CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijage C Quick scan flora en fauna Visseringlaan 26 te Rijswijk

Raadsvergadering 18 juni 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen Bestemmingsplan Campus at the Park (RV 24-029)26.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

11

Tabel 1. Beschrijving veldbezoeken en omstandigheden

Zon op / onder 05:55 21:19

*

Datum en tijd

Weersomstandigheden

Waarnemers

Zone

Functie

10-05-2023, 21:15-23:15

13˚C, 1 Bft NW, half bewolkt, droog

E. Luiten & M. Verweij

B, D

Zomer- en kraamverblijfplaatsen*

05:26 21:50

01-06-2023, 03:45-05:30

10˚C, 3 Bft NO, half bewolkt, droog

M. Verweij, E. Luiten & F. Timpen

A, C, D

Zomer- en kraamverblijfplaatsen*

05:23 21:54

05-06-2023, 21:50-23:55

13˚C, 2 Bft N, helder, droog

E. Luiten & M. Verweij

B, D

Zomer- en kraamverblijfplaatsen*

05:24 22:03

30-06-2023, 03:30-05:25

12˚C, 2 Bft W, helder, droog

E. Luiten & F. Timpen

B, D

Zomer- en kraamverblijfplaatsen*

05:26 22:02

04-07-2023, 22:00-00:00

17˚C, 3 Bft ZW, volledig bewolkt, droog

E. Luiten, A. Mairo & M. Verweij

A, B, C

Zomer- en kraamverblijfplaatsen*

05:19 22:03

18-07-2023, 21:55-23:50

17˚C, 1 Bft Z, half bewolkt, droog*

M. Verweij, E. Luiten & A. Mairo

A, C, D

Zomer- en kraamverblijfplaatsen*

06:25 21:02

16-08-2023, 21:00-22:55

20˚C, 3 Bft NO, nauwelijks bewolkt, droog

E. Luiten & A. Mairo

B, D

Zomer- en paarverblijfplaatsen*

06:25 21:02

17-08-2023, 00:00-02:00

17˚C, 2 Bft NO, nauwelijks bewolkt, droog

E. Luiten & A. Mairo

A, B, C, D

Massawinter- en paarverblijfplaatsen

06:27 21:00

17-08-2023, 04:35-06:35

17˚C, 1 Bft NO, nauwelijks bewolkt, droog

M. Verweij & A. Mairo

A, C

Zomer- en paarverblijfplaatsen*

07:07 20:05

11-09-2023, 20:05-22:05

22˚C, 1 Bft ZW, volledig bewolkt, droog

E. Luiten & M. Verweij

A, C

Winter- en paarverblijfplaatsen*

07:09 20:03

12-09-2023, 20:00-22:00

21˚C, 2 Bft NW, volledig bewolkt, droog

A. Mairo & M. Verweij

B, D

Winter- en paarverblijfplaatsen*

07:09 20:03

13-09-2023, 00:00-02:00

18˚C, 2 Bft NW, volledig bewolkt, droog

A. Mairo & M. Verweij

A, B, C, D

Massawinter- en paarverblijfplaatsen

Vliegroutes en foerageergebieden zijn geïnventariseerd.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

12

3. RESULTATEN Hieronder worden de resultaten besproken van het gehele nader onderzoek. Er is een kort verslag van iedere ronde opgenomen met de beschrijvingen van de waarnemingen. Tijdens het eerste bezoek zijn de meest geschikte plekken in kaart gebracht en het plangebied beoordeeld.

3.1 De gewone dwergvleermuis (P ipist rellus pipist rellus) Tijdens het vleermuisonderzoek is één vleermuissoort waargenomen in en nabij het plangebied, namelijk de gewone dwergvleermuis. Dit is de meest bekende en wijdverspreide vleermuissoort in Nederland. Bovendien behoort hij tot de kleinste vleermuizen die in ons land voorkomen. De gewone dwergvleermuis staat bekend als een cultuurvolger en wordt dan ook veel aangetroffen in bebouwde omgevingen. Gedurende hun levenscyclus zijn er verschillende fasen te onderscheiden, waaronder een winterslaapperiode, een parings- en baltstijd, en een periode waarin jongen gezoogd worden. Deze vleermuizen vinden hun verblijfplaatsen meestal in of rond gebouwen. Zo worden geboorte en zogen voornamelijk binnen gebouwen gedaan, het paren vindt plaats in andere gebouwen, terwijl ze de winter ook in gebouwen doorbrengen. Gewone dwergvleermuizen jagen s ’nachts op insecten in diverse omgevingen, zoals tuinen, parken, landgoederen, lanen, bomenrijen, houtwallen, dijken met begroeiing, bosranden, begraafplaatsen, beschutte vijvers en watergangen.

3.2 Verslag per veldbezoek Hieronder worden de bevindingen van ieder veldbezoek kort samengevat. De omstandigheden en tijden zijn terug te vinden in tabel 1. Daar waar gesproken wordt over waarnemingen van vleermuizen gaat het in alle gevallen om de gewone dwergvleermuis.

3.2.1

Veldbezoek van 10 mei 2023 - avond

Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone B en D (zie fig. 6). In zone B is een kraamverblijfplaats gevonden aan de kopse kant (noordzijde) van 30 vrouwtjes. Deze zijn ongeveer 15 minuten na zonsondergang een voor een uitgevlogen uit de hoogste open stootvoeg rechts van het middenstuk. Alle uitvliegers zijn in de richting van de Visseringlaan en daarna richting het noorden of het zuiden gevlogen In zone B is geen foerageeractiviteit waargenomen. In zone D zijn geen verblijfplaatsen gevonden, maar er is wel foerageergedrag van 5-8 individuen vastgesteld. Na het uitvliegen: 3-6 foeragerende en overvliegende individuen over het hele plangebied gedetecteerd. Deze bleven kortstondig (<15 minuten) foerageren.

3.2.2

Veldbezoek van 1 juni 2023 - ochtend

Gepost met drie vleermuisdeskundigen in zone A, C en D (zie fig. 6). Er zijn geen verblijfplaatsen in zone A en C gevonden. Wel zijn er drie verblijfplaatsen geconstateerd in zone D. Het gaat om een kraamverblijf van 40 vrouwtjes, een zomerverblijf van twee individuen en nog een zomerverblijf van twee individuen. Ook is er een zomerverblijfplaats gevonden in zone B van 1 individu. De kraamverblijfplaats in zone B (10-5-2023) blijkt te zijn verplaatst naar zone D. Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

13

Vóór het invliegen werd er gefoerageerd in zone B, C en D door ongeveer 5-8 individuen. De groep werd vervolgens aangevuld tot 30 individuen die zwermden rondom hun verblijven. Na het zwermen volgden nog 14 individuen die ook invlogen.

3.2.3

Veldbezoek van 5 juni 2023 - avond

Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone B en D (zie fig. 6). Er zijn twee verblijfplaatsen aangetroffen. Het gaat om een kraamverblijfplaats (zelfde plek als 1-6-2023, zone D) waarbij er 40 individuen uitvlogen en een zomerverblijfplaats van zeven uitvliegende individuen in zone C. Na het uitvliegen: Ongeveer tien foeragerende individuen in zone B en D waargenomen. Er werd tot een half uur aaneengesloten foerageergedrag waargenomen, waarna er op- en afgevlogen werd.

3.2.4

Veldbezoek van 30 juni 2023 - ochtend

Gepost met drie vleermuisdeskundigen in zone B en D (zie fig. 6). Er zijn twee verblijfplaatsen gevonden in zone B, namelijk: een kraamverblijfplaats van 30 vrouwtjes en een zomerverblijfplaats van twee individuen. De kraamkolonie blijkt te zijn verplaatst van zone D naar B. Voorafgaand aan het invliegen werd er gejaagd door 2-5 individuen aan de voorzijde en zuidzijde van het pand (zone C en D).

3.2.5

Veldbezoek van 4 juli 2023 - avond

Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone A en C (zie fig. 6). Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen in zone A en C. Wel zijn er vier verblijfplaatsen geconstateerd in zone B en D. Het gaat enkel om zomerverblijven, namelijk een verblijf met drie individuen (zone D), een verblijf van vier individuen (zone D), een verblijf van zeven individuen (zone D) en een verblijf van één individu (zone B). Er werd niet gejaagd nabij het pand en er zijn 5 individuen overgevlogen, waarvan 4 in zone C en 1 in zone A.

3.2.6

Veldbezoek van 18 juli 2023 - avond

Gepost met drie vleermuisdeskundigen in zone A, C en D (zie fig. 6). Er zijn drie verblijfplaatsen vastgesteld. Het gaat om een kraamverblijfplaats van 17 vrouwtjes (zone D). Dit is dezelfde verblijfplaats als geconstateerd op 1 juni en 5 juni. Daarnaast is er een zomerverblijfplaats van één individu (zone A) en een zomerverblijfplaats van één individu (zone C) waargenomen. Er werd gedurende 30 minuten gejaagd in zone B (2 individuen) en 40 minuten in zone C en D (5 individuen).

3.2.7

Veldbezoek van 16 augustus 2023 - avond

Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone B en D (zie fig. 6). Er zijn twee zomerverblijfplaatsen geconstateerd, beide met één uitvlieger (zone C en D). Er werd kortstondig (<5 minuten) gejaagd in zone C door 1 individu.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

14

3.2.8

Veldbezoek van 17 augustus 2023 - Middernacht

Deze ronde richtte zich op zowel paarverblijven van o.a. ruige dwergvleermuis en op het middernacht zwermen. Er is in het hele plangebied gepost met twee vleermuisdeskundigen. Er is geen zwermgedrag waargenomen in of nabij het plangebied en ook zijn er geen baltsende mannetjes gehoord. Er werden enkel overvliegende en foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen.

3.2.9

Veldbezoek van 17 augustus 2023 - ochtend

Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone A en C (zie fig. 6). Er is een zomerverblijfplaats van drie invliegende individuen geconstateerd (zone C) en een zomerverblijfplaats van twee invliegende individuen (zone B). Allen kwamen aanvliegen vanaf de Visseringlaan. Er werd niet gejaagd op het plangebied.

3.2.10 Veldbezoek van 11 september 2023 - avond Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone A en C (zie fig. 6). Er is één verblijfplaats gevonden met één uitvlieger (zone C). Deze verblijfplaats doet dienst als winterverblijf.

3.2.11 Veldbezoek van 12 september 2023 - avond Gepost met twee vleermuisdeskundigen in zone B en D (zie fig. 6). Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen tijdens het veldbezoek. Er was aanmerkelijk minder activiteit rondom het plangebied en er zijn drie vleermuizen overvliegend waargenomen.

3.2.12 Veldbezoek van 13 september 2023 - Middernacht Er is gelet op paarverblijven van o.a. ruige dwergvleermuis en op het middernacht zwermen i.h.k.v. massawinterverblijfplaatsen. Er is in het hele plangebied gepost met twee vleermuisdeskundigen. Er zijn geen grote groepen vleermuizen of zwermgedrag waargenomen in of nabij het plangebied en ook zijn er geen baltsende mannetjes gehoord. Er werden slechts enkele overvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

15

3.3 Functies van onderzoeklocatie 3.3.1

Verblijfplaatsen en leefgebied

Zoals beschreven in het Quickscanrapport biedt het pand veel verschillende mogelijkheden voor gebouwbewonende soorten (zoals gewone dwergvleermuizen), omdat de spouwmuren aan alle zijdes toegankelijk zijn via open stootvoegen. Er zijn in totaal 13 verschillende vaste rust of verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Deze bevinden zich op verschillende plekken in de spouwmuur. Het gaat om: -

9 zomerverblijfplaatsen

-

3 kraamverblijfplaats (één kraamkolonie)

-

1 winterverblijfplaats

Er is met zekerheid te concluderen dat er sprake is van één en dezelfde kraamkolonie op het plangebied die verhuisd is tijdens het onderzoek. Op geen enkel moment zijn er meerdere kolonies gelijktijdig waargenomen. In figuur 7 zijn de verblijfplaatsen te zien per zone en in de bijlage van deze rapportage is een kaart toegevoegd waarin de verblijfplaatsen, het foerageergebieden en vliegroutes zijn weergegeven (fig. B7) Tabel 2. Geeft een overzicht van de aangetroffen verblijfplaatsen en hun positie en oriëntatie.

Tabel 2. Functie van aangetroffen verblijfplaatsen, het aantal individuen dat er gebruik van maakt en de positie/oriëntatie.

Aantal indv.

Oriëntatie

Deelgebied

Gebouw

Opening verblijf

P.pipistrellus

1

Noord-west

A

Zuidelijk

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

1

Noord-west

B

Middelste

Onder daktrim

Zomerverblijf

P.pipistrellus

2

Noord-oost

B

Middelste

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

3-5

Zuid-oost

D

Noordelijk

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

1-2

Zuid-west

D

Noordelijk

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

2

Zuid-west

D

Noordelijk

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

4-6

Zuid-oost

D

Noordelijk

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

6-7

Zuid-west

D

Noordelijk

Open stootvoeg

Zomerverblijf

P.pipistrellus

7

Zuid-oost

C

Hoogste deel zuidelijk

Open stootvoeg

Winterverblijf

P.pipistrellus

1

Zuid-oost

C

Zuidelijk

Open stootvoeg

Kraamverblijf*

P.pipistrellus

30

Noord-west

B

Middelste

Open stootvoeg

Kraamverblijf*

P.pipistrellus

30

Noord-oost

B

Noordelijk

Open stootvoeg

Kraamverblijf*

P.pipistrellus

17-40

Zuid-oost

D

Noordelijk

Open stootvoeg

Functie

Soort

Zomerverblijf

*

Het gaat om één kraamkolonie die tussen de bezoeken is verhuisd binnen het plangebied

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

16

3.3.1

Foerageergebied en vliegroutes

Rondom het pand bevindt zich groen dat potentieel geschikte foerageerplekken vormt, omdat ze insecten aantrekken en zorgen voor voedselaanbod. Met name aan de voorzijde van het pand (zuidoost) is het wat verwilderd en groeien struiken en bomen. Ook direct langs het pand aan de noordwestzijde groeien struiken en kruiden. Langs de kopse kant aan de Lange Kleiweg bevindt zich een open grasveld omringd met enkele struiken. Tijdens de meeste onderzoekrondes is foerageeractiviteit vastgesteld. De duur van het foerageren verschilde per ronde. Na de kraamperiode ging het enkel om kortdurende (<20 min) episodes. De in- en uitvliegende vleermuizen vertoonden geen vaste vliegrichting, maar vliegen af en aan in een willekeurige richting. De bomenrijen langs de Visseringlaan (buiten het plangebied) vormen geschikte rechtlijnige elementen die door vleermuizen worden gebruikt voor navigatie. Ook de waterpartij die parallel loopt met de Lange Kleiweg en direct grenst aan een schanskorf en bomenrij werd veelvuldig gebruikt als vliegroute. Er is geen sprake van een essentieel foerageergebied. Groen van minimaal vergelijkbare oppervlakte is op bereikbare afstand in omgeving aanwezig. Een essentiële vliegroute is ook niet aan de orde. Er zijn voldoende alternatieve en gewone dwergvleermuizen is weinig kieskeurig wat betreft de routes die zij kiezen.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

17

Figuur 7. Plangebied met foto’s van de verblijfplaatsen.

3.4 Andere vleermuissoorten In de quickscan wordt geopperd dat het plangebied geschikte mogelijkheden biedt voor ruige dwergvleermuizen, laatvliegers en tweekleurige vleermuizen. Deze soorten zijn echter op geen enkel moment waargenomen tijdens het nader onderzoek in of nabij het plangebied en stellen specifieke eisen aan hun leefgebied en verblijfplaats. Het kan zijn dat laatvliegers en ruige dwergvleermuizen ontbreken vanwege een gebrek aan bebossing in de directe omgeving.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

18

3.5 Effectbeschrijving 3.5.1

Vaste rust- en verblijfplaatsen

Er zijn negen zomer-, drie kraamverblijven en één winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aangetroffen in de bebouwing. Bij de sloopwerkzaamheden zullen deze verblijven permanent verloren gaan en betekent dit een overtreding op artikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wet natuurbescherming opleveren. Er is dus een ontheffing op deze verbodsbepalingen benodigd. Wat betreft de kraamfunctie dient er voor één kraamverblijf een ontheffing aangevraagd te worden, aangezien er is aangetoond dat het om één kraamkolonie gaat.

3.5.2

Essentiele foerageergebieden of vliegroutes

Op basis van de bevindingen blijkt dat geen sprake van een essentieel foerageergebied in of nabij het plangebied. Er is namelijk geen sprake van langdurige en aaneengesloten jachtactiviteit. Daarnaast zijn er vele geschikte foerageergebieden in de nabije omgeving. De vliegrichtingen van vleermuizen na het uitvliegen en vóór het invliegen zijn van alle richtingen. De rechtlijnige elementen die worden gebruikt voor de navigatie blijven allen intact en ondervinden geen effecten tijdens de werkzaamheden of tijdens de nieuwe permanente situatie. Er zijn vele verschillende routes mogelijk die vleermuizen kunnen nemen. Er is dan ook geen sprake van een essentiële vliegroute, zoals ook in het voorgaande

3.6 Mitigatie 3.6.1

Tijdelijke mitigatie

Ter mitigatie van bovengenoemde effecten zijn reeds maatregelen genomen. Zo zijn in april en mei 2023 vleermuiskasten geïnstalleerd in de nabijheid van het plangebied. Deze kasten zijn geplaatst voordat het nader soortgericht onderzoek was afgerond, om de gewenningsperiode op tijd te kunnen starten. Bij de plaatsing van de kasten zijn de voorschriften van het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis, zoals opgesteld door BIJ12, gehanteerd. Alle kasten zijn binnen een straal van 150 meter van de planlocatie geplaatst, op verschillende windrichtingen en op een hoogte van minimaal 3,5 meter. Hierdoor wordt de kans op bewoning vergroot en worden zoveel mogelijk verschillende microklimaten aangeboden. De locaties bieden voldoende in- en uitvliegruimte en zijn vrij van verstoring door verlichting, trillingen of geluid. Alle kraamkasten zijn binnen 50 meter van de originele verblijfplaatsen geplaatst. Het betreft de volgende typen en aantallen: •

2 dubbele kraamkastconstructies op palen (VK SK 03)

•

2 kraamkasten aan de schanskorf Lange Kleiweg (MW02)

•

2 kraamkasten aan de gevel bij het TNO-gebouw (VMT3a)

•

24 kasten aan de schanskorf Lange Kleiweg (ANS-1)

•

8 kasten aan de bomen (ANS-1)

•

2 dubbele zomerverblijven op palen (VK WS 08)

In totaal zijn er dus 8 kraamkasten en 32 zomer-/paarverblijfkasten opgehangen. De tijdelijke vleermuiskasten blijven behouden tot dat er gedurende 1 geheel actief vleermuisseizoen in de nieuwbouw geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

19

3.6.2

Permanente mitigatie

In de nieuwbouw worden permanente alternatieve verblijfplaatsen geïnstalleerd in de vorm van inbouwkasten. Deze mitigatie zal minimaal hetzelfde potentieel bieden als die van de verloren verblijfplaatsen. Er zal voor worden gezorgd dat vleermuizen een variatie aan microklimaten wordt aangeboden door de kasten in alle windrichting te oriënteren, deze op verschillende hoogtes te monteren en door binnenin de kasten verschillende ruimtes te creëren. De nieuwe verblijfplaatsen zullen potentieel geschikt zijn om minimaal hetzelfde aantal vleermuizen als in de huidige situatie te huishouden. Ook zullen de verblijfplaatsen geschikt zijn voor de functies: Zomer-, kraam en winterverblijfplaatsen. Meer detail over de mitigatie staat beschreven in het activiteitenplan: E23013 – Activiteitenplan, Visseringlaan 2628, Rijswijk.

Algemene voorschriften uit het kennisdocument Gewone dwergvleermuis van BIJ12:

De nieuwe verblijfplaatsen bevatten gezamenlijk bij voorkeur verschillende kwaliteiten (bijvoorbeeld eigenschappen ten aanzien van opwarming, locaties en dergelijke) maar zijn altijd geschikt voor de functie die verloren gaat. Het aantal aan te brengen verblijfplaatsen is afhankelijk van de potenties van het gebied. Een vleermuisdeskundige moet vaststellen of er in de nabije omgeving voldoende potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn voor de soort. De vervangende verblijfplaatsen worden bij voorkeur zo dicht mogelijk, maar altijd binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats geplaatst en altijd binnen het leefgebied van de groep. Hoe dichter de vervangende verblijfplaats bij de oorspronkelijke verblijfplaats wordt gerealiseerd, hoe groter de kans is op succes. De alternatieve verblijfplaatsen moeten voor minimaal eenzelfde aantal gewone dwergvleermuizen dezelfde functie kunnen vervullen als de oorspronkelijke plaats die verdwijnt. Een vervangende verblijfplaats kan een al voor de betreffende functie aanwezige geschikte, maar nog niet in gebruik zijnde plek zijn. Indien nodig kunnen nieuwe vervangende verblijfplaatsen worden gerealiseerd mits deze de betreffende functie kunnen overnemen (figuur 15) voor een vergelijkbaar aantal vleermuizen.

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen nieuwe verblijfplaatsen die een tijdelijk karakter hebben en moeten functioneren als overbrugging gedurende de tijd dat de activiteiten worden uitgevoerd (tijdelijke verblijfplaatsen), en nieuwe verblijfplaatsen die na de uitvoering van de activiteiten aanwezig zullen zijn en voor lange tijd geschikt moeten blijven (permanente verblijfplaatsen).

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

20

4. CONCLUSIE EN ADVIES •

Het

nader

onderzoek

gericht

op

gebouwbewonende

vleermuizen

is

met

ruim

voldoende

onderzoeksinspanning uitgevoerd om alle verschillende functies van het plangebied in beeld te krijgen. •

Tijdens het onderzoek zijn vaste rust en/of verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in de bebouwing. Hierbij gaat het om 9 zomerverblijfplaatsen, 3 kraamverblijven en 1 winterverblijfplaats. Het gaat echter om één kraamkolonie die op verschillende plaatsen is waargenomen en daarom zal er ook maar voor één kraamverblijf een ontheffing benodigd zijn. Er zijn geen essentiële foerageergebieden of trekroutes in het plangebied.

•

Om de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen uit te kunnen voeren is een ontheffing op de Wet natuurbescherming vereist. Het gaat om de verbodsbepalingen in artikel 3.5 lid 2 en 4 van deze wet. Hiervoor zal een activiteitenplan worden aangeleverd, waarin uitgebreid in wordt gegaan op de mitigerende maatregelen, de staat van instandhouding, het wettelijk belang en de alternatieven afweging.

•

Als tijdelijke mitigatie zijn reeds maatregelen getroffen die kort zijn toegelicht en verder onderbouwd worden in het activiteitenplan.

4.1 Advies •

Het advies is om bomen zoveel mogelijk onbelicht te houden ook tijdens de toekomstige gebruikssituatie om verstoring te voorkomen. We adviseren om geen werkzaamheden te verrichten na zonsondergang en bij eventuele verlichting van het terrein te kiezen voor vleermuisvriendelijkere verlichting. Er zijn verschillende partijen die deze verlichting aanbieden. Belangrijk hierbij is de lichtkleur, bij voorkeur is deze amberkleuring, roodachtig of oranje. Groen licht is wel verstorend voor vleermuizen en is in veel gevallen ten onrechte aangeraden als natuurvriendelijke verlichting.

•

Inheemse vogelsoorten, zoals meeuwen en kauwtjes kunnen gebruik maken van het gebouw als broedlocatie. Dit betekent dat de werkzaamheden ruim vóór of ruim na het broedseizoen dienen te beginnen om zo te voorkomen dat er tijdens de werkzaamheden broedende vogels aanwezig zijn.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

21

5. REFERENTIES Literatuur: [1]

Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. (2016). Atlas van de Nederlandse

[2]

Hoogeboom, D.M., F. Visbeen, J. Wondergem, W. Ruitenbeek (red.) 2014. Atlas van de Noord Hollandse

zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noordhollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar Floron.nl [3]

Netwerk

Groene

Bureaus

(2017)

Soortinventarisatieprotocollen

in

het

kader

van

de

Wet

natuurbescherming. www.netwerkgroenebureaus.nl [4]

Dietz, C. & A. Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa, KNNV Uitgeverij, Zeist.

[5]

Ontwikkelkader Kessler Park en omgeving (2021). Gemeente Rijswijk

[6]

Burgt, H.H.J. van der, (2023) Quick scan flora en fauna Visseringlaan 26 te Rijswijk. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo. (1 februari 2023, aangepast 4 september 2023)

[7]

Jansen, E. A., Korsten, E., Schillemans, M. J., Boonman, M., & Limpens, H. G. (2022). Een methode voor actief onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen van de dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) in stedelijke omgeving.

[8]

Hommersen, V. J. A., Limpens, H. J. G. A., & Schillemans, M. J. (2017). Zwermen in de Winter. Inventarisatie van winterverblijf-indicerend en bevestigend zwermgedrag van de gewone dwergvleermuis in gemeente Ede. Rapport.

Websites: [9]

Waarneming.nl

[10]

Verspreidingsatlas.nl

[11]

https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol

[12]

https://waarneming.nl/observation/264513075/

[13]

https://waarneming.nl/observation/264513302/

[14]

https://waarneming.nl/observation/140591535/

[15]

https://waarneming.nl/observation/141755110/

[16]

https://waarneming.nl/observation/140884615/

[17]

https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/themas/natuurbescherming/

[18]

https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/laatvlieger

[19]

Kennisdocumenten: [20]

BIJ12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis versie 1.0

[21]

BIJ12 (2017). Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis versie 1.0

[22]

BIJ12 (2017). Kennisdocument Rosse vleermuis versie 1.0

[23]

BIJ12 (2017). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis versie 1.0

[24]

BIJ12 (2017). Kennisdocument Watervleermuis versie 1.0

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

22

6. BIJLAGE 1: WET NATUURBESCHERMING Hoofdstuk 1 van de Wet natuurbescherming “Algemene bepalingen” § 1.3 Beschermingsmaatregelen algemeen Artikel 1.11: Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a.

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

b.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of

c.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming “Soorten” § 3.1 Beschermingsregime Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3.

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

23

7. BIJLAGE 2: VERKLARENDE WOORDENLIJST Activiteitenplan Een activiteitenplan fungeert als een begeleidend document bij een ontheffingsaanvraag. In dit plan worden maatregelen opgenomen om de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort te behouden en schade aan individuen te voorkomen. Het plan beschrijft de voorgenomen activiteiten en de specifieke maatregelen die zullen worden genomen om ervoor te zorgen dat deze activiteiten geen nadelige gevolgen hebben voor de beschermde soorten. Externe werking Het concept van externe werking benadrukt dat ecologische processen en ecosystemen niet beperkt zijn tot de grenzen van een specifiek gebied. Activiteiten die elders plaatsvinden, zoals landbouw, infrastructuurontwikkeling, industrie of verstedelijking, kunnen indirecte effecten hebben op de natuurwaarden en ecologische processen binnen een beschermd gebied. Dit kan leiden tot verstoring van de habitats, migratieroutes en voortplantingsgebieden van beschermde soorten, wat op zijn beurt een negatieve invloed kan hebben op de biodiversiteit en de ecologische functies van het Natura 2000-gebied of de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Foerageren is het actieve proces waarbij dieren, zoals vogels, zoogdieren, vissen en insecten, voedsel zoeken in hun omgeving.

Functioneel leefgebied Het functionele leefgebied verwijst naar het gebied dat nodig is om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of vaste rust- of verblijfplaats te behouden. Voor het succesvol functioneren van een nestlocatie of voortplantingsplaats is het van vitaal belang dat er voldoende geschikte habitat aanwezig is. Dit omvat verschillende elementen, zoals schuilgelegenheid, voedselbronnen en andere essentiële aspecten die nodig zijn om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Habitat Een habitat verwijst naar de specifieke natuurlijke omgeving waar een bepaalde plant, dier of organisme leeft en gedijt. Het omvat alle fysieke en ecologische kenmerken van de omgeving die gunstig zijn voor de levensbehoeften van het organisme, zoals voedselbronnen, water, schuilplaatsen, nestplaatsen en andere essentiële hulpbronnen. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

24

Omgevingscheck Bij het verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde soort, als gevolg van een ingreep die het leefgebied (tijdelijk) aantast, wordt er een omgevingscheck uitgevoerd. Een deskundige op dit gebied beoordeelt de omgeving van de ingreep op de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen voor de betreffende soort. Ontheffing Met als doel het beschermen van planten- en diersoorten die vrij in het wild leven, is de Flora- en faunawet ontworpen. Om deze kwetsbare soorten te behoeden, omvat de Flora- en faunawet diverse verbodsbepalingen. Niettemin kunnen activiteiten onder bepaalde omstandigheden wel doorgang vinden, mits er een ontheffing is verkregen. Een ontheffing is een besluit waarbij in een specifiek geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt verleend. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die voornamelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen wordt gebruikt voor het paren. Een mannetje kan deze verblijfplaats delen met meerdere vrouwtjes. In de buurt van de paarverblijfplaats probeert het territoriale mannetje vaak vrouwtjes aan te trekken door middel van baltsvluchten. Populatie Een populatie is een groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leven en in staat zijn om met elkaar te interageren en zich voort te planten.

Rode Lijst Rode Lijsten geven een overzicht van verdwenen soorten en soorten die sterk zijn afgenomen of zeldzaam zijn in een bepaald gebied. Het is belangrijk op te merken dat Rode Lijsten geen officiële juridische status hebben en dat plaatsing op de lijst een dier niet automatisch een 'beschermde diersoort' maakt volgens de wetgeving, zoals de voormalige Flora- en faunawet. Desondanks vervullen Rode Lijsten een cruciale signaleringsfunctie. Ze bieden waardevolle informatie aan alle organisaties en instellingen die zich bezighouden met natuurbescherming. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen zij rekening houden met bedreigde soorten en de juiste maatregelen treffen om hun voortbestaan te waarborgen. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Flora- en fauna-wet omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Vleermuizen maken gebruik van een vaste route tussen hun verblijfplaatsen en foerageergebieden. Winterverblijfplaats Een verblijfplaats die wordt gebruikt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn deze verblijfplaatsen vorstvrij, maar ze moeten wel koel en vochtig zijn.

Zomerverblijfplaats Vrouwtjes gebruiken deze verblijfplaatsen buiten het kraamseizoen, terwijl individuele mannetjes ze tijdens het kraamseizoen gebruiken.

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

25

8. BIJLAGE 3: FOTO’S VERBLIJFPLAATSEN

Figuur B1 Kraamverblijfplaats, waargenomen op 10-52023. Open stootvoeg vlak onder de dakrand aan de noordse kant

Figuur B2 Gevonden verblijfplaatsen aan de zuidoostzijde (zone D) bij het knikpunt in het midden. (Symbolen komen overeen met de kaart in figuur B7)

Figuur B4 Meerdere verblijven op het knikpunt aan de noordzijde.

Figuur B5 Winterverblijfplaats

Rapport: E23013-RAP-02 Nader Soortgericht Onderzoek Vleermuizen Visseringlaan 26 te Rijswijk

Figuur B3 Zomerverblijfplaats aan de zuidzijde kopse kant

Figuur B6 Zomerverblijfplaats 1 individu

26

9. BIJLAGE 4: KAART MET RESULTATEN

Figuur B7. Resultaten van de veldbezoeken

Brief rapportage – Aanvulling tweekleurige vleermuis Visseringlaan 26 te Rijswijk

OPDRACHTGEVER Green Living CV Dhr. W. Hagenaar Voorsterbeeklaan 93 3521 DJ Utrecht

ADVIESBUREAU Kwinfra B.V. Smaragdweg 3 1812 RJ Alkmaar 072 505 7500 www.kwinfra.nl info@kwinfra.nl ecologie@kwinfra.nl

PROJECTGEGEVENS Datum

14 november 2023

Kenmerk

E23013-BRF-RAP-01

Versie

1.0

Status

Definitief

Opgesteld door: Mathijs Verweij BSc

BRIEFRAPPORTAGE 1.1

Aanleiding

Deze briefrapportage is opgesteld ter aanvulling op de rapportage van het nader soortgericht onderzoek (E23013RAP-02) uitgevoerd en opgesteld door Kwinfra (03-11-2023). Na het publiceren van de rapportage hebben reeds twee aanvullende onderzoekrondes (vier bezoeken) plaatsgevonden gericht op het inventariseren van eventueel aanwezige paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus). Zie de datum, tijd en omstandigheden van de rondes in tabel 1. Reden hiervoor was dat de ideale periode waarin paarverblijfonderzoek verricht wordt later intreedt dan bij andere vleermuissoorten. De onderzoekrondes zijn uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol en in de optimale periode met de juiste omstandigheden. De territoriale mannetjes van de tweekleurige vleermuis maken met name gebruik van de zuidgevel van gebouwen en daarom is deze zijde extra intensief bezocht.

1.2

Bevindingen

De onderzoekrondes hebben niet geleidt tot het vaststellen van verblijfplaatsen van twee kleurige vleermuizen. Ook zijn er niet meer verblijfplaatsen vastgesteld van gewone dwergvleermuizen of andere soorten, dan al vastgesteld waren in eerder uitgevoerde rondes.

Tabel 1. Onderzoekrondes tweekleurige vleermuis Visseringlaan 26, Rijswijk Zon op / onder

Datum en tijd

Weersomstandigheden

07.42 19.16 07.47 19.09 08.20 18.28 08.23 18.24

02-10-2023 19.45-21.45u 05-10-2023 19.40-21.40u 24-10-2023 19.00-21.00u 26-10-2023 18.55-20.55u

17˚C, 2 Bft. ZZ, dicht bewolkt, droog 15˚C, 3 Bft. ZW, dicht bewolkt, droog 11˚C, 3 Bft. ZW, dicht bewolkt, droog 10˚C, 2 Bft. ZO, dicht bewolkt, droog

Rapport: E23013-BRF-RAP-01 Brief rapportage – Aanvulling tweekleurige vleermuis Visseringlaan 26 te Rijswijk

Waarnemers

Zone

Functie

E. Luiten & M. Verweij

A, D

Paarverblijfplaatsen

E. Luiten & M. Verweij

B, C

Paarverblijfplaatsen

E. Luiten & M. Verweij

A, D

Paarverblijfplaatsen

E. Luiten & M. Verweij

B, C

Paarverblijfplaatsen

2

CONCLUSIE & ADVIES Er zijn geen verblijfplaatsen of paarterritoria vastgesteld van de tweekleurige vleermuis in de aanvullende onderzoekrondes. Deze functie is dus afwezig op het plangebied en nadelige effecten op paarverblijven van de Tweekleurige vleermuis zijn dan ook uitgesloten. Er vindt geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort. Voor de tweekleurige vleermuis is geen ontheffing benodigd.

Rapport: E23013-BRF-RAP-01 Brief rapportage – Aanvulling tweekleurige vleermuis Visseringlaan 26 te Rijswijk

3

REFERENTIES Rapportages: -

Kwinfra B.V. (2023) Nader soortgericht onderzoek vleermuizen – Visseringlaan 26 te Rijswijk Burgt, H.H.J. van der, (2023) Quick scan flora en fauna Visseringlaan 26 te Rijswijk. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo. Dietz, C. & A. Kiefer, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa, KNNV Uitgeverij, Zeist.

Rapport: E23013-BRF-RAP-01 Brief rapportage – Aanvulling tweekleurige vleermuis Visseringlaan 26 te Rijswijk

4

Quick scan flora en fauna

Kessler Park 1 te Rijswijk

14 november 2019 lid Netwerk Groene Bureaus

projectnummer: 19139

Quick scan flora en fauna

Kessler Park 1 te Rijswijk

Opdrachtgever

LBP|SIGHT

Contactpersoon

mevrouw M.I. Huizer MSc

Projectnummer

19139

Datum

14 november 2019

Auteur

ing. J.H. Gunnink

Goedgekeurd door

ing. H.H.J. van der Burgt

Wijze van citeren

Gunnink, J.H., Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2019.

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus.

ECOquickscan ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap ’t Grieth 10 | 6924BJ Loo (Gld) | T (0316) 849390 | info@ecoquickscan.nl | www.ecoquickscan.nl

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen

2

2.

WETTELIJK KADER

3

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland

3 3 3

2.2

Soortbescherming

3

3.

TOETSING

4

3.1

Onderzoeksmethodiek

4

3.2 Beschermde gebieden 3.2.1 Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming 3.2.2 Natuurnetwerk Nederland

4 4 4

3.3 Voorkomen van beschermde soorten 3.3.1 Vaatplanten 3.3.2 Grondgebonden zoogdieren 3.3.3 Vleermuizen 3.3.4 Vogels 3.3.5 Amfibieën, reptielen, vissen, insecten en overige soortengroepen

5 5 5 5 8 9

4.

CONCLUSIE

10

4.1

Gebiedsbescherming

10

4.2

Soortenbescherming

10

4.3

Consequenties

10

4.4

Aanbevelingen

12

Bijlagen Bijlage 1

Literatuurlijst

Bijlage 2

Wet natuurbescherming

Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding In Rijswijk (gemeente Rijswijk, provincie Zuid-Holland) is aan Kessler Park 1 de herontwikkeling van een kantorencomplex met laboratoria van Shell beoogd. Aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan is gevraagd te beoordelen of deze activiteit effect heeft op de flora en fauna op en rond de locatie. De voorliggende rapportage beschrijft de effecten op de aanwezige flora en fauna en geeft inzicht in de doorwerking van de natuurwetgeving op deze locatie.

Ligging (rood omlijnd) en indrukken van het plangebied (bron luchtfoto: Google). Rechts twee indrukken van de omgeving met veel kantoorpanden en hoogbouw. Onder twee foto’s die een indruk van de bouw van het gebouw en de inrichting van het terrein geven.

Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving. Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voorliggend onderzoek is een quick scan waarin op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning uitspraken worden gedaan over de mogelijke aanwezigheid van

Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

1

beschermde planten en dieren in het plangebied. Het plangebied is beoordeeld op geschiktheid voor beschermde planten en diersoorten en de te verwachten effecten op deze soorten. Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Deze quick scan is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.

1.2 Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen Het plangebied ligt in het zuiden van de bebouwde kom van Rijswijk. Rijswijk wordt omsloten door Den Haag (ten noorden en oosten), Delft, (ten zuiden) en Wateringen (ten westen). Voorbij Wateringen ligt de kassenbouw van het Westland. De A4 ligt ten zuiden en de A12 ten noordoosten van het plangebied. Het plangebied ligt in de wijk Plaspoelpolder welke bestaat uit kantoorpanden en bedrijven. Het openbaar groen kenmerkt zich door enkele grotere lijnelementen welke bestaan uit grasvelden met solitaire bomen en eventueel een watergang voor afwatering. De A4 ligt op een paar honderd meter zuidwaarts. Ten (zuid)westen ligt Rijswijk Station en een spoorlijn met een korte watergang. Het plangebied ligt aan Kessler Park, Volmerlaan, Visseringlaan en Lange Kleiweg. Het plangebied bestaat uit een groot kantorencomplex en een stuk onbebouwd terrein. Het complex kent verschillende delen met een binnentuin. De gevels bestaan uit glas, staal, kunststof, plaatmateriaal en gladde gepolijste tegels. Aan de zuidzijde is een enkel stukje opgetrokken uit baksteen. De dakrand bestaat voor een groot deel uit beton of heeft een kunststof afwerking. Het dak bestaat uit een bitumen laag en de verschillende dakopbouwen bestaan uit plaatmateriaal, en/of kunststof. In de binnentuin is een vijver aanwezig en staan enkele struiken.

Op het onbebouwde deel staan bomen en is een loopbrug naar de ondergrondse parkeergarage gemaakt. Aan de westzijde is een korte, enkeldiepe watergang aanwezig zonder enige begroeiing van wateren oeverplanten. De plannen voor de herontwikkeling bestaan hoofdzakelijk uit omvorming; Het gedeelte langs de Volmerlaan wordt getransformeerd naar woningen. De overige delen van het complex blijven kantoren, maar worden wel verbouwd. Mogelijk komt er ook een school in het complex. Er worden twee doorgangen naar de binnentuin gemaakt zodat deze vrij toegankelijk is. De precieze uitvoering hiervan is nog niet bekend, maar er zal dus een klein deel gesloopt worden. De planning is dat medio 2020 de doorgangen gecreëerd worden en de overige werkzaamheden hierop aansluiten.

De gele cirkel geeft de transformatie naar woningen aan. De paarse pijlen geven de doorgang aan, waar dus een deel wordt gesloopt.

Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

2

2.

WETTELIJK KADER Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is een uitgebreidere toelichting opgenomen bij de soort- en gebiedsbescherming zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming.

2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

2.2 Soortbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogelen Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.

Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

3

3.

TOETSING

3.1 Onderzoeksmethodiek Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving (zie hoofdstuk 2). Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een veldverkenning, worden uitspraken gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Vervolgens zijn voor alle (mogelijke) aanwezige beschermde soorten de effecten en eventuele gevolgen voor de beoogde ingreep beschreven. Bij het opstellen van de quick scan flora en fauna is gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) en op websites gepubliceerde verspreidingsgegevens van bijvoorbeeld Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (RAVON, Zoogdiervereniging, etc.). Deze bronnen vermelden betrouwbare soortgegevens op basis van uurhokken (5 bij 5 kilometer), dit betekent dat het zeer globale gegevens betreft. Daarnaast is op 31 oktober 2019 de NDFF geraadpleegd waarbij met name gekeken is naar het voorkomen van beschermde soorten in, of binnen de invloedsfeer van, het plangebied. Op 21 oktober 2019 heeft er een veldverkenning plaatsgevonden.

Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van het plangebied en haar omgeving voor de verschillende soortengroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

3.2 Beschermde gebieden In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 2 en de aanwijzing als Natuurnetwerk Nederland moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde habitattypen, habitatsoorten en/of kernkwaliteiten. De beoogde activiteit kan hierop effecten hebben. 3.2.1 Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming Het plangebied te Rijswijk ligt in de bebouwde kom in een stedelijke omgeving. Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) liggen op grote afstand (minimaal 7 km) van het plangebied. Gezien de grote afstand, het stedelijke karakter en beperkte omvang van de ingrepen zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. 3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Op ongeveer 600 meter afstand ligt landgoed Te Werve wat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De beoogde plannen hebben betrekking op een relatief kleine oppervlakte dat in de huidige situatie grotendeels is bebouwd en verhard en intensief beheerd en gebruikt wordt.

Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

4

Door het intensieve beheer en gebruik van het plangebied en het bebouwde karakter van de omgeving, ontbreekt een relatie met de NNN.

3.3 Voorkomen van beschermde soorten In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde activiteit kan biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. 3.3.1 Vaatplanten Het plangebied is grotendeels verhard en bebouwd. Binnen de bebouwing ligt een volledig ingesloten binnentuin en rondom de bebouwing ligt een parkachtig ingerichte (kantoor)tuin. Zowel de binnentuin als de (kantoor)tuin zijn goed onderhouden. De tuinen zijn grotendeels ingericht met een grote diversiteit aan gecultiveerde soorten. Ook het bomenbestand is zeer divers met veel cultivars. Van een natuurlijk ecosysteem met plantengemeenschappen die kenmerkend zijn voor beschermde of zeldzame soorten is als zodanig geen sprake, waardoor bijzondere groeiplaatsen niet aanwezig zijn. Beschermde vaatplanten worden binnen het plangebied niet verwacht (ook in de NDFF staan geen beschermde vaatplanten gemeld). Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten (in bijvoorbeeld tuinen of bermen) zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming, omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft.

3.3.2 Grondgebonden zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) en zoogdiervereniging.nl komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als woelrat (Arvicola terrestris), rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus), veldmuis (Microtus arvalis), dwergmuis (Micromys minutus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), haas (Lepus europeus), egel (Erinaceus europeus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), dwergspitsmuis (Sorex minutus), huisspitsmuis (Crocidura russula), vos (Vulpes vulpes), hermelijn (Mustela erminea), wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius) en ree (Capreolus capreolus); waarvoor de provincie Zuid-Holland een vrijstelling kent voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Tevens komt, conform de atlas, in de omgeving de nationaal beschermde soort eekhoorn (Sciurus vulgaris) voor. Gezien de stedelijke ligging en het gebrek aan bosachtige gebieden en oude bomen die voldoen aan de habitateisen van de eekhoorn in de directe omgeving van het plangebied, kan aanwezigheid van eekhoorn in het plangebied uitgesloten worden. Ook in de NDFF staan geen meldingen van eekhoorn (of andere nationaal of internationaal beschermde zoogdieren) in of binnen de invloedsfeer van het plangebied.

3.3.3 Vleermuizen Volgens de verspreidingsgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) komen in de omgeving van het plangebied gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), watervleermuis (Myotis daubentonii) en tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) voor. De Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

5

NDFF meldt alleen het voorkomen van gewone - en ruige dwergvleermuis binnen en direct aansluitend op het plangebied. Vleermuizen zijn aan de hand van hun voorkeur voor verblijfplaats globaal onder te verdelen in twee groepen, gebouw- en boombewonende soorten. Ook zijn er soorten die beiden gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast maken verschillende vleermuizen onderscheid tussen zomer- en winterverblijven. De gewone dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis zijn het gehele jaar overwegend gebouwbewonende soorten, terwijl de rosse vleermuis alleen in boomholtes verblijft. Ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis maken zowel gebruik van gebouwen als van bomen (met uitzondering van de meervleermuis) in de zomermaanden. In de winter zitten deze soorten (met uitzondering van de ruige dwergvleermuis) graag in ondergrondse ruimten zoals: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied en vliegroutes Binnen het plangebied en de directe omgeving is voor de meeste van de genoemde soorten vleermuizen geschikt foerageergebied aanwezig.

Daarnaast kunnen de groenstructuren binnen en aangrenzend aan het plangebied een functie hebben als vliegroute voor diverse soorten vleermuizen; dergelijke vliegroutes vormen (vaak jarenlang) verbindingen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. Daarom kan het behoud van deze lijnelementen cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. Aantasting van vliegroutes kan leiden tot indirecte aantasting van verblijfplaatsen. Het (tijdelijk) onderbreken, als gevolg van de kap en/of het verplaatsen van bomen, van dergelijke vliegroutes kan een negatief effect hebben op potentiele vliegroutes van vleermuizen. Verblijfplaatsen Tijdens het veldbezoek zijn alle bomen binnen het plangebied onderzocht op holtes. De meeste bomen hebben nog een te kleine diameter om voor vleermuizen geschikte holtes te kunnen bevatten. Bij de bomen met een grotere stamdoorsnede zijn geen holtes aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten kunnen dan ook worden uitgesloten in het plangebied. Gebouwbewonende vleermuizen maken gebruik van spleten in gevels, spouwmuren, ruimtes achter daklijsten, etc. Met name de gewone- en ruige dwergvleermuis heeft slechts een smalle spleet nodig om zich toegang tot het gebouw te verschaffen.

Het overgrote deel van het complex bestaat uit glas, staal, kunststof, plaatmateriaal en gladde gepolijste natuurstenen tegels waar vleermuizen niet op kunnen aanhechten om ergens achter te kunnen kruipen. Hierdoor zijn de spleten tussen de gepolijste stenen niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaatsen. Wel is op enkele plekken de betonnen dakrand beschadigd, waardoor er een geschikte opening is ontstaan voor kleine vleermuizen, zoals gewone- en ruige dwergvleermuis. Mogelijk is de betonnen dakrand aan de oostzijde op meer plekken geschikt. Daarnaast is er één bakstenen gevel met smalle open stootvoegen boven en onder ramen. Ook hier kunnen alleen kleine soorten als gewone- en ruige dwergvleermuis een kleine verblijfplaats hebben. Op basis van de bouwtekeningen heeft deze gevel geen spouw.

Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

6

Verder bevindt zich aan de westzijde een constructie van natuursteen. Of dit object geschikt is hangt af van de binnenzijde. Het is van buitenaf moeilijk te beoordelen of vleermuizen ver genoeg kunnen wegkruipen. Indien dit object wel geschikt is, is het hoogstwaarschijnlijk ook alleen geschikt voor kleine vleermuissoorten. Van de hiervoor genoemde (mogelijk) geschikte openingen zijn onderstaand foto’s opgenomen.

Twee verschillende locaties waar de dakrand beschadigd is en een geschikte opening voor vleermuizen biedt.

Links open stootvoegen boven een raam. Rechts de constructie van natuursteen waar vleermuizen mogelijk in kunnen verblijven.

De werkzaamheden aan het gebouw kunnen een negatief effect hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen; met name kleine verblijfplaatsen van gewone - en ruige dwergvleermuis (al zijn kleine verblijfplaatsen van grotere soorten als laatvlieger ook niet volledig uit te sluiten). Gezien de geringe geschiktheid van het kantorencomplex (alleen ondiepe potentiele verblijfplaatsen aanwezig) is het voorkomen van een (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis niet waarschijnlijk in deze bebouwing. Op de naast staande afbeelding is aangegeven welke gevels geschikt zijn voor vleermuizen. Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

In geel zijn de geschikte gevels aangegeven.

7

3.3.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn vogels waargenomen zoals merel (Turdus merula), koolmees (Parus major), roodborstje (Erithacus rubecula), houtduif (Columba palumbus), ekster (Pica pica), kauw (Corvus monedula), zwarte kraai (Corvus corone) en halsbandparkiet (Psittacula krameri). Alle vogelsoorten zijn beschermd tijdens het broedseizoen. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is (actieve broedplaatsen). Jaarrond beschermde vogels De provincie Zuid-Holland heeft het beleid van RVO, opgesteld onder de Flora- en faunawet, ten aanzien van jaarrond beschermde soorten overgenomen. Dat betekent dat van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen) het gehele jaar door beschermd zijn. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua));

2.

Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek (Corvus frugilegus), gierzwaluw (Apus apus) en huismus (Passer domesticus));

3.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), ooievaar (Ciconia ciconia), kerkuil (Tyto alba), oehoe (Bubo bubo) en slechtvalk (Falco peregrinus));

4.

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), sperwer (Accipiter nisus), wespendief (Pernis apivorus), zwarte wouw (Milvus migrans) en ransuil (Asio otus)).

Het gebouw is door de aanwezigheid van een goed gesloten plat dak en het ontbreken van toegangen met voldoende ruimte voor vogels onder de dakrand, op de muurplaten en grotere gaten in de muren zelf ongeschikt voor jaarrond beschermde gebouwbewonende soorten zoals gierzwaluw en huismus. Ook zijn er tijdens de grondige inspectie van het gebouw, inclusief de daken, geen aanwijzingen gevonden van andere op gebouwen broedende soorten. Van de jaarrond beschermde vogelsoorten (LNV, 2009) kunnen verschillende soorten roofvogels, zoals buizerd en sperwer, ook in bomen in of aan de rand van de bebouwde kom of op binnenstedelijke locaties broeden. Vanwege het stedelijke karakter van het plangebied, de afwezigheid van grotere groenstructuren en het ontbreken van nesten (horsten) of oude bomen met (grote) holtes, is het voorkomen van in bomen broedende jaarrond beschermde vogels uit te sluiten. Niet jaarrond beschermde vogels Naast de voorstaande vier categorieën is er nog een vijfde categorie (beschermde) vogels. Deze vogels beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze vogels (en hun broedplaatsen) zijn in principe buiten het broedseizoen niet Quick scan flora en fauna Kessler Park 1 te Rijswijk

8

beschermd. Alleen als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen zijn deze soorten wel jaarrond beschermd. Binnen het plangebied is de aanwezigheid van broedplaatsen van vogels uit de vijfde categorie niet uit te sluiten. Aangezien in de omgeving voldoende alternatieve broedplaatsen aanwezig zijn voor deze categorie vogels zijn er geen omstandigheden aanwezig om deze vogels jaarrond te beschermen. Negatieve effecten op vogels uit de vijfde categorie worden dan ook niet verwacht indien rekening gehouden wordt met het broedseizoen (actieve broedplaatsen). 3.3.5 Amfibieën, reptielen, vissen, insecten en overige soortengroepen Het plangebied ligt in de bebouwde kom, heeft een stedelijk karakter, is voor een groot deel bebouwd en wordt intensief gebruikt en beheerd. Daarnaast zijn de werkzaamheden grotendeels beperkt tot het kantorencomplex. In een dergelijke omgeving komen geen nationaal of internationaal beschermde amfibieën, reptielen, vissen, insecten en overige beschermde soorten voor. De gegevens in de NDFF bevestigen het voorstaande. De habitateisen van deze beschermde soorten binnen de voorstaande soortgroepen zijn vaak zeer locatie specifiek en gebonden aan meer natuurlijke biotopen. Dergelijke biotopen komen niet in het plangebied voor.

De vijver in de binnentuin is eveneens ongeschikt voor nationaal of internationaal beschermde amfibieën, omdat er grote karpers in voorkomen. Vissen, met name roofvissen zoals karpers, eten de eieren en juvenielen van kwetsbare amfibiesoorten op, waardoor deze soorten geen standhouden. De waterpartij aan de wetszijde heeft een meer esthetische waarde en is door het ontbreken van enige begroeiing, het vele bladafval en de diepte niet geschikt voor beschermde amfibieën. Landbiotoop van algemene amfibieënsoorten Aangezien algemene amfibieënsoorten zich wel in minder geschikte wateren (onder andere in wateren waarin vis voorkomt) voortplanten, is het voorkomen van algemeen voorkomende amfibieën niet uit te sluiten. Waarschijnlijk is het voorkomen wel beperkt tot de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze soorten gaan na de metamorfose op het land naar voedsel zoeken. Hierbij kunnen ze grote afstanden afleggen. Omdat de dieren op het land overwinteren (met uitzondering van de bastaardkikker), is het ook mogelijk dat er dieren in de winterperiode binnen het plangebied aanwezig zijn. Voor deze soorten heeft de provincie ZuidHolland een algemene vrijstelling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=c6c06496-c88d-4623-b199-d1ced793ca3b