CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-058.c RO-BP-61915770-TOTAAL-VA01 incl bijlagen.pdf

Forum Stad 30 september 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan ''t Haantje''-H1.3C (21 058)24.030 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Waarde 0,156

Behorend bij 102 slachtoffers (N) met een kans (F) van 1,50*10-7

Tabel 4.1: Eigenschappen FN curve huidige en plansituatie aardgastransportleiding A-517

Voor de maatgevende kilometer leiding is de FN-curve weergegeven op afbeelding 6.7.

Afbeelding 4.7: FN-curve (blauwe lijn) van de maatgevende kilometer afgezet tegen de oriëntatiewaarde (rode lijn) in de huidige en plansituatie

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

23 Het groepsrisico heeft in de huidige en de plansituatie dezelfde waarde. Er treedt geen verandering op als gevolg van het bouwplan. De reden hiervoor is dat het bouwplan zich op een grote afstand van de leiding bevindt en de maatgevende kilometer niet ter hoogte van het bouwplan gelegen is. Berekeningsresultaten hogedruk aardgastransportleiding W-514-01 Rekenprogramma CAROLA berekent het groepsrisico voor het kilometer deeltraject waar het groepsrisico het hoogst is. De maximale overschrijdingsfactor bevindt zich zowel in de huidige als in de plansituatie op de kilometer leiding tussen stationing 2180 en stationing 3180. De betreffende kilometer leiding is gevisualiseerd in de afbeelding 6.8 en 6.9.

Afbeelding 4.8: Kilometer met hoogste groepsrisico (groen) in de huidige- en plansituatie.

Afbeelding 4.9: Overschrijdingsfactor gemeten over de afstand in de huidige en plansituatie

In tabel 6.2 worden de waarden van het GR weergegeven voor de huidige en plansituatie op de maatgevende kilometer. Eigenschap Maximale overschrijdingsfactor

Waarde 0,061

Behorend bij 31 slachtoffers (N) met een kans (F) van 6,37*10-7

Tabel 4.2: Eigenschappen FN curve huidige en plansituatie aardgastransportleiding W-514-01

Voor de maatgevende kilometer leiding is de FN-curve weergegeven op afbeelding 6.10.

Afbeelding 4.10: FN-curve (blauwe lijn) van de maatgevende kilometer afgezet tegen de oriëntatiewaarde (rode lijn) in de huidige en plansituatie

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

24 Het groepsrisico heeft in de huidige en de plansituatie dezelfde waarde. Er treedt geen verandering op als gevolg van het bouwplan. De reden hiervoor is dat de maatgevende kilometer niet ter hoogte van het bouwplan gelegen is. Deze bevindt zich ter hoogte van het plan Pasgeld, waar de aardgastransportleiding door het plangebied loopt. Vervoer gevaarlijke stoffen weg Plaatsgebonden risico De Prinses Beatrixlaan heeft geen PR-10-6 contour en geen PAG. Groepsrisico Uit berekeningen die zijn uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanprocedure Sion - 't Haantje blijkt dat het groepsrisico van de Prinses Beatrixlaan dusdanig laag is, dat er geen sprake is van een groepsrisico. Aangezien de vervoersaantallen sindsdien niet veranderd zijn kan worden aangenomen dat de Prinses Beatrixlaan momenteel ook geen groepsrisico heeft. Tevens bleek uit deze berekeningen dat de Prinses Beatrixlaan een PR 10-8 contour heeft van 15 meter. Het plangebied bevindt zich op 30 meter afstand en dus buiten de PR 10-8 contour. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het bouwplan geen effect heeft op het groepsrisico. Industrieel complex DSM Anti-Infectives Industrieel complex DSM Anti-Infectives bevindt zich op circa 400 meter van het plangebied en heeft een invloedsgebied van 1500 meter. Het plangebied bevindt zich binnen deze zone.

DSM is een biotechnologisch productiebedrijf dat antibiotica, anti-schimmelmiddelen en aroma’s voor de voedingsmiddelenindustrie en diverse andere (bij)producten vervaardigt. Het maatgevende scenario is een toxische brand in een opslagloods, genaamd Hannibal. Voor deze inrichting is in het kader van bestemmingsplan: ‘Sion – ’t Haantje, tweede herziening’ een QRA1 opgesteld door Antea. In de QRA is de PR 10-6 contour berekend. De ligging van de PR 10-6 contour wordt voornamelijk bepaald door opslagloods Hannibal. De PR 10-6 contour overlapt het plangebied niet. Tevens bevindt het plangebied zich buiten de PR 10-7 contour. Het plangebied bevindt zich echter wel binnen de PR 10-8 contour. Op onderstaande afbeelding zijn de PR contouren weergegeven.

1

Groepsrisico berekeningen Rijswijk op basis van de QRA van DSM Delft Permit B.V’ van 9 mei 2017 Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

25

Afbeelding 4.11: PR contouren DSM Anti-Infectives uit de QRA voor bestemmingsplan: ‘Sion – ’t Haantje, tweede herziening’, globale ligging plangebied is zwart omcirkeld

Het groepsrisico van DSM Anti-Infectives is bij een volledige invulling van de bestemmingsplancapaciteit van het bestemmingsplan ‘Sion – ’t Haantje, tweede herziening’ een factor 1.27 maal de oriëntatiewaarde en 1,33 maal de oriëntatiewaarde bij de maximale bestemmingsplancapaciteit (inclusief het volledig toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 33 onder n. van bestemmingsplan ‘Sion – ’t Haantje, tweede herziening’). Inmiddels is er een nieuwe versie voor het rekenprogramma Safeti-NL beschikbaar waarmee de groepsrisicoberekening van DSM Anti-Infectives is uitgevoerd. Het berekende groepsrisico is met deze versie gemiddeld genomen aanmerkelijk lager dan in de vorige versie. Volgens de DCMR blijkt uit eigen berekeningen dat met het nieuwe rekenmodel geen sprake meer is van enige overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Daarnaast zal de maatregel om de gevaarlijke stoffen in loods Hannibal gescheiden te houden van de overige stoffen tot gevolg hebben dat er in het geheel geen groepsrisico meer wordt berekend. Op basis van deze gegevens kan worden aangenomen dat het bouwplan geen significante bijdrage heeft aan het groepsrisico en de inrichting DSM dan ook geen belemmering vormt voor het bouwplan.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Ontvluchting in het geval van een incident op de weg en met een hogedruk aardgastransportleiding is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Een deel van de woningen die in het plangebied ontwikkeld gaan worden zijn echter specifiek bedoeld voor personen met een verminderde zelfredzaamheid, namelijk met een geïndiceerde zorgbehoefte. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

26

Deze zorgwoningen zijn gelegen op de eerste t/m vierde verdieping van het zuidelijke appartementengebouw. Naar verwachting zullen de verminderd zelfredzame personen bij de diverse (ramp)scenario's geholpen moeten worden om in veilig gebied te komen. Richting de bouwplanfase en gebruiksfase dient hier invulling aan te worden gegeven. Zo dient bij het verlenen van de gebruiksvergunning een ontruimingsplan aanwezig te zijn. Fakkelbrandincident aardgastransportleiding Het maatgevende scenario voor een aardgastransportleiding is een fakkelbrandincident. Tijdens (graaf)werkzaamheden kan een breuk in de hogedruk aardgastransportleiding worden veroorzaakt. Het aardgas stroomt vervolgens onder een hoge druk uit en ontsteekt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij een directe ontsteking kan dit al gebeuren binnen 20 seconden na de breuk. De hittestraling van een fakkelbrand kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Afhankelijk van de locatie van de breuk, het type leiding en de aanwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan de brand enkele uren duren. Bij dit type leidingen is er nagenoeg nooit sprake van een spontane breuk, wat betekent dat als er een incident plaatsvindt, dit naar alle waarschijnlijkheid overdag (tijdens werkzaamheden) zal gebeuren.

Het gebied in de buurt van aardgastransportleidingen is op basis van de druk en diameter van de leidingen verdeeld in meerdere zones. In tabel 6.3 zijn deze zones weergegeven voor de in dit onderzoek betrokken leiding. Leiding A-517 W-514-01

1e zone 0 – 160 meter 0 – 70 meter

2e zone 160 - 380 meter 70 - 140 meter

3e zone 380 - 590 meter 140 - 210 meter

Tabel 4.3: Zones effectafstanden aardgastransportleiding.

Binnen deze eerste zone overlijdt bij een incident circa 99% van de aanwezigen en gaan alle brandbare materialen branden. Aanwezigen binnen de tweede zone hebben kans om te overlijden of slachtoffer te worden. In de derde zone komen geen mensen te overlijden, maar kunnen er wel slachtoffers vallen. Het plangebied bevindt zich op circa 290 tot 360 meter afstand van de leiding A-517 en komt daarmee in de tweede zone. Voor de leiding W-514-01 bevindt het plangebied zich in de eerste en tweede zone, namelijk op 23 tot circa 90 meter afstand van de leiding. Het zuidelijke appartementengebouw waarin de bewoners met zorgbehoefte zullen gaan wonen bevindt zich op circa 75 meter afstand van de gasleiding W-514-01 en daarmee in de tweede zone. Scenario plasbrand Door een incident met een benzinetankwagen op de Prinses Beatrixlaan kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de nabijheid van de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden.

Scenario toxische gassen Door een incident op de rijksweg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

27

Vluchtmogelijkheden Vanuit het gebouw zijn er meerdere entrees aanwezig die als vluchtroute kunnen dienen tijdens een incident. Belangrijk hierbij is de entree aan de zuidzijde en aan de oostzijde, aangezien de risicobronnen zich aan de west en noordzijde van het bouwplan bevinden. Vervolgens kan men via de Zwenkgrasstraat en de Oyevearswey verder van de risicobron af vluchten. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Algemeen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van het gebouw en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet.

is

het

van

belang

dat

het

waarschuwings-

en

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Het mechanische ventilatiesysteem dient eenvoudig door de bewoners in de eigen woning centraal uit te kunnen laten zetten. Dit kan bijvoorbeeld door de stekker van het ventilatiesysteem eenvoudig bereikbaar te maken. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners en verzorgend personeel is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur- / koopcontract en bij indiensttreding kunnen bewoners en het verzorgend personeel op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht Aardgastransportleiding Het treffen van fysieke maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen ter beperking van het GR ten gevolge van de aardgasleiding ligt buiten het bereik van de initiatiefnemer.

Om de kans op een leidingbreuk te verkleinen, geldt dat in overleg met de leidingbeheerder Gasunie maatregelen getroffen dienen te worden om de ongestoorde ligging van de transportleiding te garanderen. Het bevoegd gezag dient in overleg met leidingbeheerder Gasunie vast te stellen of afdoende constructieve en veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, conform het gestelde in de regelgeving inzake buisleidingen. Factoren die kans op een breuk in een hogedruk aardgastransportleiding kunnen verkleinen zijn te vinden in het vergroten van de diepteligging, bescherming van de leiding en beschermende maatregelen in de buurt van de leiding. Er zijn voor de brandweer geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. De beheerder van de buisleiding dient bij een incident de toevoer af te sluiten. In de hierboven beschreven eerste zone zijn geen mogelijkheden tot effectieve inzet van de brandweer. In de tweede ring is de inzet gericht op het redden van aanwezigen en in de derde ring is de inzet gericht op het voorkomen van uitbreiding. Op basis van overleg met de Veiligheidsregio Haaglanden zijn wijzigingen aangebracht in deze paragraaf. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

28 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico met betrekking tot een van de risicobronnen in de omgeving. Daarnaast is een verantwoording gegeven van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, met specifiek aandacht voor de zorgwoningen. Op basis van overleg met de Veiligheidsregio Haaglanden zijn wijzigingen aangebracht in deze paragraaf.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.7.2 Onderzoek en conclusie Op basis van vigerende bestemmingsplannen wordt geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied van dit plan alleen woonfuncties aanwezig zijn of kunnen worden gerealiseerd. Het uitvoeren van een quickscan naar aanwezige bedrijvigheid is dan ook niet benodigd. Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor deze ontwikkeling.

4.8

Water

4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

29

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid

Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 De provincie herziet het regionaal waterbeleid eens in de 6 jaar. Het waterbeleid met een ruimtelijk component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021. Voor de overige onderwerpen is het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 ongewijzigd van kracht gebleven. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

30

Voor het ruimtelijk component hanteert de provincie het volgende beleid: vanuit de ambitie om ZuidHolland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. Verordening Ruimte In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016 - 2021 Op 19 november 2015 is het Waterbeheerplan 2016 - 2021 vastgesteld. In het Waterbeheerplan heeft het Hoogheemraadschap van Delfland zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van het Hoogheemraadschap in de planperiode 2016-2021. Het waterbeheerplan is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen.

Bij de uitvoering van het waterbeheerplan staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop; de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin.

Keur en legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap van Delfland zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het hoogheemraadschap. De Legger Oppervlaktewater is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Gemeentelijk beleid Wateragenda tot 2020 Rijswijk en Delfland willen een duurzaam, schoon, gezond en veilig Rijswijks watersysteem en een vitale en aantrekkelijke leefomgeving realiseren. Deze ambitie is onderdeel van de doelstelling van het Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

31 Waterplan 2009-2015, waarin bij de uitvoering de focus lag op de waterkwantiteit, veroorzaakt door de hevige regenval en wateroverlastproblemen rond de eeuwwisseling. Het watersysteem moet nadrukkelijk ook goed en veilig functioneren. De doelstelling is een brede vertaling van de algemene gemeentelijke ambitie ”Heel gewoon, Rijswijk schoon”. De ambitie is te vertalen in vier beleidsdoelen: 1. Duurzaam schoon en gezond water: het Rijswijkse watersysteem is uiterlijk in 2027, (doeljaar voor de KRW), chemisch schoon en gezond én ecologisch robuust ingericht. 2. Veilig en beheerst water: veilige waterkeringen en goed doorstroombare boezemkanalen houden overtollig water ’van de straat’. In 2027 voldoet het gehele beheersgebied van Delfland aan 1. de gestelde beschermingsnormen. 2. Een gesloten afvalwaterketen: Een gesloten robuust afvalwatersysteem dat bestand is tegen toekomstige buien en zuiveringen door te ontwikkelen tot energie-, grondstoffen en zoetwaterfabrieken. Het afvalwater komt uitgebreider aan bod in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) en wordt besproken binnen het Netwerk Afvalwaterketen Delfland (NAD). 3. Bewust van Rijswijks water: inwoners van Rijswijk waarderen het water in hun directe leefomgeving en weten welke bijdragen zij kunnen leveren aan het bereiken en in stand houden van een duurzaam schoon, gezond en veilig Rijswijks watersysteem.

Deze beleidsdoelen zijn niet nieuw binnen het waterbeheer. Rijswijk en Delfland willen deze doelen nadrukkelijk koppelen aan duurzame oplossingen voor waterbeheer in de stedelijke omgeving. In een stad als Rijswijk, met zijn beperkt beschikbare ruimte, is dat niet altijd eenvoudig. De beleidsdoelen zijn dan ook alleen te bereiken als alle wateropgaven in samenhang met (ruimtelijke) opgaven op andere beleidsterreinen worden opgepakt. 4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Veiligheid Het plangebied ligt niet in of nabijheid een regionale waterkering.

Wateroverlast Voor RijswijkBuiten is in het stadium van het stedenbouwkundig Masterplan en de uitwerking daarvan in 2011 reeds een samenhangend en integraal watersysteem ontworpen. In het kader van de MER, het bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje” en de daarop volgende eerste en tweede herziening van het bestemmingsplan is op basis hiervan een waterparagraaf opgesteld. Hierin is het toekomstige watersysteem voor het plangebied uitgebreid beschreven. Conform het toenmalige beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland is het uitgangspunt dat er in RijswijkBuiten 325 m³/ha waterberging gerealiseerd wordt (ABC-norm). Voor Sion en ’t Haantje zijn aparte waterhuishoudingsplannen opgesteld en per deelgebied gelden andere afspraken.

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

32 Voor wat betreft te realiseren wateroppervlak worden de deelgebieden apart bekeken hoewel de deelgebieden met elkaar in verbinding staan en er sprake is van één watersysteem. Voor deelgebied ’t Haantje, waar het voorliggende plangebied onderdeel van is, is het op basis van de voornoemde afspraken noodzakelijk dat er op polderpeil 6,66 ha wateroppervlak aanwezig is waarmee in 26.650 m³ waterberging wordt voorzien. Uit het waterhuishoudingsplan ’t Haantje blijkt dat er reeds 1,22 ha wateroppervlak aanwezig is dat gehandhaafd blijft. Dit betekent dat er tenminste 5,44 ha wateroppervlak gerealiseerd moet worden. Op basis van het huidige voorliggende stedenbouwkundig plan, dat per fase steeds gedetailleerder wordt uitgewerkt, blijkt dat (minimaal) wordt voldaan aan deze norm van 5,44 ha wateroppervlak. Voldaan wordt dus aan de afspraken inzake watercompensatie. Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert momenteel de regel dat elk plan wordt getoetst aan het ‘stand still’-beginsel; de ontwikkeling mag het watersysteem niet negatief beïnvloeden. Dit kan onder meer worden aangetoond door gebruik te maken van de zogenaamde ‘watersleutel’. Dit is een hulpmiddel bij het bepalen van hoeveel watercompensatie moet worden gerealiseerd. Voor grootschalige gebiedsontwikkelingen, zoals in RijswijkBuiten, is dit middel echter minder geschikt.

Daarbij komt dat voor RijswijkBuiten met de afspraken uit 2011 en de toen geldende normen wordt gerekend. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen watersleutel ingevuld. Binnen het voorliggende plangebied ’t Haantje – H1.3C wordt geen oppervlaktewater gerealiseerd. Oppervlakwatersysteem Het plangebied ligt in de polder Plaspoel- en Schaapweipolder in een peilgebied met een vastgesteld waterpeil van -1,25 m NAP. Ten noordoosten grenst het plangebied aan een watergang. Het watersysteem wordt door voorliggende ontwikkeling niet aangepast. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud aan de waterkering en de hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar.

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

33 Activiteiten binnen de onderhoudsstroken zijn vergunningplichtig op grond van de Keur. Onderhoudsstroken dienen (zwaar) onderhoudsmaterieel te kunnen dragen. Er mogen zich geen obstakels bevinden in de onderhoudsstroken. In voorkomende gevallen kan van bovengenoemde maten worden afgeweken met een ontheffing van het hoogheemraadschap, mits het onderhoud gewaarborgd is en op een reguliere manier kan worden uitgevoerd. 4.8.3 Conclusie Het plan voldoet aan de met het Hoogheemraadschap van Delfland gemaakte afspraken. Het bestemmingsplan wordt, conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd. Eventuele opmerkingen van het hoogheemraadschap zullen worden verwerkt in het bestemmingsplan.

4.9

Natuur en ecologie

4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

34 bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming In het kader van de ontwikkeling van Sion en ‘t Haantje is een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. Uit de ecologische quickscan blijkt dat de volgende beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn of kunnen worden verwacht: • Vogelrichtlijn: diverse soorten. • Vogels categorie 2: huismus (vervolgonderzoek naar huismus noodzakelijk); • Vogels categorie 5: boerenzwaluw, huiszwaluw, oeverzwaluw, zwarte kraai, ekster, koolmees, pimpelmees en spreeuw (voldoende alternatief, niet verstoren in het broedseizoen); • Habitatrichtlijn: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk in de te slopen bebouwing). • Vrijgestelde soorten: diverse amfibieën en grondgebonden zoogdieren (zorgplicht maatregelen o.a. voor konijnen).

Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, zijn de volgende maatregelen nodig: • Het bestaande ecologisch werkprotocol aanpassen aan de huidige wetgeving, waarbij kleine modderkruiper, bittervoorn, rivierdonderpad, rietorchis en tongvaren niet langer beschermd zijn; • Regelmatig inspecties uit te voeren met betrekking tot broedvogels; • Bij werkzaamheden in het voorjaar en/of de zomer het projectgebied en de directe omgeving • (‘invloedsfeer van de werkzaamheden’) voorafgaand aan de werkzaamheden laten controleren op broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming; • Voorkomen dat steile zandwanden in het projectgebied aanwezig zijn waarin oeverzwaluwen kunnen gaan broeden; • Voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren de tijd gunnen om te kunnen vluchten (ook acties vanuit de zorgplicht, zoals het leegvissen van een watergang); • Indien men onverwachts andere beschermde soorten aantreft een deskundig ecoloog raadplegen om af te stemmen hoe een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen; • Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in roepen.

Naar aanleiding van dit onderzoek uit 2017, is in 2021 een actualiserende ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 8. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen hieruit samengevat. Uit de actualiserende ecologische quickscan blijkt dat er geen zwaarder beschermde soorten in het plangebied te verwachten zijn. Wel worden algemene soorten in het gebied verwacht. In onderstaande tabel is aangegeven welke soorten in het onderzoeksgebied worden verwacht en welke (mitigerende) maatregelen noodzakelijk zijn teneinde overtreding van de Wnb te voorkomen. Indien gewenst kunnen deze maatregelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol, zodat de uitvoerders op locatie op de hoogte zijn van de te nemen maatregelen.

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

35 Soort(groep)

Oeverzwaluw

Verwacht (V) / Aangetroffen (A): locatie V: aan te brengen voorbelasting

Algemene broedvogels en cat. 5 vogels (voldoende alternatief)

A + V: in (de omgeving van) het projectgebied

Vleermuizen (geen essentiële elementen), algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen

A + V: in (de omgeving van) het projectgebied

Mitigerende maatregelen

In de periode van 1 maart tot en met augustus dienen grondhopen met steile hellingen (zoals voorbelasting) in het projectgebied (of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden) voorkomen te worden, zodat oeverzwaluwen hier niet in gaan broeden. Steile wanden dienen te worden afgevlakt of afgedekt met bijvoorbeeld wegendoek. Indien oeverzwaluwen in het projectgebied broeden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt om tijdens het broedseizoen wekelijks broedvogelinspecties te laten uitvoeren door een deskundig ecoloog. Enkel indien tijdens deze broedvogelinspecties blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met augustus. De daadwerkelijke periode is afhankelijk van weersinvloeden en vogelsoorten die in het projectgebied worden verwacht. De duur van het broedseizoen dient te worden bepaald door een deskundig ecoloog.

Indien algemene broedvogels in het projectgebied broeden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren moeten voldoende tijd krijgen om te kunnen vluchten. Lichtverstoring van vleermuizen in de nacht dient waar mogelijk te worden voorkomen. Bij het dempen van watergangen dienen aanwezige amfibieën, vissen en zoetwatermosselen te worden afgevangen, onder begeleiding van een deskundig ecoloog. Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft dient direct een deskundig ecoloog te worden geraadpleegd om af te stemmen of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Bij twijfel over de aanwezigheid van een strikt beschermde soort wordt geadviseerd altijd de hulp van een deskundige in te schakelen.

Tabel 4.4: Overzicht verwachte / aangetroffen soort(groep)en met mitigerende maatregelen (bron: VanderHelm, 2021).

Bij toekomstige werkzaamheden in het plangebied zullen bovenstaande maatregelen en protocollen in acht genomen worden. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Binnen een afstand van 4 kilometer zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Gezien deze afstand zijn nadelige effecten als trillingen en lichthinder uit te sluiten. Stikstof Voor ieder plan of project is het daarnaast nodig om uit te sluiten dat negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie optreden. Door Buro SRO is in dat kader een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 6. Hierin is in beeld gebracht wat de mogelijke effecten van de aanleg- en gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

36

Voorliggend plangebied ligt niet binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Westduinpark & Wapendal’ en ‘Solleveld & Kapittelduinen’ bevinden zich op ca. 8,0 km van de onderzoekslocatie. Voor de gebruiksfase is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 470,0 voertuigen per etmaal, zonder rekening te houden met de verkeersgeneratie vanuit de bestaande situatie. Uitgegaan is van 100% licht verkeer. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een Nox emissie van 44,06 kg/j en een NH3 emissie van 2,93 kg/j. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de bouwfase is een ruime schatting gemaakt voor de mobiele werktuigen die nodig zijn en het aantal verkeersbewegingen voor het vervoer van personeel en materialen. Er worden tijdens de bouwfase een drietal gebouwen ten behoeve van 90 huurappartementen en 54 zorgeenheden gerealiseerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een Nox emissie van 262,73 kg/j en een NH3 emissie van 2,51 kg/j. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn.

Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. 4.9.3 Conclusie Het aspect natuur en ecologie levert geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen beschermde soorten of gebieden aangetast. Bij de werkzaamheden worden maatregelen in acht genomen ten behoeve van aanwezige beschermde soorten, het plangebied ligt niet in of nabij beschermde natuurgebieden, en er is geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhouding van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Kader Een aantal beleidsstukken en nota’s geeft richtlijnen en kaders voor de inrichting van gebieden in relatie tot cultuurhistorie en archeologie. Te noemen zijn de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) en de Erfgoedwet. Aanvullend op het beleid uit de Erfgoedwet geldt inzake ‘monumenten’ het volgende beleidskader. De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. 4.10.2 Onderzoek Archeologie Op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de Provincie Zuid-Holland heeft het gebied RijswijkBuiten wat betreft het aspect ‘archeologie’ een behoorlijk aantal aanduidingen c.q. waarderingen verkregen. Voor het onderhavige plangebied is de indicatie ‘hoge trefkans op archeologische sporen’ opgenomen. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

37

Het beleid van de gemeente Rijswijk is om waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk intact in hun originele positie in de bodem te bewaren. Als er geen of onvoldoende informatie over een gebied voorhanden is, wordt een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd om na te gaan, of het gebied van het bestemmingsplan behoudenswaardige (dat wil zeggen wetenschappelijk waardevolle) archeologische resten bevat. Percelen, die behoudenswaardige resten bevatten, worden gereserveerd voor behoud of voor een archeologisch vervolgonderzoek (opgraving). Opgravingen worden uitsluitend uitgevoerd, als behoud en bescherming van de resten in hun originele positie in de bodem niet mogelijk is. Deze gedragslijn zorgt voor bescherming van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden in het gebied. Ten behoeve van de ontwikkeling van RijswijkBuiten als nieuwe woonwijk is de afgelopen tijd reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd en het onderzoek duurt nog steeds voort. Het archeologisch onderzoek moet zo veel mogelijk uitgevoerd worden vóór het voorbelasten en het ophogen van de percelen. Het archeologisch veldwerk is begonnen in oktober 2010 en wordt voortgezet. Wanneer waardevolle archeologische resten redelijkerwijs in het plan ingepast kunnen worden door wijziging van de planvorming, worden de onderzochte percelen na het vooronderzoek niet vrijgegeven, maar aangewezen voor bescherming.

De gemeente Rijswijk zal percelen binnen het gebied RijswijkBuiten vrijgeven voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden: • ofwel na het archeologisch bureauonderzoek, als daaruit blijkt dat de kans op het voorkomen van waardevolle resten verwaarloosbaar klein is. • ofwel na het inventariserend veldonderzoek, als blijkt dat er binnen de percelen waarschijnlijk geen waardevolle archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Om de archeologische verwachting te kunnen verifiëren worden bij het veldonderzoek grondboringen en proefsleuven uitgevoerd. • ofwel na het afronden van het archeologische vervolgonderzoek, als gebleken is dat er ter plaatse waardevolle archeologische resten in de bodem aanwezig zijn, die niet behouden kunnen worden. In grote delen van Sion en ‘t Haantje is het archeologisch onderzoek inmiddels afgerond (zie afbeelding 5.1). Voor zover de gronden nog niet zijn vrijgegeven is de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” opgenomen. Deze dubbelbestemming geeft een beschermende regeling voor eventueel aanwezige archeologische waarden. De gronden van voorliggend plangebied zijn vrijgegeven. De gronden in het onderhavige bestemmingsplangebied zijn vrijgegeven aangezien het archeologisch onderzoek is afgerond en er geen beschermenswaardige waarden meer aanwezig (kunnen) zijn.

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

38

Afbeelding 4.12: stand van zaken archeologisch onderzoek per 22 januari 2019 (het plangebied is globaal zwart omkaderd; bron: gemeente Rijswijk).

Cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de Provincie Zuid-Holland zijn wat betreft het aspect ‘cultuurhistorie’ in RijswijkBuiten de structuren langs de Noordhoornsche Watering/Noordhoornseweg en de Sionsweg/’t Haantje relevant. Deze structuren zijn gekwalificeerd als landschappelijke lijn met een redelijk hoge waarde. Het voorliggende bestemmingsplan leidt echter niet tot een aantasting van deze waardevolle landschappelijke lijnen. Diverse andere belangrijke (water-)wegen uit de Late Middeleeuwen in RijswijkBuiten hadden evengoed aangegeven kunnen worden. Geen van deze elementen is gelegen binnen het voorliggende plangebied. 4.10.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie leiden niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.11 Duurzaamheid 4.11.1 Kader Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

39 uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet.

Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG).

In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENGnorm. RijswijkBuiten – DuurzaamheidsProfiel op Locatie (DPL) Bij de ontwikkeling van RijswijkBuiten is ‘duurzaamheid’ een leidend principe. Het is onder meer een streven om van RijswijkBuiten een CO2-arme wijk te maken. Een ander onderdeel van een duurzame wijk is om deze leefbaar en veilig te maken. Monitoring van duurzaamheidsaspecten tijdens het planproces vindt onder meer plaats door het toepassen van het model “DuurzaamheidsProfiel op Locatie” (DPL). Met deze methode verkrijgt de wijk op vijfentwintig duurzaamheidaspecten een rapportcijfer, waarop tijdens de verdere planvorming en uitvoering getoetst wordt.

Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

40 4.11.2 Onderzoek en conclusie In de regels van de uit te werken bestemmingen binnen het bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje” en de daarop volgende herzieningen is bepaald, dat voor elk van de afzonderlijke deelgebieden van RijswijkBuiten een DPL zal worden opgesteld. Zo wordt duurzaamheid steeds bespreekbaar gemaakt voor de verschillende doelgroepen, voortdurend getoetst en vormt het de motor vormt voor integrale kwaliteitsverbetering van de wijk. Daarbij wordt een DPL-score van minimaal 7 nagestreefd (toetsdatum 2011). Zoals besproken in paragraaf 1.1 en 1.3 wordt dit bestemmingsplan opgesteld omdat in functioneel (zorgwoningen) en ruimtelijk (bouwhoogte) opzicht niet wordt voldaan aan enkele bestemmings- en wijzigingsregels uit het vigerende uitwerkingsplan “’t Haantje West 1” en bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening”. De bestemming ‘Woongebied – 2’ in het zuidelijke deel betreft een reeds uitgewerkte bestemming uit “’t Haantje West 1”, waarbij is voldaan aan de gestelde DPL-eis. Hoewel voor het noordelijke deel geen gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid (en daarop volgende uitwerking) uit “Sion – ’t Haantje, tweede herziening”, is de bestemmingswijziging met voorliggend bestemmingsplan vergelijkbaar. Om deze redenen wordt de gestelde DPL-eis voor dit bestemmingsplan aangehouden. Voor deelgebied ‘t Haantje is een DPL opgesteld.

Hieruit komt naar voren dat de gemiddelde score over de gemeten aspecten, een 7,29 bedraagt. De waarderingen van de afzonderlijke aspecten staan in de tabel in de DPL-rapportage opgenomen. Voldaan wordt dus aan de minimale DPL-score van 7. Het DPL voor ‘t Haantje van 12 augustus 2016 is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting.

4.12 Mobiliteit 4.12.1 Kader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) voorziet een groei in de mobiliteitsbehoefte tot 2030. Deze groei is het grootst in de Randstad en Brabant. Om de concurrentiekracht van Nederland te versterken, is een netwerk van hoogwaardige internationale verbindingen nodig, net als een goede nationale bereikbaarheid van onze belangrijkste economische regio’s. Het Rijk zet de gebruiker van mobiliteit centraal. Het verknopen van verkeerssystemen en vervoerwijzen neemt daarbij een belangrijke plaats in, net als het beter benutten van infrastructuur, met een volwaardige plaats voor langzaam en recreatief verkeer. Het Rijk mikt op multimodale (keten)maatregelen die het gebruik van de capaciteit optimaliseren. Voor inbreidingslocaties als de onderhavige geeft de SVIR geen specifieke beleidsuitgangspunten. Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 Het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008 - 2020 van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat geeft een visie weer op het aspect ‘verkeersveiligheid’ in Nederland. De ambitieuze doelen (qua verkeersdoden en -gewonden) uit de Nota Mobiliteit moeten worden omgezet in beleid. Drie pijlers daarin zijn: samenwerking, integrale aanpak en “Duurzaam Veilig”. Het verkeersveiligheidsbeleid in Nederland van de afgelopen jaren was succesvol; dat moet worden gecontinueerd.

Op basis van generieke maatregelen (maatregelen die in de basis overal gelden, die de afgelopen jaren al zijn ingezet en die moeten worden gecontinueerd) alsook met specifieke aandachtsgebieden zou dit kunnen worden bewerkstelligd. Het is van groot belang dat er een goede afstemming en samenwerking plaatsvindt met alle betrokken partijen. Structuurvisie mobiliteit 2020 Rijswijk ligt centraal in de regio Haaglanden en is goed bereikbaar. Met de fiets kunnen de korte afstanden binnen de gemeente Rijswijk comfortabel en snel afgelegd worden. Woonwijken, winkelcentra en bedrijfsterreinen zijn goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

41

Toch zijn er ook aandachtspunten en kansen voor verbetering. Naar verwachting worden de wegen drukker, vooral in de spits en op de invalswegen. Oorzaken zijn de economie die weer aantrekt, de aanleg van nieuwe infrastructuur in de regio en ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Rijswijk zelf en in de regio om ons heen. Ook de reiziger zelf stelt steeds hogere eisen aan de kwaliteit van de informatie over zijn reis en reistijden. Om als gemeente een bijdrage te blijven leveren aan leefbaarheid, veiligheid en doorstroming, zijn duurzame oplossingen nodig. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals Rijswijk-Zuid en Eikelenburg vragen om aanpassing en uitbreiding van de infrastructuur. Om een antwoord te bieden op deze trends is de Structuurvisie Mobiliteit Rijswijk 2020 opgesteld. In deze visie staan de volgende 3 thema’s centraal: 1. Bereikbaarheid 2. Verkeersveiligheid 3. Leefbaarheid Parkeerbeleid en parkeernormen Parkeerbeleid vormt een wezenlijk onderdeel van het verkeers- en vervoersbeleid. Rijswijk heeft te weinig ruimte om iedere auto een parkeerplaats op de openbare straat een plaats te bieden. De gemeente stelt de vanzelfsprekendheid van het parkeren op straat of voor de deur ter discussie.

Het gemeentelijke beleid richt zich bij nieuwbouwprojecten op parkeren op eigen terrein en voldoende gebouwde onder- of bovengrondse parkeergelegenheid, zo nodig op centrale plaatsen in de wijk. Het motto is het beheersbaar houden van de groeiende parkeerdruk. Het parkeerbeleid, de parkeernormen- en kengetallen alsmede het beleid tot toepassing hiervan, worden door de gemeenteraad vastgesteld en eens in de vijf jaar herzien. De normen die voor Rijswijk-Zuid zijn aangehouden, zijn afkomstig uit de Nota Parkeernormen Rijswijk 2011. Nota Parkeernormen Op 8 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Rijswijk de gemeentelijke Nota Parkeernormen vastgesteld. De nota is opgesteld om in de toekomst voldoende parkeergelegenheid te kunnen garanderen en duidelijkheid te bieden over de implementatie van de parkeernormen. De nota is het beleidskader voor de komende jaren. Door herziening van de bijlagen bij de nota kan de komende jaren flexibel worden ingespeeld op bijvoorbeeld maatschappelijke trends of een gewijzigde beleidsvisie. Het gebruik van parkeernormen heeft tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen (of bij uitbreidingen) voor te schrijven, dat de plaatsen voorzien in de vooraf in te schatten parkeervraag. Daarmee moet worden voorkomen dat door aanleg van te weinig parkeerplaatsen een tekort en daarmee parkeeroverlast ontstaat.

Tevens voorkomen de normen dat te veel parkeerplaatsen worden aangelegd, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid nadelig wordt beïnvloed. Aan de normen wordt actief getoetst bij (nieuwe) ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen vereist is, zoals nieuwbouwprojecten, uitbreidingen van bestaande bebouwing en functiewijzigingen waarvoor tevens een vergunning is vereist. Parapluherziening parkeernormering Rijswijk De parapluherziening parkeernormering Rijswijk is opgesteld n.a.v. de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK. Met deze wetswijziging was het niet langer mogelijk om stedenbouwkundige voorschriften (waaronder de parkeernormen) op te nemen in de Bouwverordening. Om te voorkomen dat er in Rijswijk bestemmingsplannen en andere plannen ontstaan waarin geen bepalingen zijn opgenomen over het aantal parkeerplaatsen is deze parapluherziening opgesteld. De Nota Bestemmingsplan ‘’t Haantje - H 1.3C’ Toelichting Vaststelling d.d. 12 oktober 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=693ac8d1-e4c1-4540-b961-dff956a5f810