodel. Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hierdoor kan nader onderzoek naar de gevolgen van luchtkwaliteit achterwege blijven.
Ook is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) de jaargemiddelde concentraties in de huidige situatie (2023) en toekomstige situatie (2030) in beeld gebracht, zie onderstaande tabel.
Hieruit blijkt blijkt dat er wordt voldaan aan de rijksomgevingswaarden. Ook wordt in 2030 voldaan aan de aangescherpte Europese Richtlijn.
3.4
Externe veiligheid
Beleidskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het begrip externe veiligheid verbreed tot omgevingsveiligheid. Dit begrip omvat de risico’s die kunnen ontstaan door opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen bij milieubelastende activiteiten (mba’s), De beoordeling voor de omgang met omgevingsveiligheid is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het uitvoeringsbesluit van de Omgevingswet. Om de omgevingsveiligheid meetbaar te maken en te controleren wordt gekeken naar plaatsgebonden risico’s en groepsrisico’s; -
Plaatsgebonden risico (PR): de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een een ongeval bij een risicovolle activiteit. Bij het wijzigen van het omgevingsplan of het vergunnen van een omgevingsplanacitiviteit moet het plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen. Dit plaatsgebonden contour op een kaart geeft aan waar geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen worden toegestaan.
24
-
Groepsrisico (GR): de kans dat een groep mensen tegelijk overlijdt door een ongewenste gebeurtenis, bijvoorbeeld bij een brand of explosie. Hiervoor gelden aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag bij het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan beschouwen hoe groepen mensen worden beschermd en of deze bescherming afdoende is. Als binnen een aandachtsgebied een zeer kwetsbare functie wordt opgenomen moet de gemeente hier een voorschriftengebied aanwijzen, binnen zo’n voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen.
Risicobronnen In de beschouwing omgevingsveiligheid d.d. 22 oktober 2025 van Antea Group is het thema omgevingsveiligheid vooruitlopend op de vaststelling van het addendum in kaart gebracht. In en nabijheid het plangebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Deze risicobronnen betreffen zowel risicovolle inrichtingen als transportroutes (zie figuur 3.6). De volgende risicobronnen zijn relevant in relatie tot het plangebied: -
De Rijksweg A4
-
Hogedruk aardgastransportleiding A-517
-
Stena Line B.V. Vuurwerkhandel ‘De Rijswijksevuurwerkhal’
De vuurwerkhandel wordt in het kader van het planvoornemen gesaneerd, derhalve is deze bron van risico niet meer relevant en verder meegenomen in de veiligheidsanalyse. Het bedrijf Stena Line B.V. is niet aangegeven op de kaart, maar het gifwolkaandachtsgebied (geel) wat over het hele plangebied ligt wel. Door toename van het aantal woningen in het gebied kan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ten aanzien van de risicobronnen toenemen. In het kader van deze ontwikkeling is een onderzoek naar de externe veiligheid uitgevoerd. In afbeelding 3.6 zijn de ligging van de risicobronnen, bijbehorende aandachtsgebieden en PR 10-6 contouren in relatie tot het plangebied weergegeven.
Figuur 3.2: Ligging van plangebied (paars omkaderd) ten opzichte van de brandaandachtsgebieden (rood), explosieaandachtsgebieden (oranje) en PR 10-6 contouren (blauw). Bron: Antea Group
25
Rijksweg A4 (transport via weg) Op circa 270 meter van het plangebied bevindt zich de Rijksweg. Over deze weg vindt, conform de regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6 contour van de A4 reikt niet tot het plangebied, daarmee wordt voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het PR. Het plangebied ligt daarnaast binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg A4. Aan dit gifwolkaandachtsgebied kan geen voorschriftengebied worden gekoppeld. Hogedruk aardgastransportleiding A-517 Op circa 210 meter ten oosten van het plangebied ligt de hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie. De buisleiding heeft geen PR 10-6 contour ter hoogte van het plangebied, dus daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het PR. Het plangebied ligt daarnaast wel binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding. Stena Line B.V. Het bedrijf Stena Line B.V. is gelegen in de haven van Rotterdam. Het plangebied ligt volledig binnen het gifwolkaandachtsgebied van Stena Line B.V. Conclusie Ten aanzien van het aspect externe veiligheid worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Wel zal het wijzigingsbesluit omgevingsplan moeten beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of de bescherming afdoende is.
3.5
Bodem
In juli 2019 is bodemonderzoek3 uitgevoerd. Het doel van het historisch onderzoek was het in kaart brengen van alle bekende historische gegevens over mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging en daarmee het inzichtelijk krijgen waar nog informatie over de bodem ontbreekt. Op basis van deze bevindingen kan worden beoordeeld of en op welke wijze in de tweede fase (verkennend) bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden. Bij de uitvoering van het onderzoek naar eventuele verontreiniging is de NEN 5725 als leidraad gebruikt. Het onderzoeksgebied is verdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen, dit komt ook naar boven uit het historisch vooronderzoek. Er blijken binnen het plangebied meerdere sterke verontreinigde locaties voor te komen. Op deze plekken is nader onderzoek nodig om de omvang van de verontreiniging in beeld te brengen. Het gaat hierbij om de volgende locaties:
Nijverheidsstraat 2-20;
Steenplaetsstraat 7;
Koopmansstraat 9;
Nijverheidsstraat 2, 3/3A, tussen 3 en 5, 10 tot 12, 11, 14 tot 16 en 18; Handelskade 37/39.
Naast deze sterk verontreinigde locaties zijn er een aantal locaties binnen het gebied aanwezig die al gesaneerd zijn. Echter kan bij ontwikkeling van nieuwe bestemmingen extra sanering noodzakelijk zijn of is er onvoldoende informatie beschikbaar over de uitgevoerde sanering. Dit
3
AbelTalent, Vooronderzoek NEN 5725, Havenkwartier Rijswijk, juli 2019
26
geldt voor de volgende locaties:
Haven Rijswijk;
Nijverheidsstraat 2;
Nijverheidsstraat 11.
Van nature komen er waarden van licht tot sterke verontreinigingen met arseen voor in het gebied die te relateren zijn aan het “plaatsingseffect”. Dit effect houdt in dat arseen uit een ijzer/arseenverbinding uit de bodem in oplossing in het grondwater gaat. Daardoor kan het plaatsen van peilbuizen de zuurstofbalans in de bodem tijdelijk worden verstoord. Dit arseen gehalte neemt na verloop van tijd weer af naar een concentratie rond de streefwaarde. Saneringsmaatregelen zijn daarom, conform het provinciaal beleid, niet noodzakelijk met betrekking tot de verontreiniging met arseen. Conclusie In het plangebied is in 2019 al geconstateerd dat sprake is van bodemverontreiniging op aantal locaties. Door hiervoor maatregelen te treffen of de verontreinigingen te saneren, kunnen negatieve effecten voorkomen worden. Met het in acht nemen van de aanwezige verontreiniging en het uitgangspunt dat dit gesaneerd kan worden, worden er geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu verwacht ten aanzien van het aspect bodem.
3.6
Water
In de weging van het waterbelang d.d. 22 oktober 2025 van Antea Group is het thema water vooruitlopend op de vaststelling van het addendum in kaart gebracht. De herontwikkeling van Havenkwartier Fase 2 beslaat circa 5,4 hectare en voorziet in een gemengd stedelijk programma met wonen en werken. De ambitie is om het Havenkwartier door te ontwikkelen tot een aantrekkelijk gemengd en duurzaam stedelijk gebied, waarbij de buitenruimte een hoogwaardige uitstraling heeft. De waterrijke kwaliteiten van het Havenkwartier dienen daarbij te worden benut. De verhouding tussen verhard en onverhard oppervlak blijft grotendeels gelijk aan de huidige situatie; in enkele delen neemt de verharding af door groenvoorziening in de openbare ruimte. Voor het plan gelden waterbergingsverplichtingen vanuit zowel de gemeente Rijswijk als het Hoogheemraadschap van Delfland. De gemeentelijke verordering afvoer hemelwater (2022) stelt dat bij nieuwbouw minimaal 50 liter berging per m2 verhard oppervlak moet worden gerealiseerd. Om deze opgave meetbaar te maken heeft gemeente Rijswijk Havenkwartier Fase 2 opgedeeld in vier kwadranten (figuur 3.3).