CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringsbeleidsplan Meerjarenprogramma DCMR 2023-2026.pdf

Commissie Samen wonen RK 30 maart 2023, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 12: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven32.487 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

BEDRIJVEN We passen vergunningen aan waardoor bedrijven maatregelen nemen zodat ze daarna gereed zijn om warmte uit te koppelen. We verkennen de beperking van de inzet van hoogwaardige energie. Dit doen we door bewezen duurzamere technologie als een BBT-maatregel voor te schrijven.Bij vergunningplichtige bedrijven besteden we in vooroverleggen aandacht aan de energietransitie mogelijkheden.

We faciliteren duurzame initiatieven van bedrijven. Dit doen we met extra aandacht en meedenkkracht bij RO-, vergunning- en m.e.r.-procedures (kennisopbouw om initiatief te versnellen). INDICATOREN • Inventarisatie van de beschikbare restwarmte bij industriële bedrijven. • Aantal vergunningen dat via de versnellingstafelaanpak (binnen project doortastend vergunningverlening) bijdraagt aan energietransitie (inclusief doorloopsnelheid). • Aantal m.e.r.-procedures die aandacht vragen voor de energietransitie en circulaire economie. • Percentage van energierelevante bedrijven die energietransitie advies hebben ontvangen van het energietransitieteam. • Hernieuwbare energie-opwekking Rijnmond. • Aantal kiloton vermeden CO2 uitstoot door energietransitie. • Voorbeelden van duurzaamheidsadviezen over ruimtelijke ontwikkelingen aan gemeenten. • Aantal bedrijven dat mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie benut, gespecificeerd op het soort duurzame energie.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN Het focuspunt energietransitie heeft een relatie met veiligheid (focuspunten procesveiligheid en incidenten voorkomen) en leefbaarheid (focuspunten geur- en geluidhinder voorkomen). Dit begint bij het nemen van bronmaatregelen om geur- en geluidemissie te voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld het gebruik van warmtepompen. Maar daar beperkt het zich niet toe. Het gaat ook over het verantwoord omgaan met veiligheidseisen bij de keuze voor de toepassing van hernieuwbare of nieuwe brandstoffen (waterstof) of duurzame bronnen (geothermie). Tot slot gaat het bij die keuze over de inzet van hernieuwbare of nieuwe brandstoffen ook om het voorkomen van afval of het hergebruik van product bij terugwinning. Bij vergunningverlening en (ruimtelijke)advisering moet daarvoor aandacht zijn en het moet dit leiden tot concrete overwegingen.

Terug naar tekst

58 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.12 CIRCULAIRE ECONOMIE INLEIDING

In 2030 moet Nederland 50 procent minder grondstoffen verbruiken en in 2050 moet Nederland een volledige circulaire economie hebben. In deze circulaire economie bestaat geen afval en gebruiken we grondstoffen steeds opnieuw. Zowel nieuwe als bestaande bedrijven zijn bezig met het ontwikkelen van circulaire initiatieven. Ze waarderen reststromen op zodat ze het als product of de grondstof kunnen gebruiken. In de bijstelling van het focuspunt speelt dat DCMR in 2021 een meerjarig programma Energietransitie en Circulaire heeft vastgesteld (zie focuspunt energietransitie) om kennis en expertise, samenwerking en netwerken te versterken om zo de transitie te versnellen. Het vergroten van de kennis van milieu-effecten van nieuwe circulaire bouw- en grondstoffen en de risico’s daarvan zijn benoemd.

BELEIDSOPGAVE Duurzaamheid, veiligheid en gezondheid GEBIEDSSOORT Het gaat om alle gebiedssoorten in het werkgebied van DCMR. SCOPE Het betreft alle werkgebieden van DCMR, waarbij vooral aandacht is voor de ketensamenwerking van bedrijven en industrieën en het gebruik van groen en biomassa. Daarbinnen is aandacht voor een beperkt aantal pilotprojecten per jaar. Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving, advisering/beleid en ruimtelijke advisering.

DOELSTELLING • We willen de circulaire economie bevorderen door het vergroten van het gebruik van secundaire grondstoffen. • We willen dat bedrijven het gebruik van primaire grondstoffen verminderen. • Het gebruik van hernieuwbare grondstoffen vindt op een veilige en verantwoorde manier plaats. • We willen dat de bevordering van een circulaire economie een bijdrage levert aan de klimaatdoelstellingen.

AANPAK,ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN

De wet- en regelgeving voorziet nog niet goed in de transitie naar een circulaire economie. Er bestaan knelpunten, bijvoorbeeld als het gaat om de bestaande afvalstatus van een potentiële grondstof (als iets de status van afval heeft gekregen, gelden regels voor hoe bedrijven zich van afval moeten ontdoen). Voor belemmeringen moeten we verantwoorde oplossingen vinden binnen de kaders van gezondheid en veiligheid. Vooraf stemmen we met gemeenten en provincie de volgende programma’s en aanpak af. VERGUNNINGVERLENING Gebruikmaken van de ruimte in de huidige regelgeving als het gaat om: • keuze voor grondstoffen (preventie). • verantwoord opwaarderen en hergebruik van afvalstoffen. • de aanpak van belemmeringen.

Het uitvoeren van milieu-effectrapportages naar het sluiten van materiaalkringlopen.

TOEZICHT EN HANDHAVING We gaan controleren (ketentoezicht) of bedrijven hun afvalstromen gescheiden houden en verantwoord gebruik maken van (secundaire) grondstoffen.

We houden toezicht op het verantwoord toepassen van bewerkte grond en circulaire bouwstoffen op of in de bodem. ADVISEREN/BELEID • Adviseren bij de transitie naar circulaire bedrijventerreinen. • Bemensen van het adviesloket voor ondernemers en participanten. • Adviseren over de opstelling van beleidsregels voor de bevordering van circulariteit. • Versterken van de samenwerking met gemeenten, provincie, brancheverenigingen en andere Omgevingsdiensten bijvoorbeeld door het opzetten en gebruiken van het kennisschakelpunt Circulaire economie en ZZS en het afstemmen van programma’s. • Adviseren over hoe circulariteit een bijdrage kan leveren aan de klimaatdoelstellingen bijvoorbeeld doordat broeikasgasemissies worden verminderd. RUIMTELIJKE ADVISERING We gaan ruimte (wettelijke en fysiek) zoeken voor de opslag van grondstoffen, zodat bedrijven de grondstoffen (opnieuw) kunnen gebruiken. INDICATOREN • Aantal m.e.r. procedures waarin een hoofdstuk is opgenomen met aandacht voor de energietransitie en/of circulaire economie.

59 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

• Actualisatie van vergunningen op basis van lap 3 (landelijk afval beheer plan). • Aantal adviesvragen bij het Circulaire Economieadviesloket • Aantal innovatieve initiatieven op hergebruik van reststromen. • Volume Grondstoffen gebruik (primair, secundair) • Aantal einde-afval oordelen. VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN Het focuspunt circulaire economie heeft een relatie met het focuspunt ZZS. De aanwezigheid van ZZS in lucht, bodem, afval en afvalwater vormt een belemmering voor het veilig kunnen hergebruiken van materialen en grondstoffen. Daarnaast levert circulaire economie, met name door vermindering van het gebruik van primaire (fossiele) grondstoffen, een bijdrage aan het versnellen van de energietransitie en aan energiebesparing.

Terug naar tekst

60 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

5

EFFECTIEF TOEZICHT

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 2 BESCHRIJVING KOSTPRIJSMETHODIEK PROVINCIALE EN GEMEENTELIJKE BEDRIJVEN GEMEENTELIJK BUDGETMODEL

De hoofdelementen van de nieuwe methodiek zijn: • indeling van de bedrijven in categorieën, naar zwaarte en type; • per type en categorie is er één bedrijfskental; • een deel van het budget wordt besteed aan wettelijk verplichte borgingstaken. Bedrijven kennen standaard een type en categorie indeling. Type heeft te maken met de juridische status, informatieplicht, meldings- en vergunningplichtig. Binnen elk type zijn bedrijven ingedeeld in categorieën naar zwaarte. In deze indeling zijn twee structurele kenmerken verdisconteerd, die bepalend zijn voor het effect op de omgeving: • Milieurelevantie (veiligheid, lucht, geluid, bodem enzovoorts); • Grootte en complexiteit; • Handhaving, bezwaar en beroep zijn ingeregeld als opslagpercentage; • Met het berekende totaalbudget per participant is een budget bepaald dat staat voor een basis kwaliteitsniveau. Het vormt daarmee een uitgangspunt voor de werkplanbesprekingen; • Ten opzichte van het vorige punt is een disclaimer opgenomen voor een gelimiteerd aantal bedrijven. Het gaat hierbij om bedrijven, die sterk bepalend zijn voor het budget voor een participant en waarvan de feitelijke situatie sterk afwijkt van de vergunde situatie, waardoor de budgettaire situatie overschat wordt. Nietinrichtingsgebonden taken (bijvoorbeeld meldingen en maatwerk voor lozingen buiten inrichtingen), wettelijke

taken die slechts voor enkele specifieke bedrijven gelden (bijvoorbeeld EPRTR beoordelingen) en bestuurlijke wensen (bijvoorbeeld aanvullende horecameetronden, met andere diensten van participanten gezamenlijke garageacties uitvoeren, et cetera) maken geen deel uit van de systematiek. Inzet op oprichtingsvergunningen maakt geen onderdeel uit van het basisbudget. Dit is maatwerk per participant en zal van jaar tot jaar sterk variëren.

TYPE CATAGORIE

A

B

C

1

0

3,1

10,45

2

1

3,7

15,55

3

1,6

8,7

20,9

4

1,6

23,6

51,3

5

1,6

23,6

79,4

6

1,6

65

130

7

1,6

65

300

PROVINCIAAL BUDGETMODEL

De uitgangspunten voor de budgetsystematiek, zoals in hoofdstuk 6 opgenomen, gelden voor alle participanten. Omdat het voor de provincie om een beperkt aantal bedrijven gaat (circa 250), die allemaal vergunningplichtig zijn en relatief omvangrijk en complex, is de uitwerking voor bedrijven die onder bevoegd gezag van de provincie vallen veel gedetailleerder dan die voor gemeenten (circa 28.000 bedrijven). Daarnaast maakt voor de provincie de inzet op voorvallen en incidenten bij bedrijven (nog) geen onderdeel uit van de kostprijssystematiek. Om die redenen zijn beiden

apart beschreven in deze bijlage. De clusterindeling van de werkplannen is voor provincie en gemeenten identiek. Het gaat om de volgende clusters: • Reguleren; • Wabo-toezicht; • Handhaving; • Bezwaar en beroep; • Borgingstaken; • Seveso/Brzo-toezicht; • Overige VTH-taken. Het cluster Seveso/Brzo-toezicht maakt geen onderdeel uit van de gemeentelijke werkplannen, daar alle Seveso/Brzoplichtige bedrijven onder bevoegd gezag van de provincie vallen. Omdat voor de borgingstaken geldt dat het gaat om een gezamenlijke aanpak voor alle participanten, zijn die uitgewerkt in een apart hoofdstuk. KOSTENPRIJSBEREKENINGSMODEL PROVINCIALE BEDRIJVEN Met de uitwerking van het kostprijsberekeningsmodel is een risico-gestuurde budgetteringswijze mogelijk, die aansluit bij de gemeentelijke programmeringsmethodiek. Het kostprijsberekeningsmodel de provincie Zuid-Holland en bestaat uit de volgende onderdelen: 1 De door de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten (OD’s) ontwikkelde kengetallen voor de verschillende RIEinstallaties en -activiteiten bij de provinciale bedrijven voor de Wabo-VTH-taken. 2 Een kwaliteitsboek met beschrijving van de werkzaamheden voor de verschillende RIE-installaties en -activiteiten.

61 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3 Een gedetailleerde inventarisatie van alle RIEinstallaties en -activiteiten voor alle provinciale inrichtingen. 4 Een rekenprogramma waarmee de benodigde tijd voor de diverse VTH-werkzaamheden bij de inrichtingen kan worden berekend. 5 Een handleiding voor de werking en het beheer van het rekenprogramma. De uitkomsten van de berekeningen geven opgeteld een beeld van de totale tijdsbesteding voor de provinciale inrichtingen door de omgevingsdiensten. De door de experts van de Zuid-Hollandse OD’s ontwikkelde kengetallen voor de verschillende RIE-installaties en -activiteiten bij de provinciale bedrijven voor de WABOVTH-taken Het kostprijsberekeningsmodel is ontwikkeld om tot een kental te komen voor de uitvoering van de verschillende Wabo-milieutaken bij de provinciale bedrijven, de zogenoemde ‘Grijze’ Wm-VTH-taken.

Niet alle producten en diensten komen evenveel voor en niet alle producten vragen dezelfde deelwerkzaamheden. Ook binnen een bedrijf kunnen de hoeveelheid werk en de frequentie waarmee producten voorkomen verschillen. Zelfs bij bedrijven waar installaties uit dezelfde categorie staan. Dit geldt zowel voor de vergunningverlening als voor het toezicht en de handhaving. Er zijn daarnaast grote verschillen in de omvang van inrichtingen die tot dezelfde branche of dezelfde zwaarteklasse behoren. Om die reden is ervoor gekozen voor de ontwikkeling van kentallen de individuele RIE-installatie als basis te nemen, gedifferentieerd naar de verschillende installaties. Hetzelfde doen we voor die activiteiten die niet in de RIE

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

worden genoemd, maar die wel aanwijsbare milieu- en veiligheidsaspecten kennen. Een kwaliteitsboek met beschrijving van de werkzaamheden op het adequate niveau voor de verschillende RIE-installaties en -activiteiten In het kwaliteitshandboek staat welke deelwerkzaamheden worden uitgevoerd in de aangegeven tijd voor de installatie. Het ontwikkelde kental betreft de werkzaamheden voor de vergunningverlening, vanaf het eerste contact met het bedrijf tot en met de definitieve vergunning. Hieronder vallen ook de werkzaamheden van de specialisten die intern bij de OD worden ingeschakeld en de administratieve en juridische handelingen door de vergunningverlener. Dit is niet het geval voor werkzaamheden voor de stap ‘Beroep’. Deze werkzaamheden zijn zo uniek dat er geen standaard tijdsbesteding voor is ontwikkeld. De controle voor een individuele RIE-installatie of relevante niet-RIE activiteit bestaat uit diverse, per installatie verschillende deelwerkzaamheden. Die zijn beschreven in de kwaliteitsbeschrijving. Een gedetailleerde inventarisatie van alle RIE-installaties en -activiteiten voor alle provinciale inrichtingen Voor de ontwikkeling van de kentallen zijn niet de bedrijven of de branches het referentiepunt, maar de installaties en activiteiten die samen de bedrijven vormen.

Om dit mogelijk te maken, zijn voor alle bedrijven onder provinciaal bevoegd gezag de aanwezige RIE-installaties en overige activiteiten geïnventariseerd. De kentallen voor tijdsbesteding in de VTH-werkzaamheden zijn daarmee geënt op de primaire, voor het milieu en de veiligheid relevante onderdelen van de inrichtingen.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

De kentallen per installatie, de standaardtijden, worden omgerekend naar een kental voor de individuele bedrijven. Het rekenmodel is daarvoor het aangewezen instrument. De hieruit voortkomende tijdsbesteding voor het bedrijf wordt vervolgens gekoppeld met de producten uit de PDC. Een rekenprogramma waarmee op basis van de ontwikkelde kentallen de benodigde besteden tijd (uren) voor de diverse VTH-werkzaamheden bij de inrichtingen wordt berekend Het gaat in de vergunningverlening alleen bij uitzondering om een veranderingsvergunning voor één nieuwe installatie. In de praktijk bestaan inrichtingen uit meerdere installaties, al dan niet van RIE-categorie. Ook zijn niet-RIE activiteiten vaak onderdeel van een bedrijf. Als meerdere installaties tegelijkertijd vergund worden, is het niet nodig het hele proces voor iedere afzonderlijke installatie te volgen.

Daardoor is een reductie mogelijk ten opzichte van de opgetelde tijdsbestedingen voor de installaties en activiteiten. Om die reductie te berekenen, hebben we in het rekenmodel reductiefactoren opgenomen. Met het rekenmodel wordt de tijdsbesteding per jaar per bedrijf berekend. Hiervoor wordt voor elk vergunningsproduct de frequentie vermenigvuldigd met de tijd. De som van die uitkomsten is tijd die voor een bedrijf jaarlijks nodig is voor vergunningverlening. Een handleiding waarin de werking is beschreven en het beheer van het rekenprogramma wordt voorgesteld De kern van de uniforme begrotingssystematiek is dat de kentallen door de vijf diensten op dezelfde wijze worden vastgesteld met het rekenprogramma. Daarvoor is het nodig dat het beheer van de berekeningen en factoren in het rekenmodel in één hand ligt.

62 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

Deze beheeractiviteiten zijn: • Het invoeren van nieuwe kentallen uit het kentallenbeheer. • Het updaten van het rekenmodel ten behoeve van nieuwe producten of diensten. • Het wijzigen van reductiefactoren. • Gebruik van het rekenmodel voor het opstellen van analyses. Bij het beheer van het rekenmodel hoort ook dat we periodiek de gebruikte rekenwijze tegen het licht houden. De ingangsgegevens, het gebruik van reductiefactoren en de manier waarop de matrix is ingedeeld, kunnen allemaal bijdragen aan een afwijking tussen het berekende kental en de tijdschrijfgegevens. Het beheer van de inventarisatie van de inrichtingssamenstelling ligt bij de OD’s zelf. Een verandering waarbij ook het aantal installaties of activiteiten verandert, moet worden doorgevoerd in het inventarisatieblad van het rekenmodel. CLUSTER BORGINGSTAKEN De werkzaamheden die nodig zijn om aan de kwaliteitseisen van de Omgevingswet te voldoen, noemen we de ‘borgingstaken’. Er gelden eisen voor het beleid en de uitvoering van regulering, inspectie en handhaving. De werkwijze omvat een plan-do-act-cyclus, die helemaal moet worden doorlopen.

Het maximum aantal uren dat wij jaarlijks voor deze taken inzetten, bedraagt 6.500. Dit is nu toereikend om de verplichte borgingsproducten op een voldoende niveau te realiseren.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

BORGINGSTAKEN

De volgende activiteiten vallen onder de borgingstaken: • Meerjarenprogramma • Jaarprogramma • Nalevingstrategie • Kwaliteitsborging • Beheer risicoanalyse model RIAN • Volgen ontwikkelingen • Extern overleg MEERJARENPROGRAMMA DCMR actualiseert de meerjarenprogrammering één keer in de vier jaar. Het meerjarenprogramma (MJP) geeft de gezamenlijke visie van de participanten op de zogenaamde focuspunten weer. De focuspunten zijn in het MJP uitgewerkt. Ze dienen als dienstbreed (programmatisch) uitvoeringskader voor de jaarplannen van de verschillende afdelingen. In deze jaarplannen laten de afdelingen zien op welke manier zij aan de visie en doelstellingen gaan bijdragen.

Met duidelijke doelstellingen wil DCMR zichtbaar maken op welke manier haar inspanningen bijdragen aan maatschappelijke doelen en daarmee aan de gezamenlijke visie van participanten. Om de onderbouwing van het meerjarenprogramma op peil te houden zijn monitoring, informatie en analyse nodig. Dat kost elk jaar tijd, net als het bijhouden van relevante ontwikkelingen. Ook leiden nieuwe focuspunten tot nieuwe protocollen om data verzamelen ten behoeve van de KPI’s uit het MJP. De protocollen dienen ook om de datakwaliteit te toetsen en voor de verslaglegging over bereikte doelen.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

JAARPROGRAMMA Het jaarprogramma omvat het programmeren van werkzaamheden voor regulering, toezicht en handhaving in brancheplannen, de doelgroep-analyse en het actualisatieprogramma voor de vergunningverlening. Een groot deel daarvan pakt DCMR planmatig aan. De werkzaamheden omvatten daarom het opstellen van de brancheplannen en het actualisatieprogramma. De vertaling daarvan naar de werkplannen (het uitwerken van de participant-specifieke impact) is niet inbegrepen. Ook de uren voor de projectleiding zijn niet inbegrepen. We zetten tijd in voor data-analyse op strategisch en tactisch niveau. Ook nemen we een evaluatie op van de doelen. NALEVINGSTRATEGIE (TOEZICHT, SANCTIE, GEDOOG). Eens in de vier jaar vindt een herziening van de nalevingstrategie plaats. Daarnaast houdt DCMR jaarlijks de ontwikkelingen en de actualiteit bij. De inzet op deze post was de afgelopen jaren vooral gericht op de uitwerking van het instrument doelgroepanalyse. Ook is er aandacht voor de wijze waarop sancties, termijnen en het uitvoeren daarvan worden gehanteerd en afgestemd. KWALITEITSBORGING Jaarlijks actualiseren we de protocollen vergunning­ verlening, toezicht en handhaving, productaudits, intervisie en procesreviews. Op deze post zetten we ook in op digitalisering van handhavingsbevindingen met een digitale checklist en handleidingen voor toezicht en vergunningverlening.

63 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BEHEER RISICOANALYSEMODEL (RIAN) Het RIAN vraagt onderhoud. Bulkgegevens, zoals de Inspectieview Milieu (IvM) en de Inspectieview Bedrijven (IvB) komen breder beschikbaar. Ook externe gegevens over de naleving binnen branches en individuele bedrijven komen daardoor beschikbaar. Hiervoor zal een model worden ingepast in RIAN. Onder het beheer van het RIAN valt de doorontwikkeling van Rudis en digitale checklists, waarmee we zorgdragen voor de registratie van gegevens. VOLGEN VAN ONTWIKKELINGEN IN BELEID, REGELGEVING EN JURISPRUDENTIE In de PUMA-proceseisen is het volgen van ontwikkelingen in beleid, regelgeving en jurisprudentie een voorwaarde om VTH-taken op niveau te kunnen uitvoeren. Voor de voorbereiding en implementatie van de omgevingswet wordt een deel van de borgingstaken ingezet. VOEREN VAN EXTERN OVERLEG, GERICHT OP DE UITVOERING De PUMA-proceseisen omvatten overleg met parket, politie, brandweer en waterkwaliteitsbeheerder. Daarbij gaat het onder meer om het verwerven, beheer en onderhoud van externe data. Het gaat om het deel van het werk dat redelijkerwijs kan worden omgeslagen over alle categorieën bedrijven.

64 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

APPENDIX 2 VAN BIJLAGE 2: TAKEN BINNEN BUDGET Onder het budget vallen alle taken die een direct gevolg zijn van het gegeven dat een participant bevoegd gezag is voor een bedrijf. Dat kan zo zijn door wet- en regelgeving, bindende afspraken of algemeen aanvaarde praktijk. Een participant heeft daardoor geen keuzevrijheid om een bepaalde taak wel of niet uit te voeren. Deze bijlage biedt een overzicht van deze taken. Voor de duidelijkheid geven we ook voorbeelden van taken die niet onder het budget vallen.

DIRECTE TAKEN DIE VERDISCONTEERD WORDEN IN BEDRIJFSKENTALLEN A REGULEREN Vergunningen • alle soorten vergunningen: revisie, ambtshalve, wijziging, reguliere en uitgebreide procedures • actualisatietoetsen • afgebroken procedures • specialistisch advies (lucht, veiligheid, geluid, bodem, energie, verkeer) • wettelijk verplichte coördinatie (VRR, WVO, gemeenten) • bijdrage juristen • bijdrage coördinator • alle onderwerpen die op grond van wet of algemeen aanvaarde praktijk behandeld worden, dus ook verruimde reikwijdte (energie, vervoer), afvalwater • goedkeuringsbesluiten 4.1 • Relatiebeheer (contacten en adviezen, buiten formele procedures om) • Opstellen maatwerkvoorschriften • OBM (Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets) • Behandelen meldingen

B TOEZICHT EN HANDHAVING • alle soorten controles, administratief, preventief en repressief • handhavingstrajecten, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk (dwangsommen, PV, bezwaar, beroep) • BSB-m (bestuurlijke strafbeschikking milieu) • beoordeling rapportages • specialistisch advies (lucht, veiligheid, geluid, bodem, energie, verkeer) • bijdrage juristen • bijdrage coördinatoren • taken afvalwater (onder meer monstername) • QRA-beoordeling en -toetsing • behandeling klachten en incidenten • relatiebeheer (contacten buiten controles of formele procedures) C BORGINGSTAKEN • meerjarenprogramma • opstellen jaarprogramma • evaluatie jaarprogramma • handhavings-, gedoog-, toezicht- en sanctiebeleid • kwaliteitsborging • volgen en vertalen ontwikkelingen in beleid, regelgeving, normering, jurisprudentie • extern overleg gericht op de uitvoering

TAKEN DIE WEL IN HET BASISBUDGET VALLEN, MAAR NIET IN HET BEDRIJFSKENTAL VERDISCONTEERD WORDEN Specifieke taken die bij een deel van de bedrijven voorkomen en die niet aan één categorie te koppelen zijn: • BRZO-inspecties, inclusief coördinatie en opleidingen. De overige taken die ook bij BRZO-bedrijven uitgevoerd moeten worden, zoals vergunningverlening en andere inspecties, zijn verdisconteerd in het jaarkental. • Veiligheidsrapporten, beoordeling (vijfjarencyclus) • E-PRTR (beoordelen milieujaarverslagen) VOORBEELDEN VAN TAKEN DIE NIET ONDER HET BUDGET VALLEN Sommige taken zijn in zekere mate bedrijfsgebonden en hebben ook een wettelijke basis, maar slechts een deel van de participanten heeft de taak bij DCMR belegd. Om die reden handhaven we voor deze taken de huidige vorm van financiering. Deze taken worden niet onder het basisbudget gebracht.

Dit geldt voor de volgende vier soorten taken: • WABO-regie (provincie, Rotterdam, Bernisse) • BIBOB-toetsingen (provincie en Rotterdam) • Handelingen (niet-locatiegebonden activiteiten die milieubelasting met zich meebrengen) • BRIKS-taken (WABO) • WBB bodemsaneringen

65 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

2

INLEIDING

3

MEERJARENPROGRAMMA

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

APPENDIX 3 VAN BIJLAGE 2:   STANDAARDCORRECTIES DCMR OP VNG-INDELING Voor een aantal branches is de gehanteerde VNG-indeling in de praktijk niet passend. Daarom worden voor die branches standaard de categorie-indelingen aangepast. Deze handelwijze zetten we voort. DCMR categorieën 6 en 7 zijn toegevoegd voor de branches afvalbedrijven, droge bulk, scheepswerven en spoorweginrichtingen Het gaat om de volgende correcties: SOORT INRICHTING

VNG

DCMR

Autodemontage

3

6

Radarinstallaties

6

1

Gasdruk- en regelinstallatie < 200 MVA

2

1

Gasdruk- en regelinstallatie 200 – 1000 MVA

4

2

Gasdruk- en regelinstallatie > 1000 MVA

5

4

Garages, diverse categorieën, alle

2

3

Benzine-servicestation zonder LPG

2

3

Sporthal, sportcomplex

3

2

Detailhandel. met vuurwerk

1

5

Ziekenhuizen

2

3

Chemische wasserijen

2

3

Treinstations

3

2

Windmolens

4

1

Droge bulk

4

6

Op-overslag/puinbrekers

3

6

Scheepswerven

5

6

Composteerders top/dop

5

6

Spoorweginrichtingen4

4

7

bovengronds, < 2 m3

2

1

TOELICHTING

met LPG ongewijzigd (cat 4)

Opslag butaan propaan, LPG,

2 tot 8 m3 ongewijzigd (cat 3)

66 van 75

INHOUD

BIJLAGE 3

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

TOELICHTING OP TOEZICHTSTRATEGIE

Toezichtstrategie heeft betrekking op de wijze waarop DCMR het toezicht vormgeeft. Toezicht is maatwerk. De methodiek om de maatwerkaanpak vorm te geven, bestaat uit twee stappen:

STAP 1: KOPPELING ANALYSEMODEL TOEZICHTSTRATEGIE De koppeling tussen het risiconiveau en de inzet van toezicht komt als volgt tot stand: 1 DCMR analyseert het bedrijvenbestand op basis van het risiconiveau volgens het risico-analysemodel RIAN. 2 Bij provinciale bedrijven, zoals raffinaderijen en chemiebedrijven, wordt ook het risiconiveau per (type) RIE-installatie of activiteit bepaald. 3 DCMR deelt de branches op basis van de risicoanalyse in naar hun zogenoemde toezichtintensiteit. Per branche bepaalt DCMR vervolgens aan de hand van een nadere analyse welke aandacht een afzonderlijk bedrijf krijgt. Het in kaart brengen van de verschillende risico’s is een voorwaarde om de maatwerkaanpak op een goede manier vorm te geven. Binnen DCMR worden risico’s geanalyseerd aan de hand van het Risico-analysemodel (hierna: RIAN). Het RIAN is richtinggevend bij het vaststellen van het risiconiveau van de branches en bedrijven en installaties. Het RIAN stelt DCMR in staat om binnen het gehele bedrijvenbestand prioriteiten te stellen. Dit gebeurt aan de hand van de eerdergenoemde elementen van risico: ‘effect’ en ‘kans’.

Het bedrijvenbestand wordt in RIAN geanalyseerd aan de hand van de twee aspecten van risico: het effect dat kan optreden en de kans dat het effect daadwerkelijk optreedt. In het model is gedrag als maatgevend genomen voor de kans dat een effect zal optreden. Op basis van dit inzicht en aangevuld met branchekennis - stelt DCMR de intensiteit van het toezicht vast. INHERENT RISICO HOOG

DIFFERENTIATIE GEDRAG DIFFERENTIATIE GEDRAG

LAAG

GEWENST

ONGEWENST GEDRAG

Figuur 1: Schema toezicht intensiteiten De gebieden waar gedragsaspecten een rol spelen worden gemarkeerd door de groene (betere prestatie dus minder aandacht nodig) en rode lijn (meer aandacht door minder goede prestatie) in het schema. Hoe grijzer hoe meer toezicht.

Door de indeling vindt op twee manieren differentiatie in de aanpak plaats: 1. Verticale (y-)as Op de y-as worden branches ingedeeld op basis van het inherente risico. Hier gaat het om de risicoscores van de branches op de milieuthema’s inclusief de weging van focuspunten uit het MJP. De hoogste score op een van de milieuthema’s en de aanwezigheid van focuspunten uit het MJP per thema bepaalt de plaatsing. Onderaan de as bevinden zich de branches met het laagste inherente risico. Bovenaan de as bevinden zich de branches met het grootste inherente risico. Aan elke branche is bij ‘gemiddeld’ gedrag een basistoezichtniveau gekoppeld. Uitgangspunt voor de mate van aandacht, is dat het toezichtniveau intensiever is, naarmate het inherente risiconiveau inclusief het aantal focuspunten van de branche groter is. Binnen complexe bedrijven zoals raffinaderijen en tank op- en overslagbedrijven is er bovendien sprake van milieuthemascores per type installatie. Dit is nodig, omdat veel milieuthema’s al resulteren in een hoogste score (zie bijlage 3) en er gezien de complexiteit ook binnen die hoogste score een onderverdeling noodzakelijk is om effectief toezicht uit te kunnen voeren. 2. Horizontale (x-)as De horizontale as differentieert de bedrijven binnen branches ten opzichte van elkaar op basis van gedragsaspecten (kans).

Deze indeling maakt het mogelijk het basis-toezichtniveau van de in positieve zin (minder toezichtlast) of in negatieve zin (meer toezichtlast) bij te

15 Zie bijlage 5met definitie voor maatwerk 16 zie bijlage 5 met definitie voor risico

67 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

stellen. Het gedrag is ook bepalend voor het al of niet aanpassen van het in te zetten instrumentarium. De groene en rode lijn in het schema markeren de gebieden waar gedragsaspecten een rol spelen. Deze (gekromde) lijnen laten zien dat gedragsaspecten een grotere rol spelen naarmate het inherente risiconiveau groter wordt. Dit wil zeggen dat bij bedrijven die in de hoogste risicocategorie vallen, eerder sprake is van een individuele aanpak op basis van gedragsaspecten dan bij bedrijven die in een lagere risicocategorie vallen. Op basis van gedragsaspecten deelt DCMR de bedrijven binnen een branche in drie groepen in:

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

STAP 2: GEMOTIVEERDE KEUZEVRIJHEID INSTRUMENTENMIX

De ‘aanpak op maat’ kent dus meerdere toezichtintensiteiten voor branches en bedrijven met daarbinnen differentiatiemogelijkheden op basis van gewenst of ongewenst gedrag. En bij provinciale bedrijven is bovendien sprake van differentiatie voor installaties en activiteiten. Iets dergelijks geldt ook voor de gemeentelijke bedrijven maar daarbij wordt de noodzaak voor maatwerk vooral bepaald door het inherent risiconiveau en het gedrag.

Bedrijven met ongewenst gedrag (score RIAN: 3) De bedrijven met een slecht naleefgedrag bevinden zich aan de rechterzijde van de rode lijn in het schema. Voor deze bedrijven wordt, in afwijking van het basis-toezichtniveau, extra toezichtcapaciteit gereserveerd. Dit is gerechtvaardigd omdat het slechte naleefgedrag van de bedrijven de kans op overtredingen verhoogt.

De ‘aanpak op maat’ gaat ervan uit dat per branche/ bedrijf een afweging plaatsvindt met betrekking tot de in te zetten toezichtinstrumenten om tot een juiste mix van deze instrumenten te komen. Ter ondersteuning daarvan is er sinds 2018 binnen DCMR een zogeheten toezichtslab actief. Een gedragskundige, een criminoloog, een communicatieexpert en een beleidsmedewerker werken samen met branchetrekkers aan effectiever toezicht. Het doel is om via experimenten – opgezet en uitgevoerd in samenwerking met de afdeling Inspectie en Handhaving – preventieve en repressieve instrumenten te verbeteren en uit te breiden. Steeds vanuit de ambitie om het toezicht effectiever te maken. Deze werkwijze heeft mogelijk ook invloed op de sanctiestrategie (zie hoofdstuk 5).

Bedrijven met gewenst gedrag (score RIAN: 0) Bedrijven met een bewezen goed naleefgedrag en verdiend vertrouwen, bevinden zich aan de linkerzijde van de groene lijn in het schema. Deze bedrijven verdienen minder toezichtlast omdat de kans op overtredingen minder aanwezig is. De verminderde toezichtlast komt tot uiting in de aanpassing van de instrumentenmix17.

Voorbeelden van een ‘instrumentenmix op maat’ zijn combinaties van informeren over wetgeving, het in samenwerking met brancheorganisaties starten van informatiecampagnes, begeleiden van buurtraden, inzet van mediation, toezicht op systemen, fysieke controle op maatregelen, het verplichten tot het uitvoeren van een livetest en/of een onderzoek naar de veiligheidscultuur.

Bedrijven met gedragsscore neutraal (score RIAN: 1 of 2) Bij deze bedrijven spelen gedragsaspecten minder of geen rol. De toezichtintensiteit op deze bedrijven wordt niet aangepast op basis van de gedragsaspecten.

17 In plaats van een fysieke controle kan bijvoorbeeld worden ingezet op toezicht op afstand of de zelfcontrole.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

De verdere professionalisering van het toezicht leidt tot nieuwe inzichten, het gebruik van nieuwe technieken en aanpassingen in de organisatie. Een ontwikkeling die nu al zichtbaar is, is het toenemende gebruik van remote sensing, evenals andere innovatieve vormen van digitaal toezicht. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om het op afstand uitlezen van registraties. Daarnaast speelt gerichte communicatie, in welke vorm dan ook, een steeds grotere rol bij het realiseren van een hogere nalevinggraad. UITGANGSPUNTEN BIJ TOEZICHTSTRATEGIE De toezichtstrategie kent de volgende zes hoofduitgangs­ punten. Deze hoofduitgangspunten zijn een dwarsdoorsnede van de uitgangspunten uit beleidsdocumenten van onze participanten. Dit zijn de bijlage risicogericht toezicht van de nota VTH, het Integraal HandhavingsPlan (IHP) Rotterdam en afspraken met regiogemeenten. 1 Het toezicht is risicogericht. 2 Het toezicht is maatwerk. De intensiteit van het toezicht is gerelateerd aan het risico en de prestatie van de bedrijven. DCMR baseert de keuze van het toezichtinstrument op het te verwachten effect op regelnaleving en overlastreductie. 3 In het geval van provinciale bedrijven zijn aandachtspunten beschreven, die bij onderdelen van installaties of activiteiten in ieder geval aandacht vragen bij preventief toezicht. 4 De brancheplannen toezicht beschrijven hoe het maatwerk eruitziet.

5 De verantwoordelijkheid voor het naleven van wet en regelgeving ligt primair bij het bedrijf.

Bij het toezicht wordt gebruik gemaakt van een breed palet van toezichtinstrumenten. Preventieve aanpak is vooral gericht op de thema’s veiligheid, lucht, bodem, afval en afvalwater. In branches waar deze thema’s een essentiële

68 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

score (3) hebben, is jaarlijks aandacht voor het thema vereist. De thema’s geluid en geur worden voornamelijk repressief aangepakt. Mobiliteit wordt, waar aan de orde, meegenomen bij het thema energie. Voor een aantal bedrijven binnen enkele branches zijn voor sommige thema’s afspraken met externen gemaakt. Het toezicht hier vindt projectmatig plaats. Bij de thema’s lucht en afvalwater nemen de ZZS-stoffen een belangrijke plek in. Bij het thema afval wordt specifiek aandacht besteed aan circulaire economie. DCMR hanteert bij de uitvoering van risicogericht toezicht daarnaast de volgende uitgangspunten: • Toezicht vindt plaats aan de hand van een branchegerichte benadering. • De risico’s worden ingeschat op basis van: • de potentiële gevolgen van de activiteiten voor het milieu, de veiligheid en gezondheid in de omgeving en duurzaamheid, op brancheniveau, per bedrijf, per installatie of activiteit. • de mate van naleving en het daarbij vertoonde gedrag. • de blinde vlek, ofwel: als DCMR ‘lang’ niet is geweest. • opkomende problemen en lokale prioriteiten. • klachten of incidenten. • inschatting en bevindingen van de toezichthouder. • in het geval van Brzo/RIE-4-bedrijven en andere risicorelevante bedrijven ook de veiligheidsprestatie van het bedrijf, de procesveiligheid en de heersende veiligheidscultuur. • het (actuele) overzicht van het vergunningenbestand.

• Bij alle PZH-bedrijven scoort minimaal één thema van de preventieve aanpak een 3. Daardoor zal hier jaarlijks

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

toezicht plaatsvinden, meestal in de vorm van een inspectie ter plaatse. Dit is overeenkomstig Europese eisen in de RIE. Bij de provincie is het onderscheid gemaakt tussen jaarlijks (score 3) en vijfjaarlijks (score 1 of 2) op basis van themascores. De toezichtfrequentie kan daardoor binnen een bedrijf per installatie en thema variëren. • Bij de meeste gemeentelijke bedrijven zal de aandacht meer variëren, omdat thema’s bij veel van deze bedrijven lager scoren dan 3. De toezichtfrequentie bij gemeentelijke bedrijven is daardoor meestal lager. Ook bij bedrijven die vallen onder gemeentelijk bevoegd gezag, betekent een themascore 3 dat het bedrijf jaarlijks aanlacht krijgt. Een score 1 betekent dat een bedrijf elke vijf jaar aandacht krijgt. Bij een score 2 is dat eens per drie jaar. • De wijze en frequentie van toezichthouden hangt voor alle bedrijven af van een branchegerichte benadering en de uitgangspunten van het risicogericht toezicht. • De branchegerichte benadering passen we daarnaast toe op meer ketengerelateerde activiteiten en activiteiten buiten inrichtingen, zoals asbest, evenementen en bodemverontreiniging. • Door de branchegerichte benadering werd het noodzakelijk hulpstructuren op te zetten. Zo zijn er gebiedscoördinatoren aangesteld. Wanneer de omgevingswet van kracht wordt, moet deze afstemming nog meer aandacht krijgen.

• Voor toezicht maken we gebruik van op de branche toegesneden mix van toezichtinstrumenten, eventueel per bedrijf of groep bedrijven aangepast aan het naleefgedrag en klachten.

18 Voor gemeentelijke bedrijven betekent aandacht niet dat ieder bedrijf incidenteel aandacht krijgt, maar wel het thema binnen die branche.

69 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

BEDRIJFSKENMERKEN OMGEVINGSGEVOELIGHEID TYPE A/B/C BEDRIJF

Schematische toelichting bij de toezichtstrategie en de hiervoor beschreven uitgangspunten (zie ook paragraaf 4).

6

BUDGETTEREN

7

8

KWALITEITSBORGING

BIJLAGEN

ONDERDEEL EFFECT RISICOBEELD = THEMASCORES ZOALS IN RIAN HOOGSTE SCORE PER BRANCHE/ INSTALLATIE

FOCUSPUNTEN THEMASCORES NALEVINGSGEGEVENS KLACHTENBEELD ETC.

STAP 1 RIAN ANALYSE

BUDGETTOEKENNING PER BRANCHE

NADERE ANALYSE BRANCHES

RISICOBEELD KANS EN EFFECT

TOEZICHTINTENSITEIT VASTSTELLEN (ZIE SCHEMA B)

TOEZICHT INSTRUMENTEN

RISICOBEELD KANS/ GEDRAGSCORE

STAP 2 BRANCHEPLAN OPSTELLEN MET INSTRUMENT TOEKENNING

MJP. TOEKENNING FOCUSPUNTEN PER THEMA EN BRANCHE O.B.V. EXPERT KENNIS

RAPPORTAGE

SCORE 2

TOEZICHT ARRANGEMENT 3 JAARLIJKS AANDACHT SCORE 3 THEMA’S OVERIGE THEMA’S 3 TOT 5 JAARLIJKS

TOEZICHT ARRANGEMENT 2-3 JAARLIJKS AANDACHT SCORE 2 THEMA 5 JAARLIJKS

FOCUSPUNTEN PER THEMA EN BRANCHE

BRANCHEPLAN

UITVOEREN BRANCHEPLAN

SCORE 3

TOEZICHT ARRANGEMENT 1 5 JAARLIJKSE AANDACHT

INDIEN FOCUSPUNT DAN OPHOGING AANDACHT VANUIT FOCUSPUNTEN?

AANGEPASTE ARRANGEMENT 3

RISICOBEELD KANS/ GEDRAGSCORE RIAN

SCORE 1

AANGEPASTE ARRANGEMENT 2

AANGEPASTE ARRANGEMENT 1

TOEKENNING PER BEDRIJF BINNEN BRANCHE

BUDGET

EVALUATIE

Figuur 1: Schema A. schematische weergave proces toezichtstrategie – Schematische toelichting bij het onderdeel toezichtintensiteit vaststellen zoals in bovenstaand schema is opgenomen.

Figuur 2: Schema B. Nadere uitwerking onderdeel toezichtintensiteit bepalen.

70 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

3

MEERJARENPROGRAMMA

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

5

EFFECTIEF TOEZICHT

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

INHERENTE RISICOSCORE THEMAS PER BRANCHE branchecluster heeft (potentieel) geen invloed/bijdrage aan thema in Rijnmondgebied branchecluster heeft (potentieel) enige invloed/bijdrage aan thema in Rijnmondgebied branchecluster heeft (potentieel) belangrijke invloed/bijdrage aan thema in Rijnmondgebied branchecluster heeft (potentieel) zeer veel invloed/bijdrage aan thema in Rijnmondgebied

0 1 2 3

GELUID

BODEM

ENERGIE

AFVAL

AFVAL­ WATER

VERVOERS MANAGE- TOTAAL MENT SCORE

BRANCHE

LUCHT

STANK

VEILIG­ HEID

Akkerbouw

1

1

1

0

2

0

1

1

0

7

Afval (beheer) (provinciale bedrijven)

2

2

2

2

3

2

3

2

3

21

Autodemontagebedrijven

1

1

1

2

2

2

3

2

1

15

AWZI en Tankcleaners

1

2

1

2

2

3

3

3

3

20

Bouwnijverheid

1

0

1

1

1

1

1

0

2

8

Chemie (provinciaal bevoegd gezag)

3

2

3

2

2

3

2

3

2

22

Chemie (gemeentelijk bevoegd gezag)

3

2

3

2

2

3

2

2

2

21

Textiel (reinigings-) bedrijven

2

1

1

0

2

2

1

2

0

11

Composteerders-TOP-DOP

1

3

1

2

2

2

3

3

1

18

Droge bulk

2

0

1

2

2

2

0

0

2

11

Spoorweginrichtingen

1

0

3

2

2

1

0

1

1

11

Energie en water excl gasdruk meet en regelstations cat B en C

1

0

1

0

0

1

0

1

0

4

Energie en water gasdruk meet en regelstations cat B en C

0

0

1

0

0

0

0

0

0

1

Energiebedrijven

3

1

2

2

1

3

1

1

2

16

Motorvoertuigen en -herstelinrichtingen

1

1

1

1

2

1

2

2

0

11

Glastuinbouw

2

0

1

1

1

3

2

3

2

15

Grafische activiteiten

1

0

1

1

1

2

1

2

1

10

Groot- en detailhandel

0

0

0

1

0

2

1

1

2

7 71 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

3

MEERJARENPROGRAMMA

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

5

EFFECTIEF TOEZICHT

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

GELUID

BODEM

ENERGIE

AFVAL

AFVAL­ WATER

8

BIJLAGEN

VERVOERS MANAGE- TOTAAL MENT SCORE

BRANCHE

LUCHT

STANK

VEILIG­ HEID

Horeca

0

2

0

3

0

1

2

2

1

11

Installaties

1

0

1

1

1

1

0

1

0

6

Metaalrecycling

1

2

2

2

2

2

3

3

2

19

Metaalelektro

1

1

1

1

2

1

1

1

1

10

Onderwijs

0

0

1

1

0

2

1

0

1

6

Op- en overslag (tank)

3

2

3

1

3

3

1

2

2

20

Op- en overslag afvalbedrijven

1

2

1

2

2

2

3

3

3

19

Op- en overslag gev.stoffen

1

0

3

1

1

1

1

1

2

11

Op- en overslag overig

0

0

1

1

1

1

1

1

2

8

Overige dienstverlening

0

0

0

1

0

2

1

0

2

6

Raffinaderijen

3

3

3

2

3

3

2

3

3

25

Rubber en kunststof

2

1

1

1

2

2

1

2

2

14

Scheepswerven

1

1

1

2

2

2

1

1

1

12

Sport en recreatie

0

0

0

2

0

1

1

1

2

7

Tankstations

2

1

2

1

3

2

0

1

0

12

Veehouderijen

2

2

1

1

1

1

1

1

0

10

Voedingsmiddelenindustrie

0

2

1

1

1

2

2

2

2

13

Concumentenvuurwerk

0

0

2

0

0

0

0

0

0

2

Zorg excl. ziekenhuizen

1

0

1

1

0

2

2

2

2

11

Zorg ziekenhuizen (niet psychiatrisch)

2

0

2

1

2

3

3

2

2

17

72 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

APPENDIX 1

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BEGRIPPENLIJST BIJ DE TOEZICHTSTRATEGIE

DEFINITIE 1: RISICO = KANS (GEDRAG) X EFFECT

Risico is het product van het effect (omvang van de schade) en de kans dat het effect daadwerkelijk optreedt. Binnen DCMR zijn deze twee aspecten van risico als volgt vertaald: KANS = GEDRAGSASPECTEN De kans dat de effecten daadwerkelijk optreden, is gerelateerd aan gedragsaspecten. Dit zijn bijvoorbeeld de staat waarin het bedrijf verkeert en het onderhoud ervan, het niveau waarop het bedrijf de wet- en regelgeving naleeft, de houding van personeel en leiding (cultuur) en de mate waarin het bedrijf overlast veroorzaakt en incidenten voorkomt. EFFECT = INHERENT RISICO Het effect is de potentiële impact die een bedrijf kan hebben op de omgeving. Dit noemen we het inherente risiconiveau van een bedrijf. Het gaat dan over de bron (hoeveel schade de inrichting kan veroorzaken), de ontvanger (hoe kwetsbaar de omgeving is; vergelijk industriegebied en woongebied

met scholen en bejaardentehuizen) en de in het bedrijf te behalen milieuwinst.

De Toezichtstrategie concentreert zich op de planbare, preventieve aanpak.

DEFINITIE 2: NALEVINGSSTRATEGIE

DEFINITIE 4: MILIEUTHEMA

De nalevingsstrategie beschrijft hoe we naleving bevorderen en wat de rol daarbij is van handhaving. Deze strategie bestaat uit de toezichtstrategie (hoe voer ik toezicht uit?) de sanctiestrategie (hoe treed ik op bij overtredingen?) en gedoogstrategie (wanneer zie ik af van handhaving?).

DEFINITIE 3: TOEZICHT

Toezicht bestaat uit preventief en repressief toezicht. Preventief toezicht is gericht op gedragsbeïnvloeding en het bevorderen van spontane naleving van wetten en regels, om zo overtredingen te voorkomen. Voorlichting en informatieverstrekking aan belanghebbenden inspecties ter plaatse zijn daarbij de belangrijkste middelen. Repressief toezicht omvat dwang door toezichthouders om te bewerkstelligen dat mensen zich aan wetten en regels houden of onderzoek doen naar klachten of incidenten.

• DCMR heeft de potentiële impact van overtredingen op de omgeving in het analysemodel RIAN per branche vertaald naar scores op milieuthema’s. De provincie hanteert hiervoor de term aspecten. In deze notitie gebruiken we de term thema. • Voor alle bedrijven onder provinciaal bevoegd gezag zijn deze scores ook bepaald voor de aanwezige installaties. • De milieuthema’s voor DCMR zijn: afval, afvalwater, bodem, energie, geluid, lucht, geur, veiligheid. • Het risiconiveau kan oplopen van 0 of 1/laag/niet relevant, naar 2/gemiddeld/relevant en uiteindelijk de hoogste 3/hoog/essentieel. In de tekst gebruiken we de termen laag, gemiddeld en hoog. • In het meerjarenprogramma heeft DCMR in overeenstemming met de participanten voor bepaalde thema’s focuspunten bepaald, die extra aandacht krijgen.

HOE BEREIKEN WE NALEVING EN WAT IS DE ROL VAN HANDHAVING? NALEVINGSSTRATEGIE

HOE HOUDEN WE TOEZICHT? TOEZICHTSTRATEGIE

HOE TREDEN WE OP BIJ OVERTREDINGEN?

WANNEER EN HOE ZIEN WE AF VAN HANDHAVEN?

SANCTIERATEGIE

GEDOOGSRATEGIE

LANDELIJKE HANDHAVINGSSTRATEGIE PASSEND INTERVENIËREN BIJ IEDERE TIJDENS TOEZICHT GEDANE BEVINDING

73 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

DEFINITIE 5: MAATWERK

• Maatwerk is de variatie in intensiteit die past bij het risico en de prestatie in een branche of bij een bedrijf of installatie. • Toezicht kan op verschillende aspecten gevarieerd worden. De aanpak, frequentie en diepgang kunnen uiteenlopen van weinig intensief tot zeer intensief. • De aanpak kan bijvoorbeeld een inspectie ter plaatse zijn, of het geven van voorlichting tijdens een bijeenkomst met bedrijven. • De diepgang bepaalt de intensiteit waarmee een beheersmaatregel wordt bekeken. Tijdens de inspectie hiervan kan de diepgang variëren van een steekproef op de storingen tot een uitgebreid onderzoek van diverse aspecten van de installatie, zoals onderhoud en inspectie, of de opleiding van het bedienend personeel. • De frequentie bepaalt hoe vaak toezicht plaatsvindt.

74 van 75

Uitvoeringsbeleidsplan MJP 2023-2026 is een uitgave van DCMR Milieudienst Rijnmond contact: Astrid Poppelaars november 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/946/documents/34347