CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Harbourpark

Forum Stad 5 oktober 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Harbourpark (RV 23-068)28.265 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Extra gevelisolatie bij een niet-geluidgevoelige gevel Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving legt vast dat bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen een binnenniveau van maximaal 30 dB moet worden gerealiseerd, waarbij uitgegaan wordt van het gezamenlijke geluid, het geluid van alle geluidbronnen tezamen. Deze eis aan de geluidwering die moet worden gemaakt is 3 dB zwaarder dan de eis aan een dove gevel onder de Wet geluidhinder (33 dB). Geluidluw blijft een gemeentelijk invulling Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving stelt een meer kwalitatieve eis aan de geluidbelasting op een geluidluwe zijde. Een geluidluwe zijde is een zijde waar sprake is van een lagere geluidbelasting. In de toelichting is aangegeven dat de gemeenten hierin een eigen beleidsvrijheid hebben. In aansluiting op het bestaande beleid wordt er vanuit gegaan dat een gevel bij voorkeur in zijn geheel geluidluw is, maar dat in minimale zin voldaan wordt aan het gemeentelijk beleid als de geluidbelasting ter plaatse van een te openen deel wordt teruggebracht tot een geluidluwe niveau. Onderzoek Door bureau Noorman is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (d.d. 18-01-2023). Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Hieruit blijkt dat het plangebied in enkele geluidzones valt. De Rijksweg A4 heeft ter plaatse een geluidzone met een breedte van 600 m (buitenstedelijk gebied).

De Burgemeester Elsenlaan en de Koopmansstraat hebben een geluidzone van 200 m breed. Het plangebied ligt daarmee binnen de geluidzones van de genoemde wegen. Dit betekent dat voor het plan Harbourpark aan de Handelskade een maximaal toelaatbare geluidbelasting geldt van: • 53 dB voor de geluidbelasting vanwege de Rijksweg A4; • 63 dB voor de geluidbelasting vanwege de Burgemeester Elsenlaan en Koopmansstraat. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door het uitvoeren van berekeningen van de geluidsbelasting ten gevolge van het (spoor-)wegverkeer op de gevels van de nieuwe gebouwen. Figuur 4.10 geeft de verschillende bouwblokken aan.

68

Figuur 4.10: Bouwblokken zoals benoemd in het akoestisch onderzoek (bron: Akoestisch onderzoek bureau Noorman, d.d. 23-12-2022) Per gezoneerde weg is aangegeven wat de geluidbelasting is. Rijksweg A4 De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 53 dB wordt op een aantal rekenpunten overschreden. Op de 14e en 15e verdieping van de zuidoostzijde van blok A bedraagt de geluidbelasting 57 dB. Op de 9e t/m 14e verdieping bedraagt de geluidbelasting 56 dB. Op de 4e t/m 6e verdieping van de noordoostzijde van blok B bedraagt de geluidbelasting eveneens 56 dB. Voor deze gevels dient, in het kader van de Wet geluidhinder, een hogere grenswaardeprocedure te worden doorlopen. Dit geldt voor 151 woningen op de verdiepingen 2 tot en met 15. Er worden hogere waarden tot 53 dB aangevraagd en daar waar de geluidbelasting hoger dan 53 dB is dienen de gevels doof te worden uitgevoerd. Dit is in de regels geborgd in artikel 3.3 en dit is op de verbeelding aangegeven. In het akoestisch onderzoek is een oplossing gegeven in de vorm van een gevelstructuurcorrectie waardoor dove gevels niet nodig zijn. Dit is toepasbaar door de afwijking die verwerkt is in artikel 3.3 Burgemeester Elsenlaan Ten gevolge van het wegverkeer op de Burgemeester Elsenlaan bedraagt de geluidbelasting op de zuidwestgevel van blok C 49 dB.

Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, daarom dienen voor deze woningen hogere waarden te worden aangevraagd. Dit geldt voor drie woningen, één op de tweede verdieping, één op de derde verdieping en één op de zesde verdieping. Koopmansstraat Het plangebied ligt niet aan de Koopmansstraat, maar bevindt zich wel in de (200 meter) zone van deze weg. Voor de Koopmansstraat geldt dat op alle gevels wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Hogere waarden In onderstaande tabel staat welke hogere grenswaarden worden aangevraagd.

69

Omgevingswet Binnen afzienbare tijd treedt de Omgevingswet in werking. De wet geluidhinder gaat op in deze wet. De Omgevingswet kent een ander normstelsel. Onder de Omgevingswet is voorzien dat voor Rijkswegen de maximale ontheffingswaarde, in deze wet aangeduid als grenswaarde, wordt verruimd naar 60 dB (er is geen sprake meer van aftrek, dus dit is de geluidbelasting op de gevel). Dit betekent voor het plan dat er onder het regime van de Wet geluidhinder wel dove gevels zijn vereist, maar dat deze gevels onder de Omgevingswet niet meer "doof" uitgevoerd te worden. Er is daarom een planregel opgenomen dat het geluidaspect wegverkeerslawaai opnieuw beoordeeld mag worden als ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning sprake is van andere wetgeving. Hiermee biedt het plan flexibiliteit en maatwerk richting de komst van de Omgevingswet, maar kan ten allen tijde een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Conclusie De grenswaarde van 48 dB wordt overschreden vanwege de Rijksweg A4 en de Burgemeester Elsenlaan. De berekende geluidbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB. Voor deze woningen dienen hogere waarden te worden aangevraagd tot 53 dB. Dit is een separaat besluit dat als ontwerpbesluit tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Voor de woningen met een hogere geluidbelasting dienen dove gevels te worden toegepast.

Dit is geborgd in de regels in artikel 3.3. Daarnaast is in deze regel een afwijking opgenomen om met een andere oplossing dan een dove gevel te voldoen aan de geluidbelasting.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden wordt gebruik gemaakt van de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld door de VNG (versie 2009). Deze geeft per bedrijfscategorie een "veilige" afstand voor de genoemde milieuaspecten, de zogenaamde richtafstand. Realisatie van woningen binnen deze richtafstand is alleen gemotiveerd mogelijk indien wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat bestaande bedrijven niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. Deze wijze van milieuzonering is toegepast om de milieubelasting van bedrijven in de omgeving van het plangebied ten opzichte van de nieuwe woningen te toetsen.

70

Milieuzonering Nieuwe Stijl Het Havenkwartier is een gebied waarin wonen en bedrijvigheid door elkaar voorkomen. Daarbij past in beginsel een andere benadering van milieuzonering. Temeer omdat door innovatie en nieuwe technieken de milieueffecten van traditionele bedrijven veel beperkter zijn, en deze ingepast kunnen worden in een woongebied. Daarom is de VNG overgeschakeld op een nieuwe benadering, de Milieuzonering Nieuwe Stijl (VNG, 2019), die wordt overgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat de toelating van bedrijven wordt gereguleerd op basis van een beschikbaargestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Deze aanpak biedt een passend ruimtelijk kader voor de inpassing van bedrijven in een gemengd gebied met wonen (functiemenging). Voor geluid ziet dat er als volgt uit: Geluidregeling voor bedrijventerreinen De regeling onderscheidt voor geluid vier zones met oplopende geluidruimte. De zones sluiten aan bij de huidige zones voor de milieucategorieën 2 tot en met 4.1 uit de bestaande VNG-publicatie (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). In de volgende figuur is de ligging van de verschillende zones ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied schematisch weergegeven.

Figuur 4.11: Geluidzones

71

Waar kan welke zone in een bestemmingsplan worden toegekend?  Geluidruimte zone 1 is de basiswaarde die geldt in de eerste zone van het bedrijventerrein ten opzichte van een rustige woonwijk of een gemengd gebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 1 en 2 uit de oude VNG-publicatie.)  Geluidruimte zone 2 kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 50 meter van rustig woongebied en 30 meter van gemengd woongebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 3.1 uit de oude VNG-publicatie.)  Geluidruimte zone 3 kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 100 meter van rustig woongebied en 50 meter van gemengd woongebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 3.2 uit de oude VNG-publicatie.)  Geluidruimte zone 4 tenslotte kan worden toegekend in een zone op een afstand van tenminste 200 meter van rustig woongebied en 100 meter van gemengd woongebied. (Dit is te vergelijken met milieucategorie 4.1 uit de oude VNG-publicatie.) Met dit kader wordt voorgesorteerd op het gedachtengoed van de Omgevingswet. Daarin staat een goede fysieke leefomgeving en het bieden van maatwerkoplossingen centraal. Wel zijn in het kader van rechtszekerheid en handhaafbaarheid concrete en toetsbare normen opgenomen.

Voor bedrijven buiten dit bestemmingsplan wordt zoals aangegeven getoetst in de stijl zoals gebruikt in het bestemmingsplan waar dat bedrijf zich in bevindt. Onderzoek Het plangebied ligt in de huidige situatie op een bedrijventerrein. Dit gebied wordt omgevormd tot een woon-werk gebied. De omgeving waar het plangebied zich bevindt, is daarom aan te merken als het omgevingstype 'gemengd gebied'. Ten noorden van het plangebied is een aanduiding voor een betonmortelcentrale aanwezig met een geluidzone die voor een klein deel over het plangebied ligt. Deze betonmortelcentrale bestaat inmiddels niet meer. Ten oosten van het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven. De percelen ten zuidwesten van het plangebied hebben in het bestemmingsplan 'Plaspoelpolder' een bedrijfsbestemming, maar zijn in de huidige situatie getransformeerd naar woningen. Ten noordwesten van het plangebied ligt een woongebied. Betonmortelcentrale Ten noordoosten van het plangebied is een betonmortelcentrale met milieucategorie 4.2 planologisch mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van 200 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Het plangebied valt binnen deze richtafstand. Ook heeft de betonmortelcentrale een geluidzone waar het plangebied voor een klein deel binnen valt. De bedrijfsactiviteiten van de betonmortelcentrale zijn echter reeds beëindigd en de betonmortelcentrale is ontmanteld.

Onderstaand figuur geeft een uitsnede van het bestemmingsplan 'Plaspoelpolder, 1e algehele herziening' weer. Hierin is de 'geluidzone - industrie' opgelicht en is in geel de aanduiding ' specifieke vorm van bedrijventerrein - betonmortelcentrale' weergegeven.

72

Figuur 4.11.1: Uitsnede bestemmingsplan 'Plaspoelpolder, 1e algehele herziening' De geluidzone uit het geldende bestemmingsplan wordt ingetrokken voor de vaststelling van dit bestemmingsplan en zal niet meer op de verbeelding van dit bestemmingsplan voorkomen. Ook dit deel wordt namelijk in de toekomst omgevormd tot een woon-werk gebied. Op basis hiervan kan overlast van een betonmortelcentrale en de bedrijfsbestemming ten noordoosten van het plangebied uitgesloten worden. De geluidzone wordt in dit bestemmingsplan niet overgenomen. De twee aanduidingen worden verwijderd. Dit wordt als beslispunt bij de besluitvorming opgenomen. Bedrijven ten oosten van het plangebied Ten oosten van het plangebied ligt een strook waar bedrijven tot en met categorie 3.2 mogelijk zijn. Deze milieucategorie heeft een richtafstand tot gevoelige bestemmingen van 50 meter in gemengd gebied. Door de ligging van het plangebied binnen deze richtafstand is nader onderzoek nodig om te bepalen of ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woonen leefklimaat en of de bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Voor de bedrijven waar de woningen binnen de richtafstand gelegen zijn is geluidsonderzoek verricht naar het huidige gebruik door Peutz, zie bijlage 6 (Woningbouw Havenkwartier Rijswijk, Peutz, 24-04-2023).

Door Peutz is op basis van vragenlijsten en locatiebezoeken de huidige bedrijfsactiviteiten bepaald inclusief eventuele (op korte termijn) toekomst plannen van de bedrijven.

73

Hierbij wordt getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Onderstaande tabel geeft de geluidgrenswaarden weer.

Uit akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan Harbourpark is gebleken dat bij een aantal bestaande bedrijven sprake zal zijn van overschrijding van de voor die bedrijven geldende geluidsnormen op de geprojecteerde woningen. Met maatwerkvoorschriften kan voor specifieke activiteiten een hogere geluidsbelasting worden toegestaan. Ten behoeve hiervan is een geluidkader opgesteld als motivering voor het verlenen van maatwerkvoorschriften. Het toestaan van een hogere geluidnormering op de geprojecteeerde woningen vraagt in kader goede ruimtelijke ordening ook om maatregelen bij de geprojecteerde woningen. In het bestemmingsplan is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van geluid van industrielawaai. Op basis van deze bedrijfsactiviteiten en geluidsmetingen tijdens de locatiebezoeken is de geluidsbelasting van de omliggende bedrijven op de beoogde woningbouw in het plangebied bepaald. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningbouw in het plangebied niet wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden. Dit betreffen de bedrijven:  Will's Notenbar;  Studio Ribberink;  Firma ter Horst;  Eurowit beheer B.V. (Wigro);  Bosman. Onderstaand is weergegeven wat de werkzaamheden van het bedrijf zijn, wat de resultaten zijn en welke maatwerkvoorschriften worden opgesteld.

De maatwerkvoorschriften zijn in overleg met de bedrijven opgesteld. Een bedrijf kan dus kiezen ofwel maatwerkvoorschriften aan te vragen of te voldoen aan de bepalingen uit het Activiteitenbesluit. De Omgevingsdienst Haaglanden geeft de bedrijven hun maatwerkvoorschrift. Bijlage 26 geeft een overzicht. Will's Notenbar (Nijverheidsstraat 54-56) Will's Notenbar heeft aangegeven dat de levering van producten per vrachtwagen vóór 7.00 uur gedurende gemiddeld één keer per week kan plaatsvinden, niet op vaste dagen. Daarnaast vindt het vertrek van zijn notenkraam vóór 7.00 uur plaats, waarbij deze aangekoppeld wordt aan zijn personenwagen. Door het komen en gaan van de vrachtwagen en door het aankoppelen en vertrek van de notenkraam op meerdere dagen vóór 7.00 uur ontstaan piekgeluiden op de gevels van de nieuw te realiseren woningen van hoger dan 60 dB(A). Deze zijn niet te vermijden. Op de locatie aan de Nijverheidsstraat worden verder geen relevante geluidemiterende werkzaamheden verricht omdat de notenkraam 5 dagen in de week op de markt staat. Resultaat Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidgrenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt overschreden. De maximaal optredende maximale geluidniveaus bedragen 73 dB(A) op de gevels van de nieuw te realiseren woningen. Bij dichtstbijzijnde bestaande woningen

74

aan de Nijverheidsstraat 1-1g (hoek Koopmansstraat) bedraagt het maximaal optredende piekgeluidniveaus 63 dB(A). Daarmee wordt niet voldaan aan de grenswaarde van 60 dB(A). Door het opleggen van maatwerkvoorschriften, te weten een maximaal geluidniveau van 73 dB(A) in de periode tussen 06.00 en 07.00 uur op de gevels van de te realiseren woningen aan de Nijverheidsstraat in het bestemmingsplan Harbourpark wordt Will's Notenbar niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd. Studio Ribberink (Nijverheisstraat 60) Studio Ribberink is genoodzaakt om op onregelmatige basis in de late avond en nacht werkzaamheden te verrichten. Studio Ribberink verzorgt o.a. stands op beurzen. Na afloop van een beurs worden de gedemonteerde stands teruggebracht op de locatie aan de Nijverheidsstraat. Dit vindt uiterst onregelmatig plaats, dus ook in de avond- en nachtperiode. Door het komen en gaan alsmede het lossen na 23.00 uur en vóór 7.00 uur ontstaan piekgeluiden op de gevels van de nieuw te realiseren woningen van hoger dan 60 dB(A). Deze zijn niet te vermijden. Op de locatie aan de Nijverheidsstraat worden verder alleen in de dagperiode geluidemiterende werkzaamheden (hoofdzakelijk binnen in de werkplaats) verricht. Deze werkzaamheden leiden niet tot overschrijdingen. Resultaat Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidgrenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt overschreden.

De maximaal optredende maximale geluidniveaus bedragen 64 dB(A) op de gevels van de nieuw te realiseren woningen. Bij dichtstbijzijnde bestaande woningen aan de Nijverheidsstraat 1-1g (hoek Koopmansstraat) bedraagt het maximaal optredende piekgeluidniveaus 55 dB(A). Daarmee wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB(A). Door het opleggen van maatwerkvoorschriften, te weten een maximaal geluidniveau van 64 dB(A) in de periode tussen 23.00 en 07.00 uur op de gevels van de te realiseren woningen aan de Nijverheidsstraat in het bestemmingsplan Harbourpark, wordt Studio Ribberink niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd. Firma Ter Horst (Nijverheidsstraat 30 en 46) Ter Horst is genoodzaakt om tussen 6.00 en 7.00 uur werkzaamheden te verrichten. Het betreft hierbij laden/lossen en het vertrek van een lichte vrachtwagen en bestelbussen vóór 7.00 uur. Dit kan meerdere keren per week plaatsvinden, niet op vaste dagen. Door het laden/lossen en vertrek van de lichte vrachtwagen op meerdere dagen vóór 7.00 uur ontstaan piekgeluiden op de gevels van de nieuw te realiseren woningen van meer dan 60 dB(A). Deze zijn niet te vermijden. Op de locatie aan de Nijverheidsstraat worden verder geen relevante geluidemiterende werkzaamheden verricht. De bedrijfsruimten worden hoofdzakelijk gebruikt voor opslag.

Resultaat Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidgrenswaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt overschreden. De maximaal optredende maximale geluidniveaus bedragen 72 dB(A) op de gevels van de nieuw te realiseren woningen. Bij dichtstbijzijnde bestaande woningen aan de Nijverheidsstraat 1-1g (hoek Koopmansstraat) bedraagt het maximaal optredende piekgeluidniveau 61 dB(A). Daarmee wordt niet voldaan aan de grenswaarde van 60 dB(A). Door het opleggen van maatwerkvoorschriften, te weten een maximaal geluidniveau van 72 dB(A) in de periode tussen 06.00 en 07.00 uur op de gevels van de te realiseren woningen aan de Nijverheidsstraat in het bestemmingsplan Harbourpark wordt Ter Horst niet in zijn

75

bedrijfsvoering belemmerd. Eurowit beheer B.V. (Wigro) (Nijverheidsstraat 24) Wigro betreft een montage/constructiebedrijf voor luchtbehandelingssystemen. De monteurs komen in busjes in de ochtend materialen bij het bedrijf ophalen. Daardoor ontstaan piekgeluiden hoger dan 60 dB(A) op de gevels van de nieuw te realiseren woningen. Deze zijn voor Wigro niet te vermijden. Resultaat Uit de rekenresultaten blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau in de nachtperiode hoger zijn dan de geluidgrenswaarden van respectievelijk 40 en 60 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ten hoogste 25 dB(A) in de nachtperiode. De maximaal optredende maximale geluidniveau op de gevels van de nieuw te realiseren woningen bedraagt bedragen 62 dB(A) ten gevolge van de bestelbusjes. Op de gevels van de dichtstbijzijnde bestaande woningen aan de Nijverheidsstraat 1-1g (hoek Koopmansstraat) wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A) voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en 60 dB(A) voor de maximale geluidniveaus in de nachtperiode.

Door het opleggen van maatwerkvoorschriften, te weten een maximaal geluidniveau van 62 dB(A) tussen 06.00 en 07.00 uur voor de nachtperiode op de gevels van de te realiseren woningen aan de Nijverheidsstraat in het bestemmingsplan Harbourpark wordt Wigro niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd. Bosman (Nijverheidsstraat 8-12) De overschrijdingen van de geluidgrenswaarden bij Bosman zijn het gevolg van de buitenactiviteiten in de dagperiode, het laden en lossen in de avond- en nachtperiode, en de geluidbijdrage van de dakafzuiging in de nachtperiode. Het equivalente (gemiddelde) geluidniveau ten gevolge van het laden en lossen (dieselheftruck/kooiaap) kan worden beperkt door gebruik te gaan maken van elektrisch materieel. Afgesproken is hiervan reeds uit te gaan gezien de snelle ontwikkeling van elektrisch aangedreven materieel in relatie tot de tijd dat de eerste oplevering van de woningen het geval zal zijn. Avond- en nachtperiode De overschrijding van de maximale geluidniveaus (piekgeluidniveaus) als gevolg van laden of lossen van bijv. steigerbuizen is te beperken door gedisciplineerd gedrag, maar ook dan is niet altijd te voorkomen dat geluidgrenswaarden in de avond- en nachtperiode worden overschreden. Hiervoor dienen maatwerkvoorschriften (lees ruimere geluidgrenswaarden) te worden opgelegd.

De geluidisolatie van de gevels van de nieuwe woningen dient dan voldoende hoog te zijn om een acceptabel binnengeluidniveau te garanderen. Dagperiode Door het toepassen van de genoemde maatregelen (stille dakventilator, elektrisch laden en lossen) is nog een beperkte overschrijding (de overschrijding bedraagt 6 dB bij bestaande woningen en 3 dB bij de nieuwe woningen) in de dagperiode. (en 2 dB in de nachtperiode bij bestaande woningen) Geluidpieken ten gevolge van het laden en lossen in de dagperiode worden conform het Activiteitenbesluit buiten de beoordeling gehouden. (De maximale geluidniveaus in de dagperiode worden veroorzaakt door de buiten activiteiten zoals zagen e.d. dit zijn geen laad- en losactiviteiten)

76

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevels van bestaande woningen (inclusief maatregelen) bedraagt ten hoogste 56 dB(A) in de dagperiode, 45 in de avondperiode en 42 dB(A) nachtperiode. De maximale geluidniveaus (inclusief maatregelen) bedraagt ten hoogste 78 dB(A) in de dagperiode, en 69 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevels van nieuw te realiseren woningen (inclusief maatregelen) bedraagt ten hoogste 51 dB(A) in de dagperiode, 42 in de avondperiode en 40 dB(A) nachtperiode. De maximale geluidniveaus (inclusief maatregelen) op de gevels van de nieuw te realiseren woningen bedraagt ten hoogste 72 dB(A) in de dagperiode en 63 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Er kunnen maatwerkvoorschriften worden opgesteld. Maatwerkvoorschriften Bij het vaststellen van maatwerk hanteert de gemeente het volgende afwegingskader. 1.Toepassen Best Beschikbare Technieken (BBT) Het bedrijf dient aan te geven dat gebruik wordt gemaakt van 'Beste Beschikbare Technieken'. Dit zijn technieken waarmee door het nemen van technische maatregelen het geluid kan worden beperkt. Het gaat dan om maatregelen bij de bedrijven, bijvoorbeeld door stillere werktuigen of geluiddempende voorzieningen. De toepassing van best beschikbare technieken is een voorwaarde voor het verlenen van maatwerk.

Ook dient het bedrijf te motiveren waarom een wijziging van de bedrjifsvoering niet mogelijk is dan wel dat dit leidt tot een onevenredige beperking. 2. Acceptabel geluidniveau De gemeente hanteert de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving als een acceptabel geluidniveau. De overweging hierbij is dat dit geluidniveau met inwerkingtreding van de Omgevingswet als acceptabel geluidniveau door de wetgever is beschouwd en dat juist de invulling van het Havenkwartier met de verschillende functies aansluit bij een ruimhartiger norm voor geluid. Maatwerk waarbij een verhoging van de geluidwaarde tot dit niveau wordt aangevraagd en voldoende wordt gemotiveerd kan zonder aanvullende eisen worden toegestaan. Nabij Harbourpark zijn bedrijven gevestigd die ook op locatie elders werkzaam zijn en die in de vroege ochtend tussen 06.00 uur en 07.00 uur geluid produceren ten gevolge van laad- en losactiviteiten inclusief het komen en gaan van vrachtverkeer en eigen werknemers. Ter voldoening aan een goed woon-en leefklimaat worden aanvullende voorwaarden aan de te realiseren woongebouwen gesteld. Dit betreffen de volgende gebouwgebonden maatregelen: A. De gevels van de woningen dienen en zodanige karakteristieke geluidwering te hebben dat het piekniveau inpandig de norm van 45 dB(A) niet overschrijdt.

Deze norm is overgenomen uit het Activiteitenbesluit en wijzigt niet in de BKl. B. Ter plaatse van een te openen deel van een slaapvertrek mag het piekniveau niet meer bedragen dan 65 dB(A). Deze maatregelen zijn verankerd in regel 3.7 en 3.9.6 van de planregels van dit bestemmingsplan. De gemeente Rijswijk wil hiermee borgen dat ook bij gevels met een hoge geluidbelasting sprake is van een aangenaam binnenklimaat. In Nederland slapen mensen namelijk graag met het raam open. Aangezien het maatwerkvoorschrift zich richt op piekgeluiden in de nacht, wordt deze eis alleen gesteld aan de slaapkamer. Het gekozen piekgeluidniveau van 65 dB(A) komt overeen met de norm van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In onderstaande tabel is het geluidkader samengevat wat als aanvaardbaar woon-, leef- en vestigingsklimaat wordt beschouwd, als gevolg van industrielawaai.

77

Omliggende woningen Woningen zijn geen milieuhinderlijke functies en hebben geen negatief effect op het woonleefklimaat in het plangebied. Wel geeft het bestemmingsplan ruimte voor bedrijfsmatige activiteiten waarmee rekening gehouden moet worden met de omliggende woningen en de nieuwe woningen binnen het plangebied. Toepassing Milieuzonering nieuwe stijl De niet-woonfuncties die in het gebouw komen, moeten inpasbaar zijn in een gemengd woongebied. Dat betekent dat deze naast en onder woningen hun activiteiten uit moeten kunnen voeren, zonder het woon- en leefklimaat aan te tasten. In de traditionele millieuzonering betekent dit, dat bedrijfsactiviteiten tot maximaal categorie 2 toegestaan zouden zijn. In dit bestemmingsplan is gekozen voor de Milieuzonering nieuwe stijl. Hierbij wordt niet gekeken naar bedrijfscategorieën op basis waarvan de zonering plaatsvindt, maar wordt gekeken naar de daadwerkelijke uitstraling van een bedrijf. Daarvoor worden concrete milieunormen benoemd in de bestemming. Dit zijn de normen uit het activiteitenbesluit. Verder zijn de normen ten aanzien van trillingen opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen. In de Richtlijn vindt de beoordeling plaats door middel van A1, A2 en A3:   

A1 is de onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A2 is de bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A3 is de streefwaarde voor de trillingssterkte Vper.

78

De getallen in onderstaande tabel zijn de trillingsterkten in maximale snelheid in meter per seconde.

Verder is geborgd dat laad- en losactiviteiten voor de bedrijven in het plangebied niet in de avonden nachtperiode toegestaan zijn. Dit biedt mogelijkheden functiemenging in combinatie met een goed woonklimaat te realiseren. Tot slot is in de regels geborgd dat wanneer de aanvraag van de omgevingsvergunning daar aanleiding toe geeft, er kan worden afgeweken van de normen die zijn benoemd waardoor kan worden getoetst aan de wet- en regelgeving geldend op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierbij geldt de voorwaarde dat voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat.

79

4.5

Externe veiligheid

Normstelling en beleid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. De contour 10-6 is de kans van 1 op 1 miljoen dat een persoon dodelijk kan worden getroffen op die bepaalde plaats gelegen binnen de contour. Bij de plaatsgebonden risico contour 10-5/jaar is deze kans 1 op de 100.000.

Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Figuur 4.12: Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met een oriëntatiewaarde voor transport

80

Circulaire LPG-tankstations In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten voor een ongeval (verder: Circulaire LPG-tankstations) zijn effectafstanden geïntroduceerd. Het bevoegd gezag wordt verzocht rekening te houden met deze effectafstanden. Dit betekent tegelijkertijd dat gemotiveerd afwijken is toegestaan, al dient deze afwijking te worden onderbouwd met veiligheidsgeoriënteerde argumenten. Verantwoordingsplicht In het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio.

De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals de mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking, mogelijkheden van hulpverlening en de nut en noodzaak van de ontwikkeling. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, liggen in de omgeving een LPG tankstation en een inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk. LPG tankstation Per 1 juli 2019 heeft de gemeente Rijswijk de vergunning van het LPG-tankstation aan de Burgemeester Elsenlaan 156 ingetrokken. Door het intrekken van de vergunning vindt ook geen transport van gevaarlijke stoffen meer plaats. Het tankstation is hierdoor voor het gebied geen relevante risicobron meer. Inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk De inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk ligt op een afstand van circa 90 meter. Het plangebied valt buiten de veiligheidsafstanden van de vuurwerkopslag. De inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Harbourpark ligt niet binnen de invloedsfeer/risico-contour van de LPG en inrichting voor de opslag van consumentenvuurwerk.

Er zijn geen relevante risicovolle inrichtingen in de omgeving aanwezig. Vervoer van gevaarlijke stoffen Ten zuidoosten van het plangebied ligt een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding en liggen de A4 en de A13 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de omgeving zijn verder geen relevante risicobronnen aanwezig. Buisleiding Op een afstand van 520 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding van de Gasunie. Het plangebied ligt buiten het plaatsgebonden risico 10-6 contour van de buisleiding en daarmee buiten het invloedsgebied van 405 meter. De aardgastransportleiding vormt geen beperking voor het bestemmingsplan.

81

A4 Het plangebied ligt op een afstand van circa 570 meter tot de A4. Over de A4 wordt stofcategorie LT2 (toxische vloeistof) vervoerd. De effectafstand hiervan is 880 meter. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico 10-6 contour van de A4. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van de A4 waardoor een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het toxisch scenario van de A4. Hiervoor dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. A13 Het plangebied ligt op 1 kilometer afstand van de A13. Over de A13 wordt stofcategorie GT4 (toxisch gas) en stofcategorie LT3 (toxische vloeistof) vervoerd. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico 10-6 contour van de A13. Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het toxisch scenario van de A13 van 4000 meter. Beknopte verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Op basis hiervan zal de verantwoording aangevuld worden.

Bestrijdbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Bereikbaarheid Het plangebied wordt ontsloten via de Handelskade op verschillende wegen waaronder de burgemeester Elsenlaan. De Burgemeester Elsenlaan is een doorgaande weg waarmee het plangebied aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Burgemeester Elsenlaan van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het plangebied wordt woningbouw mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn.

Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.

82

Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS), het luchtalarm. Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Advies maatregelen Veiligheidsregio Haaglanden Geadviseerd wordt om in de gebouwen een technische voorziening te plaatsen, zodat de ventilatie met een eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld. Om zo de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen te beperken. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Het is daarbij van belang dat ook ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.

De verplichting van het toepassen van mechanische ventilatie is geborgd in de regels in artikel 3.9.3. Daarnaast geeft de Veiligheidsregio adviezen ten aanzien van het voorbereiden van de interne organisatie van de gebouwen en over risicocommunicatie in het geval van noodsituaties. Tot slot dient de bereikbaarheid van het plangebied en bluswatervoorzieningen voor de hulpdiensten goed te zijn. Deze punten dienen bij de uitvoering van het plan in acht te worden genomen. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het toxische scenario van de A4 en de A13. Vanwege de afstand tot de A4 en de A13 vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.

4.6

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;  defensiebrandstoffen;  warmte- en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie In en rondom het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen.

83

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijnstof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j.

meer dan 50 µg / m³ fijnstof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieuhinder kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst, omdat de grenswaarden hierdoor niet overschreden worden. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Actieplan Luchtkwaliteit 2020-2024 De gemeente Rijswijk wil samen met andere overheden, organisaties, ondernemers en inwoners maatregelen nemen om de luchtkwaliteit in Rijswijk te verbeteren. Door middel van lokale maatregelen wil de gemeente de luchtkwaliteit verbeteren zoals het uitbreiden van milieuzone's, stimuleren van het gebruik van de fiets, OV en elektrische voertuigen. Voor ontwikkelingen zoals Harbourpark betreft het aandacht besteden aan duurzaam en energiezuinig bouwen en wonen en het gebruik van deelmobiliteit.

84

Onderzoek Het bestemmingsplan zelf maakt maximaal 301 woningen mogelijk. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Voor de gehele ontwikkeling van het Havenkwartier is in het kader van de m.e.r.-beoordeling een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9). Hieruit blijkt dat als gevolg van de gehele ontwikkeling geen grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) overschreden worden. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn beoordelingspunten aangegeven. Het plangebied van Harbourpark ligt bij toetspunt 6. In onderstaande tabel zijn de waardes ter plaatse van dit toetspunt aangegeven in de huidige situatie (jaar 2020). Er wordt ruimschoots aan de grenswaarden voldaan. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stof Beoordelingspunt 6 stikstofdioxide (NO2) 25,7 µg/m3 fijnstof (PM10) 19,7 µg/m3 8 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijnstof (PM2,5) 11,8 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

85

Figuur 4.13: Beoordelingspunten uit het onderzoek luchtkwaliteit behorende bij de aanmeldnotitie m.e.r. Havenkwartier Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.8

Bodemkwaliteit

Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening van belang indien sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden wanneer de bodem waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden geschikt is voor het beoogde gebruik dan wel geschikt wordt gemaakt voorafgaand aan de ontwikkeling. De Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

86

Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wet bodembescherming is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Situatie in het plangebied De locatie betreft een (voormalige autobandenhandelaar). In 1999 zijn 4 huisbrandolietanks en in 2003 zijn 3 huisbrandolietanks verwijderd.

Hierbij is in totaal 45 m3 met minerale olie verwijderde grond afgevoerd. Het plangebied ligt in wijk Havenkwartier en is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rijswijk blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone Industrie. Zowel de algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn geclassificeerd als klasse industrie. Onderzoek Voor het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd door Bureau Grondslag (d.d. 20 december 2021). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. In het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en verhardingen (asfalt) in het plangebied onderzocht. Dit onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. In het bureauonderzoek is informatie onderzocht die reeds beschikbaar was over het plangebied en de direct aangrenzende percelen. Daarnaast is door middel van boringen de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en verhardingen (asfalt) in het plangebied onderzocht. Op basis van de beschikbare informatie over de locatie is de hypothese gesteld dat plaatselijk sterke verhogingen aan zware metalen in de ondergrond werden verwacht. Deze hypothese is door het onderzoek bevestigd. In de venige ondergrond zijn verspreid over de onderzoekslocatie sterke verhogingen aan koper en zink aangetoond.

In de zandige bovengrond is maximaal een lichte verhoging aan PCB (Polychloorbifenyl) aangetoond. In de kleiige ondergrond zijn maximaal lichte verhogingen aan diverse zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond. In de kleilagen van de diepere ondergrond (> 3 m-mv) zijn geen verhogingen gemeten boven de achtergrondwaarde. In het grondwater zijn matige tot sterke verhogingen aan arseen gemeten. Van arseen is het bekend dat deze waardes worden gemeten in het grondwater en worden derhalve beschouwd als een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. Verder is in het grondwater ter plaatse van een peilbuis midden in het plangebied een sterke verhoging aan vinylchloride (VOCL) gemeten. Deze sterke verhoging staat in verband met een nabijgelegen bronlocatie (vermoedelijk ter plaatse van de voormalige ontvettingsafdeling). Ook zijn in het grondwater lichte verhogingen gemeten aan diverse overige zware metalen, vluchtige aromaten en diverse overige VOCL-verbindingen.

87

Op basis van de huidige onderzoeksresultaten kan al worden geconcludeerd dat op de locatie sprake is van meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien meer dan 25 m3 grond of meer dan 100 m3 grondwater sterk verontreinigd is. Sanering De voor de hand liggende saneringsaanpak is te differentiëren naar de immobiele en mobiele verontreinigingen. Aangezien de bouwplannen inhouden dat de gehele locatie wordt bebouwd, worden de immobiele verontreinigingen geïsoleerd middels de (kelder-)vloeren van het nieuwe pand. Het ontgraven en afvoeren van verontreinigde grond wordt daarbij bepaald door de voor de nieuwbouw benodigde grondroerende werkzaamheden. De mobiele olieverontreinigingen worden zoveel als (kosteneffectief) haalbaar en uitvoerbaar is verwijderd. Dit vindt plaats door het ontgraven van de spots aangevuld met bemaling en/of een aanvullend benodigde grondwatersanering. Tenslotte zal in het geval sprake is van een (omvangrijke) VOCL pluim een bronaanpak plaatsvinden door in-situmaatregelen om de planning van de nieuwbouw niet te frustreren. Het uitgangspunt van de aanpak is dat daarmee voldoende vracht kan worden verwijderd om te komen tot een stabiele eindsituatie van de pluim, en kan worden volstaan met het meerjarig monitoren van de pluim gevolgd door nazorg.

De ontwikkelaar heeft in haar begroting rekening gehouden met bovengenoemd scenario. De inschatting van de saneringskosten is €1.6 miljoen. Hiermee is de economische haalbaarheid van het project op dit punt geborgd. Conclusie Er is bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar de verontreinigingen nodig is. Dit nader onderzoek wordt na de sloop uitgevoerd. In de kostenraming van de ontwikkelaar is rekening gehouden met de kosten ten aanzien van eventuele sanering. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Ecologie

Toetsingskader De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebied- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten significant kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken van het gebied.

88

Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. Onderzoek Gebiedsbescherming en stikstofdepositie Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Solleveld & Kapittelduinen en de Westduinpark & Wapendal. Deze gebieden bevinden zich op circa 6,6 en 6,8 kilometer afstand (figuur 4.14). Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland-gebied (Landgoed Te Werve) bevindt zich op circa 1.000 meter van de beoogde bebouwing (figuur 4.15) Gelet op deze afstanden kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering hierdoor worden uitgesloten. Gezien de ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding in de natuurgebieden worden uitgesloten.

Figuur 4.14: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden

89

Figuur 4.15: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland gebieden In paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect stikstof. Soortenbescherming Bij een ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of er door de werkzaamheden significant negatieve effecten op beschermde natuurwaarden optreden. Onderdeel van de planvorming is de sloop van de bestaande bebouwing en de renovatie van een deel van de bestaande bebouwing. Voor de ontwikkeling van de woningen kunnen de bestaande gebouwen niet bewaard worden. Wel wordt een deel van de bebouwing aan de Klipperstraat behouden. Dit deel krijgt een transparante gevel. Waarom kan maar een deel van het pand gerenoveerd worden?  Allereerst is het bestaande pand een oud kantoor/fabriek en is de casco opzet hierdoor ongeschikt voor het realiseren van woningen.  Het pand is in een zodanig slechte staat van onderhoud dat reparatie niet werkbaar is: 1. Het dak is op een aantal plekken lek en door de grote hoeveelheid grind op het dak is niet te achterhalen waar de lekkage zich bevindt. 2. Een groot deel van de bestaande kozijnen zijn rot en glas is er uit. 3. Een deel van de gevelpanelen laat los en valt naar beneden en de achterliggende constructie is volledig weg aan het rotten. Er is dan ook duidelijk sprake van valgevaar. 4.

De dakconstructie is ook slecht en sluit niet meer aan bij de eisen van deze tijd. 5. Er is al velen jaren sprake van leegstandbeheer, er zijn in al die jaren geen structurele onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd, gebouw is volledig aan het eind van z’n gebruikscyclus.  De nieuwe technische duurzame installaties bestaande uit een ijs-buffer kelder kan niet worden gerealiseerd bij behoud bebouwing.  Het hergebruik van het bestaande gedeelte is alleen mogelijk omdat het dit deel geen woonfunctie krijgt en er daarmee minder strenge eisen worden gesteld.

90

Figuur 4.16: Foto technische staat van het pand in huidige situatie.

91

Figuur 4.17: Impressie van het ontwerp waarin het te behouden bouwdeel aan de Klipperstraat is te zien. Dit kan impact hebben op habitats van beschermde soorten. Daarom is een onderzoek uitgevoerd door Tiko Seip ecologisch advies (Natuurtoets, d.d. december 2021). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10, en bestaat uit bureauonderzoek en een veldbezoek. Het veldbezoek is op 17 februari 2021 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat:  Planten Het grootste deel van het plangebied is geheel bebouwd. Aangrenzend zijn straatverharding en enkele bomen en struiken aanwezig. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en zijn hier gezien de aanwezige, intensief beheerde biotopen ook niet te verwachten. De voorgenomen werkzaamheden hebben daarmee geen effect op beschermde planten. Er zijn voor planten geen vervolgstappen nodig.  Vogels De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels. Daarom moet in de uitvoering rekening gehouden worden met het broedseizoen (15 maart tot 15 augustus). Voor vogels met jaarrond beschermde nesten is geen geschikte verblijfsgelegenheid aanwezig. Er zijn geen pannendaken aanwezig en de open stootvoegen en andere openingen in het gebouw zijn te klein voor gebruik door de huismus of de gierzwaluw.

Binnen het plangebied zijn geen bomen met holten en/of horsten aanwezig die verblijfsgelegenheid bieden voor andere vogels met jaarrond beschermde nesten (zoals roofvogels en uilen).  Grondgebonden zoogdieren Het is uitgesloten dat het plangebied van belang is voor niet vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren, zoals rode eekhoorn, steenmarter en boommarter. Dit vanwege de ligging in dicht bebouwd gebied en het ontbreken van verblijfsgelegenheid voor deze dieren. De aanwezigheid van kleine algemene soorten als egel en huisspitsmuis zijn niet geheel uitgesloten. Voor deze soorten geldt echter een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten is tevens ruimschoots voldoende alternatief leefgebied aanwezig in de directe omgeving. Voor zowel de algemene soorten als de strenger beschermde grondgebonden zoogdieren geldt dat de werkzaamheden niet leiden tot negatieve effecten.

92

 Vleermuizen Naar aanleiding van een biotooptoets, waarin is geconcludeerd dat het gebouw mogelijk geschikt is voor vleermuisverblijven, is een soortgericht onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in 2021 en was gericht op de aanwezigheid van zomer- kraam- paar- en/of massawinterverblijven van de volgende soorten: Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Hieruit komt naar voren dat de werkzaamheden leiden tot het verlies van twee zomer- en paarverblijven van de gewone dwergvleermuis. Tevens kunnen de werkzaamheden, bij het gebruik van kunstlicht, leiden tot het tijdelijk verstoren van foeragerende of passerende vleermuizen in de omgeving. Hiervoor is op 24 februari ontheffing aangevraagd in verband met de aanwezigheid van zomer- en paarverblijven van de gewone dwergvleermuis in de te slopen bebouwing. Hiervoor wordt een activiteitenplan opgesteld (bijlage 11). Verder dient tijdens de werkzaamheden gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting.  Reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden Voor reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Voor deze soorten zijn dan ook geen maatregelen of andere vervolgstappen nodig. Op 24 februari 2022 is ontheffing aangevraagd in verband met de aanwezigheid van zomer- en paarverblijven van de gewone dwergvleermuis.

De beslistermijn van de ontheffingsaanvraag is 20 weken.  

24 februari 2022 (week 8) – aangevraagd Beslistermijn 20 weken (13 + 7 weken) vanaf 24 februari

Op 11 november 2022 heeft het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden) gevraagd om aanvullende gegevens. Deze aanvullende gegevens zijn op 28 november 2022 verzonden aan de Omgevingsdienst Haaglanden. Op 23 december 2022 is de ontheffing verleend (bijlage 12). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van het aspect soortenbescherming is een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend. Verder dient tijdens de werkzaamheden een aantal maatregelen in acht genomen te worden. Daarnaast wordt in het ontwerp rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. De rapportage 'Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk (TAUW, d.d. 22-12-2021)' vormt het toetsingskader voor het toepassen van maatregelen in het kader van natuurinclusief bouwen. In dit document zijn doelsoorten geformuleerd met bijbehorende maatregelen om deze aan te trekken in het gebied. Op het moment van schrijven zijn de doelsoorten voor het plangebied de huismus, grote bladsnijder, gewone dwergvleermuis en de gierzwaluw. In het kader van de omgevingsvergunning zal worden beoordeeld of hier in voldoende mate rekening mee wordt gehouden. Dit is vastgelegd in de regels in artikel 3.8.

93

4.10

Stikstof

Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming:  verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving;  vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen;  legt de rol van het bevoegd gezag voor verlening van vergunningen bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen:  De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.  Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=524fec8a-6ed4-41ba-afb5-89306c9e978a