CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Westdonck BOPA-onderbouwing.pdf

Commissie Samen wonen RK 13 november 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 7: Onderbouwing BOPA Westdonck25.333 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er zal echter geen sprake zijn van een bijzonder programma, want er worden woningen in de plint gerealiseerd.

38/115

6. Parkeeroplossing die bijdraagt aan groene klimaatbestendige inrichting van de (openbare) buitenruimte. In de beoogde ontwikkeling worden diverse maatregelen getroffen ten aanzien van de parkeeroplossingen. In de openbare ruimte worden aan de De la Reijstraat de bestaande langsparkeerplaatsen omgevormd tot haaksparkeerplaatsen, en aan de Maaslaan wordt een parkeerkoffer mogelijk gemaakt. Daarnaast worden in de gebouwen 2a en 2b inpandige parkeervoorzieningen gerealiseerd. In fase 3 worden de parkeervoorzieningen op het binnenterrein gesitueerd, waardoor deze aan het zicht onttrokken zijn vanuit de openbare ruimte. In paragraaf 4.17 Weging waterbelang is de toename van de verharding als gevolg van de inbreiding in kaart gebracht. Tevens is aangegeven hoeveel waterberging noodzakelijk is ter compensatie. Hiermee wordt voorzien in een klimaatbestendige inrichting van de openbare buitenruimte.

39/115

40/115

Hoofdstuk 4 4.1

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Inleiding

Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Bkl. De instructieregels van de provincie staan in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In onderstaande tabellen zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 4.2 tot en met 4.15 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Tabel 4.1 Instructieregels Bkl Afdelingen en paragrafen (de ontwikkeling is op artikelniveau getoetst)

Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee

Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties § 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a. (ETFAL)

Ja: zie paragraaf 4.7 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren, 4.5 Gezondheid en 4.8 Ecologie

§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid

Ja: zie paragraaf 4.12 Omgevingsveiligheid

§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen

Ja: zie paragraaf 4.17 Weging waterbelang

§ 5.1.4. Beschermen van de gezondheid en van het milieu § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht

Ja: zie paragraaf 4.9 Luchtkwaliteit

§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten

Ja: zie paragraaf 4.10 Geluid

§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Ja: zie paragraaf 4.10 Geluid

§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens

Nee

§ 5.1.4.4. Trillingen

Nee

§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines

Nee

§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit

Ja: zie paragraaf 4.16 Bodem

§ 5.1.4.6. Geur

Ja: zie paragraaf 4.11 Geur

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Ja: zie paragraaf 4.14 Archeologie, Cultuurhistorie & Erfgoed

§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking

Ja: zie paragraaf 4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies

Nee

§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van Nee infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken

Nee

§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Nee, openbare buitenruimte wordt pas ingericht in volgende fase van BOPA.

Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving

41/115

Artikel 5.163 voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen

Nee

Artikel 5.164 lokale spoorwegen binnen vervoerregio's

Nee

Artikel 5.165 lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool

Nee

Artikel 5.165a bebouwingscontour jacht

Nee

Artikel 5.165b bebouwingscontour houtkap

Nee

Afdeling 5.3. Ontheffing Artikelen opnemen waarvan ontheffing wordt verleend.

Nee

Tabel 4.2 Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Afdelingen en paragrafen

Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee

(de ontwikkeling wordt op artikelniveau getoetst) § 7.3.1 Algemeen

Nee

§ 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) § 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid

Nee

§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering

Ja: zie paragraaf 4.12 Omgevingsveiligheid

§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas

Nee

§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes

Nee

§ 7.3.3a Buitendijks bouwen

Nee

§ 7.3.4 Waterkeringen

Nee

§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie

Ja: zie paragraaf 4.16 Bodem

§ 7.3.5.2 Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak

Nee

§ 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem

Nee

§ 7.3.5.4 Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Nee

§ 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen

Ja: zie paragraaf 4.17 Weging waterbelang

§ 7.3.5.2 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie

Ja: zie paragraaf 4.16 Bodem

§ 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol

Nee

§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen

Ja: zie paragrafen 4.4 Duurzaamheid, 4.6 Klimaatadaptatie en biodiversiteit en 4.12 Omgevingsveiligheid

§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit

Ja: zie paragraaf 4.1.1 Ruimtelijke kwaliteit

42/115

§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen

Ja: zie paragrafen 4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking, 4.7 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren en 4.6 Klimaatadaptatie en biodiversiteit

§ 7.3.8a Wonen

Ja: zie paragraaf 4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

§ 7.3.9 Detailhandel

Nee

§ 7.3.10 Kantoren

Nee

§ 7.3.11 Bedrijven

Nee

§ 7.3.12 Glastuinbouwgebied

Nee

§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied

Nee

§ 7.3.14 Bollenteeltgebied

Nee

§ 7.3.15 Agrarische bedrijven

Nee

§ 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland

Ja: zie paragraaf 4.8 Ecologie

§ 7.3.17 Werelderfgoed

Nee

§ 7.3.18 Archeologie

Nee

§ 7.3.19 Traditionele windmolens

Nee

§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen

Nee

§ 7.3.21 Energie

Nee

§ 7.3.22 Provinciale vaarwegen

Nee

§ 7.3.23 Recreatietoervaartnet

Nee

§7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden

Nee

§ 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)

Nee

§ 7.3.25 Ontheffing en afwijken

Nee

4.1.1 Ruimtelijke kwaliteit Toetsingskader Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is paragraaf 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit van de provinciale omgevingsverordening van toepassing. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling is sprake van 'inpassen'. De beoogde ontwikkeling voorziet namelijk niet in wijzigingen op structuurniveau en past wel bij de aard en schaal van het gebied. Daarnaast dient de ontwikkeling rekening te houden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit uit bijlage IX van de verordening, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Deze relevante richtpunten zijn onderverdeeld in 4 lagen: 1. Laag van de ondergrond 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 3. Laag van de stedelijke occupatie 4. Laag van de cultuurhistorie

43/115

Laag van de ondergrond De projectlocatie is aangewezen met 'Rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. De richtpunten ruimtelijke kwaliteit van complex zijn:  Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.  Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar Met de beoogde ontwikkeling vinden er geen wijzigingen plaats aan dynamische natuurlijke zoet-zoutovergangen of deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Ook vinden er geen wijzigingen in komgronden of oeverwallen plaats. De ruimtelijke kwaliteit blijft dus per saldo gelijk.

Figuur 4.1.1 Uitsnede kwaliteitskaart Zuid-Holland, laag van de ondergrond

44/115

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De projectlocatie is aangewezen met 'Steden'. Voor dit type landschap gelden geen richtlijnen ruimtelijke kwaliteit, waardoor ruimtelijke kwaliteit in deze laag irrelevant is.

Figuur 4.1.2 Uitsnede kwaliteitskaart Zuid-Holland, laag van de cultuur- en natuurlandschappen Laag van de stedelijke occupatie De projectlocatie is aangewezen met 'Steden en dorpen'. Voor dit type van stedelijke occupatie gelden de volgende richtpunten ruimtelijke kwaliteit:  Elk dorp bouwt voort op de eigen identiteit en op de karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap.  Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan de groen- en waterstructuren en recreatieve uitloopmogelijkheden in en rond het dorp.  Ontwikkelingen dragen bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp. Met de beoogde ontwikkeling wordt de eigen identiteit van Bolnes versterkt, terwijl er tevens een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de groen- en waterstructuren. Daarnaast zorgen de plannen voor meer recreatieve uitloopmogelijkheden in het dorp, wat de leefbaarheid en vitaliteit verder verhoogt. De huidige bebouwing is van lage kwaliteit en wordt vervangen door woningen die voldoen aan de nieuwste kwaliteitsstandaarden, wat de woonomgeving aanzienlijk verbetert. Bovendien wordt het bestaande park uitgebreid, waarmee niet alleen de groen- en waterstructuren worden versterkt, maar ook de recreatieve voorzieningen worden uitgebreid. Hiermee sluit de ontwikkeling naadloos aan bij de karakteristieke identiteit die Bolnes al kenmerkt.

45/115

Figuur 4.1.3 Uitsnede kwaliteitskaart Zuid-Holland, laag van de stedelijke occupatie Laag van de cultuurhistorie De projectlocatie is aangewezen met 'Steden en dorpen'. Voor dit type landschap gelden geen richtlijnen ruimtelijke kwaliteit, waardoor ruimtelijke kwaliteit in deze laag irrelevant is.

Figuur 4.1.4 Uitsnede kwaliteitskaart Zuid-Holland, laag van cultuurhistorie Conclusie Met de beoogde ontwikkeling neemt de ruimtelijke kwaliteit per saldo toe. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de instructieregels uit paragraaf 7.3.7 uit de provinciale omgevingsverordening en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

46/115

4.2

M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). Motivering/Uitkomst onderzoek De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft de herontwikkeling van een woongebied naar een woongebied van maximaal 305 woningen. Hiermee valt de ontwikkeling onder een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen (categorie J11) en is een activiteit uit de kolom 3 van Bijlage V van het Ob. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Voor het project dient een mer-beoordeling te worden opgesteld. Deze mer-beoordeling is bijgevoegd bij de bijlagen als bijlage 2.

Uit de mer-beoordeling blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Waarmee er geen aanleiding is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

4.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een BOPA. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

47/115

Toetsing De ladder is van toepassing als de ontwikkeling voldoende substantieel is. Het tijdelijke Omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 305 woningen gerealiseerd. In de huidige situatie zijn 182 sociale huurwoningen planologisch mogelijk en in de huidige situatie ook aanwezig. Dit betekent dat maximaal 123 woningen extra mogelijk worden gemaakt. Woningbouw in de beoogde omvang wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast wordt maximaal 400 m2 bvo voor andere buurtgerichte functies mogelijk gemaakt. Dit is gelet op de beperkte omvang geen stedelijke ontwikkeling. De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Gelet op het bovenstaande is hierna de woningbehoefte beschreven. Beschrijving behoefte De woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen, die hierna worden behandeld. De provincie Zuid-Holland heeft onderzocht hoeveel extra woningen er in Zuid-Holland nodig zijn tussen 2023 en eind 2032. Er is sprake van een woningcrisis. De behoefte is zo groot dat het belangrijk is de bestaande regionale woningbouwprogramma's snel uit te voeren. Daarvoor moeten meer plannen 'hard' worden en woningen daadwerkelijk worden gebouwd. De woningbehoefteraming 2021 ging nog uit van een toename van 61.150 in de Rotterdamse regio (gemiddeld iets meer dan 6.000 per jaar).

De woningbehoefteraming 2023 gaat inmiddels uit van 71.000 woningen in de periode 2023 t/m 2032 (gemiddeld 7.000 per jaar). De regio kent ook een forse herstructureringsopgave. Er is regionale behoefte aan het vervangen van verouderde woningen door nieuwe eigentijdse woningen en appartementen. Herstructurering en kwaliteitsverbetering binnen bestaand stedelijk gebied voldoet aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking. De extra woningen zijn opgenomen in de planmonitor van gemeente Ridderkerk en maken onderdeel uit van de regionale woningbouwafspraken. Begin 2023 ondertekenden bestuurders uit Zuid-Holland en minister Hugo de Jonge van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de regionale realisatieagenda's van de woonregio's in Zuid-Holland. In deze realisatieagenda's, ook wel woondeals genoemd, wordt de doelstelling neergelegd om in de periode 2022 tot en met 2030 maar liefst 250.000 woningen te bouwen. In de regio Rotterdam gaat het om zo'n 100.000 woningen. Dat worden 57.000 betaalbare woningen, waarvan 28.000 sociaal (inclusief 22.500 door corporaties). Ridderkerk zet zit in om voor 2023 ruim 2.700 woningen te bouwen. Dit is opgenomen in de woondeal. De gemeente zet zich in voor geschikte woningen voor alle inwoners van Ridderkerk. Dat vraagt om een woningaanbod in verschillende soorten en prijsklassen, voor starters, doorstromers en senioren.

In de woonvisie Ridderkerk 2021-2026 is aangegeven dat er in de periode 2021-2030 minimaal 900 woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. De gemeente besteedt extra aandacht aan het beschikbaar krijgen en houden van goedkopere en betaalbare huur- en koopwoningen. De gemeente maakt hierover meerjarige prestatieafspraken met Wooncompas. In dit plan worden 182 verouderde sociale huurwoningen vervangen door levensloopbestendige nieuwe sociale huurwoningen. Ook worden woningen in andere segmenten toegevoegd, waaronder middenhuur en dure huur waarmee meer doelgroepen een kans op een woning krijgen en de doorstroming wordt bevorderd.

48/115

De plannen voldoen hiermee aan het onderdeel verantwoording van de behoefte en regionale afstemming daarvan voor wonen uit de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en de omgevingsverordening. In het plan wordt kleinschalige ruimte voor buurtgerichte functies mogelijk gemaakt. Ruimte voor dergelijke functies draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid en levendigheid. Conclusie De ontwikkeling maakt nieuwe woningen mogelijk en draagt hiermee bij aan het verminderen van de druk op de woningmarkt. Er is in de regio en in Ridderkerk sprake van een grote woningbehoefte, met een accent op de betaalbare sector. De huidige verouderde bebouwing wordt afgebroken en er komen duurzamere woningen uit hetzelfde segment voor terug. Ook worden nultredenwoningen in andere segmenten toegevoegd, waarmee sprake is van intensiever ruimtegebruik. Dit project geeft daarmee mede invulling aan de grote en veranderde woningbehoefte. Daarnaast is de beoogde ontwikkeling opgenomen in planmonitor van gemeente Ridderkerk en is doorvertaald naar de Regionale realisatieagenda regio Rotterdam 2023. Daarnaast is ruimte voorzien voor kleinschalige buurtgerichte functies, die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid in de buurt. De woningen en voorzieningen die dit plan mogelijk maakt, voorzien in een behoefte en liggen binnen bestaand stedelijk gebied.

Gezien het bovenstaande voldoet het plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.4

Duurzaamheid

Toetsingskader Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p van de Omgevingswet). Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Ook zijn in paragraaf 4.4 van het Bbl regels opgenomen op het gebied van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. Motivering/Uitkomst onderzoek De bebouwing in de huidige situatie is van slechte energetische kwaliteit. De energetische kwaliteit van de toekomstige bebouwing is conform de laatste eisen waardoor deze kwaliteit sterk verbeterd. Er wordt niet gebruik gemaakt van geothermie, aangezien de locatie in een grondwaterbeschermingsgebied ligt, zie paragraaf 4.17 Weging waterbelang. Wel worden de woningen worden met een all-electric energieconcept aangelegd. Verdere concretisering van duurzaamheidsmaatregelen vindt plaats in de opvolgende BOPA. Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels. Daarnaast is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

49/115

4.5

Gezondheid

Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Motivering/Uitkomst onderzoek Met de beoogde ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt en worden nieuwe woningen gerealiseerd. De huidige bewoners geven in een enquête aan onder andere geluidoverlast van buren, een slecht binnenklimaat en vochtproblemen te ervaren. Deze punten hebben een negatief effect op de gezondheid van de bewoners. Met de beoogde ontwikkeling wordt nieuwbouw gerealiseerd en deze zal voldoen aan de laatste eisen. Hierdoor zullen de toekomstige woningen minder geluidoverlast van de buren ervaren, een beter binnenklimaat ervaren en zullen vochtproblemen nauwelijks tot niet spelen. Dit heeft een positief effect op de gezondheid van de bewoners. Verder wordt het park uitgebreid en zal deze in de toekomstige situatie tot aan De la Reijstraat lopen. Met de beoogde ontwikkeling is dus sprake van een kwalitatieve toename van groen en bomen. Een groene omgeving nodigt uit tot bewegen en ontspannen en heeft daardoor een positief effect op de positieve en negatieve gezondheid van mensen.

Daarnaast is het park een plek waar omwonenden en andere mensen uit de omgeving verkoeling kunnen vinden. De vele bomen creëren schaduwplekken en de waterpartij heeft een verkoelend effect op de lucht. Het park is daarom ook een koelteplek. Westelijk in de projectlocatie wordt een ontmoetingsplek gerealiseerd, zoals bijvoorbeeld een of speelvoorziening, voor de omwonenden (zie Bijlage 1). Deze ontmoetingsplek helpt tegen vereenzaming en verbeterd de sociale cohesie van de buurt. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het aspect gezondheid door de vernieuwing van de woningbouw, realisatie van kwalitatief groen, uitbreiding van het park en de realisatie van een ontmoetingsplek.

50/115

4.6

Klimaatadaptatie en biodiversiteit

Toetsingskader In een omgevingsplan of BOPA dient rekening gehouden worden met de risico's van klimaatverandering (paragraaf 7.3.6a van de provinciale Omgevingsverordening). Klimaatadaptatie Wateroverlast Om wateroverlast tegen te zijn met de beoogde ontwikkeling meerdere mogelijkheden denkbaar. Zo zijn er raingardens en waterbergingen in wegfundatie denkbaar. In paragraaf 4.17 is hier dieper op ingegaan. In deze paragraaf is daarnaast berekend hoeveel compensatie plaats dient te vinden op basis van de waterschapsverordeningen en het gemeentelijke beleid. Hittestress Ter plaatse van de projectlocatie en in de omgeving hiervan zijn drie elementen aanwezig die hittestress voorkomen: 1. Nabijheid van water zorgt voor koele luchtstroom; 2. Veel groen en bomen werken verkoelend; 3. Positie van bomen brengt koele lucht richting gebouwen. Deze elementen zijn inzichtelijk gemaakt in figuur 4.6.1. De nummers in dit figuur komen overeen met de bovengenoemde nummers.

Figuur 4.6.1 Voorkomen hittestress

51/115

Punt 3 is nog verder uitgewerkt in een verbeelding waarin de boomkroonbedekkingsgraad inzichtelijk is gemaakt. Er is in deze verbeelding weergeven wat het kroonoppervlakte is bij aanplant van de boom. Daarnaast is weergeven wat het kroonoppervlakte na 40 jaar is. Het oppervlakte van deze kronen gezamenlijk zullen na 40 jaar circa 23% van de projectlocatie bestrijken.

Figuur 4.6.2 Boomkroonbedekkingsgraad Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland Bij de uitwerking van de opvolgende BOPA wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland. Biodiversiteit Op basis van artikel 7.45ca van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening dient een omgevingsplan de mogelijkheden te betrekken hoe biodiversiteit gestimuleerd kan worden. Met de beoogde ontwikkeling wordt de biodiversiteit versterkt. Er wordt hierbij gefocust op de volgende soort:  Egel;  Weidehommel;  Zanglijster;  Laatvlieger;  Glassnijder; en  Snoek.

52/115

Er worden bijvoorbeeld nest- en vleermuiskasten gerealiseerd. Daarnaast wordt er voor specifieke beplanting gekozen zoals Echina purpurea voor de weidehommel en Ligustrum vulgare voor de egel. Ook wordt er rekening gehouden met de manier van de beplanting aanbrengen ten behoeve van de soorten. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de instructieregels voor toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Daarnaast is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties doordat er rekening is gehouden met klimaatadaptatie en de biodiversiteit versterkte wordt op een binnenstedelijke locatie.

4.7

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren

Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisies van provincie Zuid-Holland (zie paragraaf 3.2) en gemeente Ridderkerk (zie subparagraaf 3.3.1 gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid zijn de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Motivering/Uitkomst onderzoek Verkeer De toevoeging van woningen in het gebied heeft gevolgen voor de verkeersintensiteiten op diverse wegen. Hieronder wordt eerst ingegaan op de verkeersgeneratie (hoeveel extra auto-bewegingen het plan oplevert) en vervolgens op de toedeling van het verkeer op diverse wegen. Afsluitend wordt ingegaan op de verkeersveiligheid. De sociale huurwoningen zijn reeds in de huidige situatie aanwezig en zullen ook in de toekomstige situatie behouden blijven. De verkeersgeneratie van de sociale huurwoningen verandert in de beoogde situatie niet ten opzichte van de huidige situatie. De sociale huurwoningen worden daarom in deze beoordeling verder buiten beschouwing gelaten. Verkeersgeneratie Op basis van de meest recente kencijfers van het CROW uit publicatie 744 is de extra verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend.

Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gebruikt.  De stedelijkheidsgraad is sterk stedelijk. Volgens de CBS-definitie waar de kencijfers bij aansluiten is Ridderkerk een sterk stedelijke gemeente.  De ligging van de beoogde ontwikkeling is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'.  De kencijfers kennen een bandbreedte. Op basis van het gemiddelde autobezit en de omgevingsadressendichtheid in Ridderkerk conform het CBS is voor het midden van de bandbreedte gekozen.  Om de verkeersgeneratie op een werkdag te bepalen is de verkeersgeneratie per weekdag vermenigvuldigd met 1,11 (CROW 744)

53/115

Voor het programma is uitgegaan van het programma zoals beschreven in het 'Gebiedsplan' Westdonck Bolnes (11 april 2024) en vastgelegd in deze BOPA. Het programma is weergegeven in tabel 4.7.1. Waar het niet duidelijk is welk kencijfer precies aansluit bij de te realiseren woning is uit voorzorg het type woning gekozen die het meeste verkeer genereert. Tabel 4.7.1 Programma

Op weekdagen is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling 517 motorvoertuigbewegingen. Door dit aantal met 1,11 ter vermenigvuldigen is de verkeersgeneratie per werkdag berekend. Deze bedraagt 574 motorvoertuigen per etmaal. In tabel 4.7.2 is de berekening weergegeven. De sociale woningen zijn buiten beschouwing gelaten. Immers de verkeersgeneratie van de te 182 te slopen sociale huurwoningen is gelijk aan die van de 182 te realiseren sociale huurwoningen. Tabel 4.7.2 Verkeersgeneratie

Op weekdagen is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling 517 motorvoertuigbewegingen. Door dit aantal met 1,11 ter vermenigvuldigen is de verkeersgeneratie per werkdag berekend . De werkdag is de maatgevende dag om de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid te beoordelen. Verkeerstoedeling Op basis van de navigatietool in Google maps is bepaald van welke routes het verkeer van en naar de beoogde ontwikkeling gebruik maakt. De onderzochte bestemmingen zijn het centrum van Ridderkerk, winkelcentrum Keizerswaard (Rotterdam), en de Brienenoordbrug, via welke route de gehele Randstad en het noorden en noordoosten van Nederland bereikbaar zijn. Daarnaast is de route naar de A15 en A16 (zuid) via knooppunt Ridderkerk onderzocht, waarmee het zuidwesten, zuiden en zuidoosten van Nederland ontsloten worden. Waar de snelste route en op-een-na snelste route zoals door Google maps weergegeven gelijk of zeer dicht bij elkaar zijn, is het gegenereerde verkeer voor de helft aan beide routes toegedeeld.

54/115

Uitgaande hiervan is de verkeerstoedeling zoals afgebeeld op figuur 4.7.1 hieronder bepaald. Het betreft de verkeerstoedeling van de toename aan verkeer als gevolg van de ontwikkeling.

Figuur 4.7.1 Verkeerstoedeling met intensiteiten op werkdagen van projectlocatie. Verkeersveiligheid en doorstroming Voor de beoordeling van de effecten van de beoogde ontwikkeling op verkeersveiligheid en -afwikkeling bepaald wat de verkeerstoename is op wegvakken waarop het verkeer van en naar de beoogde ontwikkeling wordt afgewikkeld. Als deze lager is dan 5% kan worden gesteld dat het gegenereerde verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld en dus geen significant effect meer heeft. Dit is het geval op de Rijnsingel, hier is de toename van het verkeer zo beperkt dat deze niet meer merkbaar is en onder de 5% blijft. Omdat de Rijnsingel echter al zeer hoog belast is met autoverkeer is een afzonderlijke studie uitgevoerd naar de effecten van diverse relevante ontwikkelingen in Bolnes en omgeving. Die studie heeft uitgewezen dat uitgaande van die verschillende ontwikkelingen maatregelen noodzakelijk zijn om een goede en veilige verkeersafwikkeling op de Rijnsingel te waarborgen. Gemeente heeft naar aanleiding daarvan besloten om daarmee aan de slag te gaan.

55/115

In tabel 4.7.3 is een overzicht weergegeven van de beoordeelde wegvakken. Voor een aantal wegvakken in de buurt van de beoogde ontwikkeling heeft Dinaf Traffic control recentelijk tellingen uitgevoerd. Op die wijze kan een zo accuraat mogelijk beeld geschetst worden. Tabel 4.7.3 overzicht extra verkeer op wegen in directe omgeving, absoluut en percentueel Wegvak

verkeers-gen autonome eratie intensiteit werkdag werkdag

bron

Noordstraat west

115

Telling

Maaslaan

115

1021

Telling

Noordstraat oost

230

3500

Berekening o.b.v. telling

Vechtstraat

115

De la Reijstraat 344

1983

1693 2699

% toename totale werkdag intensiteit werkdag 6%

2098

11%

1136

7%

5000

46%

5000

25%

5000

82%

5000

40%

5000

67%

3730

Telling Telling

capaciteit I/C verhoudin g

7%

1808

13%

3043

Op de Noordstraat, Maaslaan, Vechtstraat en de De la Reijstraat zal de beoogde ontwikkeling een merkbare hoeveelheid verkeer toevoegen aan het verkeersbeeld. De te beoordelen wegvakken zijn allen erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/u. De hoeveelheid verkeer dat een weg vlot en veilig kan afwikkelen is afhankelijk van de inrichting van wegvakken en kruispunten. Uit ervaringen uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom doorgaans een verkeersomvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal probleemloos kan verwerken. De hoeveelheid verkeer dat de weg veilig kan verwerken is hierbij afhankelijk van in welke mate de inrichting van de weg voldoet aan de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen uit het ASVV 2021 en in hoeverre het gebruik van de weg aansluit bij de functie als erftoegangsweg. Op de beoordeelde wegvakken zijn geen bijzonderheden die rechtvaardigen deze aanname in twijfel te trekken. Ze voldoen aan de richtlijnen voor duurzaam veilige erftoegangswegen. Daarom wordt verondersteld dat capaciteit van deze wegvakken 5.000 mvt/etmaal is; het midden van de bandbreedte.

Aangezien op alle wegen de toekomstige verkeersintensiteit ook na realisatie van het plan hier ruim onder blijft (de IC in de tabel geeft het percentage verkeer ten opzichte van de toelaatbare capaciteit) , kan worden geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd blijft. Conclusie Uitgaande van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op doorstroming en verkeersveiligheid op omringende wegen. Wel is (al in de huidige situatie) sprake van grote verkeersdruk op de Rijnsingel. Deze wordt echter maar zeer beperkt beïnvloed door onderhavige ontwikkeling. Daarnaast werkt de gemeente aan verbetervoorstellen voor de situatie aldaar. Parkeren In de huidige situatie zijn er 182 sociale huurwoningen in de projectlocatie aanwezig. Voor deze woningen zijn 137 parkeerplaatsen aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling worden 182 sociale huurwoningen gerealiseerd. Er wordt gebruik gemaakt van de salderingsregeling. Voor de sociale huurwoningen in de toekomstige situatie worden dus 137 parkeerplaatsen gerealiseerd.

56/115

Naast de sociale huurwoningen worden er woningen gerealiseerd uit andere segmenten. Deze benodigde parkeerplaatsen worden berekend in onderstaande tabellen. Op basis van Nota Parkeernormen 2024 van gemeente Ridderkerk is berekend wat de normatieve parkeervraag is op basis van het programma. Deze parkeervraag is weergeven in tabel 4.7.4. Tabel 4.7.4 Berekening normatieve parkeervraag op basis van Nota Parkeernormen 2024 Aantal

Parkeernorm

Normatieve parkeervraag

Appartement vrije sector / 102 middenhuur 61 - 100 m² GO

1,2

122,4

Eengezinswoning kleiner 21 dan of gelijk aan 100 m² GO

1,3

27,3

Bezoekers van bewoners

0,3

36,9

123

Totaal normatief

186,6

In tabel 4.7.5 is het maatgevende moment bepaald. Op basis van het maatgevende moment wordt inzichtelijk hoeveel parkeerplaatsen minimaal noodzakelijk zijn. In deze tabel wordt duidelijk dat het maatgevende moment de werkdagavond is. De beoogde ontwikkeling ziet toe op inpandige parkeervoorzieningen bij gebouwen 2a en 2b. Deze parkeervoorzieningen zijn uitsluitend voor bewoners te gebruiken en zijn zo ook opgenomen in tabel 4.7.5. Tabel 4.7.5 Bepalen maatgevende moment Normatief Werk- Werk- Werkdag Koop Werkdag Zaterdag Zaterdag Zondag dag dag avond avond nacht middag avond middag avond middag Aanwezigheids percentage bewoners openbare parkeerplaatsen

50%

50%

90%

80%

100%

60%

80%

70%

Aanwezigheids percentage bewoners privé parkeerplaatsen

100% 100%

100%

100% 100%

100%

100%

100%

Aanwezigheids percentage bezoekers

10%

20%

80%

70%

60%

100%

70%

Bewoners 83,7 parkeervraag openbare parkeerplaatsen

41,85 41,85

75,33

66,96 83,70

50,22

66,96

58,59

57/115

0%

Bewoners 66 parkeervraag privé parkeerplaatsen

66

66

66

66

Bezoekers parkeervraag

36,9

3,69

7,38

29,52

Salderen 137 bestaande parkeerplaatsen

137

137

Totaal

248,25 252,23

323,6

66

66

66

66

25,83 0

22,14

36,9

25,83

137

137

137

137

137

307,85

295,79 286,7

275,36

306,86

287,4

137

Op basis van bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat het maatgevende moment de werkdagavond is. Er is dan een totale behoefte van 308 parkeerplaatsen. Met het projectvoornemen worden 324 parkeerplaatsen gerealiseerd, zie figuur 4.7.2. Er kan dus geconcludeerd worden dat aan de parkeerbehoefte voldaan wordt.

Figuur 4.7.2 Onderverdeling type parkeerplaatsen Conclusie De verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid worden voldoende gewaarborgd. Daarnaast worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. Er is dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

58/115

4.8

Ecologie

Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebiedsen soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden Conform artikel 8.74b uit het Bkl wordt een omgevingsvergunning alleen verleend als uit de passende beoordeling zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale- of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening.

In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels in artikel 7.61, 7.62 en 7.63 opgenomen.

59/115

Soortenbescherming Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties echter aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan ecologie beschreven. Motivering/Uitkomst onderzoek Gebiedsbescherming De projectlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Boezems Kinderdijk' en ligt op circa 3,6 kilometer afstand. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoringen op een Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de realisatie- en gebruiksfases van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3.

In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van het onderzoek zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve niet evident onuitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. De projectlocatie maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied (en prioritaire nieuwe natuur en Boezems Kinderdijk) ligt op circa 0,8 kilometer afstand. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoringen op een NNN-gebied (en prioritaire nieuwe natuur en Boezems Kinderdijk) op voorhand uitgesloten. Het project bevat geen activiteiten met mogelijke (significante) nadelige gevolgen voor NNN. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening voor NNN (Artikel 7.61, 7.62 en 7.63). Soortenbescherming Het is mogelijk dat binnen de projectlocatie soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Omgevingswet. Om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten is er een quickscan uitgevoerd door Eelerwoude (augustus, 2021). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4.

In de ecologische quickscan wordt geconcludeerd dat verblijfplaatsen van vleermuizen in de woningen in de projectlocatie niet uitgesloten kunnen worden. Om uit te kunnen sluiten dat er vleermuis-verblijfplaatsen in de woningen aanwezig is nader onderzoek noodzakelijk. Dit nader onderzoek is uitgevoerd door Eelerwoude in 2024. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. In dit aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat er binnen de projectlocatie geen verblijfplaatsen of essentiële functies voor vleermuizen zijn aanwezig zijn. Tijdens dit onderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere beschermde soorten. Deze zijn ook niet waargenomen. Er is dus geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

60/115

Wel dient er rekening gehouden te worden met het volgende:  Naast de projectlocatie aan de Wetstraat 92-94 is een zomerverblijfplaats (en mogelijk ook een paarverblijfplaats) van de dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens de werkzaamheden van de beoogde ontwikkeling moet rekening worden gehouden met verlichting in de richting van deze verblijfplaats.  Te allen tijde dient rekening gehouden te worden met in gebruik zijnde vogelnesten. Het broedseizoen vindt over het algemeen in de periode 15 maart – 15 juli plaats. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle in gebruik zijnde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Bomen Ten behoeve van de opvolgende BOPA wordt een Bomen Effect Analyse uitgevoerd naar de huidige bomen. Voor nu is relevant dat het wenselijk is de afstand tussen de gebouwen aan de Wetstraat in de huidige situatie op een afstand van 5,3 meter staan van de bomen in deze straat. Bij de beoogde ontwikkeling blijft deze afstand minimaal gehandhaafd.

Conclusie Negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten zijn niet te verwachten, waarmee voldaan wordt aan de instructieregels en is het project niet evident onuitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. Wel dient rekening gehouden met de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis naast de projectlocatie. Daarnaast dient te allen tijde rekening te worden met in gebruik zijnde vogelnesten (broedseizoen van vogels). Tot slot zal in het kader van de opvolgende BOPA een Bomen Effect Analyse uitgevoerd worden naar de huidige bomen.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 5.51 lid 4 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In aandachtsgebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen of spoorwegen en milieubelastende activiteiten daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.

61/115

Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Programma Geluid en Lucht 2025-2029 Met ingang van 1 november 2024 geldt voor de gemeente Ridderkerk het “Programma Geluid en Lucht”. Met dit programma wil Ridderkerk geluidsoverlast terugdringen en de lokale luchtkwaliteit verbeteren. Hiertoe is een aantal gebieden/knelpunten aangewezen waar sprake is van overschrijding van normen en waarvoor maatregelen worden voorgesteld. Het plangebied van Westdonck maakt geen onderdeel uit van deze gebieden, waardoor dit programma geen aanleiding geeft voor specifieke eisen of maatregelen voor de ontwikkeling. Motivering/Uitkomst onderzoek Instructieregels De projectlocatie bevindt zich in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof; aandachtsgebied voor NO2 en PM10 Rotterdam/Dordrecht.

In artikel 5.54 van Bkl worden standaardgevallen aangewezen wanneer ontwikkelingen niet in betekenende mate zijn. De beoogde ontwikkeling valt onder lid b: gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; De beoogde ontwikkeling bestaat uit maximaal 305 woningen en is dus 'niet in betekende mate'. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. ETFAL In het kader van ETFAL is de huidige luchtkwaliteit beschreven om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen. Dit is gedaan met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide 22,4 µg/m³ was en voor fijnstof 18,3 µg/m³ PM10 en 9,8 µg/m³ PM2,5. Hiermee vallen de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de projectlocatie ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 22.3 van het Bkl). Conclusie Op basis van CIMLK is geconcludeerd dat er overeenstemming is met de instructieregels van het Bkl, omdat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit van het aandachtsgebied Rotterdam/Dordrecht.

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de ETFAL omdat de ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse van de projectlocatie aanvaardbaar is voor de beoogde woningbouw. Voorschriften zijn in het kader van luchtkwaliteit niet noodzakelijk.

62/115

4.10 Geluid Toetsingskader Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen In een BOPA wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 3.21 Bkl) wijzen geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten aan. Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen Geluid door activiteiten In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat in de BOPA wordt gemotiveerd dat bedrijfsmatige activiteiten en milieugevoelige activiteiten (zoals wonen) op een goede manier op elkaar worden afgestemd. Afhankelijk van de aard en omvang van de activiteiten zal het daarbij in ieder geval gaan om de aspecten van geluid en mogelijk ook geur en gevaar.

Verder is bij het toestaan van nieuwe gevoelige activiteiten ook een afweging van de gevolgen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven noodzakelijk. Programma Geluid en Lucht 2025-2029 Met ingang van 1 november 2024 geldt voor de gemeente Ridderkerk het “Programma Geluid en Lucht”. Met dit programma wil Ridderkerk geluidsoverlast terugdringen en de lokale luchtkwaliteit verbeteren. Hiertoe is een aantal gebieden/knelpunten aangewezen waar sprake is van overschrijding van normen en waarvoor maatregelen worden voorgesteld. Het plangebied van Westdonck maakt geen onderdeel uit van deze gebieden, waardoor dit programma geen aanleiding geeft voor specifieke eisen of maatregelen voor de ontwikkeling. Motivering/Uitkomst onderzoek Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De projectlocatie ligt nabij een aantal gemeentelijke wegen en binnen het geluidaandachtsgebied van die wegen en binnen het geluidaandachtsgebied van de rijkswegen A16/A38. Daarnaast ligt het projectgebied buiten de geluidzone (na sanering) van het binnen het kader van de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein IJsselmonde Noordrand. Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een goed akoestisch leefklimaat is daarom akoestisch onderzoek noodzakelijk. Dit akoestisch onderzoek is uitgevoerd en bijgevoegd als bijlage 6.

In deze paragraaf is een beknopte samenvatting gegeven van dit onderzoek. De projectlocatie ligt niet in een aandachtsgebied van een spoorweg. Rijkswegen De uitgangspunten voor de geluidberekeningen vanwege rijkswegen zijn beschikbaar via het CVGG/geluidregisters en overeenkomstig het eerdere Geluidregister van Rijkswaterstaat, samenhangend met de op 1 juli 2012 in het kader van de Wet milieubeheer van kracht geworden geluidproductieplafonds (gpp’s) voor rijkswegen.

63/115

Gemeentewegen De waarde van het geluid vanwege gemeentewegen moet worden bepaald op basis van het verkeer in een maatgevend jaar. Uitgegaan wordt van de situatie dat de planologische procedure in 2025 gaat plaatsvinden en het maatgevend jaar 10 jaar na plandatum is (2035). Voor het berekenen van het wegverkeerslawaai van gemeentewegen zijn recent verkeerstellingen uitgevoerd op relevante wegen. Uit deze tellingen zijn gegevens verkregen over de hoeveelheid verkeer per etmaal op een jaargemiddelde weekdag en over de voertuigverdeling. De intensiteiten zijn opgehoogd naar het jaar 2035 met een autonoom groeipercentage van het verkeer van 1% per jaar. De voertuig- en etmaalverdelingen zijn eveneens gebaseerd op deze telgegevens. Geluidzone De projectlocatie ligt op basis van het omgevingsplan (bestemmingsplan Bolnes (2013)) deels binnen een geluidzone van industrieterrein IJsselmonde Noordrand. In het verleden heeft een saneringsoperatie voor dit industrieterrein plaats gevonden om de geluidsbelasting op woningen in de omgeving te verminderen, zie Figuur 4.10.1. De projectlocatie ligt buiten de 50 dB(A) zone na sanering. De grens van de geluidzone is hierop niet aangepast. De geluidbelasting ter plaatse van de beoogde woningen voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde.

Nadere toetsing is niet noodzakelijk en ter plaatse van de beoogde woningbouw kan een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gegarandeerd.

Figuur 4.10.1 Geluidzone industrieterrein IJsselmonde Noordrand met projectlocatie rood omcirkeld (bron: Bestemmingsplan Bolnes, 2013)

64/115

Resultaten Rijkswegen Door de nabijheid van de A16/A38 zijn er overschrijdingen van de standaardwaarde op woningen in het projectgebied. De hoogste overschrijdingen zijn te vinden op de woningen op de verdiepingen en bedraagt 4 dB. Hiermee wordt de grenswaarde voor rijkswegen niet overschreden. Gemeentewegen Op de gebouwen in de oksel van De la Reijstraat en De Wetstraat vindt een overschrijding van de standaardwaarde plaats tot maximaal 2 dB. De grenswaarde voor gemeentewegen wordt hiermee niet overschreden. Toetsing beleidsregel 'Geluid wegverkeer' Er wordt voldaan de plandrempel van 61 dB Lden, waardoor overschrijding van de standaardwaarde is toegestaan. Op basis van verdere uitwerking dient voor de appartementen, waar sprake is van een overschrijding, voldaan te worden aan de voorwaarden uit deze beleidsregel. Dit zijn onder andere voorwaarden voor een geluidluwe gevel, geluidluwe buitenruimte en aan de woningindeling. Ten behoeve van de opvolgende BOPA-onderbouwing en verder planuitwerking dient aangetoond te worden dat aan deze voorwaarden voldaan wordt. Daarnaast wordt het gecumuleerde geluid als aanvaardbaar beoordeeld op basis van de beleidsregel. Geluid door activiteiten Met de beoogde ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt.

Binnen de projectgrenzen is een nutsvoorziening aanwezig, welke in de toekomstige situatie ook aanwezig zal zijn (zie Bijlage 1). In het omgevingsplan (bruidschat) zijn regels opgenomen op het gebied van geluid ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen door activiteiten. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels. Rond de projectlocatie liggen een aantal gemengde en maatschappelijke bestemmingen. Ten noordoosten van de projectlocatie ligt een bestemming gemengd met een functieaanduiding detailhandel. Het perceel ligt op een afstand van 12 meter van de projectlocatie. Voor detailhandel geldt een richtafstand van 10 meter waaraan voldaan wordt. Ook ligt het perceel direct naast bestaande woningen. Aan de geluidregels uit het omgevingsplan voor activiteiten wordt dan ook voldaan en het bedrijf wordt niet beperkt in haar bedrijfsvoering. Binnen de projectlocatie ligt een bedrijfsbestemming met een aanduiding nutsvoorziening waar uitsluitend nutsvoorzieningen mogelijk zijn. Het ligt binnen de projectlocatie en wordt mogelijk veranderd of geïntegreerd in de bebouwing. Nutsvoorzieningen kunnen geluidshinder veroorzaken, gezien de aard en omvang van de nutsvoorziening wordt dit niet verwacht. In de verdere uitwerking zal rekening gehouden worden met het geluid van de nutsvoorziening.

Conclusie Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanuit het aspect geluid.

65/115

Wel zijn er in de omgevingsvergunning voorschriften voor geluid noodzakelijk die zicht richten op:  De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid;  Er voor de appartementen waarop de standaardwaarde wordt overschreden voldaan moet worden aan de voorwaarden uit de beleidsregel ‘Geluid wegverkeer gemeente Ridderkerk’. Geluid door activiteiten In het kader van ETFAL kan gesteld worden dat met de beoogde ontwikkeling bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering en dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. In de verdere uitwerking en bouwplan zal rekening gehouden worden met het geluid van de nutsvoorziening in de projectlocatie.

4.11 Geur Toetsingskader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:  bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;  bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten:  op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw; of  van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen. Onderzoek en conclusie Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. In en rond de projectlocatie zijn geen geuremitterende activiteiten mogelijk die geur veroorzaken ter plaatse van de projectlocatie. Met de beoogde ontwikkeling worden geen geuremitterende activiteiten toegestaan. De beoordelingsregels voor geur zijn dan ook niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling.

4.12 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

66/115

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl, deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden In artikel 5.12 in het Bkl zijn er brand- explosie en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico (hierna: GR), deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl).

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. In artikel 7.18 van het Zuid-Hollandse Omgevingsverordening staat een aanvulling op de instructieregel voor het rekening houden met de hoogte van het groepsrisico. Voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico worden de overwegingen uit artikel 7.18 van het Zuid-Hollandse Omgevingsverordening betrokken.

67/115

Motivering/Uitkomst onderzoek Op basis van de Register Externe Veiligheid, 2024 ligt de projectlocatie in een gifwolkaandachtsgebied (aangeduid met een placeholder) van IHC Holland B.V., zie figuur 4.12.1. In de omgeving van de projectlocatie ligt een watergang en een snelweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De projectlocatie ligt niet in een aandachtsgebied van deze risicobronnen. Door de ligging in het gifwolkaandachtsgebied van IHC Holland B.V. dient rekening gehouden te worden met het groepsrisico. De projectlocatie ligt op circa 1.500 meter van de risicobron en bestaat uit een herontwikkelingsproject van een woongebied. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet significant toenemen. Er is geen sprake van een aandachtsgebied met een verhoogd groepsrisico. Wel dient een verantwoording van het groepsrisico gegeven worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1191/documents/41871