CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-031 e_toelichting bestemmingsplan (excl. bijlagen).pdf

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan De Terp (21-031)28.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen onderzoek inzake luchtkwaliteit hoeft te worden uitgevoerd en dat in dit geval het plan doorgang kan vinden. Het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is in artikel 5 een zogenaamde anticumulatiebepaling opgenomen. Hiermee wordt de verplichting opgelegd om nieuwe plannen die van dezelfde ontsluitingswegen gebruikmaken en individueel als NIBM aan te merken zijn, ook als één geheel te beschouwen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot plan met een grote invloed op de luchtkwaliteit opgedeeld wordt in kleinere deelplannen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,85

PM10 in μg/m3

0,21

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1396

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 4.2 Uitkomst NIBM-tool voor worst case functieprogramma De Terp. 4.3.2 Beoordeling De verwachte verkeersgeneratie in de toekomstige situatie die volgt uit paragraaf 4.2.1 is ingevoerd in de NIBM-tool van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. De uitkomst hiervan betreft wel nadrukkelijk een worst case, aangezien geen rekening is gehouden met de aanzienlijk grotere verkeersgeneratie die in de huidige situatie al planologisch mogelijk is (zie ook paragraaf 4.2.1). Daar komt bij dat in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen een aantal activiteiten zijn opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Hieronder vallen woningbouwlocaties die, in geval van twee ontsluitingswegen, netto niet meer dan 3.000 nieuwe Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 50

woningen omvatten. De voorgenomen ontwikkeling betreft in hoofdzaak de realisatie van 345 appartementen c.q. woningen en in de plint commerciële voorzieningen met een totale bruto vloeroppervlakte van circa 3.250 m 2. Hiermee blijft het plan ruimschoots onder de grens voor niet in betekenende mate. Op grond van het voorgaande valt geen negatief effect op de luchtkwaliteit c.q. een toename van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) ter plaatse te verwachten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarbij ook de heersende (achtergrond)concentraties van PM10, PM2,5 en NO2 nog inzichtelijk gemaakt (zie hierna). Huidige luchtkwaliteit In de NSL-monitoringstool van de Rijksoverheid zijn langs wegen rekenpunten opgenomen waarin de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 berekend zijn. Het meest relevante rekenpunt bij de onderhavige locatie bevindt zich op de kruising van de Prinses Beatrixlaan en de Generaal Spoorlaan. De NSL-monitoringstool geeft ter plaatse van dit rekenpunt (normjaar 2020) de volgende concentraties: - De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) is 26,5 μg/m 3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 μg/m 3. - De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) is 20,2 μg/m 3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 μg/m 3.

- De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM2,5) is 11,8 μg/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 25 μg/m 3. 4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Geluid

4.4.1 Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet geluidgevoelige bestemmingen, zoals wonen, zorg en onderwijs. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: - bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen een zone; - bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe gezoneerde (spoor) wegen (niet zijnde rijkswegen of hoofdspoorwegen vallend onder de Wet milieubeheer); - reconstructie van gezoneerde wegen (niet zijnde rijkswegen); - bestemmen van gronden voor gezoneerde industrieterreinen; - wijzigen van de grenzen van gezoneerde industrieterreinen of bijbehorende zones. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 51

ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). 4.4.2 Beoordeling In het kader van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels als gevolg van wegverkeer. Uit dit onderzoek blijkt het volgende: - Prinses Irenelaan en Steenvoordelaan: Deze wegen vormen geen belemmeringen omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. - Prinses Beatrixlaan: De berekeningen geven aan dat vanwege het wegverkeer op de Prinses Beatrixlaan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden met ten hoogste 13 dB. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege deze weg is 61 dB na aftrek van 5 dB ter plaatse van de zuidwestgevel van de hoogste woontoren en op de zuidwestgevel van gebouw A. - Generaal Spoorlaan: De berekeningen geven aan dat vanwege het wegverkeer op de Generaal Spoorlaan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden met ten hoogste 12 dB. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege deze weg is 60 dB na aftrek van 5 dB op de noordwestgevel van gebouw A.

- Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt, maar dat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB per weg niet wordt overschreden. - Het is niet mogelijk/wenselijk om bij dit project geluidbeperkende maatregelen toe te passen om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Daarom moeten bij de gemeente Rijswijk hogere waarden voor de geluidbelasting op de gevels worden aangevraagd. (In het onderzoek is een overzicht van de aan te vragen hogere waarden opgenomen.) - Geadviseerd wordt om: in een vervolgonderzoek de geluidwerende voorzieningen af te stemmen op de berekende, gezamenlijke geluidbelasting van alle omliggende wegen, waarmee kan worden voldaan aan de prestatie-eisen die beschreven staan in afdeling 3.1 van het Bouwbesluit 2012. Het volledige akoestische onderzoek maakt als bijlage IV onderdeel uit van deze toelichting. Goede ruimtelijke ordening Met het oog op de motivering van de benodigde hogere waarden is de voorgenomen ontwikkeling ook akoestisch beoordeeld vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening. Van belang is daarbij allereerst dat de voorgenomen woningen met name als gevolg van het verkeer over de Prinses Beatrixlaan en de Generaal Spoorlaan geluidbelasting ondervinden.

Door de gekozen bouwvorm met aaneengesloten bebouwing aan de buitenzijde van het plangebied, wordt een binnengebied gecreëerd waar sprake is van een geluidluwe buitenruimte. In dit binnengebied wordt een collectieve binnentuin van circa 2.500 m2 aangelegd, exclusief voor de toekomstige bewoners. Tevens draagt de bouwvorm er toe bij dat voor de beoogde woningen nauwelijks sprake is van cumulatie van de geluidbelasting van verschillende wegen.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 52

Figuur 4.3 Geluidscontouren binnengebied c.q. binnentuin. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt, mede op basis van het akoestisch onderzoek, het volgende geconstateerd: - De geluidbelasting past binnen de kaders van de Wet geluidhinder; - Voor alle woningen geldt dat de toekomstige bewoners gebruik kunnen maken van de collectieve, geluidluwe binnentuin. Dit volgt uit voorgaande figuur, waarin het gebied binnen de groene contour geluidluw is, de gecumuleerde geluidbelasting is hier 53 dB(A) of lager. Daar komt nog bij dat voor circa 85% van het gebied de gecumuleerde geluidbelasting zelfs lager of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB; - Woningen met een tweezijdig oriëntatie liggen met één gevel aan de geluidluwe binnentuin; - Aan het geluidluwe binnengebied zijn ook de buitenruimten van de woningen gesitueerd; - Door de bouwvorm is geen sprake van een relevante cumulatie van de geluidbelasting als gevolg van meerdere wegen; - In de gevels van de woningen worden geluidwerende voorzieningen getroffen die zorgen voor een voldoende lage geluidbelasting in de verblijfsruimten van de woningen; - Op termijn wordt de Prinses Beatrixlaan verlegd en voorzien van stil asfalt. Tevens wordt daarna tussen de woningen en de Prinses Beatrixlaan (afschermende) bebouwing in de ontwikkelstrook gerealiseerd.

Beide ontwikkelingen komen de geluidssituatie in het plangebied ten goede. Op basis van de voorgaande constateringen is sprake van goede ruimtelijke ordening.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 53

Aanvullend wordt voor de overige geluidsaspecten (in dit geval alleen bedrijfsgeluid) verwezen naar paragraaf 4.7. 4.4.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, met inachtneming van de aan te vragen hogere waarden. Het ontwerpbesluit hogere waarden wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1 Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.5.2 Beoordeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd met de volgende twee doelen: 1. Vaststellen van de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingsplanprocedure en de aanvraag van een omgevingsvergunning; 2. Nagaan of de verontreiniging met VOCl van invloed kan zijn op de beoogde nieuwbouw. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek zijn hierna kort weergegeven. Bodemkwaliteit: - De in het bodemonderzoek vastgestelde lichte verontreinigingen in de bovengrond en schone ondergrond komt overeen met de algemene bodemkwaliteit in het gebied. De bodemkwaliteit vormt ons inziens daarom geen belemmering voor de geplande bestemmingswijziging.

- Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren tegen de voorgenomen bouwplannen. - De metselpuinhoudende bodem rondom parkeergarage P5 is verdacht op aanwezigheid van asbest. Wanneer hier graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden (bijvoorbeeld voor kabels en leidingen) of wanneer dit terrein een gevoeliger gebruik krijgt, dient aanvullend onderzoek naar asbest in grond uitgevoerd te worden. Specifiek voor het laatste punt geldt dat het eventuele aanvullend onderzoek naar asbest in grond in het kader van de omgevingsvergunning (voor de bouwactiviteiten) kan worden uitgevoerd. Mogelijke invloed VOCI-verontreiniging: - Op basis van de stromingsrichting van het grondwater en de resultaten van de grondwatermonitoring wordt niet verwacht dat deze verontreiniging invloed heeft (gehad) op de grondwaterkwaliteit op de onderzoekslocatie. Het eerste watervoerende pakket is niet verontreinigd, hetgeen relevant kan zijn bij de aanleg van een WKO-systeem.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 54

Het volledige actualiserend bodemonderzoek maakt als bijlage V onderdeel uit van deze toelichting. 4.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Kader Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: - Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); - Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen); - Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen; - Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen.

- Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. - Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken.

Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 55

Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is moet ook aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: - Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen. - Hoogte van het groepsrisico. - Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte). - Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: - Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. - Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerstgenoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.2 Beoordeling In het kader van het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd inzake de externe veiligheidssituatie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Belangrijkste reden voor dit onderzoek is de nabijgelegen transportroute voor gevaarlijke stoffen over de Prinses Beatrixlaan.

In dit onderzoek is het volgende geconcludeerd: - De herontwikkeling van De Terp heeft een verandering van het aantal aanwezigen ten opzichte van de huidige situatie tot gevolg. In de nieuwe situatie zal het totaal aantal aanwezigen toenemen in het plangebied. - In dit onderzoek hebben wij kwantitatief aangetoond dat deze toename van personendichtheid een toename oplevert van het groepsrisico. Het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling De Terp wordt groter dan het huidige groepsrisico. In zowel de huidige situatie als de plansituatie is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde. In de plansituatie neemt het groepsrisico wel toe met 13 procent tot 0,78 maal de oriëntatiewaarde. - Het groepsrisico moet daarom uitgebreid verantwoord worden in de besluitvorming door het bevoegd gezag (conform artikel 8.2, lid b van het Bevt). Een beschouwing van een mogelijke verantwoording van het groepsrisico is gegeven in bijlage IV (van het onderzoek). - Het plan voor de herontwikkeling van De Terp vormt geen knelpunt ten aanzien van de normstelling voor externe veiligheid. De Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) is gevraagd te adviseren ten aanzien van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies wordt betrokken bij de verdere ruimtelijke besluitvorming.

Het volledige onderzoek inzake externe veiligheid maakt, inclusief bijlagen met de benodigde, uitgebreide verantwoording van het groepsrisico en het advies van de VRH, als bijlage VI onderdeel uit van deze toelichting. Volledigheidshalve wordt hierna nog kort ingegaan op de genoemde verantwoording van het groepsrisico en het advies van de VRH.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 56

Verantwoording groepsrisico Voor de verantwoording van het groepsrisico is allereerst kort ingegaan op het geldende gemeentelijk beleid qua externe veiligheid, zoals opgenomen in het Milieubeleidsplan Rijswijk 2012-2020. Vervolgens is ingegaan op de vraag of sprake is van een veilig ontwerp, gegeven de ligging van het plangebied ten opzichte van de nabijgelegen transportroute voor gevaarlijke stoffen. Hieruit blijkt dat in belangrijke mate invulling kan worden gegeven aan de richtsnoeren voor een veilig ontwerp. Verder is in de verantwoording ten aanzien van zelfraadzaamheid en bestrijdbaarheid onder andere het volgende overwogen: - Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk door een incident op deze Rijksweg is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie afgesloten kunnen worden. Afsluitbare ventilatie wordt dan ook geadviseerd. Daarnaast dient er voldoende bewustzijn bij de toekomstige bewoners te zijn voor eventuele calamiteiten. Het handelingsperspectief van bewoners (zoals schuilen en ventilatie afsluiten) zal duidelijk geadviseerd moeten worden. - Vanuit het plangebied zijn er voldoende mogelijkheden om te vluchten in tegengestelde richting van de bron (richting Steenvoordelaan). - Om de zelfredzaamheid in geval van incidenten te verhogen moet de interne organisatie gereed zijn voor de risicomanagement.

Dit houdt onder andere in dat de vluchtwegen, bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen bekend zijn bij de betrokken partijen. Daarnaast is het belangrijk dat de risicocommunicatie in orde en actueel is binnen de gebouwen van De Terp. - De planvorming van De Terp voorziet niet in het realiseren van bestemmingen met nieuwe of meer groepen verminderd zelfredzame personen. - Het plangebied is langs drie wegen bereikbaar voor hulpdiensten, en er is voldoende ruimte voor opstelmogelijkheden. Bluswater, indien niet door hulpdiensten zelf meegenomen, is beschikbaar door nabijgelegen oppervlaktewater (nabijgelegen sloten/grachten). Tot slot is vervolgens nog kort ingegaan op de mogelijkheden voor rampbestrijding, waarbij de vijf criteria die de Veiligheidsregio Haaglanden hiervoor hanteert zijn beschouwd. Advies Veiligheidsregio Haaglanden Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden door de VRH primair de volgende maatregelen geadviseerd: A. Afschakelbare ventilatie (effectbeperking) B. Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid) C. Voorbereiding interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid) D. Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid) E. Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen t.b.v.

de hulpverlening) Deze adviezen zijn nadrukkelijk meegenomen in de hiervoor kort toegelichte verantwoording van het groepsrisico. Om die reden wordt aanvullend nogmaals verwezen naar het volledige onderzoek inzake externe veiligheid (inclusief bijlagen met de benodigde, uitgebreide verantwoording van het groepsrisico en het advies van de VRH), dat als bijlage VI onderdeel is van deze toelichting. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 57

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid moet erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en veiligheid. De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor.

De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.4 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie De bovengenoemde richtafstanden voor een rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden waar functiemenging is, bijvoorbeeld in een centrumgebied met veel winkels en voorzieningen, is er sprake van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstanden van elkaar gesitueerd zijn. De richtafstanden uit tabel 1 zijn dan niet meer toepasbaar. In dat geval wordt er middels categorieën aangegeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn: - Categorie A activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen;

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 58

-

Categorie B activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen indien ze bouwkundig van elkaar afgescheiden zijn; Categorie C activiteiten zijn alleen toegestaan indien ze gesitueerd zijn aan een hoofdweg.

4.7.2

Beoordeling

Omgevingstype Het plangebied ligt op een locatie waar een verscheidenheid aan functies voorkomt. Het betreft een winkelgebied met onder andere winkel-, horeca- en kantoorfuncties. Langs de noord- en westzijde van het plangebied liggen de Generaal Spoorlaan en de Prinses Beatrixlaan. Dit zijn beide drukke ontsluitingswegen waar 50 km/u gereden mag worden. Deze wegen zijn dan ook belangrijke ontsluitingswegen van Rijswijk, die dagelijks intensief gebruikt worden. De combinatie van deze functies en vooral ook de nabijheid bij drukke ontsluitingswegen, maakt dat het plangebied wordt aangemerkt als gemengd gebied. De richtafstanden kunnen daarmee, waar nodig, met één afstandsstap worden verminderd. Het gebiedstype ‘gemengd gebied’ is als uitgangspunt gebruikt voor de inhoudelijke beoordeling. Toegestane activiteiten in de omgeving De gronden in de omgeving van het plangebied hebben een centrumbestemming, zoals die voor het gehele winkelgebied In de Bogaard van toepassing is. Binnen deze bestemming zijn de volgende activiteiten toegestaan, met de bijbehorende milieucategorie: - detailhandel (milieucategorie 1); - horeca van categorie 1/lichte horeca, zoals restaurants, broodjeszaken en een kleinschalig hotel (milieucategorie 1); - kantoren (milieucategorie 1); - dienstverlening (milieucategorie 1 of 2); - maatschappelijke voorzieningen (milieucategorie 1 of 2).

Bij milieucategorie 1 hoort een richtafstand van 10 meter, bij milieucategorie 2 hoort een richtafstand van 30 meter. Omdat de omgeving gecategoriseerd kan worden als ‘gemengd gebied’ mag de richtafstand met één stap verlaagd worden. Er moet dus rekening gehouden worden met een minimale afstand van 10 meter tussen woningen en hinderveroorzakende functies. In dit plan wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. De Prins Johan Friso Promenade heeft een breedte van circa 12,5 meter en tussen P4 en het nieuwbouwdeel wordt een leefstraat gerealiseerd met een breedte van circa 14,5 meter. Daarmee wordt geborgd dat er voldoende afstand is tussen de beoogde woningen in het plangebied en de omliggende functies. Toegestane activiteiten in het plangebied Voor de commerciële voorzieningen en de supermarkt geldt dat conform de lijst 'functiemenging' sprake is van een categorie A-situatie. Deze activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden gerealiseerd. Dit levert dan ook geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 59

4.7.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de geldende richtafstanden. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8

Water

4.8.1 Beleidskader In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het al bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit.

De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. De watertoets is een instrument om deze integrale benadering vorm te geven en om het watersysteem gezamenlijk op orde te krijgen. Deze toets heeft in het kader van onderhavige ontwikkeling plaatsgevonden. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is een door de EU vastgestelde richtlijn ter bescherming van alle wateren en het bevorderen van het duurzaam gebruik van (oppervlakte- en grond)water. De Kaderrichtlijn omvat regelgeving ter bescherming van de wateren door middel van het stellen van haalbare doelen voor 2015. De kaderrichtlijn gaat daarbij uit van een benadering vanuit de stroomgebieden. De uitvoering van de kaderrichtlijn vraagt een grote inspanning van verschillende partijen op internationaal, nationaal en regionaal niveau. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water worden de gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd voor een integraal waterbeleid in de 21e eeuw. Het akkoord heeft als doel om in de periode tot 2015 de gevolgen van de zeespiegelstijging, bodemdaling en een veranderend klimaat aan te pakken. In het akkoord zijn afspraken tussen alle overheden gemaakt om te zorgen dat er in alle gebieden voldoende bergend vermogen is om neerslag op een adequate manier af te voeren.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 60

Hierbij wordt het principe van 'vasthouden - bergen - afvoeren' gevolgd. Water moet zo lang mogelijk worden vastgehouden of geborgen in het gebied waar het is gevallen, zodat een zo gelijkmatige en beheerste afvoer mogelijk is. De verantwoordelijkheid voor de te treffen waterhuishoudkundige maatregelen gericht op vasthouden, bergen en afvoeren van water ligt zowel bij de gemeente en het waterschap (hoogheemraadschap) als bij de initiatiefnemers van ruimtelijke plannen. Waterwet In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet heeft diverse wetten voor het waterbeheer in Nederland vervangen: a. Wet op de waterhuishouding; b. Wet op de waterkering; c. Grondwaterwet; d. Wet verontreiniging oppervlaktewateren; e. Wet verontreiniging zeewater; f. Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904); g. Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'); h. Waterstaatswet 1900.

Ook is de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming naar de Waterwet verhuisd. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld: zes vergunningen uit de oude 'waterbeheerwetten' gaan op in één watervergunning. Keur Hoogheemraadschap van Delfland Voor werkzaamheden en activiteiten aan het water of aan waterkeringen geldt een aantal regels, zodat het hoogheemraadschap zijn taken goed kan uitoefenen. Deze regels zijn vastgelegd in een verordening, genaamd Delflands Algemene Keur. In deze Keur staan gedoogplichten, geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. In de Keur is geregeld dat kern- en beschermingszones voor waterkeringen (en watergangen) in acht dienen te worden genomen.

Het komt erop neer dat binnen deze zones niets zonder meer gebouwd en opgeslagen mag worden, waarbij voor de kernzone een strenger regime (bouwen binnen de kernzone is niet toegestaan) geldt dan voor de aangrenzende beschermingszone. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast dan wel het onderhoud wordt gehinderd. De breedte en maatvoeringen van deze zones is vastgelegd in de ‘legger’.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 61

Voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem, zoals bouwen binnen de kernof beschermingszone van een waterkering, dient bij het hoogheemraadschap ontheffing te worden aangevraagd op grond van de Keur (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). Voor eventuele lozingen op het oppervlaktewater dient toestemming verkregen te worden in het kader van de Waterwet. Ten slotte is in 2012 de Handreiking Watertoets vastgesteld. De nieuwe handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. 4.8.2 Watertoets De ruimtelijke ontwikkeling heeft weinig tot geen gevolgen voor het watersysteem. In het kort betreft het hier: - het verhard oppervlak neemt niet toe, maar neemt af.

Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen; - er vindt geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater; - het plangebied ligt niet in een peilgebied waar een wateropgave (NBW of KRW) bestaat; - het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang; - het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie of rioolpersleiding. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwater Het plangebied is gelegen in een stedelijk gebied, binnen de Plaspoel- en Schaapweipolder (omvang circa 750 hectare). In het plangebied ligt het peilvak I. Het gemiddeld maaiveldniveau ligt op 0,40 meter boven NAP. Het maatgevend peil voor oppervlaktewater ligt 1,20 meter onder NAP, waarmee de drooglegging 1,60 meter is. De (gemiddelde) grondwaterstand ligt circa 1,5 meter onder maaiveld. Er vindt geen uitbreiding plaats van nieuwe bouwlagen onder maaiveld. Voor de nieuwbouw worden mogelijk funderingspalen gebruikt die dieper gaan dan de huidige bebouwing. Mocht hiervoor bronbemaling toegepast moeten worden om de grondwaterstand tijdelijk te verlagen, dan worden hiertoe de benodigde toestemmingen bij het Hoogheemraadschap van Delfland aangevraagd.

Riolering In de huidige situatie worden het vuilwater (dwa) en hemelwater (hwa) gescheiden afgevoerd. In de nieuwe situatie wijzigt dit niet. Te verwachten valt dat de hoeveelheid vuilwater in enige mate toeneemt vanwege de nieuwe woonfunctie, maar dat dit geen relevante ruimtelijke gevolgen heeft.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 62

Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater leiden.

Figuur 4.5 Berekening waterbergende capaciteit bestaande en nieuwe situatie. Waterberging Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat moet in bepaalde situaties nieuw oppervlaktewater worden gecreëerd waarmee een toename van verhard oppervlak kan worden gecompenseerd. In de voorliggende situatie is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Daarom is een toename van de versnelde afvoer van hemelwater niet te verwachten en is compensatie voor de realisatie van extra verhard oppervlak niet aan de orde. Wel zijn in de bestaande situatie op een deel van de bebouwing binnen De Terp groene (sedum)daken aanwezig. De waterbergende capaciteit van deze groene daken wordt bij de toekomstige (groene) inrichting van de binnentuin en daken van het plangebied ruimschoots gecompenseerd, zoals ook blijkt uit de berekening in de voorgaande figuur. Een belangrijk element hierin is de drainagekoffer die onder de volledige binnentuin wordt aangebracht. In totaal wordt de waterbergende capaciteit binnen het plangebied met meer dan 200 m 3 vergroot. In aanvulling hierop is nog van belang dat bij de nieuwe woningen langs de Generaal Spoorlaan ook nog 139 m2 verharding wordt vervangen door tuinen. Deze afname van verhard oppervlak is niet in de genoemde berekening meegenomen.

Afstemming Hoogheemraadschap van Delfland De voorgaande watertoets is ook voorgelegd aan en afgestemd met het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit is vastgelegd in een formele reactie die als bijlage VII onderdeel uitmaakt van deze toelichting. Uit de reactie blijkt duidelijk dat het Hoogheemraadschap van Delfland instemt met de voorgenomen ontwikkeling en specifiek de voorgaande watertoets: - Aan alle aspecten die van belang zijn voor een goede waterhuishouding, is invulling gegeven.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 63

-

In het plan is afdoende aangetoond, dat er geen negatieve invloed op de waterhuishouding valt te verwachten en worden extra maatregelen genomen, om aan klimaatadaptatie bij te dragen.

4.8.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Ecologie

4.9.1 Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebied- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De NNN is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten significant kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als NNN. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken van het gebied. Anders dan bij gebied- en soortenbescherming is de status als NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen.

Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogelen habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 64

4.9.2

Beoordeling

Gebiedsbescherming en stikstofdepositie Het plangebied ligt niet in of binnen de invloedsfeer van een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. In het kader van het plan is een AERIUS-berekening uitgevoerd naar de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van het bijbehorende onderzoeksverslag kunnen de volgende conclusies worden getrokken: - De sloop- en bouwwerkzaamheden hebben vanwege de inzet van mobiele werktuigen en vervoersmiddelen NOx-emissies tot gevolg. - De gebruiksfase heeft vanwege de verkeersgeneratie ook NOx-emissies tot gevolg. - Op circa 5,6 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied: ‘Westduinpark & Wapendal’. Stikstofgevoelige habitat ligt direct aan de grenzen van het gebied. - Op basis van de nu gehanteerde uitgangspunten is: o in jaar 1 sprake van een totale emissie van circa 266,7 kilogram NOx; o in jaar 2 sprake van een totale emissie van circa 329,1 kilogram NOx; o In jaar 3 sprake van een totale emissie van circa 75,9 kilogram NOx. - Daarbij is nog nadrukkelijk van belang dat is uitgegaan van een worst case-fasering. - Deze totale emissie leidt niet tot depositie op omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. - Uitgaande van de rekenresultaten is er geen relevant nadelig effect voor Natura 2000gebieden te verwachten.

Het volledige onderzoeksverslag (inclusief AERIUS-berekening) maakt als bijlage VIII onderdeel uit van deze toelichting. Gelet op het voorgaande is gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming op deze locatie niet aan de orde. Soortenbescherming: quickscan In het kader van het plan is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op de aanwezige flora en fauna en de doorwerking van de natuurwetgeving op deze locatie. Hierna zijn de uitkomsten van deze quickscan overgenomen. De volledige quickscan maakt als bijlage IX onderdeel uit van deze toelichting. De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende (spits)muizen zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Zuid-Holland. Op basis van deze algemene vrijstelling geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen mogelijk is zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten is strikter beschermd; soorten waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn soorten uit de soortgroep vleermuizen niet uit te sluiten binnen het plangebied.

Zoals al eerder vermeld kunnen nesten van vogels worden verstoord als in het broedseizoen wordt gestart met werkzaamheden.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 65

De aanwezigheid van de genoemde beschermde soorten kunnen niet op voorhand uitgesloten worden. Daarom is nader onderzoek gedaan naar gebouwbewonende vleermuizen, met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger (bescherming conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming). Zie verder de navolgende toelichting op het nader onderzoek. Daarnaast dient tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met een potentiele paarverblijfplaats van de tweekleurige vleermuis in het naastgelegen flatgebouw. Maatregelen om verstoring te voorkomen kunnen eventueel worden opgenomen in een ecologisch werkplan. Verder is er een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 altijd van toepassing: - In het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. Bij dit project heeft dit voornamelijk, maar niet uitputtend, betrekking op de bomen en struiken aan de rand van het groene dak ten noorden en westen van het plangebied. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd.

Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan. - Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Bij dit project heeft dit voornamelijk, maar niet uitputtend, betrekking op de bomen en struiken aan de rand van het groene dak ten noorden en westen van het plangebied. Daarnaast moeten dieren de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

Dit kan door: o Voortijdig rooien van het plangebied zodat dieren wegtrekken; o Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren; o De werkzaamheden starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen. Soortenbescherming: vleermuizenonderzoek In vervolg op de quickscan is het benodigde vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Een volledig onderzoek naar vleermuizen bestaat uit twee onderzoeksperiodes; van half mei tot half juli (kraamen zomerverblijfplaatsen) en van half augustus tot eind september (paar- en winterverblijfplaatsen). Beide onderzoeken hebben plaats gevonden om een volledig beeld te krijgen van de functie van het gebouw voor vleermuizen. Daarnaast is op basis van het type bebouwing ook onderzoek gedaan naar (massa)winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (onderzoek naar middernachtzwermen: begin augustus tot 10 september). Gedurende het nader onderzoek naar gebouwbewonende soorten is gelijktijdig ook onderzoek gedaan naar foerageergedrag en eventuele andere functies van het plangebied en de nabije omgeving. Tegelijk met het vleermuizenonderzoek zijn ook de vogelsoorten huismus en gierzwaluw nog onderzocht, al werden deze soorten op grond van de quickscan niet verwacht.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 66

De conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: - In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. - In plangebied De Terp zijn alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. - Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. - Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. - Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Het volledige vleermuizenonderzoek maakt (samen met de quickscan) als bijlage IX onderdeel uit van deze toelichting.

4.9.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Kader Archeologie De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1998) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden.

Op 17 december 2013 heeft de gemeenteraad van Rijswijk de nota 'Tussen oud en nieuw: Actualisering nota cultureel erfgoed' en bijbehorende archeologische waardenkaarten vastgesteld. Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 67

In de nota wordt ingegaan op de vraag hoe resten uit het verleden kunnen worden behouden, zonder moderne ontwikkelingen buiten te sluiten. Cultuurhistorie In de Erfgoedwet zijn de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. In de gemeentelijke nota 'Tussen oud en nieuw: Actualisering nota cultureel erfgoed' zijn ook cultuurhistorische waardenkaarten opgenomen. In deze nota zijn diverse gebieden/structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn. 4.10.2 Beoordeling Archeologie In de gemeentelijke nota ‘Actualisering Nota Cultureel Erfgoed’ is een archeologische waarden- en beleidskaart opgenomen. De archeologische waarden- en beleidskaart heeft twee niveaus (kaartbladen) op basis van de ouderdom en diepteligging in de bodem. De bewoningsresten uit de Neolithicum, Brons- en IJzertijd liggen in een groot deel van Rijswijk op een diepte van meer dan 1,5-2 meter beneden maaiveld. De bewoningsresten uit de Romeinse tijd en jonger liggen in heel Rijswijk op een diepte vanaf de onderzijde van de bouwvoor.

De dikte van de bouwvoor verschilt in Rijswijk echter per gebied. Op het kaartblad Neolithicum, Brons- en IJzertijd is het plangebied voor een groot gedeelte aangeduid als categorie 1 (zie de navolgende figuur). Voor deze categorie geldt geen archeologische verwachting, is geen archeologisch onderzoek nodig en gelden geen beperkingen. Voor een deel van het perceel geldt categorie 3. Hiervoor geldt een middelhoge verwachting uit het Neolithicum en een lage verwachting uit de Brons- en IJzertijd. Het beleid is hiervoor het betrekken van het gemeentelijk taakveld Archeologie bij de ontwikkeling van plannen. Een (verkennend) booronderzoek is nodig bij plannen die dieper reiken dan het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen (en is dus nodig voor plannen waarbij het grondwerk reikt tot in de top van het Laagpakket van Wormer. Dit is ongeveer 2 tot 5 m onder NAP).

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 68

Figuur 4.6 Uitsnede kaartblad Neolithicum, Brons- en IJzertijd. Op het kaartblad Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd (zie navolgende figuur) heeft het plangebied de categorieën 1 (geen verwachting) en 2 (lage verwachting Romeinse tijd, lage verwachting Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd). Eisen met betrekking tot (voor)onderzoek worden per situatie bekeken.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 69

Figuur 4.7 Uitsnede kaartblad Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. De initiatiefnemer heeft conform het beleid de gemeente vroegtijdig betrokken bij de planvorming. De gemeente heeft vastgesteld dat er geen archeologisch onderzoek nodig is voor deze locatie. Een nadere beoordeling aan het aspect archeologie is daarom niet aan de orde. Er worden randvoorwaarden in de omgevingsvergunning opgenomen zodat tijdens het verrichten van de grondwerkzaamheden archeologische observaties mogelijk zijn. Cultuurhistorie In de gemeentelijke nota ‘Actualisering Nota Cultureel Erfgoed’ zijn ook cultuurhistorische waardenkaarten opgenomen. In deze nota zijn diverse gebieden / structureren beschreven die vanuit het oogpunt van cultuurhistorie waardevol zijn. In de huidige en toekomstige situatie bevinden zich binnen het plangebied geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle objecten die een bijzondere bescherming behoeven. 4.10.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 70

4.11

Duurzaamheid

4.11.1 Gemeentelijk beleid Plan van aanpak duurzaam bouwen De gemeente Rijswijk heeft een plan van aanpak duurzaam bouwen vastgesteld (december 2006) waarin de duurzaam bouwen ambities in beleid zijn verankerd. Dit beleid is gericht op het besparen van energie en duurzaam materiaalgebruik in nieuwbouw- en herstructureringsprojecten. Ook is het van toepassing op woningen, bedrijven, kantoren, scholen en andere gemeentelijke gebouwen en grond-, weg- en waterbouw. De gemeente Rijswijk ziet duurzaam bouwen breder dan alleen de bouwmaterialen genoemd in het nationaal pakket woningbouw. Ook het stedenbouwkundig niveau, de utiliteitsbouw, de renovatiefase en de sloopfase zijn aandachtspunten. De gemeente hanteert de volgende definitie voor duurzaam bouwen: het op zodanige wijze inrichten, bouwen, beheren en slopen van gebouwen en van de gebouwde omgeving, op zodanige wijze dat de schade aan het milieu in alle stadia van ontwerp tot en met sloop, zoveel mogelijk wordt beperkt of tot stand wordt gebracht. Duurzaam bouwen betekent ook het toevoegen van positieve milieuaspecten, waardoor de draagkracht van milieu wordt verhoogd. De ambities geformuleerd in het plan van aanpak dienen als uitgangspunt voor de duurzame kwaliteit van de woningen en gebouwen binnen deze gemeente.

Om duurzaam bouwen meetbaar te maken, maakt de gemeente gebruik van het rekenprogramma GPR gebouw (gemeentelijk praktijk richtlijn gebouw). Door het invoeren van gegevens worden prestaties zichtbaar voor de thema`s energie, milieu, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. De gemeente heeft in het plan van aanpak duurzaam bouwen aangegeven dat ze een ambitie van GPR 7 of hoger heeft voor nieuwbouw en een EPC-waarde (energieprestatie coëfficiënt) van 10% onder het wettelijk minimum. Daarnaast is GPR-gebouw ook geschikt voor bestaande bouw, het geeft inzicht in kwaliteitsverbetering van een ingreep. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Energievisie De gemeente Rijswijk wil in 2040 energieneutraal zijn. Dat betekent (onder andere) dat de gebouwde omgeving moet worden verduurzaamd en op een andere manier verwarmd. De ambitie is dat Rijswijk van het ‘aardgas afgaat’. De Energievisie is bedoeld om richting en focus te geven, zodat deze transitie de komende jaren echt gerealiseerd kan worden.

Specifiek voor de voorgenomen (her)ontwikkeling van De Terp volgt uit de Energievisie dat een lokaal warmtenet een goed alternatief voor aardgas is. Eén van de warmtebronnen die hiervoor kan worden toegepast, is warmte- en koudeopslag in de bodem (WKO). In de Energievisie is aangegeven dat de bodem hiervoor op veel plekken geschikt is. De te transformeren en nieuwe bebouwing wordt aangesloten op een WKO-systeem. Om die reden past het plan in de Energievisie. Bestemmingsplan “De Terp” Toelichting Vastgesteld 15 juni 2021 71

Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland Dit (provinciale) convenant is in oktober 2018 door onder andere de gemeente Rijswijk ondertekend. Belangrijk uitgangspunt is de volgende constatering: klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan hebben een grote impact op de maatschappij. Het is van groot belang dat we klimaatadaptief gaan bouwen […]. In het convenant is verder de ambitie uitgesproken om nieuwbouwlocaties, inclusief transformatieen uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk te bouwen. Voor mogelijke oplossingen gaat daarbij aandacht uit naar onder andere uit naar gevels, daken, funderingen en de buitenruimte. Klimaatadaptief bouwen wordt daarbij concreter gemaakt door te streven naar het volgende: 1. Minder wateroverlast; 2. Meer biodiversiteit; 3. Minder hittestress; 4. Minder langdurige droogte en minder nadelige gevolgen ervan; 5. Minder bodemdaling en minder nadelige gevolgen ervan. Daarbij is een belangrijk uitgangspunt van het convenant dat de kwaliteit van de leefomgeving, milieu, biodiversiteit, technische, financiële en economische aspecten worden meegenomen en dat wordt gelet op betaalbaarheid en beheersbaarheid.

4.11.2 Beoordeling en conclusie Naast het feit dat sprake is van een transformatieproject dat in belangrijke mate bijdraagt aan de vermindering van winkelleegstand en er door het (deels) hergebruiken van de bestaande gebouwen per definitie sprake is van duurzaam bouwen zijn in het plan de volgende duurzaamheidsaspecten geïntegreerd: - De te transformeren en nieuwe bebouwing wordt verwarmd door middel van een WKOsysteem, in combinatie met warmtepompen. - Het volledige plan wordt gasloos gebouwd. - Er worden zonnepanelen geplaatst op de daken, waaronder in ieder geval op het dak van P4. Op de andere daken wordt de plaatsing van zonnepanelen waar technisch mogelijk gecombineerd met de aanleg van groene daken. - Ten opzichte van de huidige situatie worden op maaiveld open ruimtes in de vorm van een binnentuin en leefstraat gerealiseerd, waarbij met name de binnentuin grotendeels groen wordt ingericht. Ook wordt langs de Generaal Spoorlaan een groenstrook aangelegd en worden waar technisch mogelijk groene daken aangelegd (zie ook voorgaande punt). Met de hiervoor genoemde groenmaatregelen wordt voorzien in vertraagde afvoer van hemelwater en wordt hittestress tegengegaan.

- In aansluiting op het voorgaande punt voorziet het plan nadrukkelijk in klimaatadaptatie door de toevoeging van groen (ter voorkoming van hittestress) en de realisatie van extra waterbergende capaciteit (ter voorkoming van wateroverlast). Voor een toelichting wordt verwezen naar de paragrafen 2.3.2 en 4.8.2. - Tot slot draagt het plan ook nadrukkelijk bij aan de circulaire ambities van de gemeente, aangezien waar mogelijk de bestaande bebouwing en constructies binnen De Terp worden hergebruikt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=a880ba69-8a0c-4245-881a-9a52f29ea31e