CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Tussenuitspraak beroep omgevingsvergunning appartementengebouw Blaak d.d. 7 juni 2024 .pdf

Commissie Samen wonen RK 14 november 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 13: Ter afdoening: raadstoezeggingen12.950 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

aan de zijde van de Blaak bevinden, als de voorzijde te beschouwen. Dat eisers een ander standpunt innemen dan de welstandscommissie, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat

verweerder het advies van de welstandscommissie niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen en mogen leggen.

214. Daterten behoeve van de herziene vergunning niet opnieuw een nieuw welstandsadvies is uitgebracht, acht de rechtbank verklaarbaar en acceptabel. Dat ook een

buitenplanse ontheffing moest worden verleend was slechts het gevolg van een juridische omissie van de zijde van verweerder. De herziene omgevingsvergunning ziet, op een marginale wijziging na, op hetzelfde bouwplan, waar de welstandscommissie zich al uitvoerig over heeft gebogen.

(geanonimiseerd) 22. … Bstelt zich op het standpunt dat de keuze om galerijen met balkons te combineren in strijd is met het Bouwbesluit omdat de privé buitenruimte aan de woning (geanonimiseerd) moet grenzen. Verweerder kan volgens BMonmogelijk stellen dat het aannemelijk is dat

het plan in zoverre voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit.

22.1.

Inro. 19.2 is artikel 8:69a van de Awb weergegeven. Dit artikel leidt ertoe dat de

bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser.

18

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812

19

(geanonimiseerd) 22.2. De normen in het Bouwbesluit, waar zich op beroept, strekken tot bescherming van de belangen van bewoners en gebruikers van een pand en niet tot

bescherming van belangen van omwonenden die geen bewoners of gebruikers van dat pand (geanonimiseerd) zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet hierop de beroepsgrond van Bop grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

’) Eisers stellen zich verder op het standpunt dat de nieuwbouw gelegen zal zijn binnen de zones, als bedoeld in artikel 74 Wet geluidhinder (Wgh). Dit gelet op de nabijheid van de Rotterdamseweg en de Noordenweg. Ondanks dat artikel 77 Wgh daartoe verplicht, is bij het bestreden besluit geen akoestisch onderzoek gevoegd.

23.1. ‚ De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn verweerschrift heeft aangegeven dat er wel een akoestisch onderzoek beschikbaar is voor de 7 grondgebonden woningen aan de Blaak die dichterbij de Rotterdamseweg en de Noordenweg zijn geprojecteerd en dat uit dit

akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting aanvaardbaar is.

23.2. Wat hier echter ook van zij, artikel 77 van de Wgh strekt niet tot bescherming van de belangen van omwonenden, zodat gelet op artikel 8:69a van de Awb, een beroep op dit

artikel evenmin kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

24.

(geanonimiseerd) n B (geanonimiseerd) ijzen

dat het primaire besluit

crop dat verweerder in het bestreden besluit stelt

niet wordt herroepen, zodat geen proceskostenvergoeding wordt

toegekend. Naar aanleiding van (onder meer) hun bezwaren heeft verweerder n het

bestreden besluit de grondslag voor verlening van de omgevingsvergunning gewijzigd, door

daaraan toe te voegen de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo

in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage IT van het Bor. Daarnaast is geconstateerd dat in het primaire besluit ten onrechte de wenteltrap en de bergingen zijn vergund. Dit heeft geleid tot aanpassingen van het bouwplan, waarmee - naar de mening van verweerder - in het bestreden besluit alsnog tot vergunningverlening kon worden besloten. Ook is naar aanleiding van het bezwaar een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) toc dat het rechtsgevolg van het gewijzigd. Dit leidt er volgens Ben EN

primaire besluit is gewijzigd. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en had verweerder een proceskostenvergoedingen dienen toe te kennen.

24.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor het

bouwplan niet is herroepen maar herzien, zodat het primaire besluit evenmin hoefde te worden herroepen. Het beoogde rechtsgevolg - toestemming verlenen voor het bouwen van

een woongebouw met 30 appartementen - is in stand gebleven. De inhoudelijke wijziging van het bouwplan betreft slechts een geringe verplaatsing van de spiltrap. Deze wijziging is niet dusdanig dat kan worden gesproken van herroeping van de omgevingsvergunning.

24.2. De rechtbank is van oordeel dat er niet alleen sprake is van een w ijziging van de spiltrap. maar dat er ook een wijziging ten aanzien van de bergingen alsmede een wijziging van de grondslag van het primaire besluit heeft plaatsgevonden. De motivering en grondslag

van het primaire besluit was onjuist en is in het bestreden besluit veranderd. Weliswaar is het primaire besluit bij het bestreden besluit niet herroepen, maar in bezwaar heeft

verweerder erkend dat de grondslag onjuist was en dat er andere bouwtekeningen noodzakelijk waren. Gelet op de gedeeltelijk gewijzigde grondslag van de omgevingsvergunning van ‘binnenplans’ naar ‘kruimelgeval’ was herroeping van het

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812

20

(geanonimiseerd) «n (geanonimise rd) primaire besluit naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geboden. B

(geanonimiseerd) B

op goede gronden bezwaar gemaakt.

Het bestreden besluit zal n die zin gedeeltelijk worden vernietigd, waarbij de rechtbank de (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) in bezwaar alsnog zal toewijzen proceskosten van Ben B 25. _ Het bestreden besluit kan daarnaast, gelet op r.0. 18.2., niet in stand blijven en vertoont in zoverre een gebrek. De rechtbank acht het, gelet op de woningnood en de omstandigheid dat de huurders van het oude flatgebouw al enige tijd zijn verhuisd, van belang dat het geschil zo spoedig mogelijk finaal wordt beslist.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder de gelegenheid te bieden om, met toepassing van

artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het

bestreden besluit te herstellen Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank

dan een tussenuitspraak.

26. _ Hetherstel van het gebrek kan geschieden door, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak onder r.0. 18.2. is overwogen, gemotiveerd en na afweging van belangen een binnen- dan wel buitenplanse ontheffing te verlenen waarbij de strijdigheid met artikel 16.2.1., onder d, van de planregels wordt opgeheven. De termijn waarbinnen verweerder de

gelegenheid heeft het gebrek te herstellen en waarbinnen verweerder de rechtbaîk op de hoogte moet brengen van zijn bevindingen, bepaalt de rechtbank op vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. 27. ‚ Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen,

moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie

dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 28.

De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt

gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht

29. _ De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen

beslissing neemt.

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812

Beslissing De rechtbank:

- _ stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en

aanwijzingen in deze tussenuitspraak, - _ houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en mr. C.M. van Hoorn, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier. De uitspraak is in het

openbaar gedaan op 7 juni 2024.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: } 7_ JUN] 2024 Rechtsmiddel . Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele)

einduitspraak in deze zaak.

VOOR COPIE CONFORM

De griffier van de Rechtbank Rotterdam

Sector

wnd.

ursrecht

21

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811

en

ROT 23/3812

u s

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 21

luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat

geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a het bouwen van een bouwwerk, […]

©. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een

beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, […].” Artikel2.12 luidt:

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c‚ kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

à indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: |°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen

regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke

onderbouwing bevat: […]" Artikel 2.10 luidt:

"'Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: […]

c de activiteit in strijd s met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het

exploitatieplan, ofde regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12:" Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 2.7 luidt:

”Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage I.” Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht

Artikel

I

1 In deze bijlage wordt verstaan onder: 39}

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich

op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd

gebouw, of ander bouwwerk, met een dak:

Artikel 2, aanhefen onderdeel 3, onder a luidt:

“Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of

c‚ van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrel g hebben op: 3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en

ROT 23/3812

23

.nietvoorhogerzoverdan:op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, 1°.5m,

2°hoofdgebouw, 0,3 m boven en de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het 3°. het hoofdgebouw,” Artikel 4, aanhefen onderdeel 1 luidt:

“Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,

eerste lid, onder c‚ van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,

onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

l een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan [.. Bestemmingsplan “Centrum Ridderkerk” Artikel | Begrippen 138 peil

a

_ voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen op een afstand van

5m of minder uit de bestemming 'Verkeer’ of 'Verkeer - Verblijfsgebied': de hoogte b. _ voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelegen op een afstand van van die weg;

meer dan 5 m uit de bestemming 'Verkeer' of 'Verkeer - Verblijfsgebied': de gemiddelde hoogte van het aangrenzend terrein.

Artikel 16 Wonen

16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

d.

ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': uitsluitend voor gestapelde woningen;

16.2.1 Hoofdgebouwen

a

b.

e

d

hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd:

de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;

in afwijking van het bepaalde onder b, geldt ter plaatse van de aanduidingen

'specifieke bouwaanduiding - monument’ en 'cultuurhistorische waarden' de

bestaande maatvoering als maximale maatvoering: indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, bedraagt de afstand van gebouwen

tot de perceelsgrens ten minste 1,5 m; (.…)

16.2.4 Bijgebouwen bij gestapelde woningen

In afwijking van het bepaalde in lid 16.2.2 zijn bij gestapelde woningen alleen bijgebouwen

toegestaan, met dien verstande dat:

a.

bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het

o

het oppervlak van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 15 m2 per perceel:

d.

de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m.

hoofdgebouw te worden gebouwd:

de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en

ROT 23/3812

24

16.3.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde -

Cultuurhistorie

Het bevoegd gezag kan nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goot- en nokhoogtehoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover gelegen ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie met het 00g op de cultuurhistorische waarde zoals bedoeld in lid 16.1 en lid 19.1 en vastgelegd in het Monumentenregister, de

gemeentelijke welstandsnota of zoals beschreven n het rapport 'Cultuurhistorische Waardenkaart Centrum Ridderkerk'.

16.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2.1

onder c voor panden met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', met dien verstande dat:

a.

b

vergroten van de maatvoering toelaatbaar is tot ten hoogste de met de aanduiding

'maximum goothoogte (m} aangegeven goothoogte;

de cultuurhistorische waarde zoals bedoeld in lid 16.1 en vastgelegd in het

Monumentenregister, de gemeentelijke welstandsnota of zoals beschreven in het

rapport 'Cultuurhistorische Waardenkaart Centrum Ridderkerk' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheid voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Voordat een

omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de Monumentencommissie.

Artikel 19 Waarde - Cultuurhistorie

19.2.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' zonder

of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a

_ hetuitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen:

b. _ hetaanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2, niet zijnde kavelpaden;

c

_ wateren; hetaanleggen, vergraven, verruimen, of dempen van sloten, vijvers en andere

d. _ hetaanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds:

e

_ hetaanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 21 Algemene bouwregels 21.1 Overschrijding goothoogte De goothoogte mag worden overschreden door: a

dakruimten, met dien verstande dat:

iS

het gezamenlijk oppervlak van (nagenoeg) horizontale dakvlakken niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijk grondoppervlak van de af te dekken

gedeelten van het bouwwerk: m

de hoogte van de overschrijding ten opzichte van de aanwezige goothoogte niet meer dan 4,5 m bedraagt:

zaaknummers: ROT 23/2679. ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812

3

de breedte van enig deel van een gevelvlak van deze dakruimte, geen dakkapel zijnde, niet meer bedraagt dan 40% van de breedte van de onderliggende gevel dan

d.

(delen van) bouwwerken, waarvan de grootste horizontale doorsnede niet meer dan 1 m? bedraagt en door trappenhuizen, lichtstraten, koepels en liftkokers:

25

wel in opwaartse richting geleidelijk afneemt tot deze maat:

21.2 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen,

aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:

a.

b. e

tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen,

hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's, luifels en afdaken, met dien

verstande dat de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt:

totten gebouwen behorende erkers en serres, met dien verstande dat de overschrijding hoogste 2 m bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, met dien verstande dat de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt: (…)

Artikel 22 Algemene afwijkingsregels

22.1 Afwijken van maten

Het bevoegd gezag kan, tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk s bij een

omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

a.

b.

afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%:

overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein:

de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

De bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt. indien daardoor onevenredige

afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven

gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Artikel 24 Overige regels

24.2 Voldoende parkeergelegenheid

a

_ onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 16 dient bij de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de

verandering in functie van een bestaand bouwwerk te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid:

D. _ bijen omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing c

zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid; bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en

worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien,

met dien verstande dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie. Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 8:69a luidt:

”De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd

is met een

geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel ofdaarop dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich beroept.”

zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en

ROT 23/3812

26

Artikel 7:15, tweede lid, luidt:

De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar

redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens

aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.” Artikel 8:51a luidt:

”1 De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het

bestreden besluit te herstellen ofte laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld. 2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.” Artikel 8:51b luidt:

”I Het bestuursorgaan deelt de bestuursrechter zo spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen.

2. Indien het bestuursorgaan overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter

zo spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is hersteld.

3. Partijen kunnen binnen vier weken na verzending van de mededeling bedoeld in het

tweede lid, schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen.” Artikel 8:80a luidt:

”1 Als de bestuursrechter artikel 8:51a toepast, doet hij een tussenuitspraak. 2.hersteld. -De tussenuitspraak vermeldt zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden 3. De artikelen 8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhefen onder a, 8:77, 8:78, 8:79 en 8:119 zijn van overeenkomstige toepassing.” Wet geluidhinder

Artikel 77, eerste lid, luidde tot I januari 2024 als volgt: ”. Bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigingsof uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als

bedoeld in artikel 74, of bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning als bedoeld in

artikel 76a, wordt vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar:

a.

de geluidsbelasting die door woningen binnen de zone, alsmede door andere

geluidsgevoelige gebouwen of door geluidsgevoelige terreinen, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

b. _ de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere

maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de weg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge artikel 82 of artikel 100 als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, te boven zou

gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1084/documents/39351