CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21 027 C Armoedemonitor 2020 Rijswijk versie 1.1.pdf

Raadsvergadering 15 juni 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Kadernota Samen Kans-Rijk (21-027)13.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARMOEDEMONITOR 2020 GEMEENTE RIJSWIJK

Armoedemonitor 2020 gemeente Rijswijk Onderzoek naar de omvang en samenstelling van de doelgroepen voor het gemeentelijke armoedebeleid en het gebruik van inkomensondersteunende regelingen in de gemeente Rijswijk.

Colofon Opdrachtgever Gemeente Rijswijk Datum April 2021 Auteurs Tessa Schoot Uiterkamp Reimer Vonk Databewerking Jan Everhardus Geografische kaarten Pieter-Jan Karsijns Grafische ondersteuning Senne Trip KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en/ of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ. 1

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Inhoudsopgave Inhoudsopgave .............................................................................................................................. 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 2 Grafische samenvatting ................................................................................................................. 4 Samenvatting................................................................................................................................. 6 1. Minima in beeld ....................................................................................................................... 13 2. Minimakinderen tot 18 jaar in beeld ........................................................................................ 20 3. TOZO 2 en 3............................................................................................................................ 24 4. Minimaregelingen .................................................................................................................... 25 5. Wmo en schuldhulpverlening .................................................................................................. 32 Bijlage 1.

Methodiek Armoedemonitor ........................................................................................ 36 Bijlage 2. Bevolkingskarakteristieken .......................................................................................... 38 Bijlage 3. Kenmerken kinderen ................................................................................................... 40 Bijlage 4. Kenmerken minima tot 100% Wsm ............................................................................. 41 Bijlage 5. Aantallen minima naar woonwijk ................................................................................. 43 Bijlage 6. Afkortingen .................................................................................................................. 44 Bijlage 7. Verdeling minimahuishoudens oude huishoudtype ..................................................... 45

1

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Inleiding Gemeenten hebben de zorgplicht om de leefsituatie en het toekomstperspectief van kwetsbare burgers die in armoede verkeren, te verbeteren. Daarnaast hebben zij de taak en het belang om prikkels te geven aan burgers om zoveel mogelijk zelfstandig in hun levensonderhoud te laten voorzien. De regering heeft extra middelen ter beschikking gesteld voor de intensivering van het armoede- en schuldenbeleid van de gemeenten. Een belangrijk onderwerp hierbij is tevens het voorkomen dat kinderen in gezinnen met armoede of schulden opgroeien. Afstemming met het Jeugdzorgbeleid is dus gewenst. Armoedebestrijding is ook in de gemeente Rijswijk een actueel thema. Sinds 2014 voert KWIZ diverse soorten armoedeonderzoeken uit. Eén van deze onderzoeken is de Armoedemonitor, die 3-jaarlijks wordt uitgevoerd (de eerdere edities verschenen in 2014 en 2017). Dit jaar (2021) vindt er binnen de gemeente Rijswijk opnieuw een evaluatie plaats van het armoedebeleid. Ten behoeve van deze evaluatie dienen de doelgroepen voor het armoedebeleid en het bereik van de regelingen door de minima nauwkeurig in beeld te worden gebracht. Dat gebeurt net als in de voorgaande jaren- met de Armoedemonitor. Opzet Armoedemonitor De Armoedemonitor beschrijft de doelgroep voor het lokale armoedebeleid aan de hand van een aantal kenmerken.

Daarnaast brengt de monitor het gebruik en bereik van de verschillende minimaregelingen in beeld. De gegevens over de omvang en samenstelling van de doelgroep geven de situatie per 31 december 2020 weer (peildatum minimapopulatie), op basis van het inkomen op het Wettelijk sociaal minimum1 (Wsm). Het gebruik van de regelingen is gemeten over het jaar 2020. De cijfers worden (waar mogelijk) vergeleken met die van de Armoedemonitor 2014 en 2017. Onderzoeksmethode Armoedemonitor De gemeente heeft geen rechtstreekse toegang tot inkomensgegevens van al haar inwoners. Door gebruik van diverse informatiebronnen van gemeentelijke regelingen voor minimahuishoudens, maken we een inschatting van het aantal minimahuishoudens op 1 juli 2020. Daarvoor zijn registraties van de volgende voorzieningen gebruikt: de Participatiewet, minimaregelingen, collectieve zorgverzekering en kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Tevens zijn voor dit onderzoek de registraties van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Schuldhulpverlening (SHV) meegenomen. Met behulp van de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld van de omvang en samenstelling van de minimapopulatie, de mate van gebruik van voorzieningen en de overlap in het gebruik van voorzieningen op andere beleidsterreinen.

Omdat wij niet over inkomensgegevens van alle inwoners beschikken, komt de groep die geen gebruikmaakt van een van bovenstaande regelingen of voorzieningen niet voor in de Armoedemonitor. Wanneer we het in deze monitor hebben over minimahuishoudens zijn dit de huishoudens die we in beeld hebben gekregen via de bovenstaande onderzoeksmethode; daarmee kunnen we over het algemeen zo’n 90 tot 95 procent van alle minimahuishoudens in de gemeente in beeld brengen. Het is op basis van de onderzoeksmethodiek niet mogelijk om de ontbrekende 5 à 10 procent nauwkeurig groep in beeld te krijgen – wel doen we een schatting van het aantal minima dat nu niet in beeld is (en daarmee van de totale minimapopulatie). Het is overigens mogelijk dat een deel van die groep ook geen gebruik wil maken van gemeentelijke ondersteuning. Ten opzichte van de Armoedemonitor 2014 en 2017 heeft er een methodewijziging plaatsgevonden in de bepaling van het huishoudtype. Bij de eenoudergezinnen en meerpersoonshuishoudens met kinderen onderscheiden we nu of deze gezinnen minderjarige 1 Het wettelijk sociaal minimum (Wsm) is het bedrag dat iemand nodig heeft om van te leven. De hoogte

van dit bedrag hangt af van leeftijd en de leefsituatie. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het bedrag van de bijstandsnormen (Wsm) jaarlijks vast.

2

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

en/of meerderjarige (thuiswonende) kinderen hebben. Zo rapporteren we in deze monitor bijvoorbeeld over eenoudergezinnen met meerderjarige kinderen. In de vorige monitoren werden alleen minderjarige kinderen als ‘kind’ beschouwd en werd een eenoudergezin die alleen meerderjarige kinderen had, als meerpersoonshuishouden gezien. De leeftijd van 18 jaar was in zekere zin dus bepalend voor het huishoudtype. In de nieuwe methode sluiten we (meer) aan bij het CBS – die bij de huishoudbepaling geen rekening houdt met de leeftijd van het inwonende kind. Daarnaast zijn in deze monitor ook de huishoudens met een TOZO 2 of 3-uitkering opgenomen. Deze groep beschrijven in een aparte paragraaf. Hoewel zij op het moment van de TOZO uitkering in 2020 een laag inkomen hadden, tellen we ze niet mee bij alle minimahuishoudens. De uitkering zal immers (hopelijk) tijdelijk zijn en de voorwaarden komen niet geheel overeen met de voorwaarden van de Participatiewet. Daarnaast is dit een ‘aparte’ groep van (specifiek) 2020 – door ze buiten de reguliere minimapopulatie te houden kunnen we zuiverder vergelijken met 2014 en 2017. De kenmerken van het huishouden zijn gebaseerd op de kenmerken van de oudste persoon in het huishouden. De verdeling van de inkomensbron is dus ook op huishoudniveau en daarbij kijken we naar de hoofd inkomensbron van het huishouden.

Het aantal huishoudens met als hoofdbron ‘Participatiewet’ kan daarom afwijken van het totaal aantal bijstandsuitkeringen op 31 december 2020. Door de kostendelersnorm kan bijvoorbeeld een inwonend kind een uitkering krijgen terwijl het inkomen van de ouders net iets hoger ligt dan de bijstandsnorm. De ouders krijgen om die reden geen uitkering. Op 31 december 2020 hadden 1.669 inwoners in 1.468 dossiers een uitkering vanuit de Participatiewet, IOAW, IOAZ of BBZ. In de Armoedemonitoren gaat het over het aantal huishoudens dat een dergelijk inkomen als hoofdbron had en dat zijn er 1.394 op 31 december 2020. Leeswijzer Na de samenvatting waarin de belangrijkste kenmerken van de minimapopulatie visueel worden weergegeven, worden de belangrijkste ontwikkelingen beschreven in de samenvattende analyse. In de daaropvolgende hoofdstukken wordt de minimapopulatie in kaart gebracht, evenals de overlap met de Wmo en schuldhulpverlening. De bijlagen geven een aantal achterliggende cijfers weer. Alle landelijke cijfers zijn afkomstig van het CBS en vergelijking met andere gemeenten wordt gedaan op basis van ervaringscijfers van KWIZ.

3

MINIMA IN RIJSWIJK Onderstaande percentages zijn gebaseerd op de 2.864 minimahuishoudens die de gemeente in beeld heeft, tenzij anders aangegeven.

Aantal minimahuishoudens

11%

van de huishoudens hebben een inkomen tot 130% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm), dit zijn 2.864 huishoudens.

2.770

2.864

2017

2020

Bijstand

Inkomensbron Inkomensbronnen van de minimahuishoudens in 2020.

Aantal minimahuishoudens met een bijstandsuitkering in 2020.

30% 49%

Bijstand

1.394

AOW

21%

Overig

Minimakinderen

16%

van alle kinderen tot 18 jaar groeit op in een huishouden met een inkomen tot 130% Wsm, dit zijn 1.696 kinderen.

2020

1.457

1.696

Langdurige minima

Instroom minima 2017

14%

2017

2020

11%

2020

In 2020 is 11% van alle minima ingestroomd in de minimapopulatie. In 2017 was dit 14%.

2017

60% 76% In 2020 heeft 76% van alle minima al 3 jaar of langer een inkomen tot 130% Wsm. In 2017 was dit 60%.

Wijken

Eenoudergezinnen

20%

38%

van alle huishoudens in wijkgebied 7 heeft een inkomen tot 130% Wsm. Dit aandeel is hoger dan gemiddeld in de gemeente. Ook in wijkgebied 9 (14%) is het aandeel minima hoger dan gemiddeld in de gemeente.

van de eenoudergezinnen met minderjarige kinderen (op huishoudniveau) heeft een inkomen tot 130% Wsm. Kinderen in een eenoudergezin groeien ruim zes keer zo vaak op in een minimahuishouden als minderjarige kinderen in een twee-oudergezin.

Minimaproblematiek

Niet-westerse achtergrond

Wmo-voorzieningen

26%

25% Schuldhulpverlening 6%

van alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond heeft een inkomen tot 130% Wsm.

Van alle minimahuishoudens heeft 25% een of meedere Wmo-voorzieningen en 6% een vorm van schuldhulpverlening.

Minimaregelingen In de volgende figuur staat het bereik per regeling in 2017 en 2020. Dit is het gebruik van de regeling, afgezet tegen de doelgroep die de gemeente in beeld heeft.

83% 75%

15%

Kwijtschelding

Bijzondere bijstand

2017

2020

23%

48%

58%

Individuele inkomenstoeslag

37% 45% 28%

Collectieve zorgverzekering

38%

48%

Ooievaarspas

74%

Schoolspullenpas

13%

Schoolreisen werkweekregeling

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Samenvatting In deze samenvatting gaan we in op de minimapopulatie op 31 december 2020 (huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm.

Bevindingen Gemeente heeft 2.864 van de (naar schatting) 3.200 minimahuishoudens in beeld De Armoedemonitor brengt de minimahuishoudens in kaart op basis van bestanden van diverse registraties waarin minima voorkomen. Dit zijn 2.864 huishoudens in de gemeente Rijswijk. Het totaal aantal minimahuishoudens, dus ook degene die niet in beeld zijn bij de gemeente, schatten we op 3.2002. Er zijn dus zo’n 336 minimahuishoudens nog niet in beeld bij de gemeente, waarvan het grootste deel AOW’ers zijn. De totale doelgroep minima is dus 12 procent van alle huishoudens in de gemeente en dat ligt in lijn met het gemiddelde aandeel minima van 11 à 12 procent in gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners. Naar schatting heeft 19 procent van de 3.200 minimahuishoudens inkomen uit werk of eigen onderneming. Daarnaast zijn er nog 276 huishoudens die in 2020 een TOZO 2 of 3 uitkering hebben gekregen. Zij zijn niet als minima aangemerkt voor dit onderzoek maar dit is wel een groep die in 2020 ondersteuning vanuit de gemeente nodig had en waarvoor het onzeker is hoe hun inkomen er in de nabije toekomst uitziet.

Kleine stijging aantal minimahuishoudens 2017 – 2020 maar aandeel blijft stabiel Tussen 2017 en 2020 is zowel het aantal huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm met enkele tientallen gestegen – van 2.288 naar 2.353 huishoudens - als ook het totaal aantal huishoudens met een inkomen tot 130 procent dat de gemeente in beeld heeft – van 2.770 huishoudens in 2017 naar 2.864 huishoudens in 2020. In beide jaren besloeg de groep minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm 11 procent van alle huishoudens in de gemeente. Ten opzichte van 2017 hebben in 2020 iets meer minimahuishoudens een uitkering vanuit de Participatiewet of AOW, en iets minder vanuit een andersoortig inkomen zoals WW of een klein baantje. Ook in de meeste andere gemeenten is het aantal bijstandsgerechtigden in die periode gestegen. Minimapopulatie bestaat voor groot deel uit alleenstaanden, huishoudens met een P-wet uitkering en huishoudens met een migratieachtergrond Ook in de meeste andere gemeenten vorm alleenstaanden vaak ruim de helft van de minimapopulatie en is de grootste groep van middelbare leeftijd. Ten opzichte van 2017 is het aantal en aandeel 66-plussers in 2020 iets hoger en zien we een verschuiving bij de herkomst van minima: in 2017 had 53 procent van de minimahuishoudens een Nederlandse achtergrond, in 2020 is dat 40 procent.

Het aandeel (en aantal) minimahuishoudens met een migratieachtergrond is juist gestegen. De figuur geeft de verdeling naar kenmerk van de minimahuishoudens weer.

2 Met behulp van de Armoede Index hebben we een schatting gemaakt van de totale minimapopulatie in

de gemeente. Dit is een door KWIZ ontwikkeld analysemodel, dat is samengesteld op basis van geëxtrapoleerde CBS-gegevens en door ons ontwikkelde kengetallen op basis van ervaringscijfers bij andere gemeenten. Daarnaast is er een extra query uitgevoerd op de vermogensgrenzen van de Participatiewet. Hiermee komen alleen díe huishoudens in beeld die geen of een laag eigen vermogen hebben. Dit is namelijk de groep die aanspraak maakt op de minimaregelingen..

6

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Minimahuishoudens in beeld Overig 240 Overig 868

Gezin met thuiswonende kinderen 1147

AOW 602

66-plussers 614 Niet-westerse 1399

Overige wijken 891 Wijk 7 422

45 tot 66 jaar 1265 Westerse 328

Participatiewet 1394

Inkomensbron

Alleenstaand 1477

Huishoudtype

Nederlandse 1137

Tot 45 jaar 985

Leeftijd

Herkomst

Wijk 8 461 Wijk 9 535 Wijk 2 555 Wijk

Eenoudergezinnen, huishoudens met niet-westerse migratieachtergrond en huishoudens in wijk 7 (Muziekbuurt en Wilhelminabuurt) hebben meer kans op armoede Gemiddeld gezien is 11 procent van alle huishoudens in de gemeente in beeld als minimahuishouden. Onder sommige groepen is dat aandeel een stuk hoger, zoals de figuur laat zien. Ook in 2017 waren deze groepen oververtegenwoordigd, maar het aandeel minima onder huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond was toen nog wat hoger (31 procent tegenover 26 procent nu) en huishoudens tot 45 jaar waren net zo vaak minima als huishoudens tussen de 45 en 66 jaar (nu is het aandeel minima onder die laatste groep iets hoger).

Aandeel minimahuishoudens per groep Eenoudergezinnen met minderjarige (+ evt meerderjarige) kinderen

38% (609 huish) 13% (1.265 huish)

Huishoudens 45 tot 66 jaar

26% (1.399 huish)

Niet-westerse migratieachtergrond

20% (422 huish)

Wijkgebied 7 Alle huishoudens

11% (2.864 huish)

7

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Forse toename langdurige minima, aantal instromers is gedaald In 2020 heeft 76 procent van de minimapopulatie al drie jaar of langer (‘langdurig’) een inkomen tot 130 procent Wsm. In 2017 was dat aandeel 60 procent. Ook in de meeste andere gemeenten is dit aandeel de laatste jaren toegenomen. Tegelijkertijd is het aantal en aandeel nieuwe minima, de huishoudens die in 2020 zijn ingestroomd in de minimapopulatie, juist iets gedaald (van 14 procent van het totaal naar 11 procent van alle minima). Sommige huishoudens moeten vaker langdurig van een minimuminkomen rondkomen gemiddeld, zoals onderstaande figuur duidelijk maakt.

Aandeel langdurige minima 77% (1.067 huish)

Participatiewet

81% (1.190 huish)

Alleenstaanden

95% (581 huish)

66 jaar en ouder Nederlandse achtergrond

78% (886 huish)

Alle minimahuishoudens

76% (2.188 huish)

Gemeente heeft 1.696 van de (naar schatting) 1.750 minimakinderen tot 18 jaar in beeld De Armoedemonitor brengt de minimahuishoudens en -kinderen in kaart op basis van bestanden van diverse registraties waarin minima voorkomen. Dit zijn 1.696 kinderen tot 18 jaar in de gemeente Rijswijk. Het totaal aantal minimakinderen, dus ook degene die niet in beeld zijn bij de gemeente, schatten we vanuit de Armoede Index op 1.750. Dat is 16 procent van alle huishoudens in de gemeente en dat ligt hoger dan het gemiddelde aandeel minimakinderen van 12 à 13 procent in gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners. Stijging aantal minimakinderen 2017 – 2020 maar aandeel blijft stabiel In 2020 had de gemeente 1.696 kinderen tot 18 jaar die opgroeien in een minimahuishouden in beeld (waarvan 1.370 in een gezin met een inkomen tot 100 procent Wsm). Dat zijn bijna 250 kinderen meer dan in 2017 (toen waren het er 1.457). Toch is het aandeel minimakinderen gelijk gebleven (16 procent). Dit komt omdat ook het totaal aantal kinderen in die jaren in de gemeente Rijswijk flink is gestegen (van 8.972 naar 10.720).

8

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Ruim de helft van de minimakinderen woont in een eenoudergezin en twee derde heeft een niet-westerse migratieachtergrond

Minimakinderen tot 18 jaar

Overig inkomen 705

Niet-westers 1081

AOW 29

Pwet 962

Inkomensbron

Overige wijken 652

Meerpersoons huish 679

Wijk 4 223 Westers 88

Eenoudergezin 1017

Huishoudtype

Wijk 7 322

Nederlands 527

Wijk 9 499

Herkomst

Wijk

Kinderen uit eenoudergezin, kinderen met niet-westerse migratieachtergrond en kinderen in wijk 7 (Muziekbuurt en Wilhelminabuurt) hebben meer kans op armoede Gemiddeld gezien groeit 16 procent van alle kinderen tot 18 jaar op in een minimahuishouden. Onder sommige groepen is dat aandeel een stuk hoger, zoals de figuur laat zien.

Aandeel minimakinderen tot 18 jaar Eenoudergezinnen met minderjarige (+ evt meerderjarige) kinderen

42% (1.017 kinderen) 34% (1.081 kinderen)

Niet-westerse migratieachtergrond

38% (322 kinderen)

Wijkgebied 7 16% (1.696 kinderen)

Alle kinderen tot 18 jaar

9

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Regelingen In het onderstaande vergelijken we het gebruik en bereik van 2020 met dat van voorgaande jaren. We gaan daarbij uit van het bereik onder de doelgroep die in beeld is bij de gemeente.

•

•

•

•

• • •

In 2020 hebben 1.758 huishoudens gebruikgemaakt van de kwijtschelding voor de gemeentelijke belastingen. Dit betekent dat 75 procent van de doelgroep gebruik heeft gemaakt van deze regeling. Dit ligt in lijn met het gemiddelde van 70 à 75 procent dat we bij andere gemeenten vinden, maar zowel het gebruik als het bereik van de kwijtschelding ligt lager dan in 2017. De bijzondere bijstand kent een bereik van 23 procent onder de doelgroep die in beeld is. In 2020 hebben 538 huishoudens een of meerdere keren een verstrekking gekregen vanuit de bijzondere bijstand (333 daarvan kregen bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en 142 (ook) voor rechtsbijstand). Het gebruik van de bijzondere bijstand is de laatste jaren gestegen. Het bereik ligt nog wel iets lager dan het gemiddelde bereik van 25 procent dat we bij andere gemeenten zien. In 2020 hebben 830 huishoudens gebruikgemaakt van de individuele inkomenstoeslag en dat leidt tot een bereik van 58 procent. Dat ligt boven het gemiddelde van 50 procent dat we in veel andere gemeenten zien. Ten opzichte van 2017 is het gebruik en bereik gestegen. In 2020 hebben 1.281 huishoudens gebruikgemaakt van de collectieve zorgverzekering, een bereik van 45 procent van de doelgroep die de gemeente in beeld heeft. In andere gemeenten is een gemiddeld bereik tussen 30 en 40 procent gangbaar.

Ongeveer een derde is verzekerd via Menzis en twee derde via Zorg en Zekerheid. Ruim een kwart (27 procent) van de huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering krijgen ook ondersteuning vanuit de Wmo. De Ooievaarspas is in 2020 aan 1.362 verschillende huishoudens verstrekt, 48 procent van de doelgroep. Dat is een behoorlijke stijging ten opzichte van voorgaande jaren. In andere gemeenten is het gemiddelde bereik van een dergelijke pas zo’n 40 à 45 procent. De schoolspullenpas kent een bereik van 74 procent onder minimakinderen die in beeld zijn bij de gemeente en wordt door 1.018 kinderen gebruikt. Over het algemeen is het bereik van een regeling voor schoolkosten voor kinderen zo’n 60 tot 65 procent. De computerregeling is in 2020 door 117 kinderen gebruikt. Omdat kinderen één keer (en niet jaarlijks) gebruik kunnen maken van deze regeling kunnen we doelgroep – en daardoor het bereik – niet in beeld brengen. We weten immers niet hoeveel kinderen de regeling al eens hebben gebruikt. 10

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

•

De schoolreis – werkweekregeling kent een bereik van 13 procent onder minimakinderen in de gemeente Rijswijk. Het bereik is lastig in perspectief te zetten aangezien andere gemeenten een dergelijke regeling vaak niet kennen (soms worden dergelijke vergoedingen onder een meer algemene schoolkostenregeling afgevangen).

De gemeente heeft een vrij uitgebreid pakket aan regelingen en ook het gebruik en bereik van de meeste regelingen is goed te noemen. Ten opzichte van 2014 en 2017 is het gebruik en bereik van de meeste regelingen gestegen (op de kwijtschelding na). Gemiddeld maken minimahuishoudens van 1,8 van de 5 regelingen voor volwassenen gebruik. Eenoudergezinnen, huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet en met een niet-westerse migratieachtergrond maken van meer regelingen gebruik dan gemiddeld. Huishoudens jonger dan 27 jaar, huishoudens met een AOW-uitkering en huishoudens met een overige inkomensbron maken relatief weinig gebruik van de minimaregelingen voor volwassenen. Van alle minimahuishoudens in de gemeente (inclusief die niet in beeld zijn) maakt 17 procent van geen enkele regeling voor volwassenen gebruik. Voor de regelingen voor kinderen is het aandeel niet-gebruikers iets stuk hoger: 23 procent van de minimagezinnen met schoolgaande kinderen maakt van geen enkele kindregeling gebruik. Het gemiddelde gebruik van de 4 regelingen voor kinderen is 1,6 regeling per minimagezin. Ook bij de kindregelingen valt op dat het bereik onder kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond hoger is dan onder kinderen met een andere achtergrond.

Minima maken vaker dan niet-minima gebruik van Wmo en schuldhulpverlening De figuur geeft voor minima en voor niet-minima het aandeel huishoudens weer dat van de voorziening gebruikmaakt waardoor zichtbaar wordt dat minimahuishoudens vaker van de Wmo en Schuldhulpverlening (SHV) gebruikmaken dan niet-minimahuishoudens: van alle minimahuishoudens heeft 25 procent een of meerdere Wmo-voorzieningen gebruikt in 2020, onder niet-minimahuishoudens is dat 6 procent. Daarnaast zat 6 procent van alle minimahuishoudens in de schuldhulpverlening, tegenover 0,4 procent van huishoudens die niet als minima in beeld zijn.

Gebruik Wmo en SHV Minima

25%

Wmo

SHV

Niet-minima

6% 6% 0,4%

Conclusies • •

•

Het aantal minimahuishoudens is weliswaar toegenomen ten opzichte van 2017 (+94 huishoudens) maar omdat de gemeente ook meer inwoners heeft gekregen is het aandeel minimahuishoudens gelijk gebleven (11 procent); De samenstelling van de minimapopulatie is op bepaalde onderdelen wat gewijzigd: het aandeel huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet of AOW is licht toegenomen, evenals het aandeel én aantal minimahuishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond. Ofschoon 60 procent van de minimahuishoudens een huishouden zonder kinderen is, zijn gezinnen met kinderen een belangrijke doelgroep voor het armoedebeleid: 15 procent van alle gezinnen met minderjarige (en eventueel meerderjarige) kinderen in de gemeente heeft een inkomen tot 130 procent Wsm (tegenover 9 procent onder huishoudens zonder thuiswonende kinderen). Daarnaast groeit 16 procent van alle 11

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

•

•

•

kinderen tot 18 jaar in de gemeente op in armoede. Onder (kinderen in) eenoudergezinnen zijn deze aandelen nog hoger, zij hebben ruim vijf keer zoveel kans om in armoede op te groeien dan in (kinderen in) twee-ouder gezinnen (respectievelijk 42 procent tegenover 8 procent). Ook onder kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is het aandeel dat opgroeit in een minimagezin (34 procent) een stuk hoger dan onder kinderen met een andere achtergrond. Hetzelfde geldt voor alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond: zij zijn oververtegenwoordigd in de minimapopulatie. Ook maken zij vaker dan gemiddeld van de verschillende minimaregelingen gebruik. De minimapopulatie is niet evenredig verdeeld over de verschillende wijken in de gemeente. In wijk 7 (Muziekbuurt en Wilhelminabuurt) is het aandeel minima met 20 procent het hoogst, gevolgd door wijk 9 (Stervoorde, Eikelenburg en Hoekpolder), waar 14 procent van alle huishoudens een minimuminkomen heeft. Onder kinderen is de minimapopulatie nog sterker geconcentreerd in wijk 7, waar 38 procent van alle kinderen tot 18 jaar in een minimahuishouden woont. In wijk 9 is dat 29 procent. Het aantal en aandeel langdurige minima is in de laatste drie jaren fors gestegen, van 1.673 (60 procent van alle minima) in 2017 naar 2.188 (76 procent van alle minima) in 2020. Deze groep heeft weinig perspectief op positieverbetering.

Het aantal en aandeel ingestroomde minima is juist gedaald. Deze trend zien we ook landelijk. Het lijkt dus steeds moeilijker te worden om weer uit de armoede te komen. Tegelijkertijd is het nog onzeker wat de gevolgen van de coronacrisis zijn ten aanzien van de instroom van nieuwe minima.

Minimaregelingen • Ten opzichte van andere gemeenten is het pakket aan minimaregelingen dat de gemeente Rijswijk aanbiedt uitgebreid te noemen, zowel in het aantal regelingen als in de verschillende doelgroepen die worden bediend. Eveneens is de inkomensgrens van 130 procent van de meeste regelingen hoger dan in veel andere gemeenten; • De meeste regelingen hebben een goed bereik onder de doelgroep. Ook het aantal regelingen dat minimahuishoudens gebruik (cumulatief gebruik) is goed te nomen; • Het aantal gebruikers van de kwijtschelding gemeentelijke heffingen is lager dan in 2017, terwijl er juist meer huishoudens gebruik van kunnen maken; • Minima die gebruik willen maken van de collectieve zorgverzekering kunnen kiezen uit twee verzekeraars en verschillende aanvullende pakketten. Het aanbod is daardoor zowel geschikt voor mensen met minder zorgkosten als voor mensen met meer zorgkosten die een uitgebreider pakket nodig hebben.

Het voordeel voor minima zit hem vooral in de mate waarin ze (aanvullend) verzekerd zijn, de maandelijkse premie van de collectieve zorgverzekering is niet per se lager dan van een reguliere zorgverzekering (dit is eigenlijk bij alle gemeenten die een collectieve zorgverzekering aanbieden het geval); • De schoolspullenpas, die minima bij Stichting KEI kunnen aanvragen, kent een hoog bereik van 72 procent van alle minimakinderen en voorziet dus in een behoefte.

12

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

1. Minima in beeld De gemeente Rijswijk hanteert voor het minimabeleid een bovengrens van 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum. In dit hoofdstuk beschrijven we de kenmerken en ontwikkelingen van deze doelgroep.

1.1. Gemeente heeft naar schatting 90 procent van de doelgroep in beeld De Armoedemonitor brengt de minimahuishoudens in kaart op basis van bestanden van diverse registraties waarin minima voorkomen. Minima die in geen enkele registratie voorkomen, en die dus van geen enkele regeling of voorziening voor inwoners met een laag inkomen gebruikmaken, ontbreken daardoor in de Armoedemonitor. De gemeente heeft deze minima zelf ook niet in beeld (ze maken immers nergens gebruik van). Met behulp van de Armoede Index hebben we een schatting gemaakt van de totale minimapopulatie in de gemeente. Dit is een door KWIZ ontwikkeld analysemodel, dat is samengesteld p[ basis van geëxtrapoleerde CBS-gegevens en door ons ontwikkelde kengetallen op basis van ervaringscijfers bij andere gemeenten. Daarnaast is er een extra query uitgevoerd op de vermogensgrenzen van de Participatiewet. Hiermee komen alleen díe huishoudens in beeld die geen of een laag eigen vermogen hebben. Dit is namelijk de groep die aanspraak maakt op de minimaregelingen. Naar schatting hebben 2.425 huishoudens in de gemeente een inkomen tot 100 procent Wsm en in totaal 3.200 huishoudens een inkomen tot 130 procent Wsm. Dat is 12 procent van alle huishoudens in de gemeente en dat ligt in lijn met het gemiddelde aandeel minima van 11 à 12 procent in gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners.

De gemeente heeft 2.864 minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm in beeld (vanaf paragraaf 1.2 gaan we nader op deze groep in), dat is 90 procent van alle (geschatte) minima. Er zijn 336 minimahuishoudens niet in beeld, omdat deze groep van geen enkele regeling gebruik maakt. Tabel 1.1.1 Schatting aantal minima tot 130 procent Wsm Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% Tot 130%

In beeld in Armoedemonitor 2.353 2.864

Schatting totaal aantal minima 2.425 3.200

Tabel 1.1.2 Schatting inkomensbronnen alle minima Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Participatiewet AOW WW-ontvangers Arbeidsongeschikten Inkomen uit arbeid Inkomen uit eigen onderneming Totaal

Aantal

%

1.394 800 160 225 355

44% 25% 5% 7% 11%

266 3.200

8% 100%

In de rest van dit hoofdstuk gaan we in op de minimahuishoudens die de gemeente in beeld heeft: 2.864 huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm.

13

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

1.1. Aantal minimahuishoudens licht toegenomen, aandeel gelijk gebleven Tussen 2017 en 2020 is zowel het aantal huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm met enkele tientallen gestegen, als ook het aantal huishoudens met een inkomen tussen 100 en 130 procent dat de gemeente in beeld heeft. Op 31 december 2020 heeft de gemeente 2.353 huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm in beeld (9 procent van alle huishoudens in de gemeente) en nog eens 511 huishoudens met een inkomen tussen 100 en 130 procent Wsm, waarmee het totaal aantal minimahuishoudens op 2.864 komt, 11 procent van alle huishoudens in de gemeente Rijswijk. Dat aandeel is gelijk aan het aandeel in 2017 – hoewel het aantal minimahuishoudens is gestegen heeft in 2020 een vergelijkbaar deel van de huishoudens in de gemeente Rijswijk een minimuminkomen. De verhouding minima – geen minima is dus gelijk gebleven, terwijl het totaal aantal huishoudens in de gemeente wel is gegroeid (+899 huishoudens). De stijging van het aantal minima komt grotendeels door een toename van het aantal huishoudens dat rond moet komen van een uitkering vanuit de Participatiewet (+ 81 huishoudens). Het aantal minimahuishoudens dat van een andersoortig inkomen zoals een klein baantje of een WW moet rondkomen is juist iets gedaald tussen 2017 en 2020. Tabel 1.1.1 Huishoudens naar inkomen in Rijswijk Inkomenspercentage t.o.v.

Wsm Tot 100% 100% tot 130% Subtotaal

2014 Aantal 1.933 -3 1.933

Overig Totaal

22.602 24.535

% 8% 8% 92% 100%

2017 Aantal 2.288 482 2.770

% 9% 2% 11%

2020 Aantal 2.353 511 2.864

% 9% 2% 11%

22.894 25.664

89% 100%

23.699 26.563

89% 100%

Tabel 1.1.2 Inkomensbron minima, inkomen tot 130% Inkomensbron Participatiewet4 AOW Ander inkomen Totaal

2017 Aantal % 1.313 48% 531 19% 926 33% 2.770 100%

2020 Aantal % 1.394 49% 602 21% 868 30% 2.864 100%

3 Omdat de inkomensgrens voor het minimabeleid in 2014 110 procent Wsm was kunnen we de doelgroep

van 2017 en 2020 (op 130 procent Wsm) niet goed vergelijken met die in 2014. 4 Bijstand voor levensonderhoud, IOAW, IOAZ, BBZ.

14

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

1.1.2. Grootste stijging minima onder 66-plussers en huishoudens met een migratieachtergrond Ruim de helft van de minimahuishoudens is een alleenstaand huishouden en in totaal wonen in 32 van alle huishoudens procent minderjarige kinderen. Eenoudergezinnen zijn veel vaker minima dan andere huishoudens; van alle 1.394 eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen moet 38 procent rondkomen van een inkomen tot 130 procent Wsm. Ook onder eenoudergezinnen met (ook) meerderjarige kinderen is het aandeel minima veel hoger dan onder andere huishoudens. Ook in andere gemeenten, en in 2017 in Rijswijk, zijn eenoudergezinnen oververtegenwoordigd onder minima. Naar leeftijd zien we een kleine verschuiving in de minimapopulatie ten opzichte van 2017: het aantal (en aandeel) minimahuishoudens tot 27 jaar is afgenomen terwijl we bij de 66-plushuishoudens juist een kleine stijging zien. De grootste groep zijn nog steeds de huishoudens tussen de 45 en 66 jaar. Naar herkomst zijn de verschillen in de populatie tussen 2017 en 2020 groter: waar in 2017 nog 53 procent van alle minimahuishoudens een Nederlandse achtergrond had, is dat in 2020 gedaald naar 40 procent.

Zowel bij minima met een westerse als met een niet-westerse migratieachtergrond zien we juist een stijging in aandeel en aantal en in 2020 vormen minima met een niet-westerse migratieachtergrond bijna de helft van de minimapopulatie. Tenslotte laat onderstaande wijkkaart zien dat in wijk 7 een op de vijf (20 procent) van alle huishoudens een inkomen tot 130 procent Wsm heeft en dat is flink hoger dan in de andere wijken5. Ook in 2017 waren huishoudens uit wijk 7 oververtegenwoordigd in de minimapopulatie, toen had 19 procent van alle huishoudens uit die wijk een inkomen tot 130 procent Wsm. Figuur 1.1.1. Aandeel minimahuishoudens per wijk

5 De achterliggende cijfers staan in bijlage 5.

15

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Verdeling minimahuishoudens naar kenmerken Naast de verdeling naar kenmerken vergelijken we de minimapopulatie met alle huishoudens in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minima te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minima t.o.v. alle huish.’). Tabel 1.1.3 Kenmerken minima, inkomen tot 130% Aandeel Categorie

2017 Aantal

2020 %

Aantal

minima %

t.o.v. alle huish.

Huishoudtype6 Alleenstaand Eenoudergezin met minderjarige kinderen Eenoudergezin met minderjarig + meerderjarige k Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met minderjarige kinderen Meerpersoons met minderjarig + meerderjarige k Meerpersoons met meerderjarige kinderen Totaal Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 66 jaar 66 jaar en ouder Totaal Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal

-

-

1.477

52%

13%

-

-

528

18%

38%

-

-

81

3%

40%

-

-

155

5%

19%

-

-

240

8%

3%

-

-

241

8%

6%

-

-

71

3%

14%

-

-

71 2.864

3% 100

6% 11%

126 877 1.236 531 2.770

5% 32% 44% 19% 100%

98 887 1.265 614 2.864

3% 31% 44% 22% 100%

11% 12% 13% 7% 11%

1.472 214

53% 8%

1.137 328

40% 11%

7% 7%

1.084

39%

1.399

49%

26%

2.770

100%

2.864

100%

11%

* leeswijzer: van de 2.864 minimahuishoudens die de gemeente in beeld heeft is 52 procent (1.477 huishoudens) alleenstaand. Afgezet tegen alle alleenstaande huishoudens in de gemeente laat de laatste kolom zien dat 13 procent daarvan een minimuminkomen heeft.

6 In 2017 was de definitie van de huishoudtypes anders: er werd geen onderscheid gemaakt naar

meerder- en minderjarige kinderen in gezinnen. Daarom kunnen we de cijfers niet goed met elkaar vergelijken.

16

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

1.2. Forse toename langdurige minima, aantal instromers is gedaald In 2020 heeft 76 procent van de minimapopulatie al drie jaar of langer (‘langdurig’) een inkomen tot 130 procent Wsm. In 2017 was dat aandeel 60 procent. Ook in de meeste andere gemeenten is dit aandeel de laatste jaren toegenomen. Tegelijkertijd is het aantal en aandeel nieuwe minima, de huishoudens die in 2020 zijn ingestroomd in de minimapopulatie, juist iets gedaald. In 2020 is er dus (nog) geen stijging te zien door de coronacrisis (huishoudens met een TOZO-uitkering zijn hier immers buiten beschouwing gelaten). Tabel 1.2.1 Duur op inkomen tot 130% Categorie Duur op minimuminkomen Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal

2017 Aantal 386 711 1.673 2.770

2020 %

Aantal

%

14% 26% 60% 100%

308 368 2.188 2.864

11% 13% 76% 100%

1.2.2. Instromers in de minimapopulatie In 2020 zijn 308 huishoudens in de gemeente ‘ingestroomd’ in de minimapopulatie (11 procent van alle minimahuishoudens). Iets meer dan de helft hiervan heeft een uitkering vanuit de Participatiewet en 47 procent heeft thuiswonende kinderen. Vergeleken met minima die al langer dan een jaar een inkomen tot 130 procent Wsm hebben, vinden we onder de instromers iets vaker eenoudergezinnen, huishoudens tot 45 jaar en huishoudens met een westerse migratieachtergrond. De twee rechter kolommen in onderstaande tabel geven de kenmerken weer van de instromers in 2020 met als hoofdbron van het inkomen een uitkering vanuit de Participatiewet. Dat zijn 164 huishoudens. Daarvan heeft 49 procent thuiswonende kinderen, nagenoeg even veel als onder alle instromers. Een kwart heeft een Nederlandse achtergrond en de overige 64 procent van de nieuwe minimahuishoudens die een uitkering vanuit de Participatiewet krijgen hebben een migratieachtergrond – dat aandeel is iets groter dan onder alle instromers in 2020.

Tabel 1.2.2 Kenmerken nieuwe minima, inkomen tot 130% Categorie7 Inkomensbron Participatiewet Ander inkomen + AOW Totaal Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin met minderjarige kinderen Eenoudergezin met (minderjarig +) meerderjarige k Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met minderjarige kinderen Meerpersoons met (minderjarige +) meerderjr k Totaal

alle nieuwe huishoudens

nieuwe huish met Pwet

Aantal

%

Aantal

%

164 144 308

53% 47% 100%

164 164

100% 100%

134

44%

72

44%

78

25%

44

27%

19

6%

11

6%

29

9%

12

7%

33

11%

16

10%

15

5%

9

6%

308

100%

164

100%

7 Omwille van de privacy is een aantal categorieën bij elkaar opgeteld.

17

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Categorie7 Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 jaar en ouder Totaal Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal

alle nieuwe huishoudens

nieuwe huish met Pwet

Aantal

%

Aantal

%

35 136 137 308

11% 44% 45% 100%

15 76 73 164

9% 47% 44% 100%

102 46

33% 15%

42 25

26% 15%

160

52%

97

59%

308

100%

164

100%

18

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

1.2.3. Langdurige minimahuishoudens Van alle 2.188 langdurige minima heeft ongeveer de helft een uitkering vanuit de Participatiewet en een kwart krijgt AOW. Ruim de helft is alleenstaand en 29 procent valt in de leeftijdscategorie tot 45 jaar. Sommige huishoudens moeten vaker langdurig van een minimuminkomen rondkomen dan andere: onder huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet heeft 77 procent langdurig een minimuminkomen, onder huishoudens met een AOW-uitkering is dat (95 procent. Daarnaast laat de tabel zien dat alleenstaanden vaker langdurig minima zijn dan andere huishoudtypen en dat herkomst weinig verschil maakt. Tabel 1.2.3 Kenmerken langdurige minima, inkomen tot 130% Categorie Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin met minderjarige kinderen Eenoudergezin met minderjarig + meerderjarige k Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met minderjarige kinderen Meerpersoons met minderjarig + meerderjarige k Meerpersoons met meerderjarige kinderen Totaal Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 66 jaar 66 jaar en ouder Totaal Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal

2017 Aantal

2020

Aandeel langdurig

%

Aantal

%

t.o.v. alle minima

794 499 380 1.673

48% 30% 22% 100%

1.067 571 550 2.188

49% 26% 25% 100%

77% 95% 63% 76%

-

-

1.190

54%

81%

-

-

349

16%

66%

-

-

70

3%

86%

-

-

122

6%

79%

-

-

180

8%

75%

-

-

169

8%

70%

-

-

50

2%

70%

-

-

58 2.188

3% 100%

82% 76%

20 403 751 499 1.673

1% 24% 45% 30% 100%

34 585 988 581 2.188

1% 28% 45% 26% 100%

35% 66% 78% 95% 76%

896 144

53% 9%

886 251

40% 12%

78% 77%

633

38%

1.051

48%

75%

1.673

100%

2.188

100%

76%

* leeswijzer: van de 2.188 huishoudens met een langdurig laag inkomen heeft 49 procent (1.067 huishoudens) een inkomen vanuit de Pwet. Afgezet tegen alle huishoudens met een Pwet-uitkering laat de laatste kolom zien dat 77 procent daarvan al drie jaar of langer een minimuminkomen heeft. Onder huishoudens met een AOW-uitkering is dat 95 procent. En onder alle alleenstaanden met een minimuminkomen (1.190 huishoudens) is 81 procent al drie jaar of langer afhankelijk van een minimuminkomen.

19

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

2. Minimakinderen tot 18 jaar in beeld In dit hoofdstuk geven we het aantal kinderen tussen 0 en 18 jaar weer dat opgroeit in een minimahuishouden.

2.1. De gemeente heeft 97 procent van de minimakinderen in beeld In hoofdstuk 1 is een schatting gegeven van alle minimahuishoudens in de gemeente (op basis van de Armoede Index). In dit hoofdstuk beginnen we met een schatting van alle kinderen tot 18 jaar die opgroeien in een minimahuishouden. Vervolgens gaan we in op de kenmerken van de minimakinderen die de gemeente (op basis van de bestandskoppeling in de Armoedemonitor) daadwerkelijk in beeld heeft. De gemeente heeft 1.696 minimakinderen tot 18 jaar uit huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm in beeld, dat is 16 procent van alle kinderen in de gemeente. Naar schatting groeien in totaal 1.750 kinderen tot 18 jaar in de gemeente op in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm, waarvan 1.400 kinderen opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 100 procent Wsm. Deze 1.750 kinderen vormen 16,3 procent van alle kinderen tot 18 jaar in de gemeente en dat ligt hoger dan het gemiddelde aandeel minimakinderen van 12 à 13 procent in gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners. Dit aandeel is eveneens hoger dan het aandeel minimahuishoudens in de gemeente (16 procent minimakinderen tegenover 12 procent minimahuishoudens). Met de 1.696 minimakinderen heeft de gemeente 97 procent van alle minimakinderen in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm in de gemeente in beeld 8..

Er zijn 54 minimakinderen niet in beeld, omdat deze groep van geen enkele regeling gebruik maakt. Vanaf paragraaf 2.2 gaan we in op de 1.696 minimakinderen die de gemeente in beeld heeft. Tabel 2.1.1 Schatting aantal minimakinderen tot 130 procent Wsm Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% Tot 130%

In beeld in Armoedemonitor 1.370 1.696

Schatting totaal aantal minimakinderen 1.400 1.750

2.2. Aantal minimakinderen gestegen, aandeel minimakinderen stabiel In 2020 groeiden 1.370 kinderen tot 18 jaar op in een huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm, oftewel 13 procent van alle kinderen. Daarnaast had de gemeente in 2020 nog eens 326 kinderen in beeld uit huishoudens met een inkomen tussen 100 en 130 procent Wsm, nog eens 3 procent van alle kinderen. Het totaal aantal minimakinderen dat in beeld is komt daarmee op 1.696, dat zijn 239 kinderen meer dan in 2017. Toch is het aandeel minimakinderen gelijk gebleven (16 procent). Dit komt omdat ook het totaal aantal kinderen in die jaren in de gemeente Rijswijk flink is gestegen (van 8.972 naar 10.720). Net als in 2017, groeien in 2020 de meeste kinderen op in een gezin dat een uitkering vanuit de Participatiewet krijgt, als is dat aandeel in 2020 nog wel wat hoger (57 procent tegenover 53 procent).

8 Over het algemeen is de doelgroep minimakinderen (oftewel minimagezinnen) beter in beeld dan minima

zonder kinderen. Dit komt omdat er, ook in de gemeente Rijswijk, verscheidene regelingen voor minimakinderen zijn, én omdat gezinnen vaak een inkomen op bijstandsniveau hebben – hoe hoger het inkomen boven de bijstandsnorm, hoe minder minimagezinnen (en hoe meer minima zonder kinderen). Het aantal minimakinderen is daarom behoorlijk volledig in beeld en daardoor ligt de schatting van het totaal slechts een paar procent hoger.

20

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Tabel 2.2.1 Aantal kinderen in (minima)huishoudens Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% 100 tot 130% Totaal tot 130%

2014 Aantal 1.127 1.127

Overig Totaal

6.966 8.093

14%

2017 Aantal 1.204 253 1.457

% 13% 3% 16%

2020 Aantal 1.370 326 1.696

% 13% 3% 16%

86% 100%

7.515 8.972

84% 100%

9.024 10.720

84% 100%

% 14%

Tabel 2.2.2 Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 130% Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

2017 Aantal % 778 53% 36 3% 643 44% 1.457 100%

2020 Aantal % 962 57% 29 2% 705 41% 1.696 100%

2.3. Kinderen uit eenoudergezinnen en wijk 7 fors oververtegenwoordigd Hoewel ruim de helft van alle minimakinderen in een eenoudergezin woont en de andere (kleine) helft in een meerpersoonshuishouden, net zoals in 2017, zijn kinderen uit een eenoudergezin fors oververtegenwoordigd in de minimapopulatie: 42 procent van alle kinderen uit een eenoudergezin groeit op in een minimahuishouden, tegenover 9 procent van alle kinderen uit een gezin met twee ouders. Ook kinderen uit wijk 7 en kinderen met een nietwesterse migratieachtergrond groeien veel vaker op in een minimahuishouden dan andere kinderen (resp. 38 procent van alle kinderen uit wijk 7 en 34 procent van alle kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond). In 2017 waren kinderen uit wijk 7 eveneens oververtegenwoordigd9.

9 De achterliggende cijfers staan in bijlage 5.

21

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Figuur 2.3.1. Aandeel minimakinderen per wijk

Verdeling naar kenmerken In de volgende tabel staat een aantal kenmerken van kinderen tot 18 jaar die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm. We vergelijken de minimakinderen met alle kinderen in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minimakinderen te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minimakinderen.’). Tabel 2.3.2 Kenmerken minimakinderen, inkomen tot 130% Categorie Huishoudtype Eenoudergezin met minderjarige kinderen Eenoudergezin met minderjarig + meerderjarige k Meerpersoons met minderjarige kinderen Meerpersoons met minderjarig + meerderjarige k Totaal

2017 Aantal

%

-

-

-

-

-

-

-

-

-

22

Aandeel

2020

minima t.o.v.

Aantal

%

899

53%

42%

118

7%

45%

547

32%

7%

132 1.696

8% 100%

18% 16%

alle kinderen

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal Herkomst10 Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal

222 726 509 1.457

15% 50% 35% 100%

316 812 568 1.696

19% 48% 33% 100%

12% 16% 19% 16%

-

-

527 88

31% 5%

9% 6%

-

-

1.081

64%

34%

-

-

1.696

100%

100%

10 De bepaling van herkomst van (minima)kinderen in de Armoedemonitor 2017 blijkt foutief te zijn

geweest. Daarom geven we hier de cijfers uit het desbetreffende rapport niet weer, om zo te voorkomen dat er foute conclusies worden getrokken aangaande de verschillen tussen 2017 en 2020.

23

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

3. TOZO 2 en 3 Zelfstandige ondernemers die door de gevolgen van de coronacrisis in 2020 problemen hadden om rond te kunnen komen, hebben gebruik kunnen maken van de zogenaamde TOZO regeling (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers).

3.1. Inhoud regeling en aantallen Voor TOZO 2 en 3 (verstrekt vanaf juni 2020) geldt voor de uitkering levensonderhoud een partnerinkomenstoets. Als het huishoudinkomen boven het sociaal minimum komt, kunnen zelfstandige ondernemers geen aanspraak maken op TOZO 2 en 3 voor levensonderhoud. Om gebruik te kunnen maken van TOZO 2 en/of 3 geldt er geen vermogenstoets, er wordt niet gekeken naar de levensvatbaarheid van de onderneming en de kostendelersnorm wordt niet toegepast. Huishoudens met een TOZO 2 en/of 3 uitkering voor levensonderhoud leven dus (tijdelijk) op een inkomen niet hoger dan het sociaal minimum. In die zin zouden ze als tijdelijke minimahuishoudens kunnen worden beschouwd. Daarnaast kunnen zij ook gebruikmaken van de minimaregelingen van de gemeente. Tegelijkertijd verschillen de eventuele TOZO 2 en/of 3 gebruikers van ‘reguliere’ minimahuishoudens in de zin dat er voor de Participatiewet wel een vermogensgrens geldt en voor de TOZO 2 en 3 niet. Daarnaast verschillen deze groepen in de (verwachte) tijdelijkheid van de voorziening en duur op een laag inkomen. Daarom geven we de huishoudens die gebruikmaken van TOZO 2 en 3 wél weer in deze Armoedemonitor, maar tellen we ze níet mee met de ‘reguliere’ minimahuishoudens.

Tabel 3.1.1 Kenmerken huishoudens met TOZO 2 of 3 Categorie Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin met minderjarige kinderen Eenoudergezin met minderjarig + meerderjarige kinderen Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met minderjarige kinderen Meerpersoons met minderjarig + meerderjarige kinderen Meerpersoons met meerderjarige kinderen Totaal

Aantal

%

100 17 8 10 42 60 10 29 276

36% 6% 3% 4% 15% 22% 4% 10% 100%

Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 66 jaar 66 jaar en ouder Totaal

8 100 150 18 276

3% 36% 54% 7% 100

Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal

125 38 113 276

45% 14% 41% 100%

Gebruik minimaregelingen Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Kwijtschelding Collectieve zorgverzekering Ooievaarspas Schoolspullenpas Schoolreis-werkweekregeling Computerregeling

1 1 2 12 17 10 4 4

-

24

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

4. Minimaregelingen In dit hoofdstuk geven we het gebruik en bereik weer van de verschillende minimaregelingen in geheel 2020. Het bereik is het gebruik van de regeling, afgezet tegen de doelgroep. Voor 2020 berekenen we het bereik op twee manieren: ten eerste het bereik onder de doelgroep die de gemeente in beeld heeft. Dit is ook hoe het in 2014 en 2017 is berekend. Zo kan er dus een juiste vergelijking worden gemaakt in de tijd. Daarnaast kijken we nu ook voor 2020 naar het bereik onder de totale (geschatte) doelgroep, uit paragraaf 1.1 (dus inclusief de 336 minimahuishoudens die de gemeente niet in beeld heeft). Dat is dus een (relatief) grotere doelgroep waardoor het bereik wat lager is dan het bereik onder de doelgroep die in beeld is.

4.1. Enkele beleidswijzigingen Sinds 2018 voert KEI Rijswijk verschillende regelingen uit voor de gemeente, zoals de schoolspullenpas, de computerregeling en de schoolreis- werkweekregeling. Deze laatste regeling bestaat ook pas sinds dat jaar, de andere regelingen werden daarvoor door de gemeente zelf uitgevoerd.

4.2. Gebruik van meeste regelingen gestegen, bereik vaak bovengemiddeld In het onderstaande vergelijken we het gebruik en bereik van 2020 met dat van voorgaande jaren. We gaan daarbij uit van het bereik onder de doelgroep die in beeld is bij de gemeente. • In 2020 hebben 1.758 huishoudens gebruikgemaakt van de kwijtschelding voor de gemeentelijke belastingen. Dit betekent dat 75 procent van de doelgroep gebruik heeft gemaakt van deze regeling. Dit ligt in lijn met het gemiddelde van 70 à 75 procent dat we bij andere gemeenten vinden, maar zowel het gebruik als het bereik van de kwijtschelding ligt lager dan in 2017. • De bijzondere bijstand kent een bereik van 23 procent onder de doelgroep die in beeld is. In 2020 hebben 538 huishoudens een of meerdere keren een verstrekking gekregen vanuit de bijzondere bijstand (333 daarvan kregen bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en 142 (ook) voor rechtsbijstand). Het gebruik van de bijzondere bijstand is de laatste jaren gestegen. Het bereik ligt nog wel iets lager dan het gemiddelde bereik van 25 procent dat we bij andere gemeenten zien. • In 2020 hebben 830 huishoudens gebruikgemaakt van de individuele inkomenstoeslag en dat leidt tot een bereik van 58 procent. Dat ligt boven het gemiddelde van 50 procent dat we in veel andere gemeenten zien. Ten opzichte van 2017 is het gebruik en bereik gestegen.

• In 2020 hebben 1.281 huishoudens gebruikgemaakt van de collectieve zorgverzekering, een bereik van 45 procent van de doelgroep die de gemeente in beeld heeft. In andere gemeenten is een gemiddeld bereik tussen 30 en 40 procent gangbaar. Ongeveer een derde is verzekerd via Menzis en twee derde via Zorg en Zekerheid. Ruim een kwart (27 procent) van de huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering krijgen ook ondersteuning vanuit de Wmo. • De Ooievaarspas is in 2020 aan 1.362 verschillende huishoudens verstrekt, 48 procent van de doelgroep. Dat is een behoorlijke stijging ten opzichte van voorgaande jaren. In andere gemeenten is het gemiddelde bereik van een dergelijke pas zo’n 40 à 45 procent. • De schoolspullenpas kent een bereik van 74 procent onder minimakinderen die in beeld zijn bij de gemeente en wordt door 1.018 kinderen gebruikt. Over het algemeen is het bereik van een regeling voor schoolkosten voor kinderen zo’n 60 tot 65 procent. • De computerregeling is in 2020 door 117 kinderen gebruikt. Omdat kinderen één keer (en niet jaarlijks) gebruik kunnen maken van deze regeling kunnen we doelgroep – en daardoor het bereik – niet in beeld brengen. We weten immers niet hoeveel kinderen de regeling al eens hebben gebruikt. • De schoolreis – werkweekregeling kent een bereik van 13 procent onder minimakinderen in de gemeente Rijswijk.

Het bereik is lastig in perspectief te zetten aangezien andere gemeenten een dergelijke regeling vaak niet kennen (soms worden dergelijke vergoedingen onder een meer algemene schoolkostenregeling afgevangen). 25

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Tabel 4.2.1 Gebruik en bereik regelingen 2014, 2017 en 2020 2014

2017

2020

Doelgroep in beeld

Doelgroep in beeld

Doelgroep in beeld

2020 Totale doelgroep incl. niet in beeld

Kwijtschelding Doelgroep Gebruik Bereik

1.933 1.533 79%

2.288 1.893 83%

2.353 1.758 75%

2.425 1.758 72%

Bijzondere bijstand Doelgroep Gebruik Bereik

2.304 239 10%

2.348 346 15%

2.355 538 23%

2.500 538 22%

Individuele inkomenstoeslag Doelgroep Gebruik Bereik

789 595 75%

1.100 530 48%

1.434 830 58%

1.478 830 56%

Collectieve zorgverzekering Doelgroep Gebruik Bereik

2.304 533 23%

2.770 1.012 37%

2.864 1.281 45%

3.200 1.281 40%

Ooievaarspas Doelgroep Gebruik Bereik

2.486 991 40%

2.770 1.046 38%

2.864 1.362 48%

3.200 1.362 43%

Schoolspullenpas12 Doelgroep kinderen Gebruik kinderen Bereik

-

-

1.380 1.018 74%

1.418 1.018 72%

Computerregeling13 Doelgroep kinderen Gebruik kinderen Bereik

-

-

Onb. 117 -

Onb. 117 -

1.380 181 13%

1.418 181 13%

Regeling

11

Schoolreis - werkweekregeling Doelgroep kinderen Gebruik kinderen Bereik

-

11 De doelgroep in 2014 en 2017 betreft de doelgroep die de gemeente destijds in beeld had. Voor het

bereik in 2020 bekijken we twee doelgroepen: de doelgroep die de gemeente in beeld heeft (conform 2014 en 2017) en de totale (geschatte) doelgroep, inclusief diegenen die niet in beeld zijn bij de gemeente. 12 In 2017 werd deze regeling nog door Stichting Leergeld Den Haag uitgevoerd en is in de Armoedemonitor op het aantal huishoudens dat gebruikmaakte van deze regeling gerapporteerd. Het ging toen om een gebruik van 476 huishoudens. In 2020 wonen de 1.018 kinderen die gebruikmaken van deze regeling in 579 huishoudens. 13 In 2017 is in de Armoedemonitor op het aantal huishoudens dat gebruikmaakte van de computerregeling gerapporteerd. Het ging toen om een gebruik van 220 huishoudens. In 2020 wonen de 117 kinderen die gebruikmaken van deze regeling in 100 huishoudens.

26

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

4.3. Cumulatief gebruik Minimahuishoudens kunnen in totaal van acht regelingen gebruikmaken (zie tabel 4.2.1). Vier daarvan zijn bedoeld voor volwassenen en drie regelingen zijn gericht op kinderen. De Ooievaarspas kan zowel worden gebruikt door volwassenen als door kinderen. In onderstaande tabel geven we weer van hoeveel regelingen minima gebruikmaken. Daarbij kijken we zowel naar het totaal van acht regelingen, als naar het gebruik van de vijf regelingen voor volwassenen en het gebruik van de vier regelingen voor kinderen onder gezinnen met kinderen van 4 tot 18 jaar (waarbij we voor de Ooievaarspas alleen de passen voor kinderen mee tellen). Tabel 4.3.1 Cumulatief gebruik minimaregelingen, minimahuishoudens tot 130% Wsm Alle 8 regelingen 5 reg. volwassenen 4 reg. kinderen Aantal regelingen Aantal huish. % Aantal huish. % Aantal huish. % 0 532 17% 538 17% 198 23% 1 905 28% 991 31% 136 16% 2 637 20% 690 22% 349 41% 3 526 16% 581 18% 139 16% 4 353 11% 362 11% 29 3% 5 163 5% 38 1% 6 72 2% 7 10 0% 8 2 0% Totaal 3.200 100% 3.200 100% 850 100% Gemiddeld per huishouden

2,0 regeling per huishouden

1,8 regeling per huishouden

1,6 regeling per gezin (met kinderen 4-18 jaar)

Van de 3.200 minimahuishoudens in de gemeente, maakt 17 procent van geen enkele regeling gebruik. Dat zijn 532 huishoudens (inclusief de huishoudens die niet in beeld zijn). Hoewel de meeste huishoudens van 1 regeling gebruikmaken, zijn er 600 huishoudens (18 procent) die van 4 of meer regelingen gebruikmaken. Kijken we specifiek naar de regelingen voor volwassenen, dan zien we dat ook daar een grote groep huishoudens van meerdere regelingen gebruikmaakt. Gemiddeld maken huishoudens van 1,8 regelingen voor volwassenen gebruik. Voor de regelingen voor kinderen is zelfs te zien dat de meeste gezinnen van twee regelingen gebruikmaken, hoewel dat gezien de voorwaarde van het hebben van een Ooievaarspas voor sommige regelingen van KEI Rijswijk, ook wel logisch is. Gezinnen met kinderen, huishoudens met een uitkering vanuit de Pwet en huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond maken van meer regelingen gebruik dan gemiddeld. Huishoudens jonger dan 27 jaar, huishoudens met een AOW-uitkering en huishoudens met een overige inkomensbron maken relatief weinig gebruik van de beschikbare minimaregelingen voor volwassenen. Bij de meeste andere gemeenten zien we deze verschillen tussen de doelgroep ook terug.

Huishoudens die gebruikmaken van de kindregelingen zijn ongeveer even vaak eenoudergezinnen als meerpersoonshuishoudens en ook hier zien we dat minima met een nietwesterse migratieachtergrond gemiddeld gezien van de meeste regelingen gebruikmaken.

27

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

Figuur 4.3.1. Gemiddeld gebruik vijf regelingen voor volwassenen, inkomen tot 130% Wsm Alleenstaand Eenouder met minderjr k Eenouder met minderjr + meerderjr k Eenouder met meerderjr k Meerpers zonder kinderen Meerpers met minderjar k Meerpers met minderjr + meerderjr k Meerpers met meerderjr k

1,9 2,2 2,9 2,2 1,5 2,3 2,5 2,1

Participatiewet AOW Overig inkomen

2,4 1,6 1,6

Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 jaar tot 66 jaar 66 jaar en ouder

1,5 2,2 2,2 1,6

Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond

1,8 1,7 2,3

Figuur 4.3.2. Gemiddeld gebruik vier regelingen voor kinderen, inkomen tot 130% Wsm Eenouder met minderjr k Eenouder met minderjr + meerderjr k Meerpers met minderjar k Meerpers met minderjr + meerderjr k

1,6 1,6 1,8 1,6

Participatiewet AOW Overig inkomen

1,8 1,6 1,4

Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 jaar tot 66 jaar 66 jaar en ouder

0,9 1,7 1,6 1,6

Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond

1,5 1,3 1,8

28

Versie1.0 Gemeente Rijswijk

4.4. Kenmerken gebruikers per regeling Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Huishoudens kunnen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenheffing, rioolheffing en Onroerende Zaak Belasting (OZB). De doelgroep bestaat uit huishoudens met een inkomen op of rond het voor dat huishoudtype geldende sociale minimum. In 2020 hebben 1.758 huishoudens kwijtschelding toegekend gekregen. • Huishoudens die AOW krijgen maken iets vaker gebruik van de kwijtschelding dan huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet, van deze laatste groep heeft in 2020 68 procent kwijtschelding gekregen; • Meerpersoonshuishoudens maken iets vaker gebruik van de kwijtschelding dan alleenstaanden; • Huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond maken iets vaker gebruik van de kwijtschelding dan huishoudens met een andere achtergrond, maar de verschillen zijn klein. Bijzondere bijstand Het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Rijswijk is erop gericht om mensen met een inkomen tot 110 procent Wsm die bijzondere noodzakelijke kosten hebben en deze niet zelf kunnen betalen, te ondersteunen. Voor sommige kostensoorten (onder andere bewindvoering, budgetbeheer en woninginrichting) geldt een inkomensgrens van 100 procent Wsm. De gemeente beoordeelt wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. In 2020 hebben 538 huishoudens een verstrekking vanuit de bijzondere bijstand gekregen: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=e8ab33fa-f265-4ea2-a1d0-6165c3fe42fd