Tussenuitspraak beroep omgevingsvergunning appartementengebouw Blaak d.d. 7 juni 2024 .pdf
Tekst van het document
tussenuitspraak RECHTBANK
ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812 tussenuitspraak van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de
Algemene wet bestuursrecht van 7 juni 2024 in de zaken tussen ROT
23/2679
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) —(_‚ te Ridderkerk, eisers, gemachtigde: mr. R. van Nooijen, (geanonimiseerd)
ROT 23/3768
(geanonimiseerd) ). (geanonimiseerd) e de N ciser. gemachtigde: mr. ing. B.M. Brandenburg-Stroo, ROT 23/3810
(geanonimiseerd) . N (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) E , «e e
oicers.
ROT 233811
(geanonimiseerd) ( (geanonimiseerd) t Ridderkerk, eiser. gemachtigde: ROT
mr. O.V.
Wilkens,
23/3812
(geanonimiseerd) … N (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) E ,
c e
cisers,
hiera gezamenlijk te noemen: eisers, en
het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, verweerder, (geanonimise rd) (geanonimiseerd) gemachtigde: B Als derde-partij neemt aan de gedingen mee:
Stichting Wooncompas (Wooncompas), te Ridderkerk, vergunninghoudster, (geanonimiseerd) e" (geanonimiseerd) gemachtigden: N Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een
omgevingsvergunning (voor de activiteiten bouwen en het gebruiken in strijd met een bestemmingsplan) verleend voor de nieuwbouw van een woongebouw met galerijen en 30 appartementen aan de Blaak 17 1/m 75 te Ridderkerk, die een bestaande portiekflat met 32 appartementen vervangt (het project).
(geanonimiseerd) ME c
e vorweerder in gebreke te hebben gesteld, op 17 april 2023 beroep
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810. ROT 23/3811 en ROT 23/3812
u
Bij besluit van 20 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren, onder wijziging en aanvulling van de motivering van het primaire besluit, ongegrond verklaard
Dit besluit is, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: (geanonimiseerd) Awb) van rechtswege mede onderwerp van het geding van EN
(geanonimiseerd) ME e nadere eronden ingediend. De overige eisers hebben afzonderlijk beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend. (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) e b D e B
nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 202
zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Daarnaast zijn
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
en-
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) verschenen. Bheeft zich laten c (geanonimiseerd) met bericht van verhindering vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. BNis
niet verschenen. (geanonimiseerd) Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtiede, (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) bijgestaan door Narens Wooncompas isü
verschenen.
Overwegingen
1 Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op I januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhefen onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het
besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in 2022 ingediend. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór I januarí 2024, van toepassing blijft Het overige wettelijk kader is vermeld in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze
uitspraak.
2 ‚ Wooncompas heeft op 4 februari 2022 een aanvraag voor het project bij verweerder ingediend. Het project is gesitueerd in het bestemmingsplan "Centrum Ridderkerk” (het bestemmingsplan) op gronden met de bestemming “Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie-2" en de nadere aanduiding 'gestapeld'.
3.verleend. _ Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit 4. _ Diverse partijen, waaronder eisers, hebben bij verweerder bezwaar gemaakt. In dat
kader heeft de Commissie bezwaarschrifien (de commissie) op 3 april 2023 als volgt
geadviseerd.
4.1. _ De commissie stelt dat bij het primaire besluit gebruik is gemaakt van twee verschillende binnenplanse afwijkingsmogelijkheden, te weten:
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812 1. Algemene bouwregels artikel 21.2, Overschrijding bouwgrenzen: 2. Algemene afwijkingsregels artikel 22.1, onder b, Afwijken van maten.
Uit jurisprudentie blijkt volgens de commissie dat de door verweerder toegepaste cumulatie van afwijkingsbevoegdheden niet is toegestaan. De omgevingsvergunning zou wel verleend kunnen worden door toepassing van de kruimelgevallenregeling als bedoeld in artikel 4,
onderdeel , van bijlage IT van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
42. _ De commissie constateert verder dat de wenteltrap meer dan 2,5 m uitsteekt. Dit is
voorgelegd aan Wooncompas. Wooncompas zal het bouwplan zodanig aanpassen dat de
wenteltrap niet meer dan 2,5 m uitsteekt. De commissie gaat ervan uit dat verweerder erop
toeziet dat dit in het bouwplan ook daadwerkelijk wordt aangepast. 43
De commissie volgt verweerder in zijn standpunt dat de goothoogte voor dit
bouwplan 12,5 m bedraagt en dat op grond van artikel 21.1, onder d, van de planregels
daarmee sprake is van een toegestane overschrijding. In de beslissing op het bezwaar moet nog wel het juiste artikel worden benoemd. Daarnaast is ten behoeve van de liftkoker de plaatselijke verhoging tot een hoogte van 13,46 m toegestaan op basis van artikel 21.2,
onder c‚ van de planregels.
Vraag is nog wel of de peilhoogte correct is vastgesteld. De goothoogte is vastgesteld op 12,5 m en de maximale goothoogte met toepassing van artikel 21.1, onder a, van de
planregels is 13,2 m. Daarmee bestaat een marge van 70 cm Dat wil zeggen dat het NAP 70 centimeter lager dan - 0.75 NAP, dus lager dan -1,45 NAP, zou moeten liggen wil een verkeerd vastgesteld hoogtepeil tot de conclusie leiden dat de goothoogte niet op basis van een binnenplanse afwijking vergund kan worden
De commissie concludeert dat het hoogtepeil op basis van de verschillende gegevens van het geotechnisch advies van Koops grondmechanica in ieder geval niet lager dan -1,45 NAP ligt. Indien uitgegaan zou worden van de gegevens over de peilhoogte uit het geotechnisch advies zou het beoogde gebouw dus vergund kunnen worden op basis van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Ook op basis van raadpleging van www.ahn.nl (actueel
hoogtebestand Nederland) komt de commissie niet tot het oordee dat het hoogtepeil lager ligt dan -1.45 NAP.
De commissie meent dan ook dat de hoogte van het gebouw vergund kan worden op basis van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, mits de motivering van het primaire besluit wordt verbeterd. Verweerder zal moeten motiveren op basis van welke methode en op basis van welke gegevens hij de peilhoogte heeft vastgesteld.
44. _ Ter zake van de bijgebouwen is de commissie van mening dat, voor zover de met de omgevingsvergunning mee vergunde bijgebouwen in strijd zijn met de planregels maar wel
zouden kunnen vallen onder de artikelen 2 of 3 van bijlage I van het Bor, op grond van de vergunde bouwtekening duidelijk moet zijn dat deze onderdelen van het bouwplan buiten de aanvraag blijven en dus geen onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder ECLI:NL:RVS:2018:699 en ECLI:NL:RVS:2015:640, blijkt dat als
een aanvrager om omgevingsvergunning delen van een bouwplan buiten de aanvraag wil
laten, omdat deze volgens hem vergunningvrij kunnen worden gebouwd. hij dat primair kan
3
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT
23/3812
doen door deze delen niet in een aanvraag op te nemen. Dan worden die delen ook niet n de beoordeling betrokken.
In de onderhavige aanvraag zijn de bijgebouwen echter wel opgenomen. Als een aanvrager er voor kiest om ook (naar zijn oordeel) vergunningvrije onderdelen in de aanvraag p te nemen moet uit de aanvraag om omgevingsvergunning onmiskenbaar blijken voor welke
onderdelen van het bouwplan wel en waarvoor geen omgevingsvergunning wordt aangevraagd en wat de oppervlakte is van het bouwplan waarvoor vergunning wordt gevraagd. Het is aan de aanvrager om dat onderscheid te maken. Wooncompas heeft dat in dit geval nagelaten.
Verweerder heeft achteraf niet meer de vrijheid om zelf delen als vergunningvrij aan te
merken en heeft dat ook niet gedaan. Verweerder heeft de aanvraag immers inclusiefde
bijgebouwen vergund. Naar de mening van de commissie komt de omgevingsvergunning daarmee in strijd met het bestemmingsplan. Indien verweerder de vergunningvrije bijgebouwen in heroverweging buiten de beoordeling van de aanvraag wil laten vergt dat
dus een wijziging van de bouwtekening.
4.5 Ten aanzien van het standpunt van eisers dat verweerder niet heeft onderzocht of door de werkzaamheden de aanwezigheid van beschermde flora en fauna kan worden verstoord, merkt de commissie op dat verweerder een quickscan Flora en Fauna heeft laten
uitvoeren waarin wordt geconcludeerd dat uit de Wet natuurbescherming (Wnb) geen bezwaren volgen voor de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied. Er zijn wel enkele aandachtspunten met betrekking tot de aanwezige natuurwaarden om bij de uitvoering van
de werkzaamheden rekening mee te houden, waarvan de commissie meent dat verweerder daar in de omgevingsvergunning aandacht aan dient te besteden.
Wat betreft het aspect stikstof, merkt de commissie op dat de Natura-2000 gebieden “Boezems Kinderdijk” en “Oude Maas” niet stikstofgevoelig zijn. Het dichtstbijzijnde
stikstofgevoelige Natura-2000 gebied is de Biesbosch. Onlangs heeft verweerder Aeriusberekeningen laten maken voor een ander groot bouwproject binnen de gemeente Ridderkerk en hieruit bleek dat het niet aannemelijk is dat er sprake is van een stikstofdepositie die gevolgen heeft op het stikstofgevoelige Natura-2000 gebied de Biesbosch. Verder merkt de commissie op dat “Boezems Kinderdijk”, “Oude Maas” en “*de
Biesbosch” respectievelijk op circa 4 km, $ km en 10 km van het bouwplan liggen,
waardoor, gelet op deze afstand, het belang van eisers bij het behoud van een goede
kwaliteit van hun leefomgeving geenszins verweven is met het algemeen belang dat de Wb
beoogt te beschermen.
5.
Verweerder heeft er op basis van het advies van de commissie voor gekozen om de
omgevingsvergunning te herzien en de herziene versie aan het bestreden besluit te hechten.
In het aan (geanonimiseerd) B verichte bestreden besluit heeft verweerder tevens gesteld dat dit besluit te laat is genomen. Als gevolg van de ingebrekestelling heeft (geanonimiseerd) B recht op een dwangsom ter hoogte van 7x € 23 =€ 16].
51 _ Inafwijking van het primaire besluit zijn aan de herziene omgevingsvergunning
nieuwe bouwtekeningen toegevoegd en is het volgende (herJoverwogen.
De hoogte van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer (peil) van het bouwplan is vastgesteld op 0,75 meter - N.A.P.. zijnde 0,1 meter lager dan het bestaande gebouw,
S
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT
23/3812
omdat na gereedkoming van de nieuwbouw de straat (Blaak) niet in zijn oorspronkelijke toestand terug komt.
Daarnaast is verweerder van mening dat de plaatselijke verhoging van de dakrand van de
liftkoker in overeenstemming is met artikel 21.1, onder d, van de planregels en dat de bergingen in het achtererfgebied op basis van de gewijzigde bouwtekeningen op grond van
artikel 2 van Bijlage I! van het Bor vergunningvrij zijn.
Verder overweegt verweerder, aanvullend en in afwijking van de overwegingen van het
primaire besluit, dat:
- de galerijen met balkons een diepte hebben van 2,5 m: deze galerijen met balkons niet in overeenstemming zijn met het gestelde in artikel 21.1, onder a, van de planregels, omdat de bouwgrens wordt overschreden;
- het bouwplan, zonder de galerijen met balkons, in strijd is met artikel 16.2.1, onder a, van
de planregels, bepalende dat het hoofdgebouw binnen het bouwvlak moet worden gebouwd en het bouwplan met een diepte van 10,36 m de toegestane diepte van het bouwvlak van 9,46 m overschrijdt:
- het bouwplan tevens in strijd is met artikel 16.2.1., onder b, bepalende dat de goothoogte ten hoogste 12 m mag bedragen en de dakrand van het bouwplan is gelegen op 12,916 m boven de kruin van de bestaande rijweg aan de Blaak:
- met toepassing van artikel 22.1, onder a, van de planregels voor genoemde overschrijding van de goot- c.q. 1,20bouwhoogte tot 10 % kan worden afgeweken en de afwijking van 0,916 m minder is dan m; - het bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening: - het verantwoord is om de vergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, sub 1° van de Wabo in samenhang met artikel 22.1, onder a, van de planregels
betreffende de hoogte van de dakrand van het gebouw; en
= met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage I! van het Bor, betreffende de overschrijding van de diepte van het bouwvlak. Ontvankelijkheid (zaaknummer ROT 23/3811) (geanonimiseerd) 6 De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het beroep van B (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) ontvankelijk is. De gemachtigde van Bheeft ter zitting desgevraagd verklaard dat B (nagenoeg) geen zicht heeft op het betreffende bouwplan. Wel vreest hij bij uitvoering van
het bouwplan schade aan zijn woning. als gevolg van het heïen en de mogelijke wijziging
van de grondwaterstand.
6.1.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene
wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectiefen actueel, eigen en
persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is
belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Aw b. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit zoals een bestemmingsplan of een vergunning toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit
Het criterium 'gevolgen van enige betekenis' van de activiteit is een correctie op dit
uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-. leef: of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op,
“
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810. ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
6
planologische uitstraling van en milieugevolgen (0.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang
62. _ Derechtbank stelt vast dat (geanonimiseerd) N op cen afstand van circa 80 m van de planlocatie
woont. Daarnaast heeft hij niet of nauwelijks zicht op het bouwplan als gevolg van de tussenliggende bebouwing. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij ten gevolge van het besluit tot vergunningverlening gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- en leefsituatie zal ondervinden. Onbestemde uitvoeringstechnische effecten maken (geanonimiseerd) niet dat op grond daarvan kan worden geoordeeld dat Brechtstreeks in zijn belang
wordt getroffen. Een persoonlijk belang bij dat besluit ontbreekt dan ook voor hem.
Naar het oordeel van de rechtbank is (geanonimiseerd) B daarom geen belanghebbende bij het bestreden besluit. Zijn beroep is om die reden niet-ontvankelí
Beoordeling van de beroepsgronden (in de zaken ROT ROT
23/2679, ROT 23/3768
23/3810 en ROT 23/3812)
7. _ Omdat de aangedragen afzonderlijke beroepsgronden in hoge mate met elkaar overeenkomen vat de rechtbank deze samen en beoordeelt zij de afzonderlijke beroepsgronden als waren ze door eisers gezamenlijkingediend, tenzij een beroepsgrond meer specifiek door één van de eisende partijen is aangevoerd.
8.
Eisers stellen dat verweerder ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning
heeft verbonden ter bescherming van het groen dat de afscheiding vormt tussen hun tuinen
en het perceel waarop de nieuwbouw zou moeten komen. Dit groen zorgt nog voor enige beperking van de inbreuk op de privacy, het verlies aan uitzicht en de geluids- en lichthinder
vanwege de nieuwbouw. Maar de hier aanwezige bomen en opgaand groen zijn kwetsbaar enoverleven. zullen naar verwachting de nieuwbouw, inclusiefde sanering van de grond, niet
Het voorgaande achten eisers met name van belang nu het onderhavige bouwplan alleen kan worden gerealiseerd na een bodemsanering (van vrijwel het gehele perceel), waarbij tot op | meter diepte wordt afgegraven. Dit zal ertoe leiden dat het bestaande opgaande groen, gesitueerd op en nabij de erfgrens tussen het perceel waarop de nieuwbouw geprojecteerd is (geanonimiseerd) zal worden aangetast. en de percelen van de woningen aan de
8.1. _ Verweerder heeft het niet noodzakelijk geacht om een voorschrift of voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de aanwezigheid van groen te verbinden
aan de vergunning omdat er op de erfgrens, in de tuinen van de bewoners van de (geanonimiseerd) reeds opgaand groen aanwezig is. Dit groen wordt beschermd door het verbod in de
Algemene plaatselijke verordening Ridderkerk 2020 (APV) om zonder vergunning te vellen
en door het Bouwbesluit 2012, op grond waarvan de eigendommen van anderen niet wegens werkzaamheden beschadigd mogen worden. Aldus is geborgd dat dit groen, indien eisers daar zelf geen andere plannen mee hebben, zal blijven bestaan. Voorts zijn er in het kader van de sloopwerkzaamheden van het oude flatgebouw op het onderhavige perceel nadere voorwaarden in de vorm van boombeschermende maatregelen aan die werkzaamheden
gesteld. Eerst na een goedgekeurd plan van aanpak konden de sloopwerkzaamheden worden voortgezet. Ook gedurende de werkzaamheden n het kader van de bodemsanering, bij de aanleg van infrastructurele voorzieningen en bij de vervangende nieuwbouw van het appartementengebouw zal het bestaande opgaande groen afdoende bescherming genieten,
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
7
zodanig dat er bij enig gevaar hiervan door verweerder zal worden ingegrepen. Gelet op het vorenstaande hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen voorschriften aan
de omgevingsvergunning te verbinden ter bescherming van voornoemd groen. Voorts geldt dat in de omgevingsvergunning voor het kappen van 4 bomen op de projectlocatie een herplantplicht is opgenomen, waarmee na realisatie van het woongebouw de hoeveelheid groen juist zal toenemen.
9 Eisers stellen dat hun privacy en uitzicht (verder) wordt aangetast. Daarnaast zullen zij overlast n de vorm van licht en geluid ervaren. Niet alleen in hun woningen, maar zeker ook in hun tuinen. De inbreuk op hun woon- en leefklimaat is dus groot.
Verweerder stelt wel dat met de lichthinder rekening is gehouden door deze verticaal langs de gevel uit te voeren, maar het is eisers niet duidelijk waarom deze wijze van uitvoering van de verlichting zou leiden tot een ruimtelijk aanvaardbare situatie. De ichtuitstraling verandert daardoor immers niet. Verder geldt dat dit aspect ten onrechte niet is geborgd in een voorschrift of voorwaarden in het bestreden besluit. Het staat Wooncompas vrij om de verlichting anders uit te voeren, waardoor de lichthinder ook kan toenemen.
De overwegingen om vanuit sociaal maatschappelijk oogpunt galerijen en balkons te combineren voor 'de doelgroep' van het nieuwe appartementencomplex om zo het contact tussen bewoners te bevorderen en eenzaamheid van kwetsbare groepen tegen te gaan acht (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Bnie valide. Wat betreft het toedichten van sociale interactie stelt da dezc sociale huurwoningen bestemd zijn voor minimaal 2 en maximaal 4 bewoners,
9.1. _ De vrees van eisers voor aantasting van hun privacy en uitzicht alsmede overlast door licht en geluid heeft verweerder in zijn besluitvorming meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van eisers. Verweerder heeft
daarbij onder meer relevant mogen achten dat het gaat om de bouw van een woongebouw
op een locatie waar voorheen ook een qua omvang soortgelijk woongebouw stond.
Substantieel andere effecten dan voorheen hoeven niet te worden verwacht.
ij het dat in dit
geval de galerijen en de balkons wel voor een ander effect zorgen, De impact van deze typologie op de privacy van de bewoners van de woningen aan di (geanonimiseerd) neeft
verweerder naar het oordeel van de rechtbank beperkt kunnen achten, gezien de diepe achtertuinen (minimaal 36 m) met het aanwezige opgaande groen dat het zicht op het appartementengebouw deels ontneemt/verzacht. Het eventueel planten van nog meer opgaand groen of het nemen van andere (groene) zicht-belemmerende maatregelen is niet onmogelijk
9.2.
_ Verweerder heeft bovendien mee mogen laten wegen dat de locatie in het centrum
van Ridderkerk is gelegen. In zo’n stedelijk gebied mag volledige privacy of een volledig vrij uitzicht niet worden verwacht en is de aanwezigheid van enige mate van licht en geluid normaal. Voorts heeft Wooncompas in het kader van de verlichting van de galerijen rekening gehouden met de belangen van eisers, door de galerijen met een verticale
verlichting uit te voeren langs de gevel. Hierdoor vindt er geen uitstraling naar de omgeving plaats. Daarnaast blijft er een ruime afstand van zeker 45 meter tussen de woningen van (geanonimiseerd) en de nieuwbouw bestaan. Gelet op het voorgaande heeft eisers aan del verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat de gestelde inbreuk op het woon- en leefklimaat niet zodanig is dat verweerder om die reden geen gebruik heeft
kunnen maken van de kruimelgevallenregeling
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
10. _\ell dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het
(geanonimiseerd) vertrouwensbeginsel. Hij voert n dit verband aan dat hij op 17 maart 2022 heeft gesproken met (toenmalig) wethoude: (geanonimiseerd) (van Ruimtelijke Ordening). De wethouder heeft in dit gesprek verklaard dat hij, gelet op de impact van dit bouwplan op het woon- en leefklimaat van eisers, van mening was dat de nieuwbouw omgedraaid zou moeten worden, zodat de galerijen aan de zijde van de Blaak zouden komen. De wethouder zegde toe hiertoe intern opdracht te zullen geven. Uit een e-mail van 24 maart 2022 van de betrokken
ambtenaar (geanonimiseerd verkregen via een verzoek op grond van de Wet open overheid) blijkt dat aan de initiatiefnemer is aangegeven dat het omdraaien van het gebouw "noodzakelijk” wordt geacht. Deze toezegging van de verantwoordelijk wethouder kan aan
verweerder worden toegerekend.
10.1. De rechtbank is van oordeel dat van een toezegging van de zijde van verweerder (geanonimiseerd) over het omdraaien van de nieuwbouw niet is gebleken. Er is inderdaad met g
gesproken. Daarbij is de wil getoond om te onderzoeken of het omdraaien van de
nieuwbouw een optie was. Uit de betrokken memo blijkt dat het noodzakelijk was dit met Wooncompas te bespreken omdat zij haar vergunningaanvraag al had ingediend. Het gesprek over het omdraaien van de nieuwbouw heeft daadwerkelijk plaatsgevonden maar Wooncompas heeft uiteindelijk besloten haar aanvraag niet te wijzigen. De keuze om de
gecombineerde galerij met balkons aan de achterzijde(zuidzijde) te willen plaatsen vond zij logisch met het oog op de zon. Dit bracht met zich dat verweerder niet anders kon dan op de (geanonimiseerd) stelt blijkt niet uit aanvraag e beslissen zoals deze was ingediend. Anders dan B de door hem overgelegde stukken dat aan hem is toegezegd dat het gebouw zou worden omgedraaid.
(geanonimiseerd) UE M e zich verder op het standpunt dat uit het saneringsplan blijkt dat ook wordt gesaneerd in de zuidoostelijk gelegen strook van het perceel waarop de
dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' rust. Op grond van artikel 19.2.1 van de
planregels geldt hier een verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondbewerkingen uit te voeren, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen. Voor deze activiteit is geen omgevingsvergunning gevraagd noch verleend, terwijl in de overwegingen bij omgevingsvergunning voor de activiteit "Het (ver-)bouwen van een bouwwerk de bodemsanering wel nadrukkelijk wordt genoemd
1.I. _ De rechtbank overweegt dat het graven in gronden met de dubbelbestemming * Waarde - Cultuurhistorie” geen activiteit is die thans ter beoordeling voorligt. Dat er een bodemsanering dient plaats te vinden volgt inderdaad uit de omgevingsvergunning. Eerder kunnen de bouwwerkzaamheden niet starten. Indien voor de bodemsanering moet worden gegraven in gronden met de dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie” zal daarvoor
door Wooncompas een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden, maar dit aspect vormt geen weigeringsgrond voor de onderhavige omgevingsvergunning voor bouwen en
planologisch strijdig gebruik.
12.
Eisers stellen zich op het standpunt dat er een reëel risico op schade bestaat aan de (geanonimiseerd) Volgens eisers is niet onderheide (rijks)monumentale woningen aan def (geanoimsrd) i. onvoldoende onderzoek gedaan om dat risico te ondervangen. Zij verwijzen in dit verband naar een advies van Crux engineering, waaruit blijkt dat het risico op schade aan de woningen groot is. Ondanks dat de gemeenteraad verweerder heeft opgeroepen om
8
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812
beschermende maatregelen te treffen, onder meer door een 0-meting scheefstand uit te voeren en tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden op relatief korte afstand van deze
woningen de impact op de omliggende bebouwing te monitoren door bijvoorbeeld rillingsmeters te plaatsen, heeft verweerder deze maatregelen niet getroffen noch zijn er over dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.
Bovendien is er (nog) geen definitief palenplan (keuze voor de toe te passen paal) en wordt de mogelijkheid opengelaten om te heien. Dit terwijl in de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning de noodzaak om trillingvrij te boren met zogeheten Olivierpalen
nadrukkelijk is besproken. Eisers vinden het onzorgvuldig dat op dit punt geen waarborgen in het bestreden besluit zijn opgenomen. De gevolgen van het bestreden besluit zijn volgens
eisers dan ook niet (deugdelijk) geïnventariseerd en afgewogen.
Eisers wijzen in dit verband tevens op het Erfgoedbeleid van de gemeente Ridderkerk
(pagina 8 van "Uitwerking deel I Monumentenbeleid"): "Bij (incidentele) ontwikkelingen, zoals bouwactiviteiten, zal de initiatiefnemer ervoor
moeten zorgen dat de werkzaamheden op een verantwoorde wijze uitgevoerd worden, Hierom wordt, naast de omgevingsvergunning, bij (bouw)projecten een
bouwveiligheidsplan gemaakt. (…) De gemeente toetst dit veiligheidsplan en zo nodig kunnen voorwaarden worden opgenomen. Hiernaast bestaan er mogelijkheden om bij de uitvoering van de werkzaamheden in te grijpen door de gemeente. Voorafgaand aan de
bouwwerkzaamheden kunnen bouwkundige opnames gemaakt worden (zogenaamde nulmetingen).”
Eisers hebben niet vast kunnen stellen dat in dit geval de kwetsbaarhieid van de (geanonimiseerd) )dre sim no aeg( de beoordeling is betrokken. Dat eerst drie monumentale panden aan dc_ij weken vooruitlopend op de uitvoering van het werk aan verweerder een definitief
monitoringsplan ter beoordeling dient te worden ingediend leidt er volgens eisers toe dat zij op dit punt geen enkele inspraak of invloed hebben, I2.1. _ Anders dan eisers stellen heeft verweerder zich er rekenschap van gegeven dat
schade aan de (rijks)monumenten moet worden voorkomen. Blijkens de bij de aanvraag behorende stukken zal in het kader van het door eisers genoemde Erfgoedbeleid de bouwroute niet nabij dl (geanonimiseerd) komen. Ook is aan de omgevingsvergunning een
voorschrift verbonden dat erin voorziet dat uiterlijk drie weken voor de start van de
werkzaamheden een definitief monitoringsplan wordt aangeleverd, waarmee verweerder zich houdt aan de bepalingen van Hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit). Artikel 8.1 van het Bouwbesluit luidt als volgt:
1. De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. 2 Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.”
Artikel 8.2 van het Bouwbesluit luidt:
Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter
voorkoming van: [..]
)
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
10
c beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al
dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen”
In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit (Staatsblad 201 1 416) staat dat de
functionele eis van artikel 8.1, eerste lid, van het Bouwbesluit duidelijk maakt dat onveilige situaties niet volledig voorkomen kunnen worden. Volgens de toelichting op artikel 8.2
moeten, om onveilige situaties tijdens bouw- of sloopwerkzaamheden te voorkomen,
maatregelen worden getroffen om letsel van personen of beschadiging van al dan niet roerende zaken te voorkomen. Blijkens deze toelichting bestaat de onveiligheid er ten
aanzien van al dan niet roerende zaken in dat daaraan schade wordt toegebracht. Dergelijke
onveilige situaties kunnen weliswaar niet altijd worden voorkomen, maar om die zoveel als
mogelijk te voorkomen, moeten in ieder geval de in artikel 8.2 bedoelde maatregelen worden getroffen, zodat deze maatregelen als minimumeisen hebben te gelden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2019, ECLE:NL:RVS:2019:3124.
Naar het oordeel van de rechtbank behoeven niet alle technische gegevens al op het moment van vergunningverlening bekend en beoordeeld te zijn: het gaat om de hoofdlijnen, mits in de omgevingsvergunning is bepaald dat nog niet mag worden begonnen met de bouw totdat
de constructieve gegevens zijn geaccordeerd. In casu verlangt verweerder in voorschrift I het volgende
*1 Met in acht name van de wettelijke indieningstermijn van drie weken dienen
vooruitlopend op de uitvoering van het werk de uitgewerkte gegevens ter beoordeling te worden ingediend van:
a. een beschikking door het bevoegd gezag (Provincie) op een evaluatierapport van de uitgevoerde bodemsanering:
b. definitief palenplan met maatvoering, afmetingen paal en inheinivo; c definitief funderingsadvies voor de toegepaste type paal: d. definitief monitoringsplan m.b.t. veiligheidsplan: . berekeningen en tekeningen (vorm en wapening) van de palen:
f definitieve berekeningen en tekeningen fundering, incl. detailberekeningen funderingsbalk,
& berekeningen en tekeningen (vorm en wapening) van de begane grondvloer en verdiepingsvloeren; h. tekeningen van alle staalconstructies:
i. berekeningen en tekeningen van cruciale details (beton en staal):
j. berekeningen en tekeningen van alle overige onderdelen welke van invloed zijn op de constructieve veiligheid.
2. Voorafgaand aan het heiwerk dient een heibespreking te worden gehouden waarin belangrijke afspraken m.b.t. de uitvoering worden besproken e.e.a. in overleg met en naar genoegen van de bouwinspecteur. De aanvrager c.q. diens gemachtigde stuurt de bouwinspecteur daarvoor minimaal één week van te voren een uitnodiging.
Pas na goedkeuring van het in deze vergadering opgestelde verslag mag worden gestart met
de uitvoering van het heiwerk, daarbij in acht genomen dat alle palen dienen te worden gekalenderd of geregistreerd zoals aandraaimoment, snelheid en hoeveelheid beton.
Alle palen dienen gewapend te worden e.e.a. volgens berekening van de leverancier.
3. Alle palen dienen akoestisch doorgemeten te worden afhankelijk van het type paal. 4. Het peil van de afgewerkte begane grondvloer is vastgesteld op 0,75 m - N.A P”
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
Hieruit blijkt dat eerst kan worden gestart met de bouwactiviteit, nadat alle
constructiegegevens en het bouwveiligheidsplan zijn goedgekeurd. Verder moet het project worden uitgevoerd in overeenstemming met de bij de vergunning behorende en daartoe gewaarmerkte stukken. Naar verweerder ter zitting heeft toegelicht zal het boren door
middel van Olivierspalen niet plaats kunnen vinden maar zal het heien plaatsvinden aan de hand van gladde heipalen. In wat eisers hebben aangevoerd, met inbegrip van hetgeen is verwoord in de rapportage van Crux, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan artikel 8.1 en 8.2 van het Bouwbesluit. De rechtbank
overweegt daarbij dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat tijdens het heien gebruik gemaakt zal worden van een trillingsmonitor en dat een XYZ-meting zal plaatsvinden (dus zowel horizontaal als verticaal), met als doel eventuele verplaatsingen of scheefstand van panden en objecten nauwkeurig vast te leggen, zodat eventuele deformaties tijdens de bouwwerkzaamheden kunnen worden vastgesteld. Bovendien is ter zitting aangegeven dat zonder vergunning niet gebronneerd mag worden en dat er door regelmatig toezicht door de
gemeente voldoende aandacht is voor het voorkomen van schade.
Het voorschrift voor het indienen van een palenplan, de overige constructieve gegevens en het bouwveiligheidsplan en de daaraan voorafgaande verplichte goedkeuring is aan de vergunning verbonden om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt door de
werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarmee op het
standpunt kunnen stellen dat het aannemelijk is dat wordt voldaan aan de in dit verband toepasselijke eisen uit het Bouwbesluit 2012
E Eisers stellen dat sprake is van een forse afwijking van de diepte van het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak van 9,46 m, waardoor hun belangen aanzienlijk worden geschaad. Met het bestreden besluit wordt vergunning verleend om de in het bestemmingsplan vastgelegde bouwgrenzen aan de zijde van de tuinen van de woningen aan
(geanonimiseerd) deF te overschrijden en 2,512,86m voor balkons en galerijen). Daarmee met wordt3,4 eenm (0,90 diepte m vanvoorin het totaalbouwblok (minimaal) m de toegelaten. Eisers menen dat in het bestreden besluit niet dan wel onvoldoende wordt
onderbouwd waarom deze overschrijding van de bouwgrenzen nodig is, welke belangen daarbij betrokken zijn en waarom de belangen van eïsers daaraan ondergeschikt worden
geacht.
In dat verband stellen eisers dat het voor de hand zou liggen om de nieuwbouw enigszins richting de Blaak te verschuiven, omdat daarvoor aan de zijde van de Blaak voldoende ruimte is en het zou als bijkomend voordeel hebben dat de voorgevel in lijn komt met de overige bebouwing aan de Blaak richting het Koningsplein. 13.1. _ De rechtbank is van oordeel dat eisers ten onrechte stellen dat er ten opzichte van
het bestemmingsplan een 3,4 m grotere bouwdiepte wordt toegestaan door vergunning te verlenen voor planologisch strijdig gebruik. Artikel 211 aanhefen onder a van de
planvoorschriften geeft immers een direct recht om bouwgrenzen met ten hoogste 2,5 m te overschrijden ten behoeve van onder andere galerijen en balkons. Er is hier dus geen sprake van planologisch strijdig gebruik.
13.2.
Verweerder heeft in navolging van het advies van de commissie de diverse
binnenplanse mogelijkheden voor overschrijding van de bouwgrenzen niet gestapeld. Bij het bestreden besluit is in de herziene vergunning gebruik gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld n artikel 4 van bijlage I van het Bor. Daarmee is ontheffing verleend om de
11
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812
12
bouwgrens aan de achterzijde met 0,9 m te overschrijden. Dit omdat de 2,5 m overschrijding
voor balkons en galerijen moet worden gemeten vanafde oorspronkelijke bouwgrens en niet
vanaf de verschoven bouwgrens. Oftewel, het bouwplan is aan de achterzijde 0.9 m dieper
dan op grond van het bestemmingplan rechtstreeks zou zijn toegestaan.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de plaats en grootte van het bouwplan
aanvaardbaar is. In het kader van de afweging van belangen heeft verweerder verklaard niet
alleen 0og te hebben voor de belangen van omwonenden aan de zijde van def (geanonimiseerd) maar ook voor de bewoners van de appartementen aan de zijde van het Koningsplein. Gekozen is voor een overschrijding aan de achterzijde omdat de appartementen aan de zijde van het Koningsplein op een kortere afstand van de nieuwbouw zijn gelegen dan de woningen aan de (geanonimiseerd) Nu er sprake is van een ruime afstand van zeker 45 meter
(geanonimiseerd) en de nieuwbouw heeft verweerder naar tussen de woningen van eisers aan defggg
het oordeel van de rechtbank kunnen besluiten dat met de voornoemde overschrijding van de bouwgrens van slechts 0,9 m de belangen van eisers niet onevenredig worden geschaad,
zodat hij niet ten onrechte op deze wijze gebruik heeft gemaakt van de zogenaamde kruimelgevallenregeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Bijlage IT van het Bor.
133
Bstel dat er van cen uitbreiding van het hoofdgebouw geen sprake is,
(geanonimiseerd)
zodat verweerder ook om die reden geen toepassing heeft mogen geven aan de kruimelgevallenregeling. Volgens hem moet voor de toepassing van artikel 4, eerste lid van (geanonimiseerd) meent bijlage I! van het Bor immers sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk. B dat er in dit geval van een bijbehorend bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, bijlage II, van het Bor, geen sprake kan zijn.
13.4. _ De rechtbank is van oordeel dat ook de uitbreiding op een hoofdgebouw als een bijbehorend bouwwerk kan worden gekwalificeerd. Zie onder meer de uitspraak van de
Afdeling van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3069 r.0. 3.2. In dit geval is sprake
van cen uitbreiding van een hoofdgebouw en daarmee sprake van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid. van bijlage II van het Bor, zodat het betoog (geanonimiseerd) van B
nict slaagt.
l4 _ Eisers stellen dat verweerder het peil niet heeft vastgesteld conform de wijze die in het bestemmingsplan is voorgeschreven, waardoor de hoogte van het gebouw in werkelijkheid hoger is dan vergund. Zij wijzen erop dat in het bestreden besluit wordt
overwogen dat het peil van de afgewerkte begane grondvloer wordt vastgesteld op 0,75
meter - NAP, waarbij wordt opgemerkt dat dit verband houdt met het feit dat de straat na het
gereedkomen van de nieuwbouw niet in de oorspronkelijke toestand terugkomt. Vervolgens wijkt verweerder ter zake van de hoogte van het gebouw zonder enige motivering met
toepassing van artikel 22.1 onder a van de planregels af van het bestemmingsplan.
Verder had verweerder ten behoeve van het gebruik van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden duidelijk moeten maken hoe hij de peilhoogte heeft vastgesteld. Dat is niet gebeurd, terwijl het peil het uitgangspunt vormt voor de daadwerkelijk toegestane hoogte. Pas als helder is wat de daadwerkelijke peilmaat is, kan ook worden beoordeeld in
hoeverre de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid mogelijk is, aldus
eisers.
14.1. De rechtbank heeft ten aanzien van het aspect hoogte van het nieuwe gebouw en het vastgestelde peil kennisgenomen van een door verweerder overgelegde foto. Daarop is op
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812
13
het bestaande gebouw met blauwe markering aangegeven hoe hoog het nieuwe gebouw wordt en is zichtbaar gemaakt dat de nieuwbouw lager uitvalt dan de bestaande bouw.
14.2. Voor het meten van de hoogte van een bouwwerk moet worden uitgegaan van het peil zoals dat is gedefinieerd in het bestemmingsplan. De nieuwbouw is (deels) geprojecteerd op een afstand van minder dan 5 m van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied', hetgeen betekent dat het peil op grond van artikel 1.38, onder a, van de planregels moet worden bepaald op basis van de hoogte van de weg.
Daarnaast geldt dat het peil wordt aangegeven ten opzichte van NAP. Verweerder heeft
aangegeven dat er bij een wat oudere weg sprake kan zijn van oneffenheden. Afhankelijk van het punt waar wordt gemeten zijn er dan verschillende hoogten van de weg. In de
diverse documenten wordt als peil van de weg genoemd: NAP -0,8 m, NAP- 1,18, NAP 0,82 tot -1,20 en NAP-I. Deze variatie in peilmaten is volgens verweerder niet vreemd.
143. _ Ten aanzien van de peilhoogte staat op pagina 2 van het geotechnisch advies van Koops van 10 februari 2022 "op basis van het gemeten straatpeil is vooralsnog voor het bouwpeil uitgegaan van ca NAP -0,8 m. Op'pagina 4 van het geotechnisch advies staat "De onderzochte locatie is gelegen aan de Blaak te Ridderkerk. Ten tijde van het veldonderzoek varieerde de maaiveldhoogte ter plaatse van de sonderingen van NAP -0,81 tot -1,20 m. Een
straatpeil n de Blaak is bepaald op NAP -1,18 m.” En op pagina 15 van het projectplan staat: "De hoogte van het maaiveld ligt op circa | m -NAP", gebaseerd op: "Hoogteligging van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) in m NAP (Normaal Amsterdams Peil) geraadpleegd op www.ahn.nl" Hieruit volgt dat verweerder heeft kunnen
uitgaan van een straatpeil van circa NAP — 116 m.
144 _ Nu de nieuwbouw een (goot)hoogte heeft van 12,5 m vanaf het peil NAP -0,75 m,
kan uitgaande van een onweersproken straatpeil van circa NAP -1,16 m, de hoogte van het gebouw op 12,91 m worden vastgesteld. Aangezien de maximale goothoogte met toepassing van artikel 21.1, onder a, van de planregels op 13,2 m uitkomt, heeft verweerderer naar het
oordeel van de rechtbank niet ten onrechte voor kunnen kiezen om ontheffing van de goothoogte te verlenen. Voor de motivering dat hier sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft verweerder onder overweging 22 van de herziene omgevingsvergunning
verwezen naaral hetgeen daarvoor is overwogen. Daarnaast is verweerder ter zake van de
liftkoker naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat op grond
van artikel 21.1, onder d, van de planregels een plaatselijke verhoging van de dakrand tot 13,463 m is toegestaan
19? Eisers stellen verder dat bij de commissie tijdens de hoorzitting door verweerder is erkend dat de wenteltrap in strijd met het bestemmingsplan is. Aangekondigd werd dat het bouwplan zou worden gewijzigd, zodanig dat de wenteltrap niet (meer) in strijd met het
bestemmingsplan zou zijn. In de herziene omgevingsvergunning wordt aan de wenteltrap geen overweging gewijd. Wel worden daarin vijf, ten opzichte van het primaire besluit
aangepaste bouwtekeningen genoemd, te weten OV 101, 102, 201, 251 en OV 051 C. Voor
zover uit deze tekeningen de tijdens de hoorzitting aangekondigde wijziging van de wenteltrap zou moeten blijken, wijzen eisers erop dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld zich over deze gewijzigde tekeningen uit te laten alvorens op hun bezwaren werd beslist. (geanonimiseerd) B k verder op dat hij de later aan de (herziene) omgevingsvergunning
toegevoegde tekeningen 101 102, 201 en 251 nimmer heeft ontvangen. Het verbaast (geanonimise rd)
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
(geanonimiseerd) _dal hij niettekening in de gelegenheid gesteld omis devoorafgaand bestredenop besluit eze gewijzigde te reageren. is Evenmin tekening bijaande hetbeslissing bezwaarop
14
(geanonimiseerd) het bestreden besluit in zoverre in strijd met de aan hem toegezonden. Volgens BNis
goede procesorde genomen.
I5.1. _ Verweerder heeft in dit verband verklaard dat alle genoemde documenten namens
verweerder zijn toegestuurd aan de secretaris van de commissie, maar dat door een
misverstand tussen de secretaris en de vertegenwoordiger van verweerder deze documenten niet naar alle bezwaarmakers zijn gestuurd. Volgens verweerder hebben diegenen die naar aanleiding van het bestreden besluit om de genoemde stukken hebben verzocht, deze direct (geanonimiseerd) heeft evenwel niet om de documenten verzocht. toegezonden gekregen. B
1$.2. De rechtbank overweegt dat deze misslag in de procedure niet de schoonheidsprijs (geanonimiseerd) inmiddels de beschikking hebben verdient maar stelt vast dat eisers, waaronder N gekregen over de genoemde documenten, aangezien deze deel uitmaken van het dossier in
deze beroepszaak, waardoor zij de mogelijkheid hebben gekregen hierover desgewenst opmerkingen over te maken.
15.3. _ De rechtbank stelt verder vast dat de betreffende wenteltrap (spiltrap) naar aanleiding van de bezwaren van eisers aan de hand van aangepaste bouwtekeningen in
geringe mate is verplaatst, en wel zodanig dat deze niet (meer) uitkomt buiten de 2,5 m
diepte van galerij met balkons. Deze verplaatsing is zichtbaar op de tekeningen behorende bij de herziene vergunning.
Eisers hebben niet betwist dat de aanpassing van de wenteltrap ertoe heeft geleid dat de trap
niet meer in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank ís van oordeel dat niet
aannemelijk is dat eisers als gevolg van de gevolgde procedure feitelijk zijn benadeeld vanwege het feit dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld zich over deze gewijzigde tekeningen uit te laten alvorens op hun bezwaren werd beslist.
I6.
_ Eisers stellen dat in het advies van de commissie s geconstateerd dat de
bijgebouwen in het primaire besluit over de omgevingsvergunning zijn “meevergund”,
terwijl deze bergingen door hun oppervlakte in strijd zijn met artikel 16.2.4 van de planvoorschriften. Eisers stellen vast dat in de nieuwe tekening met nummer OV 051C door
middel van 4 pijlen, de 16 buiten het gebouw gelegen ruimten zijn aangeduid als vergunningvrij. De overige 12 zijn dus niet als zodanig aangemerkt. Hieruit blijkt dat slechts een deel van de bergingen op de tekening zijn aangeduid als vergunningvrij. De overige 12 zullen dus getoetst moeten worden aan artikel 16.2.4 van de planregels. Deze zijn daarmee in strijd.
16.1. _ De rechtbank overweegt dat de bergingen in het achtererfgebied op de voornoemde tekeningen zijn opgenomen in drie clusters van twee en een groter cluster van tien bergingen. Op de herziene tekening, die onderdeel uitmaakt van de herziene
omgevingsvergunning, zijn deze clusters voorzien van de aanduiding “vergunningvrij”. De rechtbank stelt in navolging van eisers vast dat er 4 pijlen op deze tekeningen staan, maar anders dan eisers stellen moet daaruit worden afgeleid dat deze pijlen betrekking hebben op de 4 bouwblokken (van in totaal 16 bergingen). Eisers hebben op zich niet weersproken dat (al) deze bergingen als vergunningvrij als bedoeld n artikel 2 van bijlage I van het Bor kunnen worden aangemerkt. Nu een bouwwerk dat vergunningvrij is op grond van dit
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
15
artikel niet getoetst mag worden aan het bestemmingsplan, kan er in het kader van de
bergingen geen sprake zijn van strijd met de planregels van het bestemmingsplan.
17. _ Eisers menen verder dat uit tekening OV 101 blijkt dat op de bestemming “Tuin”
zal worden gebouwd, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan. Op de tekening wordt de lengte van het nieuwbouwcomplex aangegeven als 64,327 meter.
Een vergelijking met de bouwtekeningen toont aan dat dit niet juist is en de lengte minimaal
64,348 m bedraagt. Aangezien het passen en meten i om het gebouw binnen het bestemmingsvlak 'Wonen' te positioneren (op de tekening wordt de afstand tussen de
nieuwbouw en de bestemming 'Tuin' als "0.00" en "0.03" vermeld aan de oostelijke zijde), achten eisers het van groot belang dat de tekeningen en de aangegeven maten kloppen. I7.. _ De rechtbank overweegt dat verweerder heeft opgemerkt dat onduidelijk is waar de genoemde lengte van 64,348 m vandaan komt. Uit dezelfde tekening concludeert
verweerder dat de lengte 64,328 m is (354 + 60000 + 3750 = 224= 64328). Het bouwplan
komt daarmee niet op gronden met de bestemming “tuin”. Van de zijde van eisers is niet nader beargumenteerd dat deze berekening van verweerder toch onjuist is, zodat de rechtbank verweerder hierin volgt. In de enkele stelling van eisers ter zitting dat een aantal em van de liftschans op de bovenste verdieping boven de bestemming “Tuin” komt te liggen ziet de rechtbank geen aanleiding hierin strijd met de bouwregels van artikel 12 van de planregels aan te nemen.
18.
Eisers stellen dat het bouwplan in strijd is met artikel 16.2.1, onder d, van de
planregels. Daarin is bepaald dat hoofdgebouwen, als niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, op minimaal 15 m van de perceelsgrens worden gebouwd. Op basis van een tekening zijnde een voetprint van de nieuwbouw, die verweerder eerst op 16 januari 2023
(geanonimiseerd) aal\_1:cfl vast Nudat diehet grens hoofdgebouw 1,03 dem van de westelijke grens van toegezonden, het bouwvlak stellen komt eisers te liggen. gelijk looptop met
kadastrale grens van het perceel, zijn eisers van mening dat de nieuwbouw in strijd met artikel 16.2.1 onder d van de planregels op een afstand van 1.03 m van de perceelsgrens is vergund. De in het bestreden besluit vergunde afwijking van het bestemmingsplan ziet niet op deze strijdigheid.
8.I. _ Verweerder geeft in dit verband te kennen da het doel van de regel in het bestemmingsplan is om ervoor te zorgen dat de doorgang tussen gebouwen voldoende breed
is. Ter plaatse van de zijgevel is echter geen doorgang langs het gebouw naar de achterzijde
voorzien, maar een groenvoorziening. Voor deze groenvoorziening is voldoende ruimte. De doorgang voor fietsers en voetgangers tussen het pand Blaak 97- |19 en de nieuwbouw is en blijft ruim meer dan 1,5 meter.
Daarnaast wijst verweerder erop dat zowel het perceel waarop het bouwplan is voorzien als het naastgelegen perceel in eigendom is van Wooncompas en dat zij het in haar macht heeft
om ervoor te zorgen dat de perceelsgrens opschuift, en wel zodanig dat hiermee aan de planregel wordt voldaan.
!8.2. _ Ter zitting i door eisers betwist dat het naastgelegen perceel in eigendom van
Wooncompas is. Wat er ook zij van de vraag of het naastgelegen perceel al dan niet eigendom van Wooncompas is, komt de rechtbank in het licht van het vorenstaande tot het oordeel dat het bouwplan in die zin feitelijk in strijd is met artikel 16.2.1, onder d. van de
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
16
planregels en dat het bestreden besluit, nu daarin de strijdigheid met het bestemmingsplan niet door middel van een ontheffing is opgeheven, in zoverre een gebrek vertoont.
19. _ Eisers wijzen er verder op dat de commissie in haar advies uitgebreid ingaat op de quickscan “Flora en Fauna” en wijst op daarin opgenomen aanbevelingen die als (geanonimiseerd) stcit deze voorschriften aan de vergunning zouden moeten worden toegevoegd. B quickscan overigens niet te kennen omdat verweerder deze, ondanks toezeggingen, niet heeft toegezonden. Hierdoor is er geen mogelijkheid geweest hierop te reflecteren. Voorts
geldt dat, hoewel in het bestreden besluit staat dat het advies van de commissie wordt overgenomen, de door de commissie genoemde aanbevelingen niet als voorschriften aan de
omgevingsvergunning zijn verbonden, waardoor het bestreden besluit gebrekkig is.
19.1. _ Verweerder heeft toegelicht dat er in 2018 voor de ontwikkeling aan de Blaak een quickscan “Flora en Fauna” is gemaakt. Daarmee is komen vast te staan dat vanuit de Wnb
geen bezwaren bestaan tegen de ruimtelijke ontwikkeling in het gebied. De quickscan is
destijds als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing voor de omgevingsvergunning voor de naastgelegen 7 grondgebonden woningen gevoegd en heeft in dat kader ter inzage gelegen.
De quickscan bestrijkt echter ook het onderhavige woongebouw. Verweerder heeft overigens de quickscan daarna nog laten actualiseren. Ook uit het rapport van 23 augustus 2023 blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep aan de Blaak I /m 95 uitvoerbaar is in het kader van de Wnb.
19.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien die regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (het relativiteitsvereiste).
19.3. _ Los van de vraag of het relativiteitsvereiste n dit verband aan eisers kan worden
tegengeworpen overweegt de rechtbank dat, ook in beroep, eisers zich niet op het standpunt stellen dat het bouwplan wegens strijd met de Wnb op voorhand niet uitvoerbaar is. Ter
zake van de stelling van eisers de quickscan niet te kennen, ov erweegt de rechtbank dat het
uit 2018 daterende rapport een openbaar stuk is dat eventueel ook via internet te raadplegen is.
De rechtbank stelt vast dat de in het advies van de commissie ten aanzien van flora en fauna genoemde aanbevelingen niet als voorschriften n het herziene besluit terugkomen. De rechtbank kan verweerder volgen dat hij geen aanleiding heeft gezien om deze algemene aanbevelingen n voorschriften te verwerken, te meer omdat het vanzelfsprekend is dat tijdens de bouw rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht voor flora en fauna. Bovendien geldt dat, zoals eisers ook zelf stellen, het advies van de commissie door
verweerder is overgenomen, zodat verweerder geacht wordt deze aanbevelingen tijdens de uitvoering op te volgen.
20. _ Eisers merken op dat in het verkeersadvies wordt gesproken over 58
parkeerplaatsen in de nieuwe situatie. Het is eisers onduidelijk waar dit op is gebaseerd. Uit het bestreden besluit noch uit het verkeersadvies blijkt aan welk beleid is getoetst. Aldus kan niet worden vastgesteld of op de juiste gronden wordt geconcludeerd dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 24.2 van de planregels
zaaknummers: ROT 23/2679, ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en
ROT 23/3812
17
Overigens blijkt het verkeersadvies niet alleen betrekking te hebben op het vergunde
bouwplan, maar ook op een andere ontwikkeling aan de Blaak, waar eengezinswoningen
zullen worden gerealiseerd, Daarmee kan niet eenduidig worden vastgesteld of voor de nieuwbouw wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zijnde minimaal 39
parkeerplaatsen,
uitgaande van 30 woningen en een norm van 1,3 per woning op basis van
de CROW-publicatie 381.
20.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder onbetwist heeft vermeld dat er ter plaatse
geen parkeerbeleid geldt. Uit het verkeersadvies van 18 maart 2022 blijkt dat voor het
vaststellen van de parkeerbehoefte gebruik is gemaakt van de parkeerkencijfers (per
woning) volgens CROW-publicatie 381 voor een sterk stedelijk gebied. Eisers hebben niet gesteld dat dit een onjuist uitgangspunt is. Op basis van deze CROW-richtlijn zijn voor de woningen aan de Blaak totaal 57 parkeerplaatsen benodigd. Daarvan zijn er 39 voor het te realiseren woongebouw, 11,9 voor de te realiseren 7 grondgebonden woningen en 5,4 voor
de bestaande woningen. Dit aantal wordt evenmin door eisers betwist. Dat er voor de gehele
ontwikkeling aan de Blaak één verkeersadvies is uitgebracht kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengeworpen. Vast staat dat er in de bestaande situatie aan de Blaak in totaal 58 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Daar zal in de nieuwe situatie geen verandering in komen. Nu er in de nieuwe situatie sprake is van minder woningen (40) dan er n de oùde situatie aanwezig waren (48) wordt op basis van het
verkeersadvies met 57 parkeerplaatsen voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In het licht van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf dat er voor het onderhavige project minimaal 39 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Van strijd met artikel 24.2 van de planregels is geen sprake
212022 een Eisers stellen voorts dat het advies van de welstandscommissie van 7 september zogeheten 'stempeladvies' is, waarin geen onderbouwing van de conclusie is
gegeven dat geen sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand.
Uit de welstandsnota volgt dat een gebouw met de voorgevel gericht moet zijn op de belangrijkste openbare ruimte. Uit de bouwtekeningen blijkt dat de op de achtertuinen van eisers georiënteerde gevel (met galerijen en balkons) als de voorgevel wordt beschouwd.
Deze gevel is niet naar de belangrijkste openbare ruimte (de Blaak) gericht, zodat reeds op
dit punt evidente strijd met de welstandsnota bestaat.
Dat de welstandscommissie zou menen dat de formele voorzijde wel degelijk naar de Blaak
is gericht, zoals in het bestreden besluit wordt vermeld, maakt dit niet anders. Het overgrote deel van de woningen heeft de entree via de galerij. Daar zijn ook de balkons. Op deze galerijen moet blijkens het bestreden besluit het onderlinge contact tussen bewoners
plaatsvinden. Die zijde van het gebouw is dus qua functie, uitstraling en doelstelling de voorgevel en zou gericht moeten zijn op de Blaak. Het welstandsadvies is dus in strijd met
de welstandsnota dan wel de redelijke eisen van welstand.
(geanonimiseerd) stelt verder dat er ten behoeve van de herziene vergunning ten onrechte geen nieuw
welstandsadvies is uitgebracht, terwijl de impact op het cultureel historische centrum en de
direct aan het bouwplan grenzende rijksmonumenten als gevolg van de (op meerdere aspecten) strijdigheid met het bestemmingsplan groot is. Indien een omgevingsvergunning
(geanonimiseerd) afwijkt van het bestemmingsplan, dan dienen volgens Bde effecten van deze afwijkingen integraal onderdeel te zijn van het welstandsadvies. Het welstandsadvies dateert
echter uit de periode dat verweerder er nog van uitging dat zij alleen een omgevingsvergunning zou afgeven indien deze past binnen het bestemmingsplan. Met de
zaaknummers: ROT 23/2679. ROT 23/3768, ROT 23/3810, ROT 23/3811 en ROT 23/3812
herziene omgevingsvergunning wordt echter buitenplans afgeweken zonder dat hier door welstand naar is gekeken
21.1.
De rechtbank overweegt dat het aspect welstand in de bezwaarprocedure aan de
orde is gekomen, in die zin dat deze bezwaren aan de welstandscommissie zijn voorgelegd. De welstandscommissie is in haar reactie van 9 november 2022 uitvoerig ingegaan op de bezwaren van eisers en heeft haar advies nader gemotiveerd. Gelet hierop kan dan ook niet gezegd worden dat er sprake is van een stempeladvies.
21.2. _ Hoewel verweerder niet aan een welstandsadvies is gebonden en de
verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag hij op dat advies afgaan,
nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb. Het overnemen van cen welstandsadvies behoeft in
beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derdebelanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de
totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2019, ECLI:
VS:2019:3385.
21.3. _ De rechtbank constateert dat de welstandscommissie aangeeft dat de inhoudelijke
totstandkoming van het advies een uitgebreid en zorgvuldig traject is geweest. Eisers stellen ook niet dat de wijze van totstandkoming van het welstandsadvies gebreken vertoont maar zijn het inhoudelijk niet eens met dit advies. Zij hebben echter geen contra-expertise overgelegd van een onafhankelijk deskundige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de
welstandscommissie op begrijpelijke wijze onderbouwd dat voldoende aanleiding bestaat om de entree naar de galerijen en de entree naar de woningen op de begane grond die zich