CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-071 B. Sterpassage_vastgesteld.pdf

Raadsvergadering 21 december 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Sterpassage (21 071)29.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Tabel 5.3 gehanteerde aanwezigheidspercentages herontwikkeling Sterpassage (bron: Goudappel Coffeng)

Resultaat parkeerberekening autoparkeren De parkeervraag van de toekomstige bewoners bedraagt 306 parkeerplaatsen. De initiatiefnemer is voornemens deelauto's te plaatsen. Met een maximale reductie van 20% van de bewonersparkeervraag is het plaatsen van maximaal 12 deelauto's mogelijk. Het aanbieden van een mobiliteitsconcept aan bewoners resulteert in een resterend benodigd parkeeraanbod (saldo) van afgerond 257 parkeerplaatsen op de maatgevende zaterdagavond. In een te realiseren parkeergarage wordt voorzien in een capaciteit van 213 parkeerplaatsen voor de bewoners van de woningen. Dit betekent dat er een tekort is van 44 parkeerplaatsen. Dit tekort wordt opgevangen in een nabijgelegen parkeergarage, waarvoor een reserveringsovereenkomst wordt afgesloten tussen de ontwikkelaar en aanbieder van parkeervoorzieningen van In de Bogaard. Er is voldoende capaciteit voor het reserveren van de resterende parkeervraag. De toekomstige bewoners van de Sterpassage worden uitgesloten van een parkeervergunning en bezoekerspassen in de directe omgeving van In de Bogaard. "Sterpassage" (vastgesteld)

60 Bezoekers van de commerciële voorzieningen en bezoekers van de woningen zullen parkeren in de openbare parkeergarages, net als in de huidige situatie het geval is voor bezoekers van het winkelcentrum. De bestaande parkeervraag bedraagt maximaal 228 parkeerplaatsen (maatgevend moment is koopavond, zatrdagmiddag en zondagmiddag). In de toekomst neemt de totale parkeervraag af, maar het maatgevend moment wijzigt ook naar de zaterdagavond vanwege de parkeervraag van bezoekers van de woningen. Op het maatregevende moment van zaterdagavond bedraagt de parkeervraag 145 parkeerplaatsen. Deze parkeervraag wordt afgewikkeld op de nabijgelegen parkeervoorzieningen. Op basis van de Gebiedsparkeerbalans die is opgesteld in het kader van het Masterplan, is te oordelen dat hier voldoende ruimte voor is. 5.6.3

Verkeersafwikkeling en bereikbaarheid

5.6.3

Verkeersafwikkeling en bereikbaarheid

De nieuwe ontwikkeling heeft effecten op de verkeerssituatie en de parkeersituatie. Het plan leidt tot een afname aan oppervlakte retail en een toevoeging van woningen. Voor de planontwikkeling is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd (Goudappel Coffeng, 30 juni 2021). Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 6 Mobiliteitsonderzoek bij de toelichting. De resultaten van het onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. Uitgangspunten De intensiteiten op de relevante wegen in het plan- en studiegebied worden voor diverse planjaren met behulp van het verkeersmodel inzichtelijk gemaakt. Daarbij zijn de jaren 2020 (huidige situatie) en 2031 (referentiesituatie) en 2031 (plansituatie) gemodelleerd. De referentie- en plansituatie bevatten alle plannen (ruimtelijk en infrastructureel) waarover een besluit genomen is, maar waarvan de uitvoering nog niet gestart is. Deze plannen hebben een behoorlijke mate van zekerheid. Er is voor het jaar 2031 gekozen, omdat in bestemmingsplanprocedures het gebruikelijk is om altijd circa tien jaar vooruit te kijken na vaststelling van het bestemmingsplan. Verkeersgeneratie beoogde situatie ten opzichte van bestaande situatie Door Goudappel Coffeng is berekend wat de verkeersgeneratie is van het nieuwe plan ten opzichte van het huidige bestemmingsplan.

Dit is in beeld gebracht voor de weekdaggemiddelden en voor de werkdag en spitsintensiteiten (inkomend en uitgaand). Daaruit valt op te maken dat woningen en commerciële functies een gespiegeld patroon hebben in het aandeel inkomende en uitgaande bewegingen tijdens de spitsperioden. In de bestaande situatie (peil 2019) is sprake van een verkeersgeneratie van ca. 1.482 mvt/etmaal (werkdaggemiddelde). Voor de toekomstige situatie is berekend dat er sprake is van een verkeersgeneratie van ca. 1.442 mvt/etmaal (werkdag), een afname van 40 mvt/etmaal ten opzichte van de bestaande situatie. Dit komt omdat detailhandel een grotere verkeersaantrekkende werking heeft dan woningen (er gaan meerdere malen mensen heen en weer, verspreid over de dag). In het onderzoek zijn ook de verschillen in de spitsintensiteiten in beeld gebracht, zie tabel 5.4 hieronder. Zoals te zien is, neemt tijdens de ochtendspits het aantal verkeersbewegingen toe met circa 56 mvt/etm ten opzichte van de huidige situatie. Dit komt overeen met een gemiddelde toename van minder dan 1 auto per minuut. In de avondspits neemt de verkeersgeneratie in de toekomst af met circa 109 mvt/etm in het drukste uur.

Tabel 5.4 Verschil spitsintensiteiten bestaande en beoogde situatie Sterpassage Rijswijk (bron: Goudappel Coffeng)

Kwalitatieve beoordeling verkeersafwikkeling "Sterpassage" (vastgesteld)

61

De locatie wordt ontsloten via de Steenvoordelaan. Om te beoordelen wat het effect is van de planontwikkeling op de verkeerssituatie bij de Steenvoordelaan is door Goudappel een schouw ter plaatse uitgevoerd. Er is sprake van een inrichting van de weg met een scheiding van het langzaam verkeer en het autoverkeer. Ook is de snelheid van het autoverkeer laag vanwege de aanwezige oversteekplaatsen en kruispunten zonder voorrangregeling. De openbare ruimte is zo ingericht dat op vrijwel alle plekken sprake is van goed zicht op de omgeving. Behoudens de ochtendspits neemt op alle momenten de verkeersdruk van de locatie af. De toename van minder dan 1 auto per minuut in de ochtendspits op het drukste uur, is verkeerskundig beperkt en leidt naar verwachting niet tot knelpunten. De beoogde locatie van de inrit van de parkeergarage komt ter plaatse van de huidige laad- en losruimte. Het vrachtverkeer dat hier momenteel in en uit gaat wordt vervangen door personenauto's. Er komt voldoende opstelruimte om veilig het aanwezige fietspad te kruisen en te kunnen wachten om de weg op te kunnen gaan danwel om de garage in te rijden. Vekeersafwikkeling Steenvoordelaan en kruispuntanalyse verkeersmodel In de Bogaard Er is onderzoek gedaan naar de verkeerskundige impact van de gebiedstransformatie van In de Bogaard (kruispuntanalyse).

Er is een verkeersmodel gemaakt van de toekomstige situatie met de volledige ontwikkeling van het Masterplan, waaronder ook de ontwikkeling van de Sterpassage. De uitkomsten van dit onderzoek zijn beschreven in de notitie 'Toets verkeersafwikkeling In de Bogaard Rijswijk (Goudappel, 21 mei 2021) en opgenomen als Bijlage 7 Toets verkeersafwikkeling In de Bogaard. Uit de uitgevoerde analyses voor de nabijgelegen kruispunten blijkt dat het verkeer in de toekomstige situatie rondom In de Bogaard goed kan worden afgewikkeld. In het opgestelde verkeersmodel van In de Bogaard is ook rekening gehouden met de parkeergarage voor bewoners die in het plan voor de Sterpassage is opgenomen. De nieuwe parkeergarage leidt tot een toename van de verkeersbewegingen op de Steenvoordelaan in de ochtendspits (bewoners). Echter, de totale ontwikkeling van In de Bogaard leidt tot een afname van de etmaalintensiteiten op de Steenvoordelaan, zowel in de avond als in de ochtendspits. Daarnaast is de ochtendspits niet het maatgevende moment, omdat dit niet het drukke moment is. Dat is de avondspits. Het blijkt dat de ontwikkeling op wegvakniveau leidt tot een verbeterde verkeerssituatie. zowel in de ochtend- als de maatgevende avondspits nemen de intensiteiten in de toekomstige situatie af ten opzichte van de huidiqe situatie.

Conclusie verkeersafwikkeling Over de verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling zijn de volgende conclusies getrokken: In de toekomstige situatie neemt de verkeersgeneratie van de locatie op een werkdagetmaal af met circa 40 motorvoertuigbewegingen. In de ochtendspits vindt een beperkte toename van verkeersgeneratie plaats van circa 56 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur; gemiddeld minder dan één motorvoertuigbeweging per minuut. In de avondspits vindt een afname van verkeersgeneratie plaats van circa 10 motorvoertuigbewegingen. Op basis van een schouw is gekeken naar de verkeerssituatie op de Steenvoordelaan waarop de locatie ontsluit. Hierbij zijn geen knelpunten vanuit veiligheid of doorstroming geconstateerd. Gegeven het bovenstaand beschreven planeffect kan worden verondersteld dat de ontwikkeling leidt tot een verbeterde verkeerssituatie en niet leidt tot knelpunten. Uit het verkeersmodel van In de Bogaard blijkt dat de ontwikkeling op wegvakniveau van de Steenvoordelaan leidt tot een verbeterde verkeerssituatie. Zowel in de ochtend- als in de maatgevende avondspits nemen de intensiteiten in de toekomstige situatie af ten opzichte van de huidige situatie. Uit de uitgevoerde kruispuntanalyses voor de nabijgelegen kruispunten blijkt dat het verkeer in de toekomstige situatie rondom In de Bogaard goed kan worden afgewikkeld.

"Sterpassage" (vastgesteld)

62

5.6.4

Conclusie

Het plan leidt tot een wijziging in de parkeervraag. Een deel van de toekomstige parkeervraag wordt in het plangebied in een nieuwe parkeergarage opgevangen. De resterende parkeervraag wordt opgevangen in de bestaande parkeervoorzieningen in en rond het winkelcentrum. Hierover zijn met de beheerder afspraken gemaakt. In de omgeving van het plangebied is sprake van betaald parkeren in de openbare ruimte. De toekomstige bewoners krijgen geen parkeervergunning voor het parkeren op straat. Het totaal aantal verkeersbewegingen neemt af ten opzichte van de huidige situatie, dit valt voornamelijk te verklaren doordat detailhandel meer verkeer genereert dan woningen. Door de verschuiving van detailhandel en andere commerciële functies verandert het patroon van inkomende en uitgaande verkeersbewegingen. De ontwikkeling van de Sterpassage leidt in de ochtendspits tot extra verkeersbewegingen van ca. 56 motorvoertuigbewegingen. Dit komt overeen met een gemiddelde toename van minder dan 1 auto per minuut. Uit het verkeersmodel voor In de Bogaard blijkt echter dat de totale ontwikkeling leidt tot een afname van verkeersbewegingen op de Steenvoordelaan. Op basis van een schouw van de Steenvoordelaan is gekeken naar de verkeerssituatie op de Steenvoordelaan. Hierbij zijn geen knelpunten vanuit veiligheid of doorstroming geconstateerd.

Er is geconcludeerd de ontwikkeling niet leidt tot knelpunten.

5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Algemeen

De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Rijswijk de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied.

Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

Tabel 5.5: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

"Sterpassage" (vastgesteld)

63

5.7.2

Betekenis voor het bestemmingsplan

Voor de beoordeling van de milieuzonering gaat het om een beoordeling van de effecten van de omgeving op de nieuwe functies in het plan en omgekeerd om de effecten van de nieuwe functies in het plan op de omgeving. Het bestemmingsplan maakt woningen en retailfuncties mogelijk. De functies detailhandel, horeca categorie I en II en dienstverlening zijn al toegestaan in het huidige bestemmingsplan. Zodoende is voor de beoordeling alleen de toevoeging van de woonfunctie relevant. De directe omgeving van het plangebied heeft de bestemming Centrum-1 en bestaat uit winkels, horeca en publieke dienstverlening. Ook komen in het plangebied op de begane grond winkels, horeca en dienstverlening. Het omgevingstype is te kwalificeren als gemengd gebied. De functies die in het rond het plangebied zijn toegestaan en mogelijk worden gemaakt, vallen onder de lichtste categorie, namelijk milieucategorie 1. In onderstaande tabel zijn enkele voorbeelden opgenomen. In het omgevingstype 'gemengd gebied' geldt een richtafstand van 0 m voor categorie 1. Dit betekent dat deze functies direct naast een woonfunctie mogelijk zijn. Er wordt voldaan aan de richtafstanden.

Tabel 5.6: mogelijke functies met hinderafstanden (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009) 5.7.3

Conclusie

Ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de richtafstanden en zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omliggende retailfuncties worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering verder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

"Sterpassage" (vastgesteld)

64

5.8

Geluid

5.8.1

Wettelijk kader

Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang. Het plangebied ligt niet in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art.

1 Wgh): Woningen Onderwijsgebouwen Ziekenhuizen en verpleeghuizen Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) Grenswaarden Wet geluidhinder Het systeem van de Wet geluidhinder gaat uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan goed geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen mogelijk na een afwegingsproces, het zogenaamde hogere waarden besluit. Een zeer belangrijk onderdeel van dit afwegingsproces is een maatregelenonderzoek. De grenswaarden voor woningen in het plangebied zijn (in Lden) Wegverkeerslawaai, voorkeursgrenswaarde 48 dB en maximale grenswaarde van 63 dB. Spoorweglawaai, voorkeursgrenswaarde 55 dB en maximale grenswaarde van 68 dB Conform de Wgh artikel 74 lid 2 b bevindt zich langs een weg geen geluidszone indien op deze wegen een maximale snelheid van 30 km/h geldt. Voor wegen zonder geluidszone gelden formeel geen eisen ten aanzien van de maximaal toelaatbare geluidsbelastingen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing, dient de zogenaamde gecumuleerde geluidsbelasting Lcum bepaald te worden, waarbij tevens de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op deze 30 km/h-wegen beschouwd dient te worden.

Bij deze cumulatie dient gebruik te worden gemaakt van de in het Rekenen meetvoorschrift geluid 2012 beschreven dosismaat Lcum. De gemeente Rijswijk heeft geen vastgesteld 'geluidsbeleid' ten aanzien van het verlenen van hogere grenswaarden. 5.8.2

Resultaten onderzoek

Er is een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de gevels van de woningen. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai Sterpassage te Rijswijk" (Peutz, 1 november 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 8 Akoestisch onderzoek van de toelichting. De beoogde ontwikkeling is gelegen binnen de geluidzone van de de Generaal Spoorlaan en de Prinses "Sterpassage" (vastgesteld)

65 Beatrixlaan, Prinses Irenelaan, Sir Winston Chruschilllaan en Steenvoordelaan (50 km/uur). Ter plaatse van de Sir Winston Churchilllaan is naast het wegdek ook trambaan lijn 17 gesitueerd. Deze trambaan is meegenomen in het voorliggende onderzoek. Voorts bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied drie 30 km/uur-wegen, te weten het deel van de Steenvoordelaan ter hoogte van het plangebied, de Henri Ter Hallsingel en het Wethouder Hillenaarsplantsoen. De 30 km/u wegen kennen, gezien hun maximale snelheid, conform de Wet geluidhinder geen geluidzone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de 30 km/uur wegen wel meegenomen in het akoestisch onderzoek. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Prinses Beatrixlaan en de Steenvoordelaan (50 km/uur) ter plaatse van het bouwplan ten hoogste respectievelijk 51 dB en 54 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt hierbij met ten hoogste 6 dB overschreden ten gevolge van de Steenvoordelaan. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over het deel van de Steenvoordelaan, waarvoor een rijsnelheid van 30 km/uur geldt, overschrijdt eveneens de waarde van 48 dB (eveneens tot maximaal 6 dB).

Echter zoals eerder aangegeven behoeft voor dit wegdeel (vanwege de maximaal toegestane snelheid) formeel geen toetsing plaats te vinden en derhalve ook geen geen hogere waarde te worden aangevraagd. Voor alle beoordelingsposities geldt dat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden. Geluidreducerende maatregelen Daar waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer wordt overschreden, dient een ontheffing 'hogere grenswaarde' aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Zodoende dient voorafgaand aan het nemen van een hogere waarden besluit onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger. In het akoestisch onderzoek is dit nader onderzocht. Maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied zijn redelijkerwijs niet mogelijk of hebben deze onvoldoende effect mede in relatie tot de kosten en omvang van het bouwplan.

In voorliggende situatie worden (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger als meest kansrijk geacht. De invulling van deze maatregelen zal in een later stadium nader inzichtelijk gemaakt worden. In het ontwerp van de gevelwering wordt rekening gehouden met de verhoogde geluidbelastingen, zodat wordt voldaan aan de eisen aan het binnengeluidniveau die het Bouwbesluit stelt (33 dB voor weg- en spoorweglawaai). Hiermee zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Cumulatie Aangezien in voorliggende situatie hogere waarden aangevraagd moeten worden, is het benodigd om de cumulatie van geluid nader te beschouwen. In de voorliggende situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek art. 110g Wgh) ten gevolge van wegverkeerslawaai ten hoogste 60 dB (A) ter plaatse van de oostgevels van blok 1 en 5. In welke gevallen sprake is van een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting is echter niet in regelgeving vastgelegd. Wel heeft gemeente Rijswijk in het Actieplan geluid 2018-2022 een plandrempel van 65 dB aangegeven. Gesteld kan worden dat de aldus berekende maximale geluidbelasting ruim onder deze plandrempel blijft. Hogere grenswaarden geluidhinder In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de aan te vragen hogere grenswaarden. Het ontwerpbesluit hogere waarden wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

"Sterpassage" (vastgesteld)

66

Tabel 5.7. hogere waarden Sterpassage te Rijswijk (bron: Peutz) 5.8.3

Conclusie

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeer van de Prinses Beatrixlaan en de Steenvoordelaan op verschillende geveldelen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied zijn redelijkerwijs niet mogelijk of hebben onvoldoende effect in het reduceren van de geluidbelasting mede in relatie tot de kosten en omvang van het bouwplan. In voorliggende situatie worden (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger als meest kansrijk geacht. De invulling van deze maatregelen zal in een later stadium nader inzichtelijk gemaakt worden. Voor de woningen in het bestemmingsplan zal een hogere waarde procedure worden doorlopen.

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1

Wettelijk kader

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Woningbouwlocaties van 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 5.9.2

Resultaat onderzoek

Voor het bestemmingsplan is een beoordeling 'niet in betekenende mate' uitgevoerd ('NIBM-berekening luchtkwaliteit', Peutz, 18 oktober 2021). De beoordeling is opgenomen als Bijlage 9 Berekening luchtkwaliteit NIBM bij de toelichting. De jaargemiddelde concentraties ter plaatse van het plangebied bedragen (op grond van de gegevens die binnen de NSL-monitoring beschikbaar zijn) voor het jaar 2020 25 µg/m3 voor stikstofdioxide (NO2) en 19 en 11 µg/m3 voor fijn stof (PM10 en PM2,5). De huidige luchtkwaliteit in het plangebied voldoet ruimschoots aan de van toepassing zijnde grenswaarden. Overigens is de achtergrondconcentratie dalende en is het jaar 2020 dus als worst-case te beschouwen. Door de realisatie van de woningen, detailhandel, horecafuncties en dienstverlening zal het verkeer van en naar het plangebied toenemen. Anderzijds vervalt de bestaande detailhandel, hetgeen een afname van verkeer tot gevolg heeft. Per saldo is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Dit heeft invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Bij uitoefening van het plan zal de concentratie in de buitenlucht van verontreinigende stoffen per saldo verbeteren of ten minste gelijk blijven. Er wordt derhalve voldaan aan artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. "Sterpassage" (vastgesteld)

67

5.9.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Wat betreft luchtkwaliteit is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.10

Externe veiligheid

5.10.1 Wettelijk kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt.

Kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2 bvo zijn op grond van artikel 1, eerste lid, sub l Bevi een kwetsbaar object. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 5.10.2 Resultaten onderzoek Er is onderzoek verricht naar de externe veiligheidssituatie in en rond het plangebied. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Quickscan externe veiligheid" (Aveco de Bondt, 3 juni 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 10 Onderzoek externe veiligheid bij de toelichting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Uit de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied enkele risicobronnen aanwezig zijn. De afstand tussen het plangebied en deze risicobronnen is dusdanig groot dat het plaatsgebonden risico (PR) geen belemmering vormt.

De afstand tussen het plangebied en de risicobronnen is ook dusdanig groot dat de ontwikkeling geen invloed heeft op het groepsrisico (GR). Uitzondering daarop is het transport van gevaarlijke stoffen over de gemeentelijke wegen Pr. Beatrixlaan en Generaal Spoorlaan. De externe veiligheidsrisico's hiervan zijn nader in beeld gebracht, waarbij ook het groepsrisico is berekend. Het groepsrisico is zowel in de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt als gevolg van de ontwikkeling in beperkte mate toe, de toename is minder dan 10%. Omdat geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde kan conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. In het onderzoek is nog uitgegaan van verkoop van LPG bij het tankstation aan de Prinses Beatrixlaan. "Sterpassage" (vastgesteld)

68 Deze verkoop is per 1 maart 2021 echter gestopt. Er vinden dus minder transportbewegingen met gevaarlijke stoffen over de Prinses Beatrixlaan plaats dan in de berekening van is uitgegaan. Dit betekent dat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie lager is dan wat is berekend. De conclusie wijzigt hierdoor niet. Advies Veiligheidsregio Haaglanden De Veiligheidsregio Haaglanden is om advies gevraagd over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. In haar advies geeft de veiligheidsregio adviezen om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren. De volgende maatregelen worden geadviseerd: A. B. C. D. E.

Afschakelbare ventilatie (effectbeperking) Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid) Voorbereiding interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid) Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid) Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen t.b.v. de hulpverlening)

De maatregelen worden meegenomen in de verdere uitwerking van de bouwplannen en de openbare ruimte. 5.10.3 Conclusie Uit het onderzoek komt naar voren dat het plangebied niet ligt in een plaatsgebonden risicocontour. Ook is het groepsrisico zowel in de huidige als in de toekomstige situatie kleiner dan de oriëntatiewaarde. Omdat geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde kan conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes een verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven.

5.11

Duurzaamheid

5.11.1 Beleidskader Nationaal klimaatbeleid Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken. Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (VN) uit 1992. Dit is het eerste klimaatverdrag. Kyoto-Protocol uit 1997. Hierin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnen worden. VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord, dat in 2020 is ingegaan. Doel van het akkoord: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Nationale doelen voor terugdringen van broeikasgassen De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. De Klimaatwet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen: 49% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Om dit doel te halen, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Er staan ook afspraken in die partijen onderling hebben gemaakt. 95% minder CO2-uitstoot in 2050 ten opzichte van 1990. Daarnaast moet de Nederlandse staat eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990.

Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord staan afspraken met 5 sectoren over de maatregelen die deze sectoren de komende 10 jaar en in de jaren daarna gaan nemen om de klimaatdoelen te halen. Deze sectoren zijn gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik, elektriciteit, industrie en mobiliteit. Relevant voor het plan zijn: "Sterpassage" (vastgesteld)

69 Gebouwde omgeving: In 2050 moeten 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen van het aardgas af zijn. Dat betekent isoleren en gebruikmaken van duurzame warmte en elektriciteit. Er moet flink wat gebeuren, maar daar is 31 jaar de tijd voor. Als eerste stap moeten in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. Mobiliteit: In 2050 stoot het Nederlands verkeer en alle transport geen schadelijke uitlaatgassen en CO2 meer uit. Verkeer en transport kunnen schoner, én ook slimmer. Zo wordt ook de bereikbaarheid en de toegankelijkheid voor iedereen beter. De doorstroming in steden wordt beter, en gebieden en dorpen worden goed ontsloten. Dit kan door voertuigen en infrastructuur, zoals wegen, spoor en vaarwater, optimaal te gebruiken. Elektrisch vervoer en aandrijving met duurzame waterstof is daarbij belangrijk. Voorbeelden van maatregelen zijn meer oplaadpalen voor elektrische auto’s, ontwikkeling en productie van duurzame brandstoffen, bussen in het openbaar vervoer 100% schoon laten rijden en stimuleren om te fietsen. Elektriciteit: In 2030 wil Nederland 70% van alle elektriciteit opwekken met windturbines op zee en op land en zonnepanelen op daken en in zonneparken. In 2050 wil Nederland helemaal geen fossiele brandstoffen, zoals aardgas en steenkool, gebruiken.

Er is nog veel te doen om dat te bereiken, want in 2018 kwam nog maar 7,2% van alle elektriciteit uit duurzame bronnen. Tegelijk groeit de vraag naar elektriciteit. Auto’s worden elektrisch, de industrie vervangt olie en gas voor schone stroom. Gebouwen gaan van het gas af en hebben meer stroom nodig voor verwarmen en koken. Gemeentelijk beleid Duurzaamheidsagenda 2020: Op weg naar een duurzaam Rijswijk Op 1 november 2011 is het duurzaamheidsplan: 'Duurzaamheidsagenda 2020: Op weg naar een duurzaam Rijswijk' vastgesteld door de raad. In 2020 wil de gemeente Rijswijk een groene, schone en milieuvriendelijke gemeente zijn. Daarnaast wil de gemeente Rijswijk in 2020 25% minder CO2 uitstoten ten opzichte van 2011. In het duurzaamheidsplan wordt per thema aangegeven wat de ambitie is en wat daarvoor nodig is om het te bereiken. Alle doelstellingen per thema moeten leiden tot een duurzame gemeente, die schoner, groener en milieuvriendelijker is. In dit kader worden verschillende projecten uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld het wijkgericht energiebesparingsproject en het gebruiken van het DPL-instrument om duurzaamheidsambities bij gebiedsontwikkeling/herstructurering in kaart te brengen en zo duurzaamheid te waarborgen, etc. In augustus 2016 stelde het college het Meerjarenactieplan 2016-2018 vast als aanvulling op de eerdere duurzaamheidagenda 2020.

In het meerjarenplan wordt een verbinding gemaakt tussen diverse duurzaamheidsthema's en zijn de kansen beschreven om de duurzaamheid te verbeteren in Rijswijk. Voor het thema duurzaam bouwen verwijst het duurzaamheidsplan naar de ambities in het Plan van aanpak duurzaam bouwen. Inmiddels heeft de gemeente Rijswijk het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend en zijn de afspraken uit dit convenant voor de gemeente leidend bij bouwopgaven. Energietransitie De gemeente Rijswijk wil in 2050 energieneutraal zijn en volgt daarmee de landelijke afspraken. Het basisdocument Energietransitie Rijswijk bevat de kaders en uitgangspunten voor de gemeentelijke bijdrage aan de Regionale Energiestrategie en de opgave om eind 2021 een gemeentelijke Transitievisie Warmte op te leveren. Dit is een belangrijke stap op weg naar het behalen van de doelstellingen uit het Nationaal Klimaatakkoord. In het klimaatakkoord is bepaald dat in 2030 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwde bronnen moet worden gewonnen en in 2050 alle woningen en gebouwen klimaatneutraal moeten zijn. Het betekent onder meer dat de hele gemeente dan aardgasvrij moet zijn. De impact op de samenleving is enorm. Op veel concrete vragen kan op dit moment nog geen antwoord worden gegeven. Wel zijn in het Basisdocument diverse kaders in beeld gebracht, op wettelijk, financieel, juridisch en economisch vlak.

Daarnaast zijn de uitgangspunten bepaald, die de transitie de komende decennia in goede banen moeten leiden. Kern is dat bij de Rijswijkse energietransitie betaalbaarheid en comfort voor de inwoners voorop staat. Andere uitgangspunten zijn dat de gemeente inwoners intensief betrekt, open en "Sterpassage" (vastgesteld)

70 transparant communiceert en nauw samenwerkt met alle relevante partijen. Het basisdocument plaatst de energietransitie in een tijdpad, waarbij vooral is geredeneerd vanuit realisme en haalbaarheid.

Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland wil voorop lopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. In 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld dat ondertekend is door diverse partijen, zoals bouwbedrijven, gemeenten (waaronder Rijswijk), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.

Energieprestatie - BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). 5.11.2 Beoogde ontwikkeling In het ontwerp van gebouw 2 is ingezet op een groot groen dak met verblijfskwaliteit voor de bewoners. Met de beplanting die op het dak komt, kan aangesloten worden bij het ecologische beplantingstype dat voor de openbare ruimte wordt nagestreefd. Ook een insectenhotel behoort tot de mogelijkheden, evenals een gemeenschappelijke kas voor bewoners om te gebruiken. Daar waar dit praktisch en realistisch mogelijk is, wordt ingezet op een natuurinclusief ontwerp zoals bijvoorbeeld nestgelegenheid in de gevels. Aspecten die meewegen in de uitwerking hiervan zijn de beheerstechnische uitvoerbaarheid (bijvoorbeeld in verband met schoonmaken/nesten; niet boven ramen ivm uitwerpselen, enz.) en de ecologische meerwaarde en slagingskans (zoals geschiktheid van de plek, de juiste aanvliegroutes, nabijheid woonruimtes met verstoringseffecten). Het doel van de maatregelen is om zo goed als mogelijk de biodiversiteit in het verder "Sterpassage" (vastgesteld)

71

Ten opzichte van de huidige situatie verbetert de waterhuishouding. Er komt ruimte op maaiveld in de vorm van een nieuw plein, met plantvakken en bomen en een waterelement. Dit draagt bij aan een beter leefklimaat en vermindert mogelijke hittestress. In aansluiting op het voorgaande punt voorziet het plan nadrukkelijk in klimaatadaptatie door de toevoeging van groen (ter voorkoming van hittestress) en de realisatie van extra waterbergende capaciteit (ter voorkoming van wateroverlast) met een vertraagde afvoer van hemelwater. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 5.4.3. In het ontwerpproces wordt met de posities van de hogere bebouwing meegewogen wat de effecten zijn op daglichttoetreding in de nieuwe woningen. Door de herontwikkeling van de Sterpassage neemt het bebouwd oppervlak in het plangebied af en wordt meer openbaar gebied gerealiseerd (het nieuwe Steenvoordeplein). Hier zal ruimte zijn voor groen in de vorm van bomen en beplantingsvakken wat leidt tot een aangenaam verblijfsklimaat. Ook biedt dit kansen voor waterinfiltratie, schaduwplekken en zo tot minder hittestress. Het plan is om een WKO installatie te realiseren om zoveel mogelijk te voorzien in de energiebehoefte voor de nieuwe functies. Mogelijk dat voor de horeca wel een gasaansluiting nodig zal zijn, maar hiermee zal sprake zijn van een zeer duurzame ontwikkeling.

De woningen zullen voldoen aan de meest actuele geldende duurzaamheidseisen en zullen gasloos zijn. In het kader van de omgevingsvergunning wordt dit concreet getoetst.

5.12

Windhinder

5.12.1 Inleiding In gebieden met hoge gebouwen kan windhinder optreden. Bij windhinder is sprake van verhoogde windsnelheden, waardoor het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs onveilig is. Dit kan de aantrekkingskracht van verblijfsgebieden of looproutes verminderen en heeft daardoor sociale en economische effecten. De gemeente wil dat overal in het winkelgebied een optimale kwaliteit voor zitten, slenteren en verblijven ontstaat. Deze kwaliteit neemt af op het moment dat er windhinder is of er weinig of geen zonlicht is. In de huidige situatie is er op enkele plekken flinke windhinder in het publieke domein. Op het Bogaardplein bijvoorbeeld leidt de hoogbouw van het stadhuis tot aanzienlijke windhinder. Voor de beoordeling van het windklimaat wordt de Nederlandse norm NEN 8100 gebruikt. Hierbij wordt gekeken naar windhinder en windgevaar. In de norm NEN 8100 wordt voor windhinder een drempelwaarde aangehouden van 5 m/s voor gemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Er wordt tevens gekeken naar de activiteiten in het publieke domein en aan de hand hiervan wordt een drietal ambitieniveaus aangegeven. Ontwikkeling van bouwenveloppen in winkelcentrum In de Bogaard mogen geen windhinder veroorzaken die de normering voor het ambitieniveau III overschrijdt.

Immers, het gebied moet een aantrekkelijke verblijfsplek worden waar bezoekers en bewoners op elke plek kunnen zitten en genieten van de nieuwe omgeving zonder enige hinder van wind. De gemeente hanteert enkele belangrijke aandachtspunten voor het Masterplan: Voor alle ontwikkelingen moet middels een windonderzoek worden aangetoond dat ze in het gebied niet leiden tot een onaangenaam verblijfsklimaat door windhinder. Solitaire torens zijn niet toegestaan in verband met het grote gevaar van windhinder. Op plekken waar windhinder wordt voorzien moet door aanpassingen aan het volume en de plaatsing van volumes worden gewerkt aan een aangenaam windklimaat (o.a. door set-backs in de volumes). Bomen en groen kunnen helpen bij het oplossen van kleinere problemen. Voor het Masterplan is mogelijke windhinder in beeld gebracht op basis van de bedachte stedenbouwkundige opzet met hoogbouwlocaties (Peutz, windklimaatonderzoek rondom het winkelcentrum In de Bogaard, Rijswijk). Samenvattend levert dit de volgende conclusies op: Ten opzichte van de bestaande situatie wordt het windklimaat in het ontwerp Masterplan plaatselijk overwegend gunstiger (bijvoorbeeld rondom De Generaal) en op enkele andere plekken ongustiger. Het te verwachtten windklimaat aan het Bogaardplein is verbeterd.

Het windklimaat bij de kopgevels van het stadhuis wordt gunstiger dan in de bestaande situatie "Sterpassage" (vastgesteld)

72 dankzij de geprojecteerde laagbouwvolumes. Er is hierdoor naar verwachting niet langer sprake van een slecht windklimaat voor doorlopen. Voor het Masterplan is nergens in het plangebied windgevaar of een slecht windklimaat voor 'doorlopen' vastgesteld. 5.12.2 Onderzoek voor de Sterpassage In het Masterplan is voor de locatie van de Sterpassage een gebouw tot 100 m hoogte bedacht. Het bestemmingsplan maakt een gebouw mogelijk tot 75 meter hoog. Het voorkomen van windhinder is grotendeels afhankelijk van het ontwerp van het gebouw. Bij gebouwen hoger dan 30 meter is het uitvoeren van een windhinderonderzoek verplicht. Met behulp van een computeranimatie of windtunnelonderzoek kan worden vastgesteld of bij een bepaald ontwerp windhinder of windgevaar optreed. Ook maatregelen om windhinder te voorkomen of te beperken kunnen dan worden onderzocht. Zodoende is in de regels opgenomen dat het college bij de omgevingsvergunning nadere eisen kan stellen aan het ontwerp om eventuele windhinder te voorkomen (zie art. 3.3 Nadere eisen). Op deze manier kan de gemeente hier sturing op houden na vaststellen van het bestemmingsplan. Ten behoeve van het Masterplan In de Bogaard is in het verleden door Peutz een windklimaatonderzoek uitgevoerd voor de gemeente Rijswijk (Peutz rapportage O16169-6-RA d.d. 16 september 2019).

In het Masterplan was voor de Sterpassage uitgegaan van een gebouw met een hoogte van 50 meter aan de noordzijde en een gebouw met een hoogteaccent van 100 meter aan de zuidzijde. Zoals in afbeelding 5.4 te zien is, is bij de toren van 100 meter hoog op de hoek van de Prins Willem Alexander Promenade en de Steenvoordelaan een goed tot matig windklimaat is voor doorlopen en een matig tot slecht windklimaat voor slenteren. Vervolgens is in de conceptfase van het ontwerpproces voor de nieuwbouw van de Sterpassage opnieuw onderzoek verricht naar het windklimaat. Ten opzichte van het Masterplan is de bebouwing aan de noordzijde gelijk gebleven in hoogte, maar heeft wel een grotere footprint gekregen. De toren op het zuidelijke gebouw is lager geworden (75 m ipv 100m) en de richting is gedraaid. Dit heeft een beter windklimaat opgeleverd ten opzichte van het Masterplan. Er zijn geen gebieden met een slecht windklimaat voor slenteren.

afbeelding 5.4: windhinder rond de bebouwing zoals opgenomen in het Masterplan, met rode stippellijn is het plangebied aangeduid (bron: Masterplan In de Bogaard, windhinderonderzoek Peutz) "Sterpassage" (vastgesteld)

73

Sinds het uitgevoerde onderzoek zijn de ontwerpen van de nieuwe gebouwen verder uitgewerkt en op enkele onderdelen gewijzigd. Het noordelijke gebouw wordt 55 m hoog en het zuidelijke gebouw 75 m (met een lager deel van 33 m aan de westzijde). Op basis van de eerder uitgevoerde windklimaatonderzoeken voor het Masterplan en het concept bouwplan is het windklimaat beoordeeld voor het bestemmingsplan. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Beoordeling windklimaat en bezonning" (Peutz, 13 januari 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 11 Beoordeling windklimaat bij de toelichting. Aan de hand van de eerder gemaakte berekeningen en de kwalitatieve beoordeling wordt het navolgende geconcludeerd: Het noordelijke gebouw wordt iets hoger en breder (55m ipv 50m). De vergroting van de bouwmassa in zowel de omvang als de hoogte van de hoogbouw kan een verslechtering van het windklimaat teweeg brengen. In verband met de zeer gunstige resultaten van de onderzochte situaties, wordt verwacht dat sprake blijft van een gunstige windsituatie, waarbij het windklimaat een beoordeling goed krijgt. Het middendeel (de verhoogde bebouwing aan de zuidkant van het nieuwe plein) wordt ca. 8 meter hoger en schuift in oostelijke richting. De verhoging kan een beperkt negatief effect hebben op het windklimaat op het plein. De verschuiving in oostelijke richting is daarentegen gunstig.

Daarnaast kan een interactie ontstaan met de hoogbouw aan de noordzijde van het plangebied. Gezien de zeer gunstige uitkomsten van het windklimaatonderzoek op het plein is er ruimte voor een toename van de hinderkans zonder dat dit (samen met de vergroting van het noordelijke deel) tot een ongewenste situatie leidt. De zuidelijke toren in het plangebied wordt significant lager dan in het ontwerp Masterplan (75m ipv 100 m), hetgeen gunstig is voor het windklimaat. Met de doorrekening van het concept bouwplan is vastgesteld dat de combinatie van een verlaging van de bouwhoogte en een vergroting in westelijke richting, per saldo een verbetering van het windklimaat geeft ten opzichte van het Masterplan (zie afbeelding 5.4). In het bestemmingsplan wordt een ruimere maatvoering voor de hoogte en de diepte in noordelijke richting gehanteerd, hetgeen ten opzichte van het doorgerekende concept bouwplan een verslechtering van het windklimaat kan opleveren. De mogelijk negatieve effecten hiervan zijn op hoofdlijnen weg te strepen tegen de vastgestelde positieve effecten ten opzichte van het Masterplan. Per saldo zal het windklimaat hier niet wezenlijk door wijzigen. Op het plein tussen het middendeel en noordelijke deel van het plangebied is ten gevolge van de toename van de grootte van de hogere bouwdelen in potentie een beperkte verslechtering van het windklimaat te verwachten.

Gezien de zeer gunstige uitkomsten van de doorgerekende situaties is er op het plein ruimte voor een toename van de hinderkans zonder dat dit tot een ongewenste situatie leidt. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het te verwachten windklimaat rond de nieuwbouw geschikt zal zijn voor doorlopen en op de meeste plaatsen ook voor slenteren, zodat sprake zal zijn van een prettige omgeving voor winkelen en verblijven, zeker op het nieuwe Steenvoordeplein en in de winkelstraten.

5.13

Bezonning

5.13.1 Inleiding In de gemeente Rijswijk is geen beleid in het kader van bezonning en beschaduwing van de gebouwde omgeving. Voor het Masterplan is daarom beoordeeld of wordt voldaan aan de in Nederland gangbare TNO-norm voor bezonning. De TNO-norm luid als volgt: "Een woning krijgt de waardering voldoende wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (acht maanden). Als beoordelingspunt geldt het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonk amer. De twee uur zon hoeven niet aansluitend plaats te vinden en de bezonning op de voor- en achtergevel mag bij elkaar opgeteld worden." In het kader van het Masterplan is een bezonningsstudie uitgevoerd op basis van de stedenbouwkundige opzet. Voor de ontwikkeling van alle bouwenveloppen in In de Bogaard geldt dat er voor bestaande "Sterpassage" (vastgesteld)

74 woningen als gevolg van de transformatie zo min mogelijk verslechtering in de bestaande toestand optreedt. Indien er verslechtering optreedt mogen bestaande woningen niet onder de TNO-norm komen indien ze nu wel aan de norm voldoen. Er zijn een zeer beperkt aantal knelpunten ten aanzien van de TNO-norm. Deze vormen een aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de bouwplannen. 5.13.2 Beoordeling van het plan 5.13.2.1

Onderzoek Masterplan

Ten behoeve van het Masterplan 'In de Bogaard' is in het verleden door Peutz een bezonningsonderzoek uitgevoerd voor de gemeente Rijswijk (Peutz rapportage O16169-4-RA d.d. 9 september 2019 en de optimalisatiestudie W15458-2-NO d.d. 11 november 2019). In het Masterplan was voor de Sterpassage uitgegaan van een gebouw met een hoogte van 50 meter aan de noordzijde en een gebouw met een hoogteaccent van 100 meter aan de zuidzijde. In het bezonningsonderzoek voor het Masterplan is vastgesteld dat de bezonning van de appartementen aan de noordzijde van de oostgevel van de appartementen aan de kruising Prinses Beatrixlaan en generaal Spoorlaan niet voldoen aan de gehanteerde criteria op toetsingsdatum 19 februari. Op de andere toetsingsdata voldoet de bezonning wel aan de lichte TNO norm van 2 uur. In afbeelding 5.5 is de bepalende afbeelding uit het onderzoek voor het Masterplan overgenomen. Links is de situatie zonder de nieuwbouw uit het Masterplan getoond en rechts na realisatie van de bebouwing uit het Masterplan. Het gaat om de onderste vijf appartementen op de noordoosthoek. Te zien is dat zonder de bebouwing van het Masterplan er in februari sprake is van 2 uur en 10 minuten zon op de oostgevel en 40 minuten op de noordgevel. Dit neemt af met 35 min op de oostgevel en 35 minuten op de noordgevel (toetsdatum 19 februari).

afbeelding 5.5: uitkomsten bezonningsstudie voor het Masterplan op toetsdatum 19 februari (links de bestaande situatie en rechts de situatie uitgaande van de bebouwing van het Masterplan, gebaseerd op afbeelding f4.5 uit bijlage bij het Masterplan (rapport W15458-2-NO pagina 9)) 5.13.2.2

Onderzoek bebouwing bestemmingsplan

Voor het bestemmingsplan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd op basis van de maximale bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan. De resultaten van deze beoordeling zijn vermeld in het rapport "Bestemmingsplan Sterpassage te Rijswijk Bezonning" (Peutz, 4 november 2021). Het rapport is opgenomen als Bijlage 12 Bezonningsonderzoek bij de toelichting. Zoals in paragraaf 3.3.4 is beschreven, wijkt het bouwplan op onderdelen af ten opzichte van het Masterplan. In het bezonningsonderzoek is beoordeeld wat de aanpassingen van het bouwplan van de "Sterpassage" (vastgesteld)

75 Sterpassage voor gevolg hebben voor de bezonning ten opzichte van de bebouwing van het Masterplan. Het noordelijke gebouw is hoger geworden (5 m) en heeft een iets grotere footprint gekregen. Ook zijn er delen van het zuidelijke gebouw iets hoger geworden (8 m) dan het eerder doorgerekende Masterplan. De schaduwwerking van deze bouwdelen zijn niet kritisch. De wijzigingen hebben geen noemenswaardig effect op de bezonning van de omgeving. De zuidelijke toren is lager dan de toren waar in het Masterplan van was uitgegaan (75 m i.p.v. 100 m), maar is in westelijke richting groter geworden. In het uitgevoerde bezonningsonderzoek is vastgesteld dat dit enige tijd extra schaduw zal geven. De bezonningseffecten van alle bebouwingswijzigingen van de Sterpassage zijn specifiek onderzocht bij De Generaal, het appartementengebouw op de hoek prinses Beatrixlaan / Generaal Spoorlaan en bij de appartementen aan de Steenvoordelaan. Hieronder is per locatie beschreven wat de uitkomsten zijn van het bezonningsonderzoek. De Generaal Uit de doorrekening blijkt dat er op de kritische zuidwestgevel geen of nauwelijks een wijziging van de bezonning optreedt ten opzichte de onderzoeksresultaten van het Masterplan. De beoordeling wijzigt niet ten opzichte van het Masterplan.

Met andere woorden, er zijn geen extra woningen die niet meer voldoen aan de lichte TNO norm door de wijzigingen van het bouwplan van de Sterpassage ten opzichte van het aantal woningen dat al niet voldeed vanwege de bebouwing uit het Masterplan. Appartementen kruising Prinses Beatrixlaan en Generaal Spoorlaan Zoals in paragraaf 5.13.2.1 is toegelicht, is vastgesteld dat de bezonning van de appartementen op de noordoosthoek in de situatie van het Masterplan plaatselijk niet voldoen aan de lichte TNO norm. De rekenresultaten van de nieuw onderzochte situatie volgens het bestemmingsplan geven aan dat de bezonning van de appartementen op de noordoosthoek op de maatgevende datum 19 februari verder afneemt van 1:35 uur naar 1:25 uur op de oostgevel. Op de noordgevel treedt geen wijziging op ten opzichte van het Masterplan. De bezonning zal bij deze woningen derhalve met 10 minuten verminderen ten gevolge van de afwijking op het Masterplan. Ten opzichte van de bestaande situatie is de afname 45 minuten, van 2 uur en 10 minuten naar 1 uur en 25 minuten op de oostgevel. Woningen die bij de berekening voor het Masterplan voldeden, blijven nu ook voldoen. Steenvoordelaan en omgeving Voor de appartementen aan de Steenvoordelaan voldoet de bezonning aan de criteria. Het blijkt dat de bezonning van enkele woningen afneemt ten opzichte van het vastgestelde Masterplan.

De beoordeling van de bezonning blijft desondanks gelijk aan hetgeen is vastgesteld voor het Masterplan. Woningen die in de beoordeling van het Masterplan zouden voldoen aan de lichte TNO norm, zullen ook voldoen met inachtneming van de wijzigingen van het bouwplan van de Sterpassage. 5.13.3 Conclusie Samenvattend is te concluderen dat vanwege de nieuwbouw schaduweffecten zullen optreden ten opzichte van de bestaande situatie, maar dat er bij de meeste woningen wordt voldaan aan de gehanteerde normen. De effecten zijn grotendeels gelijk aan wat is berekend in het kader van het Masterplan. Voor vijf appartementen op de kruising van de Prinses Beatrixlaan en de Generaal Spoorlaan wordt niet voldaan aan de norm van 2 uur zon, ondanks het verlagen van het zuidelijke hoogbouwdeel naar 75 m. Het gaat om appartementen waarvan ook in het kader van de bezonningsstudie in het Masterplan was geconcludeerd dat hier niet werd voldaan. Dit is echter inherent aan de keuze om het winkelcentrum In de Bogaard te intensiveren middels hoogbouw. Het verder verkleinen van de bouwmassa zou leiden tot een vergroting van een ander gebouwdeel, wat ook een effect kan hebben op de bezonning of het windklimaat. Zoals in paragraaf 5.12.2 is te lezen heeft de verlaging van de hoge toren geleid tot een beter windklimaat op het maaiveld.

Het bouwplan voor de Sterpassage betreft een binnenstedelijke ontwikkeling waarmee een groot maatschappelijk belang gediend is. Gelet op het grote maatschappelijke belang wordt de relatief beperkte mate en gedurende een beperkte periode van het jaar waarin voor vijf appartementen niet aan de lichte TNO-norm kan worden voldaan, aanvaardbaar geacht. Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. "Sterpassage" (vastgesteld)

76

5.14

Kabels en leidingen

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones), zoals bijvoorbeeld een hogedruk gastransportleiding. Binnen het plangebied en hier direct grenzend aan, zijn verschillende kabels, leidingen en riolering onder de grond aanwezig. Op de ondergrondse duiker die parallel aan de Steenvoordelaan ligt na, zijn dit geen leidingen die planologisch relevant zijn en bescherming behoeven in het bestemmingsplan. Voor de bescherming van duiker is een dubbelbestemming 'Waterstaat' opgenomen. Hier is in het bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing gepland. Mogelijke kabels en leidingen die in het geding komen als gevolg van de ontwikkeling zullen in overleg met de betrokken leidingbeheerder worden verlegd. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

"Sterpassage" (vastgesteld)

77

afbeelding 5.6: ondergrondse infrastructuur zoals geinventariseerd in kader van het Masterplan, met blauwe stippellijn is het plangebied aangegeven (bron: Masterplan In de Bogaard)

"Sterpassage" (vastgesteld)

78

5.15

Niet-gesprongen explosieven

5.15.1 Resultaten onderzoek Ter verwezenlijking van het plan worden (onder meer) bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en met name in de periode 1944 - 1945 vonden in en rondom Rijswijk tal van oorlogshandelingen plaats, waarbij meerdere vliegtuigbommen zijn afgeworpen en geschoten werd met luchtgronddoelraketten en boordwapens. De ervaring leert dat circa 10 tot 15% van de tijdens de oorlog gebruikte conventionele explosieven (CE) niet naar behoren heeft gefunctioneerd en als blindganger in de bodem zijn achtergebleven. Daarnaast leert de ervaring dat in voormalige verdedigingswerken soms conventionele explosieven zijn achtergebleven of gedumpt of tijdens het dichten hiervan. Er is een onderzoek verricht naar niet-gesprongen explosieven in en rond het plangebied. De resultaten zijn vermeld in het rapport "Historisch Vooronderzoek Conventionele Explosieven" (IDDS, 11 augustus 2020). Het rapport is opgenomen als Bijlage 13 Historisch vooronderzoek conventionele explosieven bij de toelichting. Het onderzoek komt tot de volgende conclusie: Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat er in (de omgeving van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden.

Er zijn echter te weinig indicaties om vast te kunnen stellen dat hierdoor CE zijn achtergebleven binnen het onderzoeksgebied. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies is het onderzoeksgebied daarom onverdacht op CE. Het is niet noodzakelijk om vervolgstappen te ondernemen in de CE-opsporing voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden. 5.15.2 Conclusie Uit het onderzoek is gebleken dat er geen verdachte gebieden zijn in het plangebied en dat geen vervolgstappen nodig zijn. Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling vanuit het aspect niet-gesprongen explosieven.

5.16

Milieu effect beoordeling

5.16.1 Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan cq. inpassingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van een m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. is in onderdeel C benoemd voor welke type projecten het verplicht is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Voor andere projecten die niet in onderdeel C maar in onderdeel D zijn genoemd, moet eerst beoordeeld worden of er belangrijke nadelige gevolgen kunnen zijn voor het milieu (dit heet een m.e.r.-beoordelingsplicht). Blijkt uit de m.e.r.-beoordeling dat er belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn, dan is alsnog een m.e.r.-procedure nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=8e41febb-b523-4ce5-94bc-f766a4e38e90