CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Westdonck BOPA-onderbouwing.pdf

Commissie Samen wonen RK 13 november 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 7: Onderbouwing BOPA Westdonck25.333 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 4.12.1 Aandachtsgebieden rond de projectlocatie (rood omkaderd) op basis van het Register Externe Veiligheid, 2024 (bron: Atlas Leefomgeving) Instructieregels vanuit de provinciale omgevingsverordening Beschermen van grote groepen mensen (artikel 7.18 omgevingsverordening). De voorgenomen ontwikkeling ligt in een gifwolkaandachtsgebied. Op basis van de "Handreiking externe veiligheid ter verduidelijking en als handvat bij artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening" geldt dat de planlocatie niet ligt in een brand- of explosieaandachtsgebied en is de inschatting dat de ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een situatie met een verhoogd groepsrisico. Hierdoor is een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico voldoende en is een groepsrisicoberekening niet vereist. (Aanvullende) aandachtsgebieden langs niet-basisnet wegen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied van de aangewezen wegen uit de provinciale omgevingsverordening.

68/115

Risico's branden, rampen en crises Naast externe veiligheidsrisico dient ook rekening gehouden te worden met risico's van branden, rampen en crises. Ter plaatse van de projectlocatie is door de stedelijke ligging geen verhoogde kans op een bosbrand. Op basis van de atlas leefomgeving is de kans op een overstroming vanuit zee, meer of rivier 1x per 100.000 jaar, dat een zeer lage kans is. In de verantwoording groepsrisico zal verder ingegaan worden op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van het gebied. Verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Dit advies zal verwerkt worden in deze paragraaf. Door de ligging in het gifwolk aandachtsgebied wordt voor de beoogde ontwikkeling ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen de projectlocatie, de bereikbaarheid van de projectlocatie en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectlocatie. Vanwege de relatief grote afstand tot relevante risicobronnen wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. De projectlocatie wordt ontsloten via de Retiefstraat, de la Reijstraat en de Wetstraat. Via deze wegen kan het regionale wegennet snel bereikt worden. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie blijft de projectlocatie bestaan uit een woongebied. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen.

Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Het maatgevende scenario is een incident met toxische stoffen. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Bij dit scenario is zelfredzaamheid alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Mechanische ventilatie dienen dan ook conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) handmatig uitgeschakeld kunnen worden. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Ook wordt daarmee voldaan aan het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Ridderkerk.

69/115

Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd door middel van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Visie Externe Veiligheid Ridderkerk Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. In het bovenstaande is ingegaan op de hoogte van het groepsrisico, de beheersbaarheid van het gebied en de risicocommunicatie. De projectlocatie ligt op basis van het scenarioboek (bijlage 3 van de Visie Externe Veiligheid Ridderkerk) enkel in de contouren toxische scenario water (worse case scenario). Binnen deze contour ligt de projectlocatie in zone C. Binnen het gebied worden woningen mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt dat het wenselijk is aanvullende maatregelen te treffen zoals een mechanische ventilatie die afschakelbaar is. Dit is al reeds geborgd in artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende voorschriften zijn dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening omtrent omgevingsveiligheid. Ook wordt voldaan aan de ambities uit de Visie Externe Veiligheid Ridderkerk. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de ETFAL omdat het gebied geschikt is voor woningbouw op het gebied van omgevingsveiligheid. Naast de eisen uit het Bbl is het niet nodig om aanvullende (bouw)eisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.

4.13 Trilling Toetsingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

70/115

De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Onderzoek Woningen zijn trillinggevoelige gebouwen. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen activiteiten aanwezig die significante trillingen veroorzaken. Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden trillingen optreden. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve effecten uitgesloten worden. Conclusie Trillinghinder wordt uitgesloten, waarmee voldaan wordt aan de instructieregels en staat het aspect trillingen in is de beoogde ontwikkeling niet in strijd met ETFAL.

4.14 Archeologie, Cultuurhistorie & Erfgoed Toetsingskader Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschappen. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Motivering/Uitkomst onderzoek Archeologie Ter plaatse van de projectlocatie is in bestemmingsplan 'Bolnes' geen archeologisch dubbelbestemming opgenomen. Echter is de projectlocatie in Archeologische Waarden- en Beleidskaart Ridderkerk (AWK 2013) toegekend met een redelijk hoge archeologische verwachting.

De AWK geeft aan dat alle grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter en tevens dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.

71/115

Figuur 4.14.1 Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Ridderkerk met projectlocatie globaal aangegeven in het rood

72/115

Zonder advies van Archeologie Rotterdam (BOOR) en eventueel daaruit volgend archeologisch onderzoek kan niet worden aangetoond dat aan de instructieregels wordt voldaan. Voor de onderbouwing van deze BOPA is op dit moment echter nog niet beoordeeld of archeologisch onderzoek noodzakelijk is, en is dergelijk onderzoek ook nog niet uitgevoerd. Daarom dient het bevoegd gezag een voorschrift op te nemen in de vergunning, waarin wordt bepaald dat grondroerende werkzaamheden pas mogen plaatsvinden nadat de locatie door Archeologie Rotterdam (BOOR) is vrijgegeven en is vastgesteld dat aan de instructieregels wordt voldaan. Cultureel erfgoed In opdracht van gemeente Ridderkerk heeft Stichting Dorp, Stad en Land cultuurhistorisch onderzoek gedaan naar het buitengebied van Ridderkerk. De projectlocatie valt binnen de onderzoeksgrenzen. In het rapport wordt een hoge cultuurhistorische waarde aan het ensemble 'Velden De la Reijstraat' toegeschreven. Het ensemble betreft de gehele projectlocatie.

De hoge cultuurhistorische waarde wordt als volgt gemotiveerd: "Vanwege de relatie met de naoorlogse woningbouwopgave; vanwege de interne ensemblewaarde en de externe stedenbouwkundige samenhang tussen bebouwing en wijkgroenstructuur; vanwege de zichtbare bijdrage aan de kwaliteit van de woonomgeving; vanwege de representatie van typologische en architectonische vernieuwing in de naoorlogse woningbouwopgave." Door onder andere matige bouwkwaliteit, een lichte constructie, aanwezigheid van asbest en slechte geluidwering is gebleken dat een renovatie van de gebouwen economisch niet haalbaar is. Het gebied wordt daarom herontwikkeld met sloop-nieuwbouw. In het ontwerp is rekening gehouden met de ensemblewaarde die in de projectlocatie aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn vormen gebouwvolumes (stedenbouwkundig), positionering gebouwvolumes ten opzichte van groen (openbare ruimte) en horizontale gevelbanden (architectonisch). Alle vertalingen van de cultuurhistorische waardes in het ontwerp zijn benoemd in het beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd in de bijlagen als bijlage 7. Conclusie In het kader van ETFAL geldt voor de beoogde ontwikkeling geen beperkingen vanuit archeologie door de lage archeologische verwachtingswaarde, wel geldt de meldingsplicht bij een zogeheten toevalstreffer.

Op het gebied van cultureel erfgoed houdt het ontwerp rekening met de ensemblewaarde binnen de projectlocatie. Dit is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan om de historische waarde te waarborgen.

4.15 Bezonning Toetsingskader Voor de bezonning van (woon-)gebouwen en bijhorende terreinen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat bij een ruimtelijke ontwikkeling een afweging plaatsvindt van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

73/115

Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:  de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam  de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Motivering/Uitkomst onderzoek Met behulp van een 3D-model zijn bezonningsdiagrammen opgesteld waarin de bezonning van de bestaande situatie en van de nieuwbouw op de omgeving inzichtelijk is gemaakt. De bezonningsstudie is opgenomen in bijlage 8 bij deze BOPA. De studie is uitgevoerd voor de navolgende momenten:  21 juni: de dag met de hoogste zonnestand van het jaar  22 december: de dag met de laagste zonnestand van het jaar  21 maart: de dag waarop de zonnestand zich halverwege bevindt, precies tussen de standen van 22 december en 21 juni  23 september: de dag waarop de zonnestand zich halverwege bevindt, precies tussen de standen van 21 juni en 22 december De verschillende zonnestanden zijn binnen tijdsloten van drie uur inzichtelijk gemaakt. Hiervoor zijn de volgende tijdstippen gehanteerd: 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur.

Hierbij kan op 21 december het toetsingsmoment van 18:00 uur buiten beschouwing worden gelaten, omdat de zon dan al onder is. Voor de beoordeling van de effecten zijn vooral het voor- en najaar relevant. In de zomer is door de hoge zonnestand vaak maar heel beperkt sprake van (extra) schaduwwerking. In de winter zijn de verschillen juist door de lage zonnestand vaak maar zeer beperkt. De bezonningsstudie laat zien dat in het voor- en najaar de extra beschaduwing vooral plaatsvindt op de openbare ruimte. Doordat de straatprofielen breed, deels ook breder dan voorheen zijn, zijn de effecten op (voor)tuinen en gevels van bestaande woningen beperkt. Dit hangt ook samen met de maximale bouwhoogtes direct langs de De la Reijstraat. In de (vroege) ochtend is er wel een verschil in bezonning van enkele woningen en percelen aan de overzijde van de singel (Westerhof) aan de westzijde van het plan. Dit betreft een korte periode die gelet op de bezonning van deze percelen de rest van de dag als acceptabel wordt beschouwd. Er wordt voldaan aan de TNO-normen. Conclusie De bezonningsstudie toont aan dat de effecten op naastgelegen percelen en woningen beperkt zijn en dat voldaan wordt aan de TNO-normen. Het plan voldoet op dit aspect aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal).

74/115

4.16 Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:  Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 Aanvullingsbesluit Bodem);  Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal);  Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Aanvullingsbesluit Bodem); Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is opgenomen dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater is uit te sluiten. Motivering/Uitkomst onderzoek Met de beoogde ontwikkeling wordt een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie mogelijk gemaakt. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zal een bodemonderzoek worden overgelegd (zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Met de beoogde ontwikkeling wordt een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie mogelijk gemaakt. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen zal een bodemonderzoek worden overgelegd (zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving). De beoogde ontwikkeling bestaat uit een herontwikkelingsproject waarbij geen sprake is van een functiewijziging. Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen verontreinigingen bekend en de bodem is geschikt voor de functie wonen. In dit stadium is bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor bodem en grondwater omdat wonen al reeds mogelijk is op de locatie en voor de omgevingsvergunning voor bouwen een bodemonderzoek zal worden overgelegd.

75/115

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de ETFAL omdat met de beoogde ontwikkeling geen bodemverontreinigende activiteiten mogelijk worden gemaakt en de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Voorschriften zijn in het kader van bodem en grondwaterkwaliteit niet noodzakelijk.

4.17 Weging waterbelang Toetsingskader Een omgevingsvergunning voor een BOPA moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is Waterschap Hollandse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor deze bopa geldt:  Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;  Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Waterbeleid en regelgeving Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).

Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor de projectlocatie relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Water Programma 2022-2027;  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Omgevingswet. Provinciaal:  Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027;  Omgevingsvisie Zuid-Holland;  Zuid-Hollandse omgevingsverordening.

76/115

Waterschap Hollandse Delta Waterschap Hollandse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water, hemelwater(beleid) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Daarbij zijn er doelen voor toekomstbestendig waterbeheer. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. Doelen en hoe om te gaan met hemelwater staat beschreven in het hemelwaterbeleid. Door het herstel van de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Daarbij wordt er ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren maar ook op sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren.

Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is. Waterschapsverordening Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de waterschapsverordening als regelgeving. Het is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De waterschapsverordening bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Dit is omsloten via de bij de verordening behorende legger als kaart. Gemeente Ridderkerk Het waterbeleid van de gemeente Ridderkerk voor de planperiode 2023-2027 is onder meer vastgelegd in het Programma Stedelijk Water (PSW). Het PSW is opgesteld in samenwerking met het Waterschap Hollandse Delta. In het PSW is uitgewerkt hoe de gemeente Ridderkerk invulling geeft aan de gemeentelijke watertaken. Belangrijkste aandachtspunt voor de komende periode is klimaatadaptatie. Bij ontwerp van een nieuw rioolstelsel wordt getoetst met zwaardere buien en moet een ruime berging aanwezig zijn in de openbare ruimte, zodat overlast in woningen en winkels wordt voorkomen.

Bij reconstructies is het streven minimaal 20 mm berging te realiseren. Bij nieuwbouwontwikkelingen wordt het convenant klimaatadaptief bouwen gevolgd (ondertekend december 2020) en moet tenminste 50 mm neerslag tijdelijk vastgehouden kunnen worden. In 2020 heeft de gemeente de Groenvisie 'Groen is onze toekomst' vastgesteld. Vergroening verkleint de kans op wateroverlast en hittestress. De gemeente heeft daarnaast in december 2020 het Convenant klimaatadaptief bouwen ondertekend. Dit betekent dat alle nieuwe ontwikkelingen natuur-inclusief, klimaatbestendig en water robuust worden gebouwd. Het voorkomen van wateroverlast en het beperken van oppervlaktewatervervuiling zijn prioriteiten op het gebied van hemelwaterafvoer. Bij nieuwbouwsituaties (en bij uitbreiding of vernieuwing van bebouwing) zamelt de gemeente geen regenwater meer in. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt het regenwater zelf binnen de perceelgrens, tenzij dat technisch onmogelijk is.

77/115

Bij nieuwbouwontwikkelingen is daarom het uitgangspunt dat het afvloeiend hemelwater zoveel mogelijk vertraagd te laten afstromen naar het oppervlaktewater of te infiltreren in de ondergrond. Voor extreme neerslaggebeurtenissen kan worden voorzien in een overloop naar de openbare ruimte. Bij afkoppelen geldt voor de verwerking van regenwater een voorkeursvolgorde:  Benutten of infiltreren in de bodem;  Afvoer via het maaiveld naar het oppervlaktewater;  Afvoer via een regenwaterriool. Motivering/Uitkomst onderzoek In de huidige situatie ligt de projectlocatie in stedelijk gebied en bestaat uit woningbouw. De projectlocatie is grotendeels verhard met verspreid liggend bomen en in het zuiden een park. Ten zuiden en westen van de projectlocatie ligt een watergang. Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van 1,20 tot 1,30 m -NAP. De De La Reijstraat en Vechtstraat liggen op een hoogte van 1,30 m -NAP. De De Wetstraat en Retiefstraat liggen op een hoogte van 1,40 tot 1,50 m -NAP. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland ligt de projectlocatie in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een kalkrijke poldervaaggrond (Mn35A), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lichte klei.

Op basis van een boorprofielen uit de Basisregistratie Ondergrond (BRO) blijkt dat de bodem nabij de projectlocatie tot meerdere meters beneden maaiveld afwisselend te zijn opgebouwd uit een pakket van klei en veen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van de projectlocatie geen bruikbare grondwatermeetpunten beschikbaar. Volgens gegevens van de KlimaatEffectAtlas wordt voor de projectlocatie uitgegaan van een GHG op 0,8 m -mv. De GLG is gelegen op 1,5 m -mv. Boringsvrije zone De projectlocatie ligt in een boringsvrije zone van waterwingebied Reijerwaard. Boringsvrije zones zijn bepaald aan de hand van de (horizontale) reistijd van tenminste 50 jaar van het grondwater naar de winningspunten in het watervoerende pakket en kennen het minst strenge regime. In deze zone is een ontheffing nodig voor onder andere het hebben van boorputten, het graven dieper dan 4 meter en het verwijderen van funderingswerken/heipalen en andere handelingen die de weerstand van de bodem kunnen aantasten. Dit zijn direct geldende regels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Middels deze regels wordt geborgd dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op het waterwingebied. Daarmee staat de boringsvrije zone het vaststellen van het project niet in de weg en zijn aanvullende voorschriften niet noodzakelijk.

78/115

Oppervlaktewater en peilbeheer Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Ten westen van de projectlocatie langs de Generaal Substraat loopt een primaire watergang (H21495) met een beschermingszone van 3,5 meter. Ten zuiden van de projectlocatie ligt een waterpartij dat op de legger aangewezen is als secundaire water (beschermingszone van 1 meter). Ten opzichte van de aanwezige oppervlaktewateren is de projectlocatie buiten de beschermingszones van deze watergangen gelegen. Het oppervlaktewater in de omgeving is peilbeheerst. De projectlocatie ligt in peilvak Y11.004 van bemalingsgebied Oud- en Nieuw Reyerwaard. In dit peilvak geldt een zomer- en winterpeil van 2,10 m -NAP. De Primaire watergang (H21495) is buiten dit peilvak gelegen.

Figuur 4.17.1 Uitsnede legger waterschap Hollandse Delta Veiligheid (waterkering) De projectlocatie ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering, maar grenst hier wel aan. Klimaat Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt, waaronder de Klimaatatlas Zuid-Holland.

79/115

Met behulp van de kaarten uit de klimaatatlas kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme buien van 100 mm in 2 uur. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De onderstaande figuur laat voor de projectlocatie en omgeving het resultaat van de klimaatatlas zien. Uit het beeld blijkt dat met name het gebied direct ten westen van de Retiefstraat zeer gevoelig is voor wateroverlast bij kortdurende en extreme neerslag. De projectlocatie zelf is in mindere mate gevoelig voor overlast. De De La Reijstraat en Retiefstraat zijn in een dergelijke situatie nog begaanbaar. De Vechtstraat en de De Wetstraat zijn nog alleen toegankelijk voor calamiteitenverkeer.

Figuur 4.17.2 Uitsnede Klimaatatlas Provincie Zuid-Holland Ontwatering en drooglegging Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen. De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in onderstaande tabel.

80/115

Tabel 4.17.1 Normen voor ontwateringsdiepte Ontwatering

Norm

Woningen met kruipruimte

0,7 m -vloerpeil

Woningen zonder kruipruimte

0,3 m -vloerpeil

Tuinen en openbare groenvoorzieningen

0,5 m -mv

Primaire wegen

1,0 m -wegas

Secundaire wegen en woonstraten

0,7 m -wegas

De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) wordt mede bepaald door de drooglegging van een gebied. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van 1,25 m -NAP. De GHG is gelegen op 0,8 m -mv. De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende zijn. De drooglegging bedraagt, uitgaande van vastpeil van 2,10 m -NAP, 0,85 m. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal aan te sluiten op de huidige peilen of ongeveer 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. Riolering In de rondom de projectlocatie gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt hierop gezamenlijk ingezameld. Verhard oppervlak en bergingsopgave Verhard oppervlak In de huidige situatie is 18.208 m2 verharding aanwezig en is 11.456 m2 groen. Op basis van het schetsontwerp van het inrichtingsplan is in de toekomstige situatie sprake van circa 19.398 m2 verharding en 10.265 m2 groen, exclusief de daktuinen. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 1.190 m2.

Bij de bepaling van het toekomstig verhard oppervlak zijn de tuinen als uitgangspunt voor 50% als verhard beschouwd. Voor de aanwezige halfverhardingen is uitgegaan van een verhardingspercentage van 50%.

81/115

In figuur 4.17.3 is de verharding in de huidige en toekomstige situatie inzichtelijk gemaakt. Dit figuur is ook bijgevoegd als Bijlage 9.

Figuur 4.17.3 Verhardingsbalans Westdonck Bergingsopgave Waterschap Hollandse Delta De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam vanuit het waterschap specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de waterschapsverordening en is compensatie nodig. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:  Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename;  Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;  Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Gemeente Ridderkerk De gemeente heeft in december 2020 het Convenant klimaatadaptief bouwen ondertekend.

Dit betekent dat alle nieuwe ontwikkelingen natuur-inclusief, klimaatbestendig en water robuust worden gebouwd. Conform het convenant moet op eigen terrein tenminste 50 mm neerslag tijdelijk vastgehouden kunnen worden. Wanneer infiltratie of vertraagde afvoer naar oppervlaktewater niet mogelijk is, kan aangesloten worden op bestaande openbare voorzieningen. Bij appartementengebouwen wordt het dakvlak afgekoppeld, balkons worden op het vuilwaterstelsel aangesloten om vervuiling van het oppervlaktewater met schoonmaakmiddelen te voorkomen.

82/115

Waterbergingsopgave Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor de projectlocatie conform het beleid van de gemeente Ridderkerk in totaal ongeveer 969,9 m3 (19.398 m2 x 0,05 m). De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% van de toename van verharding (1.190 m²). Dit is in totaal circa 166,6 m2. In de opvolgende BOPA wordt deze waterberging verder vormgegeven. Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);  Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;  Verhard oppervlak 19.398 m2.  Toename verhard oppervlak 1.190 m2.  Wateropgave 969,9 m3 (conform beleid gemeente Ridderkerk 50 mm/m2) en 166,6 m2 (14% conform de waterschapsverordening);  Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;  GHG 0,8 m -mv;  Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);  Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Hiermee wordt voldaan aan instructieregel 7.3.5.5 uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Hemelwater Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld gebufferd en vertraagd afgevoerd. Om te kunnen voorzien in de waterbergingsopgave wordt voorzien in de aanleg van wadi's, Raingardens, wordt geparkeerd op waterdoorlatende grasbetonstenen en wordt water geborgen in de fundatie onder de wegen en bestratingen. De aanleg van Raingardens dragen naast het bergen van water ook bij aan het voorkomen van wateroverlast en hittestress. Het toekomstige hemelwatersysteem, dimensionering en ontwerp, zal bij het verdere planproces nader worden uitgewerkt in een waterhuishoudkundigplan. Het toekomstige systeem is daarbij dusdanig robuust dat dat een situatie waarbij 50 mm neerslag valt geborgen kan worden.

83/115

Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Vuilwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken worden. Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De beoogde ontwikkeling heeft in het kader van een ETFAL geen belangrijke negatieve gevolgen op de waterhuishouding ter plaatse.

Wel ligt de projectlocatie in een boringsvrije zone van een waterwingebied hiervoor gelden de direct geldende regels uit de provinciale omgevingsverordening waarmee het gebied voldoende beschermd is. Voorschriften zijn niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling.

84/115

Hoofdstuk 5 5.1

Participatie

Verplichte participatie

De gemeenteraad van Ridderkerk heeft bij besluit van 24 november 2022 activiteiten aangewezen waarbij participatie van overleg met derde verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden ingediend (artikel 16.55 lid 7 Ow). In besluit 'Lijst van gevallen toepassing adviesrecht Omgevingswet' wordt in artikel 2 participatie verplicht gesteld wanneer 1 of meer nieuwe woningen worden gebouwd. Een participatieverslag is een indieningsvereiste bij de aanvraag van een omgevingsvergunning.

5.2

Participatie omgeving

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling heeft een participatietraject plaatsgevonden waarin meerdere bijeenkomsten hebben plaatsgevonden. Het totaalverslag van deze participatie is toegevoegd als Bijlage 10 en in Bijlage 11 de losse verslagen/uitnodigen/presentaties van deze participatieactiviteiten. Van oktober 2022 tot en met maart 2024 zijn er diverse participatieactiviteiten georganiseerd om huurders, omwonenden en relevante lokale organisaties te betrekken bij de ontwikkeling van Westdonck.  In oktober 2022 is gestart met het voeren van één-op-één gesprekken met relevante lokale organisaties en sleutelfiguren.  In januari en februari 2023 hebben twee inloopbijeenkomsten plaatsgevonden.  In mei 2023 heeft een themasessie verkeer en parkeren plaatsgevonden  Op 26 september 2023 heeft opnieuw een informatieavond plaatsgevonden voor de huurders van de te slopen woningen.  12 maart 2024 heeft een terugkoppelbijeenkomst plaatsgevonden als afronding van het participatieproces.

5.3

Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente Ridderkerk op 27 augustus advies ingewonnen bij de vooroverlegpartners. Deze paragraaf bevat een samenvatting van de ontvangen reacties en de wijzigingen die hieruit zijn voortgevloeid. Archeologie Rotterdam (BOOR) In de conceptversie van de BOPA-onderbouwing welke naar vooroverlegpartners is toegestuurd is opgenomen dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, aangezien ter plaatse geen archeologische dubbelbestemming opgenomen is. In de vooroverlegreactie van Archeologie Rotterdam (BOOR) is aangegeven dat er een discrepantie bestaat tussen het archeologiebeleid en het bestemmingsplan. Hierdoor staat in het bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming incorrect.

85/115

Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Ridderkerk (AWK, vastgesteld september 2013) wordt aan de locatie een redelijk hoge archeologische verwachting toegekend. De AWK geeft aan dat alle grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter en tevens dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie zijn wijzigingen doorgevoerd in paragraaf 4.14 Archeologie, Cultuurhistorie & Erfgoed en 7.1 Samenvatting. Oasen N.V. Oasen geeft aan dat de projectlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone van zuiveringsstation Reijerswaard in Ridderkerk. Voor de bescherming van de drinkwaterbronnen is het van groot belang dat zo min mogelijk vervuilende stoffen en micro-organismen in het grondwater terechtkomen. Het grondwater in dit gebied dient als bron voor zowel de lokale als regionale drinkwatervoorziening. Om de kwaliteit van dit grondwater te waarborgen, zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland aanvullende regels opgenomen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit. In onder andere paragraaf 4.16 Bodem en 4.17 Weging waterbelang zijn de instructieregels getoetst. Er is aangetoond dat hieraan voldaan wordt en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Daarnaast wordt met zo min mogelijk vervuilende stoffen gewerkt. Er zijn verder geen wijzigingen doorgevoerd in de BOPA-onderbouwing. Provincie Zuid-Holland In de vooroverlegreactie van de provincie is aangegeven dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het provinciale omgevingsbeleid. Wel geeft de provincie mee dat zij de onderbouwing ten aanzien van het parkeren bij sociale huurwoningen begrijpt, maar erop wijst dat het daadwerkelijke autobezit bij sociale huurappartementen lager ligt. Bij toepassing van een lagere parkeernorm zou dit een reductie van circa 28 parkeerplaatsen betekenen. Een vermindering van het aantal verharde parkeerplaatsen zou bijdragen aan de ambities op het gebied van vergroening, klimaatadaptatie en de betaalbaarheid van de woningen. Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan het parkeerbeleid van gemeente Ridderkerk. Er zijn daarom op basis van deze reactie geen wijzigingen doorgevoerd in de BOPA-onderbouwing. Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond Door de veiligheidsregio is aangegeven dat er met betrekking tot dit plan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten zijn geconstateerd. Wel adviseert de VRR om bij deze ontwikkeling aandacht te besteden aan de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen.

In paragraaf 4.7 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren is aandacht besteed aan de bereikbaarheid van de projectlocatie. In de verdere uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met bluswatervoorzieningen. Er zijn op basis van deze reactie geen wijzigingen doorgevoerd in de BOPA-onderbouwing.

86/115

Waterschap Hollandse Delta Door het waterschap is aangegeven dat de compensatieplicht van 14% correct is opgenomen. Wel geeft het waterschap aan dat bij halfverharding van een onjuist percentage is uitgegaan. Zo was uitgegaan voor halfverharding van 30% verhard en 70% onverhard. Het waterschap geeft aan dat zij uit gaan van een 50%-50% verdeling. Naar aanleiding van deze reactie zijn er aanpassingen doorgevoerd in de paragraaf 4.17 Weging waterbelang en is Bijlage 9 Verharding huidige en toekomstige situatie bijgewerkt.

87/115

88/115

Hoofdstuk 6 6.1

Financiële haalbaarheid

Kostenverhaal

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de bouw van maximaal 305 woningen. Het realiseren van woningen is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Tussen Wooncompas en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van maximaal 305 woningen verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

6.2

Nadeelcompensatie

Tussen de gemeente en Wooncompas is zoals hiervoor aangegeven een anterieure overeenkomst gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst zijn afspraken over nadeelcompensatie.

89/115

90/115

Hoofdstuk 7

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De stedenbouwkundige inpassing in de omgeving, het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In paragraaf 2.2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 zijn de stedenbouwkundige inpassing, de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt dat de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.1

Samenvatting

Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor enkele aspecten aanvullende voorschriften aan de vergunning worden verbonden, eventuele maatregelen worden genomen of worden voldaan aan gestelde voorwaarden om te voldoen aan het beleid, de instructieregels en ETFAL.  

Stedenbouwkundige inpassing: de voorschriften zoals opgenomen in paragraaf 2.2.3 worden aan de vergunning verbonden. Geluid: 1. De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid; 2. Voor de appartementen waarop de standaardwaarde wordt overschreden dient voldaan te worden aan de voorwaarden uit de beleidsregel ‘Geluid wegverkeer gemeente Ridderkerk’. Archeologie: ten aanzien van archeologie dient een voorschrift te worden opgenomen waarin is vastgelegd dat grondroerende activiteiten pas mogen plaatsvinden nadat door Archeologie Rotterdam (BOOR) de locatie is vrijgegeven. Op deze wijze worden eventuele aanwezige archeologische waarden adequaat beschermd.

7.2

Conclusie

Uit de integrale beoordeling van het beleid en instructieregels volgt dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die de locatie binnen het gebied kan vervullen. De ontwikkeling kan met deze BOPA mogelijk worden gemaakt, want er wordt voldaan aan de instructieregels en de ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

91/115

92/115

BIJLAGEN

Bijlage 1 Figuur BOPA

75

11

2

78-80

4

82-84

12

94-96

101

26

87

105

27

89

107

28

91

107a

29

93

30

95

110-114

28

75-79

128-13 2 ≤1000 m2 134-13 8

32 87-91

36

7

93-97 14

38

105≤2020 -109 m2

32

m

178-184

37

97-139

17 40-78

min 27,8m

30

93 9 5 97 99 10 1 103

2

32

48-58

38 1-11

≤1350 m2

14

Weste

4

100-110

5

1

60-70

rhof

≤750 m2

13-23 17

5 1

72-82

6

(p)

min 20m (p)

17

parkeren in/onder gebouwen doorsteek langzaamverkeer, minimale breedte 3m doorsteek auto- en langzaamverkeer, minimale breedte 5m

hoogtescheidingslijn

152-22

4

1492 m2

5

242

112-122

≤750 m2

14

20

4

6

124-134 (p)

240

14-24 20

(m)

6

(p)

26-36

park ≥8700 m2

≤575 m2

min ..m

minimale breedte

238

1

maximum aantal bouwlagen

17

maximum bouwhoogte (m)

7

maximum goothoogte, straatzijde (m) maximum bouwhoogte (m)

236 234 232

230

min 14m

min 13m

Maaslaan

2

(p)

2-12

25-35

228

10

226

≤1000 m2

maximale oppervlakte footprint

1492 m2

oppervlakte footprint

40-170 1-7

20

6

minimale oppervlakte park

min 30m

park ≥8700 m2

GEMEENTE R DDERKERK Vechtstraat

Westdonck gefaseerde BOPA

Overzicht bouwmogelijkheden Amerstraat

11-129 2-24

1a

-3

7d

2

PROJECT

20240560

FORMAAT

A2

SCHAAL

1:1000

Definitief

19-09-2025

KAART

1/1

Voorlopig

06-08-2025

GETEKEND

K. Heijmeriks

4 1

6 8 10 12

RHO ADV SE RS

3 5

of

2

Eemh

3

20

parkeren binnenterrein / onder gebouwen

136-150

min 18m 4

7

P

ruimtelijke geleding

min 22m 17

105 10

de la Reijstraat

at

84-98

21

28

eijstra

32-46

ontmoetingsplek

19

26

de la R

37-40

4

164-17

15 17

24

34

22 2 4

parkgebied

22

147

5

69-73 75-79 81-85 87-91

13-59

6

nutsvoorziening

(nv)

20

145

158-16

grens bebouwing, variabel

18

141

14 160-16 8 4 162-17 0

121a

36

16

139

6

grens bebouwing hard

143 min 3

34

14

137

152-15

117-121

35

131 133

0

111-115

33

12

146-15

stedenbouwkundigplan indicatief

10

129

135

grens besluitgebied

8

127

14 10 0-144

P

99-1034

31 146-176

125

6

81-85

34

6

123

122-12

(nv)

30

4

121

116-12 110-144

2

119

0

111

3

117

104-10 8

69-73

26

85

103

115

min 3m

83

10

63-67

24

25

98-102

7

min 5m

81

61

at

22

24

109

57-61

20

79

23

99

18

63

113

51-55

78-108

65

Potgie terstr a

22

aat andelastr Nelson M

min 5m

95 97

14

77

Genera

21

93

-29

90-92

16

75

al Smu

20

73

67

86

10

71

tsstra at

19

69

aat

18

91

1 35-37 31-33 27

67 69

87

47-49 43-45 39-4

50-76

8

17

89

18 2 0

71

terstr

6

65

16

85

tra a t

63

15

83

1

111

straat

81

Paul K ru g e rs

74-76

-25

61

14

98

7-9 11-13 15-17 19-21 23

109

59

13

79

96

3-5

57

107

Potgie

12

77

de We t

92 94

70-72

Retiefstraat

90

66-68

Boeze mstraa t

73

10

de Wetstraat

88

7

84 82

Noord

straa t

83

73-25

5a

info@rho.nl www.rho.nl

N

Bijlage 2 Mer-beoordeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1191/documents/41871