CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Uitvoeringsbeleidsplan Meerjarenprogramma DCMR 2023-2026.pdf

Commissie Samen wonen RK 30 maart 2023, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 12: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven32.487 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het wegen van risico’s vindt primair plaats aan de hand van twee criteria: de kans en het effect. Het toetsingskader voor het beoordelen van risico’s bevat daarom twee vragen die voor elk te prioriteren onderwerp moeten zijn beantwoord: 1 Wat is het ingeschatte potentiële effect van een eventueel “schadegeval” op het moment dat het zich voor doet? 2 Hoeveel situaties vinden er plaats waarin het risico op schade ontstaat (de kans)? Bij het inschatten van de effecten is gekeken naar het effect op veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en leefbaarheid. De inschattingen op die vier aspecten zijn voor drie verschillende gebiedssoorten, gemaakt te weten; de landelijke omgeving, de woonomgeving en de industriële omgeving. Hiermee doen wij recht aan de verschillende karakteristieken van de gebieden van de verschillende participanten. INSCHATTEN BESTUURLIJKE PRIORITEIT Naast de risicobeoordeling willen we ook de bestuurlijke prioriteit en de wettelijke verplichtingen met betrekking tot de verschillende onderwerpen meewegen bij de keuze van de focuspunten. De bestuurlijke prioriteit is ingeschat op basis van het inzicht van de DCMR-experts en vervolgens bijgesteld na een uitvraag bij de ambtelijke vertegenwoordiging van de participanten.

PRIORITERING EN SELECTIE FOCUSPUNTEN Op basis van de combinatie van risicoscores en de score op bestuurlijke relevantie hebben wij een keuze gemaakt voor de focuspunten en beleidsopgaves vanaf 2020.

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

FOCUSPUNTEN MJP

FOCUSPUNTEN EN BELEIDSOPGAVES De volgende criteria zijn aangehouden voor selectie van de focuspunten die zijn opgenomen in dit plan: • De aanpak van de geselecteerde focuspunten draagt in belangrijke mate bij aan één of meer van de genoemde beleidsopgaves: veiligheid, gezondheid, leefbaarheid, duurzaamheid en ondermijning. De focuspunten sluiten daarmee aan op de beleidsprioriteiten van de participanten. • Aandacht is nodig vanwege: o De grootte van de risico’s o Bestuurlijke relevantie o Ontwikkelingen in wet- en regelgeving of andere maatschappelijke ontwikkelingen.

In deze bijlage staan de twaalf geselecteerde focuspunten, met een korte omschrijving waar wij ons de komende vier jaar extra op gaan richten, welke aanpak we hierbij volgen en wat we uiteindelijk willen bereiken. Bij de uitvoering bezien wij de focuspunten waar nodig in samenhang. Gekeken wordt naar een brede inzet van instrumenten vanuit de verschillende hoofdprocessen. Hierbij betrekken wij ketenpartners. Onderwerpen die niet specifiek een focuspunt zijn, blijven uiteraard ook onze aandacht houden. Voor deze onderwerpen geldt dat de reguliere taakuitvoering voldoende is om de risico’s te beheersen. Jaarlijks bekijken we, naar aanleiding van actuele ontwikkelingen, of herijking nodig is. De frequentie en aard van inspecties en het actualiseren en beoordelen van vergunningen, vinden plaats binnen bestaande wettelijke kaders, landelijke afspraken, afspraken met de participanten en de Nota VTH.

40 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

In onderstaande tabel is aangegeven hoe de geselecteerde focuspunten bijdragen aan de genoemde beleidsopgaves. FOCUSPUNTEN EN HOOFDPROCESSEN DCMR Op basis van de gekozen aanpak leiden de focuspunten tot activiteiten in één of meerdere van onze hoofdprocessen. Deze hoofdprocessen zijn toezicht en handhaving, vergunningverlening, advisering of ruimtelijke advisering. Hierbij gaan we uit van een integrale aanpak. De diverse disciplines delen informatie, werken met elkaar samen en stemmen werkzaamheden op elkaar af.

Dit geldt voor de individuele focuspunten, maar zeker ook daar waar er raakvlakken zijn tussen verschillende focuspunten of tussen focuspunten en reguliere taken. Daar waar focuspunten raakvlakken hebben qua scope, doel of effect wordt dit benoemd in de paragrafen: ‘Verbinding

FOCUSPUNTEN

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

tussen focuspunten’. Uiteraard zijn er ook verbindingen tussen focuspunten en reguliere taken. Daar waar een dergelijke verbinding het logisch maakt om in de uitvoering focuspunten en reguliere taken te koppelen (werk-met-werk maken), wordt dit opgenomen in de werkplannen, dan wel brancheplannen. Onderstaande inhoudelijke veranderingen die voortvloeien uit de Omgevingswet is voor een aantal van de focuspunten relevant: • Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt sommige activiteiten niet meer op rijksniveau. De regels voor deze activiteiten komen in het omgevingsplan te staan. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de horecasector. De onderbouwing daarbij is dat de problematiek bij deze sectoren vooral lokaal is. Daarom is besloten om de gemeenten verantwoordelijk te maken voor deze regels.

BELEIDSOPGAVES Veiligheid

4

EFFECTIEF TOEZICHT

FOCUSPUNTEN Ondermijning

Gezondheid

Leefbaarheid

Duurzaamheid

6

BUDGETTEREN

Procesveiligheid

Incidenten

Incidenten

Gevaarlijke stoffen

Gevaarlijke stoffen

Ondermijning

Ondermijning

Geurhinder

Geurhinder

Geluidhinder

Geluidhinder

Zeer zorgwekkende stoffen

Zeer zorgwekkende stoffen

Fijnstof en stikstof

Fijnstof en stikstof

Bodemverontreiniging

Bodemverontreiniging

Energiebesparing

Energiebesparing

Energietransitie

Energietransitie

Circulaire economie

Circulaire economie

8

BIJLAGEN

• Voor heel veel bedrijven zijn de geluidsregels straks niet meer opgenomen in rijksregels maar komen in het omgevingsplan te staan. • Bij onderwerpen die nog wel op rijksniveau worden geregeld is het detailniveau minder en wordt er soms vanuit gegaan dat deze onderwerpen met algemene en specifieke zorgplichtbepalingen kunnen worden gereguleerd. Dit heeft consequenties voor de manier waarop het houden van toezicht wordt uitgevoerd. • De verantwoordelijkheid voor de taken op het gebied van bodemsanering gaan van de provincie naar de gemeenten.

HOOFDPROCESSEN Vergunningverlening

Procesveiligheid

7

KWALITEITSBORGING

Toezicht en handhaving Advisering/ beleid

Ruimtelijke Advisering

41 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.1 PROCESVEILIGHEID IN DE INDUSTRIE INLEIDING

Voor de procesveiligheid is het van belang dat we naast ”ontwerp en techniek” ook kijken naar de operationele veiligheid. Het gaat hierbij om het juist bedienen en opereren van installaties. Naast instrumentele veiligheid heeft ook de veiligheidscultuur een belangrijke rol. Wij kijken de komende jaren ook naar de procesveiligheid bij nieuwe energiedragers en het testen van scenario’s in de praktijk. Procesveiligheid is niet volledig in voorschriften en normen te beschrijven. Wel kunnen we een continue inspanning van het bedrijf verlangen, waardoor het uitgedaagd wordt continu te verbeteren. Aandacht voor operationele veiligheid draagt bij aan het voorkomen van incidenten en de gevolgen hiervan.

BELEIDSOPGAVE Veiligheid GEBIEDSSOORT Bedrijven waarvoor operationele veiligheid een relevant issue is, bevinden zich voornamelijk in het industriële gebied. Gezien de potentieel grote effecten, reikt het veiligheidsrisico tot in de woonomgeving (veelal stedelijk, mogelijk ook landelijk). SCOPE Dit focuspunt draait om het veilig opereren van (risicovolle) installaties en de veilige toepassing van nieuwe energiedragers. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn: veiligheidscultuur, alarmmanagement, cybersecurity, procesbesturing, kritische instrumentatie en andere operationele aspecten. De hoofdprocessen die relevant zijn

voor de aanpak van dit focuspunt zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving en ruimtelijk adviseren/beleid. Relevante branches zijn onder meer chemie, tank op- en overslag en raffinaderijen. DOELSTELLING Wij willen dat bedrijven komen tot verbetering van hun veiligheidsprestaties om het aantal incidenten met een operationele oorzaak te verminderen.

AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN

VERGUNNINGVERLENING: Wij onderzoeken of we door voorschriften op te stellen de invulling van cybersecurity bij bedrijven verder kunnen concretiseren. TOEZICHT EN HANDHAVING Wij informeren, controleren en handhaven met extra aandacht voor procesveiligheid. Dit zorgt voor verbetering van de procesveiligheid zoals alarmmanagement, procesbesturing, kritische instrumentatie en andere operationele aspecten, mede voor de procesveiligheid van nieuwe energiedragers. Wij houden toezicht op het testen van scenario’s in de praktijk.

We adviseren over de veilige ruimtelijke inpassing van nieuwe energiedragers. INDICATOREN • Aantal overtredingen op het thema veiligheid. • Resultaten van cultuurmetingen. • Benchmark op cybersecurity. • Ervaringen van ondernemingen over de veiligheidscultuur. • Aantal veiligheidsadviezen in ruimtelijke plannen over nieuwe energiedragers. VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN Dit focuspunt heeft een binding met het focuspunt ‘Beperken van de gevolgen van incidenten’. Die verbinding zit in het feit dat een vergroting van de Procesveiligheid in de industrie een bijdrage levert aan het voorkomen van het ontstaan van incidenten. Daarnaast kan er raakvlak ontstaan met het focuspunt Energietransitie, waar nieuwe brandstoffen gestimuleerd worden. Deze moeten uiteindelijk ook opgeslagen worden.

Terug naar tekst

ADVISEREN/BELEID Met communicatie, kennisdeling en informatie stimuleren we bedrijven om continu bezig zijn met het verbeteren van hun veiligheidscultuur. Dat beïnvloedt de houding en het gedrag van medewerkers op een positieve manier. Uitvoeren van een vijfjaarlijkse veiligheidscultuurbeoordeling per bedrijf en een cultuurmeting ter vergelijking tussen bedrijven.

42 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.2 BEPERKEN VAN DE GEVOLGEN VAN INCIDENTEN INLEIDING

De overheid beoordeelt met risicostudies (QRA en HAZOP) of een bedrijf zich op een locatie kan vestigen. Het gaat dan over bedrijven die onder de Sevesorichtlijn vallen (eerder Bevi). In de risicostudies staan kritische veiligheidsvoorzieningen die bepalend zijn voor beperking van de omvang van een incident of de kans dat een incident kan voorkomen. Verder vindt er onderzoek plaats naar de omgeving: of er gevoelige objecten liggen binnen het risico-, invloeds-, of aandachtsgebied van het bedrijf. In de vergunning dienen de kritische veiligheidsvoorzieningen te staan. Deze moeten voldoen aan de beste beschikbare techniek. Wanneer bedrijven niet aan die eisen voldoen, ontstaan er vermijdbare veiligheids- en milieurisico’s. Tijdens inspecties is onderzoek nodig of een bedrijf nog steeds aan de uitgangspunten van de risicostudies voldoet. Daarnaast is het van belang dat bedrijven leren van incidenten en ze steeds opnieuw de juiste voorzorgsmaatregelen nemen om incidenten te voorkomen en gevolgen te beperken. De komende jaren kijken wij ook naar de gevolgen van incidenten bij nieuwe energiedragers (zoals waterstof, ammoniak en Lithiumbatterijen).

BELEIDSOPGAVE Veiligheid GEBIEDSSOORT De combinatie van de aanwezigheid van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen of risicovolle installaties in een relatief dicht bewoond gebied, komt voornamelijk voor in de gebieden industrie (bron) en stedelijk (effect).

SCOPE Dit focuspunt omvat het voorkomen van incidenten en het beperken van de gevolgen van een incident bij Seveso/ Bevi-bedrijven. Relevante hoofdprocessen in de aanpak zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving en ruimtelijke advisering. DOELSTELLINGEN Wij willen zware ongevallen zoveel mogelijk voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu zoveel mogelijk beperken. Incidentinformatie voor Seveso/Bevi-bedrijven is op een toegankelijke en goed ontsluitbare wijze vastgelegd en die informatie wordt benut om te leren van incidenten.

AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN

VERGUNNINGVERLENING: Het actueel maken en houden van de vergunningen van risicovolle bedrijven (Seveso/Bevi) aan de hand van actuele risicostudies. Hiertoe behoort ook de optie om financiële zekerheid als vereiste toe te voegen.

Bij de actualisatietoets besteden we expliciet aandacht aan de huidige vergunning: is deze passend en zijn er mogelijk veiliger alternatieven op basis van actuele risicostudies. TOEZICHT EN HANDHAVING Tijdens controles onderzoeken we of een bedrijf nog steeds aan de uitgangspunten van de risicostudies voldoet. Wij onderzoeken en analyseren incidenten bij bedrijven binnen en mogelijk buiten de regio. De hierbij gevonden trends, de resultaten en analyse gebruiken wij als input voor het risicogericht toezicht op bedrijven.

We brengen het databeheer van incidenteninformatie op orde voor Seveso/Bevi-bedrijven (compleet, overzichtelijk). Door communicatie en kennisdeling stimuleren we bedrijven om te leren van incidenten en om nieuwe incidenten te voorkomen. RUIMTELIJKE ADVISERING Bij vestiging, uitbreiding of gebiedsontwikkeling toetsen we de QRA en risicokaart. INDICATOREN • Aantal incidenten (ongevallen) bij Bevi-bedrijven. • Percentages inspecties waarbij de QRA niet op orde was. • Aantal gewijzigde vergunningen op kritische veiligheidsvoorzieningen. • Aantal Bevi-bedrijven waar kennisdeling- of overdracht heeft plaatsgevonden. • Aanwezigheid van goed ontsloten, complete en overzichtelijke incidenteninformatie. VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN Dit focuspunt heeft een binding met het focuspunt: ‘Procesveiligheid in de industrie’. Die verbinding zit in het feit dat het beperken van de gevolgen van een incident uit twee dimensies bestaat: het voorkomen van het ontstaan van een incident en het beperken van de gevolgen van een incident als het heeft plaatsgevonden. Dit focuspunt gaat meer in op de tweede dimensie. Het focuspunt Procesveiligheid in de industrie gaat vooral in op de eerste dimensie.

Terug naar tekst

43 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.3 VEILIG OPSLAAN EN OMGAAN MET GEVAARLIJKE STOFFEN INLEIDING

Opslag van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Om die risico’s zoveel mogelijk te beperken, moeten bedrijven maatregelen nemen. Deze maatregelen staan in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (verder PGS). PGSrichtlijnen bevatten doelen die de risico’s beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu beperken. Op dit moment worden veel PGS-reeksen geactualiseerd. Het is belangrijk dat wij zorgen dat bedrijven de meest actuele PGS’en toepassen bij de opslag van gevaarlijke stoffen. Dit verkleint het restrisico voor de omgeving. Met name relevant binnen dit focuspunt zijn de PGS 15, 29 en 31. Ook de opslag van lithiumhoudende energiedragers (PGS 37 is in ontwikkeling) behoort daartoe.

BELEIDSOPGAVE Veiligheid en gezondheid GEBIEDSSOORT Het gaat om bedrijven in industrieel gebied. De risico’s kunnen effect hebben op een veilige en gezonde leefomgeving. Het veiligheidsrisico kan reiken tot in de woonomgeving (veelal stedelijk, mogelijk ook landelijk). SCOPE Alle bedrijven waar opslag en activiteiten plaatsvinden met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen en die vallen binnen het werkingsgebied van de PGS 15, 29, 31 en 37. Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak zijn vergunningverlening en toezicht en handhaving.

DOELSTELLINGEN • Het aantal overtredingen met gevaarlijke stoffen per jaar vertoont een dalende trend. • Het aantal incidenten met gevaarlijke stoffen per jaar heeft een dalende trend. • Minimaal 75 procent van de vergunningen is geactualiseerd op basis van de PGS 15, 29,31 en 37. • Minimaal 75 procent van de uitgevoerde controles bij PGS-bedrijven hebben PGS als aandachtspunt.

AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN

Voor PGS 31 sluiten we aan bij de landelijke afspraken. VERGUNNINGVERLENING Wij passen vergunningen van bedrijven aan zodat de meest actuele PGS 15, 29, 31 en 37 van toepassing is op hun opslagactiviteiten met gevaarlijke stoffen. TOEZICHT EN HANDHAVING Wij houden expliciet toezicht op de naleving van de PGS’en en treden handhavend op als de bedrijven zich niet houden aan de gestelde eisen. INDICATOREN • Aantal en aard incidenten met gevaarlijke stoffen. • Aantal bedrijven met een geactualiseerde vergunning (ten opzichte van het aantal PGS-bedrijven met verouderde voorschriften). • Aantal controles bij bedrijven met PGS’en als aandachtspunt. • Aantal overtredingen omtrent PGS’en.

Terug naar tekst

44 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

1.4 ONDERMIJNING EN MILIEUCRIMINALITEIT VOORKOMEN INLEIDING

De aanpak van ondermijnende criminaliteit staat hoog op de agenda, zowel landelijk als bij de gemeenten in ons werkgebied. Bedrijven zijn steeds vaker een dekmantel voor criminele activiteiten. Wij zien de vermenging van onder- en bovenwereld in een aantal branches terug: bij garagebedrijven, horeca, afvalverwijderingsbedrijven en opslagboxen op bedrijventerreinen. Van een groot percentage bedrijfspanden, stallen en loodsen in de regio is het feitelijke gebruik onbekend. Zicht van de overheid ontbreekt of is versnipperd over verschillende organisaties, waarmee het risico op ondermijning toeneemt. Naast de aanpak van ondermijning, waarin we samen optrekken met de gemeenten, is binnen ons reguliere werkveld met name bij de afvalbranches het risico op crimineel gedrag hoog. Het verdienmodel nodigt uit tot crimineel handelen. Bedrijven krijgen vaak betaald voor het innemen van afval nog voordat ze de verwerking hebben geregeld. Dit levert grote milieu- en gezondheidsrisico’s omdat de bedrijven het afval onjuist kunnen verwerken en dumpen. Zo kan het afval in de leefomgeving of voedselketens terecht komen. Het aanpakken van deze milieucriminaliteit is arbeidsintensief en vraagt een regiooverstijgende ketenaanpak.

8

Incl. Asbest en Bodem

BELEIDSOPGAVE Ondermijning en leefbaarheid GEBIEDSSOORT De focus ligt in eerste instantie op industriegebieden en bedrijventerreinen, maar onze blik wordt ook steeds relevanter in het landelijk en stedelijk gebied. SCOPE Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak zijn vergunningverlening en toezicht en handhaving (inclusief intelligence en opsporing). Branches waar dit speelt zijn garagebedrijven, horeca, detailhandel, opslaglocaties en afval. DOELSTELLINGEN Wij willen ondermijning samen met de andere overheidspartners zoveel mogelijk aan het licht brengen en aanpakken en we willen barrières opleggen om ondermijning in specifieke branches in de toekomst tegen te kunnen gaan. Door een ketenaanpak om criminele activiteiten tegen te gaan, willen we de milieurisico’s in de afvalsector verminderen. AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN Door inzet van data en informatie achterhalen wij waar mogelijk sprake is van ondermijnende activiteiten in een bepaald geografisch gebied. Vanuit onze datagedreven organisatie willen wij niet alleen fysiek maar ook digitaal de ogen en oren zijn van de overheid. Door regiobrede deelname, landelijke afstemming en een ketenaanpak in de afvalsector dragen we bij aan een uniforme aanpak. Zo voorkomen we een waterbedeffect.

DIT LEIDT TOT DE VOLGENDE ACTIVITEITEN:

VERGUNNINGVERLENING Bij startnotities binnen de afvalsector vindt er conform Bibob-beleid een check plaats op het risico op milieucriminaliteit.

TOEZICHT EN HANDHAVING • Proactieve bijdrage ondermijningsacties van de gemeenten in meerdere branches. • Deelname aan de gezamenlijke inspectie met ketenpartners, inclusief het leveren van data-analyses, en het delen van informatie. • Het opleiden van toezichthouders in het herkennen van signalen van ondermijning. • Afstemming over de geplande controles en integrale acties tussen ons en de gemeente. • Ketenaanpak milieucriminaliteit in de afvalsector. • Data-analyse van afval, asbest en grondstromen. Hiermee kunnen we gericht probleembedrijven indiceren voor proactieve opsporing en (keten)toezicht. • Controleren op illegaal verwijderen van asbest samen met handhavingspartners. • Uitvoeren van Bibob-onderzoeken conform vastgesteld beleid. INDICATOREN • Aantal keren dat DCMR deelneemt aan ondermijningsacties. • Aantal risicoanalyses voor participanten. • Aantal gecontroleerde bedrijfspanden door ondermijningsteams per gemeente. • Aantal strafrechtelijke onderzoeken in de afvalbranche. • Aantal Bibob-onderzoeken totaal en binnen de afvalbranche.

Terug naar tekst

45 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.5 GEURHINDER VOORKOMEN INLEIDING

De afgelopen drie jaar maakten inwoners binnen ons werkgebied gemiddeld ruim 5.600 keer keer per jaar melding van geurhinder. Geurhinder kan verschillende oorzaken hebben. Geurhinder als gevolg van voedsel­ bereiding bij horeca en detailhandel komt voor onder of vlak naast woningen, waarbij de uitlaat op leefniveau uitkomt en de ontgeuringsinstallaties niet voldoende functioneren. Bij de voedingsmiddelenindustrie kan geurhinder optreden bij specifieke processen waarbij de geuremissies niet onder controle zijn. De grootste geurhinder wordt veroorzaakt door de branche ‘houden van dieren’ (veehouderijen, maneges, mestopslagen, insectenkwekerijen). Het is het gevolg van het niet voldoen aan de geldende afstandseisen en/of illegale uitbreidingen. Daarnaast kunnen ook de aanwezige luchtwassers niet voldoende functioneren. Bij de grote industrie ontstaat geurhinder vaak bij een niet goed functionerende dampretourverwerking of te snel pompen. Niet doelmatig werkende ontgeuringsinstallaties, luchtwassers of andere nageschakelde technieken ter voorkoming van geuremissie, veroorzaken vaak geurhinder. Hinder door geur kan, zeker als die regelmatig optreedt, een ernstige verstoring van de leefomgeving en het woongenot betekenen. Tegelijkertijd lijkt er sprake van een verlaging van de tolerantiegrens voor geuroverlast. Burgers ervaren eerder overlast en maken hier ook vaker melding van.

De woningbouwopgave van de gemeenten heeft tot gevolg dat bedrijvigheid en woningen dichter bij elkaar komen, 9

waarmee het risico op geurhinder toeneemt. Daarom besteden we de komende jaren aan de voorkant van projecten extra aandacht aan de advisering over geurhinder. Geurhinder was ook onderdeel van het vorige MJP. Destijds lag de focus op geurhinder van de industrie. Niet alleen industriële bedrijven veroorzaken geuroverlast en daarom kiezen we voor dit MJP een aanpak in meerdere branches, industrieel en mkb.

BELEIDSOPGAVE Leefbaarheid GEBIEDSSOORT Geurhinder komt voor op en rond industrieel gebied, in landelijk en in stedelijk gebied. SCOPE Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak zijn toezicht en handhaving, vergunningverlening, advisering/beleid en ruimtelijke advisering. Relevante branches zijn horeca, detailhandel (voedselbereiding), voedingsmiddelenindustrie, houden van dieren, chemie, afval(water)verwerkers, tank op- en overslag en raffinaderijen.

van ontgeuringsinstallaties, luchtwassers of andere nageschakelde technieken. Extra aandacht voor het aspect geurhinder bij advisering rond ruimtelijke plannen aan de gemeenten.

DIT LEIDT TOT DE VOLGENDE ACTIVITEITEN:

VERGUNNINGVERLENING We actualiseren vergunningen voor in elk geval de BREF afvalverwerking en de BREF Large Volume Organic Chemical Industry (voortzetting lopend traject).

Als vast onderdeel van de actualisatietoets gaan we ook na of er geurklachten zijn, of bedrijven voldoen aan het geurmaatregelniveau of vergund hinderniveau en of er (aanvullende) nageschakelde techniek nodig is. Op aangeven vanuit toezicht bekijken wij in geval van klachten bekeken of de vergunning geactualiseerd dient te worden.

DOELSTELLING We willen geurhinder, ervaren door burgers, verminderen en waar mogelijk voorkomen.

TOEZICHT EN HANDHAVING Voor de relevante branches wordt een proactieve aanpak op de aanwezigheid van en de doelmatig werking van ontgeuringsinstallaties, luchtwassers of andere nageschakelde technieken opgenomen in de brancheplannen.

AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN De focus van de aanpak van geuremissie richt zich op twee punten: verscherpt toezicht en handhaving en regulering op de aanwezigheid, onderhoud en doelmatige werking

Voortzetting inzet geurrondes bij blijvende geuroverlast. We scherpen het uitrukprotocol milieupiket bij geurklachten aan waardoor we de problemen sneller kunnen onderzoeken en oplossen.

Binnen de Veehouderijen is de aanpak van geurhinder in grote lijnen anders dan dit focuspunt (o.a. op basis van de wet geurhinder bij veehouderijen).

De aanpak voor inspectie bij bedrijven met landbouwhuisdieren wordt in het brancheplan Houden van dieren uitgewerkt en op basis daarvan uitgevoerd.

46 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

ADVISERING/BELEID We brengen de (gecumuleerde) geurbelasting van meerdere bedrijven in een gebied in beeld, zodat we een reëler beeld van de werkelijke geurbelasting in woonwijken en bedrijventerreinen kunnen geven. RUIMTELIJKE ADVISERING Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen adviseren we proactief over luchtkwaliteit én over geur. We ontwikkelen daarvoor een format dat we gebruiken bij de advisering aan de gemeenten als het ruimtelijke ordening betreft. INDICATOREN • Aantal klachten over geurhinder die niet het gevolg zijn van incidenten. • Nalevingspercentages aanwezigheid, onderhoud en doelmatigheid nageschakelde technieken binnen de horeca. • Aantal overtredingen op geur binnen de industriële branches. • Aantal adviezen voor vergunningverlening en ruimtelijke projecten waarin geur als onderwerp is meegenomen. VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN Het focuspunt geur heeft een relatie met energietransitie en circulaire economie. Dit begint bij het nemen van bronmaatregelen om geuremissie te voorkomen, maar het beperkt zich daartoe niet. Het gaat ook over het verantwoord omgaan met energie bij de keuze voor de toepassing van nageschakelde technieken en het gaat bij die keuze ook over productterugwinning, voorkomen van afval of hergebruik van product bij terugwinning.

Bij vergunningverlening en (ruimtelijke) advisering moet daarvoor aandacht zijn en het moet leiden tot concrete overwegingen.

Terug naar tekst

47 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.6 GELUIDHINDER VOORKOMEN INLEIDING

Geluidhinder10 heeft een negatief effect op de gezondheid, de leefbaarheid van de woonomgeving. Het maatschappelijk draagvlak voor geluidproducerende activiteiten neemt af. Tegelijkertijd is er sprake van realiseren van nieuwe woningen in de buurt van geluidbronnen waarmee het risico op geluidhinder verder toeneemt. We moeten de balans tussen leefbaarheid en het ruimtegebruik dus goed in de gaten houden. We richten ons binnen dit focuspunt op twee onderwerpen: • Het voorkomen van hinder van nestgeluid van afgemeerde schepen. • Het verminderen van geluidhinder door vrijetijdsbesteding (horeca, sport en recreatie en evenementen). Geluidhinder in de horeca was ook een focuspunt in het vorige MJP. De aanpak, gericht op preventie, heeft al geleid tot minder geluidklachten in de horeca en dit zetten we met het huidige MJP door. We verbreden dit naar de aanpak van geluidsoverlast voor de sport en recreatie en evenementen en de aanpak van nestgeluid. Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen produceren als er niet op of aan de schepen wordt gewerkt en er geen laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Nestgeluid kan leiden tot geluidoverlast bij omwonenden. Naast het hinderaspect zijn er ook juridische aspecten. Veel bedrijven in het Rijnmondgebied waar schepen afmeren moeten een verandervergunning aanvragen om nestgeluid mee

te nemen in de geluidvoorschriften. Nestgeluid kan effect hebben op woningbouwplannen in de omgeving van bedrijven waar schepen aan de kade liggen. Ook kan het effect hebben op de beschikbare geluidruimte en de ontwikkelingsmogelijkheden van de haven. De branches horeca, sport en recreatie en evenementen hebben een gemeenschappelijke uitdaging. Aan de ene kant zijn het branches die zorgen voor vermaak en ontspanning voor inwoners. Tegelijkertijd komt het merendeel van de geluidgerelateerde klachten (geluid11, trilling- en contactgeluiden) vanuit deze branches. De afgelopen jaren zien we een toename van evenementen, 24-uurs sportscholen en buiten sporten. Ook de horeca blijft een bron van geluidhinder voor inwoners. Met de toenemende verdichting van de woonomgeving verwachten we dat deze trend doorzet. Hierbij is het de uitdaging de balans tussen rust en reuring te bewaken. Zo voorkomen we overbelasting van (woon)gebieden en houden we deze gebieden leefbaar.

BELEIDSOPGAVE Leefbaarheid en gezondheid GEBIEDSSOORT Nestgeluid speelt met name waar industriële gebieden (haven) en stedelijke gebieden bij elkaar komen. Geluidhinder bij de horeca, sport en recreatie en evenementen speelt met name in de stedelijke omgeving.

10 Geluidhinder inclusief hinder van laagfrequent geluid en trillingen.

SCOPE Nestgeluid van afgemeerde schepen is relevant voor alle hoofdprocessen: vergunningverlening, inspectie en handhaving, advisering/beleid en ruimtelijke advisering.

Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak horeca, sport en recreatie en evenementen zijn toezicht en handhaving, advisering/beleid en ruimtelijke advisering. DOELSTELLINGEN Nestgeluid Minder geluidhinder door nestgeluid. Binnen het project ‘nestgeluid werkgebied DCMR’ willen we hieraan bijdragen met het reguleren van nestgeluid. Horeca, sport en recreatie en evenementen We willen een betere balans verkrijgen tussen vrijetijdsgeluid en de woonomgeving. Dat moet leiden tot minder geluidsklachten vanuit de branches horeca, sport en evenementen.

AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN

NESTGELUID VERGUNNINGVERLENING Binnen project nestgeluid werken we samen met gemeenten aan een aanpak voor nestgeluid van afgemeerde schepen. Er wordt een strategie opgesteld om, op termijn, nestgeluid op te nemen in omgevingsvergunningen, waardoor nestgeluid bij bedrijven wordt gereguleerd. Ook worden voorstellen geformuleerd hoe om te gaan met nestgeluid in woningbouwplannen en in handhavings­ kwesties. De implementatie gebeurt in overleg met de gemeenten.

11 Klachten over vliegverkeer zijn hierbij buiten beschouwing gelaten 12 De Covid-19 maatregelen hebben in 2020 en 2021 vanzelfsprekend gezorgd voor minder overlast van horeca en evenementen.

48 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

Omdat bij de vaststelling van de geluidzones van industrieterreinen in de jaren ’90 geen rekening is gehouden met nestgeluid, kan dit tot knelpunten leiden. Wij inventariseren de benodigde en beschikbare geluidruimte van bedrijven en industrieterreinen en kijken of knelpunten oplosbaar zijn met maatregelen/maatwerk.

HORECA, SPORT EN RECREATIE EN EVENEMENTEN

TOEZICHT EN HANDHAVING In de brancheplannen voor Horeca, Sport en Recreatie en Evenementen zetten we de aanpak op geluidhinder voort en breiden we die op de volgende punten uit:

We adviseren de gemeente over geluidgerelateerd beleid, bijvoorbeeld algemeen evenementen- of horecabeleid. Maar bijvoorbeeld ook bij het verplaatsen van activiteiten van binnen naar buiten (terrassen, buitensport) en bij bestemmingswijzigingen van locaties (voordat detailhandel of kantoor, horeca en/of fitnessruimte wordt). We adviseren de gemeente over het waar, wanneer en hoe bij evenementen en we trekken samen op met de gemeenten als het gaat om het versterken van de communicatie naar de omgeving (omwonenden) bij evenementen. We voeren geluidmeetronden uit en zetten de monitoring van horecaconcentratiegebieden voort. We geven voorlichting aan ondernemers en verenigingen over normen en mogelijke uitzonderingen. ADVISERING/BELEID Een belangrijk onderdeel van geluid(hinder) is de beleving. We hebben en vragen in de komende jaren extra aandacht voor dit aspect. Met nader onderzoek krijgen we meer inzicht in de beleving van geluidhinder en voorkomen we dat de focus enkel ligt op normoverschrijding.

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

RUIMTELIJKE ADVISERING We benoemen kwaliteitscriteria voor horecaconcentratie­ gebieden. Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen adviseren we proactief over geluid. INDICATOREN • Aantal handhavingszaken • Aantal verleende beschikkingen waarin nestgeluid als geluidbron is opgenomen • Aantal klachten over nestgeluid • Percentage bedrijven in de branches horeca en sport en recreatie met meldingen van geluidhinder • Aantal klachten over geluidhinder door evenementen VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN: NIEUWE GELUIDSRISICO’S EN -KANSEN De energietransitie is in volle gang. Windparken worden op steeds meer plekken gerealiseerd en geprojecteerd. Ook de warmtepomp is een nieuwe geluidsbron die in de woongebieden wordt geïntroduceerd. Daarnaast neemt het gebruik van airconditioning toe. Deze nieuwe bronnen zijn niet altijd aan regels gebonden of vallen buiten onze bevoegdheid. Toch zullen zij impact hebben op de hinderbeleving en de gevoeligheid van mensen voor geluid. Anderzijds kunnen, bij de elektrificatie van materieel, verbrandingsmotoren juist worden omgezet in elektromotoren. Hierdoor is winst te behalen met een lagere geluidemissie. Voor deze ontwikkelingen is aandacht nodig bij (nieuw)bouwprojecten en energietransitieprojecten.

Omdat bovenstaande onderwerpen in ontwikkeling zijn, hebben we in dit MJP geen losstaande aanpak gedefinieerd, maar zullen we deze verweven in onze reguliere werkzaamheden en de projecten die voortkomen uit dit MJP.

Terug naar tekst

49 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.7 ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN ZZS EN PFAS VERMINDEREN INLEIDING

Een zeer zorgwekkende stof is een stof die gevaarlijk is voor mens of milieu omdat deze bijvoorbeeld carcinogeen, mutageen of reprotoxisch is of zich in de voedselketen ophoopt. Het voorkomen van verspreiding van deze stoffen naar lucht, bodem, afvalwater en via afval(verwerking) is dus belangrijk voor het behouden van een gezonde leefomgeving. ZZS kunnen in de bodem terechtkomen door het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de bodem. Het Besluit bodemkwaliteit (verder Bbk) houdt onvoldoende rekening met ZZS. Wij hanteren een brede definitie van ZZS, die verder gaat dan de huidige stoffenlijsten van het RIVM. De volgende stoffen behoren volgens ons eveneens tot de groep ZZS: • ‘opkomende stoffen’, zoals genoemd door de waterkwaliteitsbeheerders. Dit zijn stoffen waarvan de schadelijkheid nog niet volledig bekend is. • stoffen die het RIVM bestempelt als: ”behandelen als ZZS” of “behandelen als potentiële ZZS”. • potentiële ZZS. • door bedrijven zelf geclassificeerde stoffen als CMR1A/B. We bekijken per participant hoe strikt we deze brede definitie toepassen. Nieuw is het geven van meer inzicht in PFAS als onderdeel van ZZS, het keten- en signaaltoezicht bij ZZS-houdende stoffen en voor het inzetten op landelijke regelgeving om minimalisatie van ZZS richting lucht, bodem, afval en producten te realiseren.

SCOPE Alle bedrijven die ZZS emitteren. Alle stoffen die aan ZZScriteria voldoen (zie Inleiding). Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak zijn vergunningverlening, toezicht en handhaving en advisering/beleid. DOELSTELLINGEN • Wij willen blijvend zicht hebben op bedrijven die ZZS emitteren. • Wij willen blijvend zicht hebben op bedrijven die zich ontdoen van afval met ZZS alsmede op bedrijven die afval met ZZS verwerken. • Wij willen de uitstoot en lozing van ZZS naar lucht, bodem, afvalwater en via afval(verwerking) minimaliseren. • Wij willen specifiek en blijvend zicht hebben op emissies van PFAS. AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN Bedrijven moeten zoveel mogelijk de verspreiding van ZZS voorkomen. Dat wil zeggen het streven van een bedrijf moet zijn gericht naar 0. Als dat niet kan dan treffen ze reductiemaatregelen. Bij toestemmingen voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen (Bbk), houden we extra rekening met ZZS. VERGUNNINGVERLENING Indien nodig passen we op basis van de aangeleverde gegevens in het kader van het ZZS-uitvraagproject voor de provinciale bedrijven en/of op basis van de vijfjaarlijkse informatieplicht (ambtshalve) de vergunning aan.

We werken uit hoe we de regulering van ZZS extra aandacht kunnen geven als het gaat om de toestemming die volgt op meldingen Bbk. TOEZICHT EN HANDHAVING De DCMR houdt expliciet toezicht op de naleving van de in de vergunning en/of het Bal-gestelde eisen met betrekking tot de emissies van ZZS naar lucht, bodem, afvalwater en/of via afval(verwerking).

Bedrijven moeten onder andere een vermijdings- en reductie programma (V&R) opstellen waarmee de continue aandacht voor de ZZS-emissies wordt gerealiseerd. Bedrijven moeten onder meer verplicht één keer per vijf jaar rapporteren over de voortgang (informatieplicht) van het Vermijdings- en Reductieprogramma. Wij controleren op de naleving hiervan. We houden zicht op de keten bij het transport van ZZShoudende stoffen (bij ontdoener en ontvanger in de regio) en signaleren naar andere regio’s ingeval van risicovolle partijen. ADVISERING/BELEID Als onderdeel van de aanpak investeren wij ook in het informeren van bedrijven over ZZS. Het gaat dan vooral om regels, mogelijkheden en geleerde lessen.

Wij vragen aandacht voor en leveren input aan het ontwikkelen van landelijk beleid op het gebied van een minimalisatieverplichting ten aanzien van het emitteren van ZZS naar bodem, afval en producten.

50 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

INDICATOREN • Een actueel overzicht van de bedrijven die ZZS emitteren/lozen en om welke ZZS het gaat. • Aantal uitgevoerde controles op ZZS. • Percentage gecontroleerde bedrijven dat voldoet aan de emissiegrenswaarden. • Aantal bedrijven dat door ons is geïnformeerd over regels, mogelijkheden en lessons learned met betrekking tot ZZS. • Het aantal bedrijven dat in hun acceptatie en verwerkingsbeleid de voorschriften op afvalstoffen doorgevoerd heeft. • Aantal geactualiseerde vergunningen op het gebied van ZZS PRIORITEITEN In het geval DCMR is genoodzaakt in de uitvoering prioriteiten te stellen dan geldt dat kennis en inzicht in de afvalgerelateerde ZZS en inzicht in de bronnen, emissies en minimalisatie van grote bronnen en ZZS-eigenschap de hoogste prioriteit hebben.

Terug naar tekst

51 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

2

INLEIDING

3

MEERJARENPROGRAMMA

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.8 UITSTOOT VAN FIJNSTOF EN STIKSTOF VERMINDEREN INLEIDING

Bij dit focuspunt gaat het om de vermindering van de uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2.5) en stikstof door bedrijven en activiteiten die onder de verantwoordelijkheid van DCMR vallen. Voor de berekening van de uitstoot hebben wij een relatie gelegd met de WHO-advieswaarden. Met stikstof bedoelen we: stikstofverbindingen. Het gaat dus zowel om stikstofoxiden als om ammoniak. Onder de Omgevingswet is gezondheid een belangrijke beleidsopgave. Fijnstof en stikstofdioxide (NO2) zijn verantwoordelijk voor ongeveer 3,5 procent van de nationale ziektelast en veroorzaken in Nederland jaarlijks 11.000 doden (RIVM, VTV 201813). Luchtvervuiling is daarmee een belangrijke oorzaak van ziekte en kost de gemiddelde Nederlander volgens RIVM dertien maanden levensverwachting14. De huidige wettelijke grenswaarden vormen geen bescherming tegen deze gezondheidseffecten. In 2021 heeft de WHO haar advieswaarden naar beneden bijgesteld (zie PARAMETER

EU-GRENSWAARDE

tabel), omdat gezondheidseffecten en sterfte optreden bij zeer lage concentraties. Daarnaast dragen stikstofoxiden, samen met ammoniak (NH3), bij aan de stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden. Vanwege deze ernstige effecten op de gezondheid en leefomgeving is daarom besloten dit focuspunt de komende jaren extra aandacht te geven. Sinds mei 2019 is het na de uitspraak van de Raad van State lastig om nieuwe activiteiten met een stikstofuitstoot te vergunnen. Als gevolg daarvan is het werkelijk terugdringen van stikstofemissie noodzakelijk voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen, bouwplannen en industriële uitbreidingen. Het Schone Lucht Akkoord (SLA), afgesloten en ondertekend door het Rijk, gemeenten en provincies onderschrijft en benadrukt het belang van emissiereductie voor de volksgezondheid. Binnen ons gebied hebben verschillende participanten het SLA ondertekend en zijn de uitgangspunten door alle participanten onderschreven. Sommige maatregelen vanuit het klimaatakkoord leiden tot een verminderde uitstoot van

OVERZICHT WIJZIGING WHO ADVIESWAARDEN 2005

HUIDIGE RIJNMOND CONCENTRATIE

2021

NO2

40 µg/m

40 µg/m

10 µg/m3

22 à 30 µg/m3

PM10

40 / 31 µg/m3

20 µg/m3

15 µg/m3

18 à 20 µg/m3

PM2,5

25 µg/m3

10 µg/m3

5 µg/m3

10 à 12 µg/m3

3

3

13 https://www.vtv2018.nl/sites/default/files/2018-08/112810_010513_VTV_kernboodschappen_TG3_1.pdf (pag. 17)

fijnstofemissies, maar vooral tot verminderde uitstoot van luchtvervuiling. Bij het terugdringen van de emissies zijn de eisen uit het Activiteitenbesluit, het BAL en de vergunningvoorschriften leidend. Tevens geeft het SLA richting: het richt zich op het inzetten van een dalende trend van emissies van stikstofdioxide en fijnstof naar de lucht.

BELEIDSOPGAVE Gezondheid en leefbaarheid GEBIEDSSOORT Belangrijke bronnen van de uitstoot zijn industrie, energieproductie en het transport over weg en water. Stikstofdioxiden en fijnstof vormen vooral een binnenstedelijk probleem, omdat de meeste mensen hier worden blootgesteld. Daarnaast is het een probleem in landelijk gebied, omdat de effecten van stikstofdepositie

een probleem voor landelijke kwetsbare natuur en stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden vormen. Naast steden en industriegebieden laten ook gebieden met intensieve veehouderij relatief verhoogde concentraties zien. SCOPE Het gaat hier vooral om fijnstof, stikstofoxiden en ammoniak. Bij fijnstof gaat het om PM10 en PM2.5. Voor de aanpak gaat het om de processen van vergunningverlening, toezicht en handhaving en advisering/beleid. In 2021 heeft de Gezondheidsraad aandacht gevraagd voor ultrafijnstof. Hoewel er rond ultrafijnstof nog veel onbekend is, zal een

14 https://www.vtv2018.nl/milieukwaliteit

52 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

verdergaande reductie van de uitstoot van zwaveloxide ook de vorming van ultrafijnstof verminderen.

voorbeeld. Tot slot stimuleren we bedrijven om innovatieve projecten te gaan opzetten.

DOELSTELLINGEN Wij willen emissies van fijnstof en stikstofverbindingen zoveel mogelijk beperken, zodat wordt bijgedragen aan de volgende doelstellingen uit het SLA: • de fijnstof en ammoniakemissie vanuit de landbouw zijn in 2030 ten opzichte van 2017 met 70 procent afgenomen. • de NOx- en fijnstofemissie vanuit de industrie vertonen ondanks de groei van de industrie in absolute zin een daling. • de gezondheidseffecten als gevolg van verkeersemissies zijn in 2030 ten opzichte van 2017 met 70 procent afgenomen.

Het is belangrijk dat we bij alle reducerende maatregelen uit het SLA, maar ook het klimaatakkoord, neveneffecten op de stikstofemissie registreren. Op die manier blijft de totale reductie inzichtelijk en zijn er geen onnodige investeringen nodig.

Wij willen bijdragen aan het terugdringen van de totale jaarlijkse stikstofdepositie op beschermde Natura 2000-gebieden. Het uiteindelijke doel is in 2030 nergens de kritische depositiewaarde (KDW) te overschrijden. AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN We willen het SLA implementeren bij Vergunning, Toezicht en Handhaving. Daarvoor gaan we beginnen met het scherper vergunnen van fijnstof- en stikstofemissies op basis van het SLA. We passen het toe bij nieuwe vergunningaanvragen, of als er bij een bedrijf aanleiding is de vergunning te actualiseren. Via toezicht zien we toe op de emissies bij deze bedrijven. Daarnaast zetten we communicatie in om bekendheid te geven aan het SLA.

We willen bedrijven laten zien welke mogelijkheden (technieken/maatregelen) zij hebben om hieraan invulling te geven. Elektrificatie van materieel en vervoer is een

VERGUNNINGVERLENING EN TOEZICHT EN HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

• Het aantal bedrijven door ons geïnformeerd over het convenant en de mogelijkheden die bedrijven hebben om hierin een bijdrage te leveren. • Totale hoeveelheid fijnstof en ammoniakemissie vanuit de landbouw. • Totale hoeveelheid NOx- SO2- en fijnstofemissie vanuit de industrie.

Terug naar tekst

We gaan het SLA vertalen naar scherpe voorschriften. Die schrijven we voor via vergunningen, om vervolgens de naleving streng te controleren. ADVISEREN/BELEID We gaan communiceren over het SLA en we informeren bedrijven over de mogelijkheden (technieken en maatregelen) hoe ze hieraan invulling kunnen geven.

Elektrificatie van materieel is een voorbeeld. We gaan projecten stimuleren die op innovatieve wijze een positieve bijdrage leveren aan de stikstof- en fijnstofproblematiek. We registreren alle reducerende maatregelen uit onder andere het klimaatakkoord en het SLA, alsook de neveneffecten op de stikstofemissie. INDICATOREN • Het aantal aangescherpte vergunningen met maatregelen vanuit het SLA. • Het aantal controles waarbij we specifiek toezien op de naleving van maatregelen uit het SLA. • Een jaarregistratie en trendlijnen van feitelijke en vergunde uitstoot en de luchtkwaliteit.

53 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.9 AANWEZIGHEID VAN SCHADELIJKE STOFFEN IN DE BODEM VOORKOMEN INLEIDING

Het is wettelijk verplicht om de bodem te beschermen tegen de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Bij verschillende bedrijfsactiviteiten is er een risico dat schadelijke stoffen vrijkomen en in de bodem terechtkomen. Om de impact op de bodemkwaliteit te beperken, moeten de bedrijfsactiviteiten (in lijn met de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming) voldoen aan een ‘verwaarloosbaar bodemrisico’. Als bedrijven hieraan niet voldoen, bestaan er milieurisico’s voor het betreffende gebied en het grondwater. Het bedrijf kan met een maatwerkverzoek een aanvaardbaar bodemrisico aanvragen. Saneringsmaatregelen zijn vaak kostbaarder dan preventieve maatregelen. Het begrip ‘verwaarloosbaar bodemrisico’ komt niet terug onder de Omgevingswet, maar het uitgangspunt blijft hetzelfde: bodemverontreiniging zoveel mogelijk voorkomen. Wij voerden een inventarisatie onder de RIE-bedrijven (Richtlijn industriële emissie) uit. Die toonde aan dat lang niet alle bedrijven aan deze wettelijke verplichting voldoen of maatwerk aangevraagd hebben. Als gevolg daarvan is er een aanpak nodig om de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de bodem te voorkomen.

BELEIDSOPGAVE Duurzaamheid

Vergunningen actualiseren op verwaarloosbaar of (tijdelijk) aanvaardbaar bodemrisico.

GEBIEDSSOORT Dit probleem speelt met name bij de industrie.

TOEZICHT EN HANDHAVING We gaan controleren op het periodieke onderhoud van procesinstallaties en de aanwezige bodembeschermende voorzieningen

SCOPE We focussen op de RIE-bedrijven. Het betreft de processen vergunningverlening, toezicht en handhaving. DOELSTELLING Wij willen de vergunningen van de hoog-prioritaire RIEbedrijven actualiseren op verwaarloosbaar of (tijdelijk) aanvaardbaar bodemrisico en erop toezien dat bedrijven de benodigde maatregelen hebben geïmplementeerd.

AANPAK, ACTIVITEITEN EN PRIORITEITEN

ADVISEREN/BELEID Stimuleren van bedrijven om een op de situatie afgestemd nulsituatieonderzoek te doen en in te dienen. INDICATOREN • Aantal geactualiseerde vergunningen op basis van verwaarloosbaar of aanvaardbaar bodemrisico. • Percentage inspecties RIE4 of Brzo-bedrijven waar de benodigde maatregelen zijn genomen om verwaarloosbaar bodemrisico’s te voorkomen. • Bodemverontreiniging als gevolg van leidinglekkages. • Aantal niet-IPPC bedrijven die (mede door) inspanningen van de DCMR een nulsituatieonderzoek uitgevoerd hebben.

Omdat uit de inventarisatie blijkt dat lang niet alle bedrijven voldoen aan verwaarloosbaar bodemrisico of maatwerk aangevraagd hebben, gaan we gefaseerd, voor alle hoog prioritaire RIE-bedrijven, verwaarloosbaar bodemrisico, of ter overbrugging aanvaardbaar bodemrisico, proberen te realiseren. We gaan bedrijven stimuleren om een op de situatie afgestemd nulsituatieonderzoek (op stap 1 en 2 van de Nederlandse richtlijn bodembescherming) uit te voeren en in te dienen. Dat zorgt ervoor dat wij het verwaarloosbaar bodemrisico kunnen toetsen. Wij houden toezicht op het periodieke onderhoud van procesinstallaties en de aanwezige bodembeschermende voorzieningen.

VERBINDING ANDERE FOCUSPUNTEN Het focuspunt bodemverontreiniging voorkomen heeft een relatie met de focuspunten gevolgen van incidenten beperken en zeer zorgwekkende stoffen verminderen. Incidenten zijn vaak een oorzaak van bodemverontreiniging en leiden mogelijk ook tot verontreiniging met ZZS.

VERGUNNINGVERLENING Toetsen van nulsituatieonderzoeken die binnenkomen naar aanleiding van de stimuleringsactiviteiten.

Bij vergunningverlening en toezicht op die focuspunten moet daarvoor aandacht zijn voor het bodemaspect en het moet leiden tot concrete overwegingen.

Terug naar tekst

54 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.10 ENERGIEVERBRUIK/ UITSTOOT BROEIKASGASSEN VERMINDEREN INLEIDING

Energiebesparing is noodzakelijk. Het hoort bij de landelijke en lokale klimaataanpak waarin de klimaatdoelen staan. Energiebesparing is daarnaast aantrekkelijk voor de energiegebruiker omdat het tot kostenbesparing leidt. Ook moeten we hernieuwbare bronnen benutten zoals zon, wind of geothermie. En we moeten mobiliteit terugdringen door mobiliteitsmanagement. Het betekent minder inzet van fossiele brandstoffen (met name benzine en diesel). Bedrijven met een verbruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas(equivalent) per kalenderjaar hebben een energiebesparingplicht. Op grond van het huidige Bouwbesluit (straks het BBL) moeten in 2023 duizenden kantoorgebouwen in ons gebied voldoen aan de Label C-verplichting en daarbij de huidige erkende maatregelen uit het eerdere activiteitenbesluit toepassen. Het toetsen hierop is een verplichte taak van de gemeente per 1 januari 2023. Er is een grote overlap tussen de circa 10.000 kantoorgebouwen en de 6.000 inrichtingen die onder de energiebesparingsplicht vallen, zodat gecombineerd toezicht een efficiencyvoordeel oplevert. Hierbij stemmen we vooraf met gemeenten de programma’s en aanpak af. In de vorige planperiode (2016-2020) is energiepotentieel verzameld: namelijk datgene wat bedrijven beloofd hebben om tussen 2016 en 2020 zeker aan energiebesparingsmaatregelen te nemen.

Dit alles dankzij het MJA3-convenant en de EED-rapportages. Eind 2019 betrof dit opgeteld 175.000 ton CO2 wat overeenkomt met het energieverbruik van 46.000 huishoudens.

Als gevolg van de maatschappelijke ontwikkeling zijn de energieprijzen spectaculair gestegen en daardoor zijn investeringen in energiebesparingsmaatregelen eerder rendabel. Door landelijke Spuc-geld kan de inzet op het toezicht worden geïntensiveerd. Er komt een wettelijke regeling waarbij de energiebesparingsplicht wordt verbreed naar de verplichting tot het verduurzamen van energiegebruik. Het opwekken van duurzame energie kan daarmee ook een rendabele maatregel zijn. Bovendien groeit de doelgroep van bedrijven waarop de geactualiseerde energiebesparingsplicht van toepassing is (inclusief ETS-bedrijven). De regeling introduceert een onderzoeksplicht voor de energie-zeer-grootverbruikers. Maatregelen die deze bedrijven nemen om energiebesparing te realiseren, kunnen leiden tot een wijziging van de vergunning, en worden dan getoetst aan BBT.

BELEIDSOPGAVE Duurzaamheid GEBIEDSSOORT Energiebesparing speelt bij bedrijven, zowel in de gebouwde omgeving (kantoren, scholen, ziekenhuizen), op bedrijventerreinen, bij de glastuinbouw en bij de industrie (bedrijven die niet onder de CO2-emissiehandel vallen). SCOPE In de planperiode voeren we bij circa 30 procent van de energiegrootverbruikers toezicht uit om de (erkende) rendabele energiemaatregelen te implementeren. Relevante hoofdprocessen binnen de aanpak zijn vergunningverlening en toezicht en handhaving.

DOELSTELLING We willen dat grootverbruikers van energie in deze regio hun CO2-uitstoot verminderen met 300.000 ton.

AANPAK EN ACTIVITEITEN

Bedrijven vinden energiebesparing vaak lastig of te kostbaar en proberen dan onder de verplichtingen uit te komen. De overheid kan juist verplichtingen opleggen om energiebesparing te realiseren. Denk aan de vijf jaar terugverdientijd, erkende maatregellijsten, EED (Europese energie richtlijn) en de informatieplicht. Door goede voorlichting en het organiseren van kennisuitwisseling binnen branches proberen we daarbij ook te stimuleren. VERGUNNING Maatwerk ten behoeve van faseren van het uitvoeren van rendabele maatregelen. TOEZICHT EN HANDHAVING Als wij 6.000 energie relevante grootverbruikers inspecteren met gerichte acties, is energiebesparing en verdere reductie van de CO2-uitstoot te bereiken. Op jaarbasis kunnen we ruim 500 inspecties doen waarbij we informatie geven en risicogestuurd te werk gaan. Daarmee kunnen we de grootste besparingen behalen.

Beoordelen van de onderzoeksrapportages van de energiezeer-grootverbruikers. PRIORITEITEN Als wij genoodzaakt zijn in de uitvoering prioriteiten te stellen, dan geldt dat we inzetten op de doelgroep die de meeste besparing oplevert (risico-gestuurde aanpak).

55 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

INDICATOREN • Aantal uitgevoerde controles naar financieringsbron. • Aantal voor energie geactualiseerde vergunningen. • Energiebesparingspotentieel in terrajoule, windturbines en hectaren zonneveld en Kton CO2. • Percentage bedrijven dat aan de informatieplicht energiebesparing voldoet. • Aantal meest voorkomende overtredingen.

Terug naar tekst

56 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

3

DOORTASTEND VERGUNNEN

4

EFFECTIEF TOEZICHT

5

CONSEQUENTE, VOORT­VARENDE EN INNOVATIEVE HANDHAVING

6

BUDGETTEREN

7

KWALITEITSBORGING

8

BIJLAGEN

BIJLAGE 1.11 ENERGIETRANSITIE: MEER DUURZAME ENERGIE/NIEUWE BRANDSTOFFEN INLEIDING

De energietransitie is noodzakelijk omdat de inzet van fossiele brandstoffen tot uitstoot van CO2 leidt en de klimaatopwarming versterkt. De energie die we niet kunnen besparen, moeten we uiteindelijk groen maken door de inzet van hernieuwbare bronnen. Terugverdientijden voor bedrijven zijn lang omdat de investeringen hoog zijn. Ook ontbreekt het, zeker bij kleinere bedrijven, vaak aan de benodigde technische kennis. Door grootschalige inzet en verdere technische ontwikkeling kan duurzaam energiegebruik ook tot kostenbesparing leiden. Soms zit er nog een stap tussen naar fossielarm. Bijvoorbeeld bij het benutten van restwarmte van de industrie. Benutting van restwarmte kunnen we ook als energiebesparing zien, omdat die warmte anders in de lucht of het water belandt en de ontvangers van die restwarmte (in woningen, bij het mkb of de glastuinbouw) dan minder fossiele brandstof hoeven te gebruiken. Bovendien blijft het benutten van restwarmte van de industrie ook van belang, zelfs als het gebruik van fossiele brandstoffen langzaam stopt. Het is immers noodzakelijk dat we hoogwaardige energie efficiënt gebruiken.

De ingrijpende ontwikkelingen rond de oorlog in Oekraïne en de stijgende energieprijzen die daarvan het gevolg zijn, hebben Europa verenigd in de ambitie om de energietransitie verder te versnellen en daardoor minder afhankelijk te worden van fossiele energiebronnen en hun leveranciers. Complicerende factoren hierbij zijn de dreigende (energie)armoede, de stikstofcrisis en de

beschikbaarheid van menskracht en grondstoffen om de energie- en grondstoftransitie te realiseren. De plicht tot verduurzaming van het energieverbruik en de onderzoeksplicht voor energiegrootverbruikers (inclusief ETS) per 2023 ondersteunen het proces. DCMR heeft in 2021 een programma energietransitie en circulaire economie vastgesteld, waarin vijf meerjarige doelen zijn opgenomen. • Door kennisnetwerken en samenwerking versterken we onze kennispositie op energietransitie en circulariteit. • Onze VTH-aanpak zorgt voor een versnelling van duurzame initiatieven. • Wij hebben kennis van opwekken van duurzame energie en nieuwe energiedragers en hun impact op de leefomgeving • We bevorderen het gebruik van secundaire grondstoffen op een veilige en verantwoorde manier. • We willen bijdragen aan regelgeving die bijdraagt aan een landelijk ‘level playing field’ voor duurzame initiatieven, die de transitie versnellen. De coalitieakkoorden van de gemeentelijke participanten tonen geen wijziging in 2022 ambitie op het gebied van Energietransitie en Circulaire economie. Lokale partijen die in veel gemeenten een duidelijker stempel drukken op de akkoorden laten wel accentverschuivingen zien waarbij in het algemeen meer aandacht aan de directe leefomgeving wordt geschonken.

BELEIDSOPGAVE Duurzaamheid GEBIEDSSOORT De energietransitie is nodig bij alle sectoren, dus niet alleen bij de industrie en op bedrijventerreinen, maar ook bij in de gebouwde omgeving, bij mobiliteit en bij de land- en (glas) tuinbouw. SCOPE Energietransitie is bij alle sectoren nodig. Wij hebben veel contacten bij het midden- en kleinbedrijf en kunnen deze bedrijven adviseren, stimuleren, voorlichting geven en processen die verband houden met de energietransitie versnellen. Dit kan door vergunningverlening en toezicht en handhaving. De ruimtelijke inpassing van transitiemaatregelen in relatie tot de veiligheid en leefbaarheidsaspecten, is eveneens van groot belang. Denk aan toepassingen voor warmte uit geothermie of waterstof en ammoniak. DOELSTELLING Wij willen de energietransitie bespoedigen en faciliteren met onder meer het instellen van een Kennisteam energietransitie. Dit doen we met initiatieven die gaan over de energietransitie en de daarbij behorende inpassingsvraagstukken met het oog op veiligheid en de kwaliteit van de leefomgeving.

AANPAK EN ACTIVITEITEN

Vooraf stemmen we met gemeenten en provincie de volgende programma’s en aanpak af:

57 van 75

INHOUD

VOORWOORD EN SAMENVATTING

1

INLEIDING

2

MEERJARENPROGRAMMA

BASISINDUSTRIE Het Rijk wil dat de basisindustrie in 2050 klimaatneutraal is. Het gaat dan om innovatie, radicale opschaling van industriële technieken zoals waterstof, koolstofafvang en -opslag (CCS), elektrificatie, circulaire technieken, infrastructuur en wet- en regelgeving. Haven- en industriegebied Rotterdam is aangewezen als NOVI-gebied. Dit betekent dat het Rotterdamse havencomplex invulling moet geven aan de energietransitie en steeds meer circulair moet produceren. Het doel is het integreren van initiatieven om de energietransitie te versnellen.

Rotterdam, de Provincie Zuid-Holland, het Rijk en het Havenbedrijf Rotterdam hebben een waterstofvisie. Een consortium van bedrijven heeft al een aantal concrete waterstofprojecten. En er zijn ‘versnellingshuizen’ energietransitie/circulaire met het Rijk, de Provincie ZuidHolland, de gemeente Rotterdam en DCMR. Dit vraagt specifieke kennis en capaciteit van ons: een programma waarin meedenken, adviseren en versnellen van de verduurzaming van de basisindustrie centraal staat. BEDRIJVENTERREINEN We voeren energiescans uit en we werken samen met BIZ-en (Bedrijven investeringszone) om energieneutrale bedrijventerreinen te realiseren. Hierbij zijn vervoersscans inbegrepen. Wij ondersteunen de samenwerking tussen bedrijven aan duurzaamheidsinitiatieven. GEBOUWEN We adviseren bij de ontwikkeling en de aansluiting van het warmtenet op gebouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/946/documents/34347