CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Woningbouw Pruimendijk 19 - 21 - versie ter vaststelling.pdf

Gemeenteraad RK 24 februari 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Vaststelling bestemmingsplan Woningbouw Pruimendijk 19 - 2130.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

4.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.3.3

Conclusie

Op basis van het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2

Situatie plangebied

4.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De blauwe contour geeft het plangebied weer.

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Geconcludeerd wordt dat de locatie: • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld •

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Zoals is te zien in afbeelding 4.1 zijn er nabij het plangebied wel een aantal risicovolle inrichtingen/functies aanwezig. Hierna wordt nader ingegaan op de betreffende inrichtingen/functies. Autosnelweg A16 Plaatsgebonden risicoplafond en groepsrisicoplafond Voor de autosnelweg A16 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd geldt, ter hoogte van het plangebied, een plaatsgebonden risicoplafond van 26 meter en een groepsrisicoplafond van 0 meter. Het plangebied ligt op circa 210 meter van de A16, waardoor een nadere verantwoording niet noodzakelijk is. Plasbrandaandachtsgebied Langs de autosnelweg A16 ligt tevens een plasbrandaandachtsgebied. Dit is een gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Ingevolge artikel 16 van de Regeling basisnet is dit een zone van 30 meter aan weerszijden van een weg of spoor, die bebouwingsvrij blijft. Mocht er toch in gebouwd worden, dan geeft het Bouwbesluit een aantal eisen waar een dergelijk gebouw aan moet voldoen. Aangezien het plangebied op circa 210 meter van de A16 ligt vormt het plasbrandaandachtsgebied geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en gelden er geen extra eisen vanuit het Bouwbesluit. Gasleiding Gasunie Transport Services B.V.

Ten zuiden van het plangebied is een ondergrondse gasleiding aanwezig. Het betreft hier een aardgasleiding (A-555) met een uitwendige diameter van 42,01 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 490 meter. De 100% letaliteitsgrens ligt op 190 meter. Het plangebied ligt op ten minste 500 meter afstand en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.

4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In de omgeving van het plangebied in weinig sprake van functiemenging. Gelet hierop wordt het plangebied en de directe omgeving aangemerkt als ‘rustige woonwijk’.

Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld De functie ‘wonen’ betreft in beginsel geen milieubelastende functie voor omwonenden. Echter kunnen installaties zoals warmtepompen die aan de buitenzijde van een woning worden gepositioneerd wel zorgen voor een (onevenredige) geluidsbelasting op omliggende milieugevoelige functies (woningen). In geval van voorgenomen ontwikkeling zal een gesloten bodemwarmtesysteem worden toegepast. Het gaat hierbij om een geïntegreerd systeem waarbij van voorgenoemde geluidsbelasting geen sprake is. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van de nieuwe woning en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Milieucategorie

Richtafstand

Bowlingcentrum/restaurant Pruimendijk 16

2

Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) Pruimendijk 12

2

30 m (geluid) 10 m (geur en gevaar) 0 m (stof) 30 m (geluid) 10 m (geur, stof en gevaar)

Daadwerkelijke afstand (circa) 12 m

15 m

De overige in de omgeving aanwezige detailhandels-/bedrijfsfuncties betreffende milieucategorie 2 functies die zijn gelegen op een afstand van meer dan 30 meter van het plangebied. Zoals is opgenomen in voorgaande tabel wordt ten aanzien van de inrichtingen aan de Pruimendijk 12 en 16 niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect geluid. Voor de overige aspecten (geur, stof en gevaar) wordt voldaan aan de richtafstanden. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Bedrijfsperceel Pruimendijk 12 Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van activiteiten op het bedrijfsperceel bedraagt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde. • •

Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer Tevens wordt voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

Bedrijfsperceel Pruimendijk 16 Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van activiteiten op het bedrijfsperceel bedraagt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. • •

Hiermee wordt voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer Ter plaatse van een aantal nieuwe woningen wordt echter niet voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld Maximale geluidniveaus Bedrijfsperceel Pruimendijk 12 De optredende maximale geluidniveaus bedragen, uitgaande van de omschreven maximale mogelijkheden, ter plaatse van de woningen binnen het plangebied ten hoogste 77 en 61 dB(A), in respectievelijk de dag- en avondperiode. • •

Er wordt in de dag- en avondperiode voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter plaatse van een aantal nieuwe woningen wordt (in de dagperiode) niet voldaan aan de richtwaarde van 65 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

Bedrijfsperceel Pruimendijk 16 De optredende maximale geluidniveaus bedragen, uitgaande van de omschreven maximale mogelijkheden, ter plaatse van de woningen binnen het plangebied ten hoogste 75, 60 en 60 dB(A), in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. • •

Er wordt in de dag-, avond- en nachtperiode voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter plaatse van een aantal nieuwe woningen wordt (in de dag- en nachtperiode) niet voldaan aan de richtwaarde van 65 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.

Maatregelen en afwegingen Om de geluidbelasting te verlagen, zijn mogelijke maatregelen beschouwd. Deze zijn vanuit stedenbouwkundig en verkeerstechnisch oogpunt ongewenst, danwel niet mogelijk c.q. effectief. De geluidniveaus zijn in de concrete situatie acceptabel aangezien: •

•

• •

De hoogste geluidniveaus treden op ter plaatse van de zuidgevel van de nieuwe woningen. Voor wat betreft deze gevels kan worden aangesloten bij de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 3 van de VNGpublicatie: “Bedrijven en milieuzonering”, die voor wat betreft bedrijfsperceel Pruimendijk 16 overeenkomt met de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De (geluidbelaste) gevels dienen conform het Bouwbesluit uitgevoerd te worden met een geluidwering van minimaal 20 dB(A). De geluidniveaus in de woningen voldoen daardoor aan de grenswaarden uit de Handreiking en het Activiteitenbesluit milieubeheer. De woningen beschikken over een geluidluwe (noord)gevel, waar het geluidniveau niet meer bedraagt dan de grenswaarden voor gebiedstype ‘rustige woonwijk’ uit stap 2 van de VNG-publicatie. In het ontwerp is rekening gehouden met oriëntatie van de woningen. De tuinen van de relevante geluidbelaste woningen zijn aan de geluidluwe noordzijde van de woningen gelegen.

Het milieuaspect geluid vormt geen belemmering voor de planrealisatie.

4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Oude maas’ en ‘Boezems Kinderdijk’. Deze Natura 2000-gebieden liggen op respectievelijk 3,8 en 4 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen.

Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van het onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig.

4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand van de locatie tot het NNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.6.3

Soortenbescherming

In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten verschillende vleermuis-, amfibieën-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied en bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust- en

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld voortplantingsplaats, nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Amfibieën bezetten geen voortplantingsplaats in het plangebied. Van de meeste in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet de nestplaats. Dat geldt echter niet voor de huismus welke mogelijk onder de dakpannen van de woning en de werkplaats nestelt. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om de functie van de bebouwing voor de huismus vast te kunnen stellen, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaats zijn strikt beschermd.

Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied niet uitgesloten kan worden op basis van het uitgevoerde onderzoek, is nader onderzoek vereist. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol en bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het plangebied in de periode half mei-half oktober. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, wordt niet aangetast.

4.6.4

Conclusie

Omdat de functie van de te slopen bebouwing binnen het plangebied voor de huismus en vleermuizen op basis van het uitgevoerde onderzoek niet vastgesteld kan worden, is aanvullend onderzoek conform de daarvoor geldende protocollen verplicht. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen van de bebouwing binnen het plangebied dient aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten conform de daarvoor geldende protocollen te zijn uitgevoerd, mogelijke mitigerende maatregelen zijn getroffen en mogelijke ontheffingen zijn verkregen. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.7.1.2 Situatie plangebied Het archeologiebeleid van de gemeente Ridderkerk is opgenomen in het ‘Erfgoedbeleid Ridderkerk’. In het beleid is de archeologische waarden- en beleidsadvieskaart opgenomen. In de afbeelding 4.2 is een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Het plangebied is indicatief aangegeven met de rode contour.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld

Afbeelding 4.2

Uitsnede archeologische waarden- en beleidskaart Ridderkerk (Bron: gemeente Ridderkerk)

Op basis van de archeologische beleidskaart geldt ter plaatse van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2 en tevens dieper reiken dan 0 cm beneden het maaiveld, dienen te worden getoetst op de noodzaak voor archeologisch onderzoek. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek en een programma van eisen voor een verkennend en karterend archeologisch veldonderzoek opgesteld (zie bijlage 7). Op basis van dit onderzoek luidt het advies als volgt: “Op grond van gemeentelijk beleid, de archeologische verwachting van het gebied, alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden die in het kader van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied zullen worden uitgevoerd, is een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van archeologische waarden uit het Neolithicum, de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B.” In voorliggend geval zijn ter plaatse van het plangebied gedeeltelijk nog gebouwen aanwezig. Het is wenselijk om het geadviseerde verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek na sloop uit te voeren.

Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen.

4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 4.7.2.2 Situatie plangebied Het plangebied kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat in (de nabije omgeving van) het plangebied geen monumentale gebouwen aanwezig zijn waar de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten op zou kunnen hebben. Wel ligt het plangebied binnen de molenbiotoop van de molen De Kerseboom aan de Waalweg (zie afbeelding 4.3).

Afbeelding 4.3

Molenbiotoop molen De Kerseboom (Bron: provincie Zuid-Holland)

De afstand van de molen tot het plangebied bedraagt circa 330 meter. Binnen een straal van 100 tot 150 meter van de molen is de 1 op 100 regel van toepassing omdat hier sprake is van een locatie buiten ‘Bestaand Stad- en Dorpsgebied’ (BSD). Binnen een straal van 150 en 400 meter is de 1 op 30 regel van toepassing omdat hier sprake is van een locatie binnen BSD. Op basis hiervan geldt dat ter plaatse van het plangebied een maximale hoogte is toegestaan van (150/100 + (330-150)/30=) 7,5 meter. De binnen het plangebied beoogde woningen krijgen een maximale bouwhoogte van 11 meter. Hiermee wordt de voorgenoemde 7,5 meter overschreden. Echter kan worden afgeweken van vorenstaande regelen indien de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en beplanting en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing en de beplanting. Tussen het projectgebied en de molen ligt niet alleen de Waal, maar staat ook een grote variëteit aan bebouwing. Rekening houdend met de regels behorende bij de beschermingszone en deze bestaande tussenliggende bebouwing vormt de beoogde herontwikkeling geen (extra) belemmering van vrije windvang en zicht op de molen. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt in het voorliggende bestemmingsplan tevens een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ opgenomen.

Hiermee wordt de bescherming van de molenbiotoop in de regels vastgelegd.

4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. Voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden uit het Neolithicum, de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B uitgevoerd te worden om inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het plangebied.

4.8

Besluit Milieueffectrapportage

4.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

4.8.2

Situatie plangebied

4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Oude maas’ en ‘Boezems Kinderdijk’. Deze Natura 2000-gebieden liggen op respectievelijk 3,8 en 4 kilometer afstand van het plangebied. Zoals in paragraaf 4.6.2.1 en bijlage 5 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel kan geoordeeld worden dat er sprake is van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Getoetst dient te worden of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van 12 woningen aan de Pruimendijk 19-21 in Ridderkerk sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toestaan van 12 grondgebonden woningen binnen de bebouwde kom van de kern Ridderkerk. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in de huidige situatie ter plaatse van het plangebied een autogarage met showroom en werkplaats aanwezig is, alsmede een vrijstaande woning. Geconcludeerd wordt dat door voorgenomen ontwikkeling een milieubelastende inrichting (autogarage) wordt opgeheven waarvoor uitsluitend woning terugkomen. Hiermee is er sprake van een verbetering van de milieusituatie in en rondom het plangebied. Op de schaal van Ridderkerk is qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de omgeving. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

4.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.1.3

Provinciaal beleid

Het waterbeleid voor de periode 2016 tot 2021 van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 en de relatie met andere Besluiten, Verordeningen, Agenda’s etc. Dit betreft een herziening en geen nieuw beleid, actualisatie zal in samenwerking met betrokken partijen/overheden worden opgepakt. De ambities uit bovenstaande stukken zijn onder andere: het aangrijpen van de zandige versterking van de Noordzeekust om de regio, ruimtelijk en economisch, te versterken en extra aandacht besteden aan de economische kant van water. Daarnaast gaat het om betaalbaar waterbeheer waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaamheid. Tevens dient er aandacht te zijn voor het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Nederland. In het beleid zijn maatregelen en kosten opgenomen, waaronder tevens maatregelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water.

5.1.4

Beleid waterschap Hollandse Delta

5.1.4.1 Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

5.1.4.2 Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014 In deze nota zijn toetsingskaders en beleidsregels opgenomen die het uitgangspunt vormen voor plantoetsing en vergunningverlening. Relevant voor het bestemmingsplan zijn onder meer de regels over watercompensatie. Dempingen van oppervlaktewaterlichamen moeten volledig gecompenseerd worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Een toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door het aanleggen van water met een oppervlakte van 10 % van de verharding. Voor de compensatie voor demping of extra verharding is er sprake van een voorkeursvolgorde: 1. nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; 2. nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; 3. nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2

Watertoetsproces

Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. De uitgangspuntennotitie behorende bij de ‘normale procedure’ is in de volgende subparagraaf opgenomen. De relevante randvoorwaarden voor dit plan zijn gerangschikt onder acht streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema’s Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water en het thema Wegen. Hierna worden de relevante randvoorwaarden toegelicht.

5.2.3

Relevante aspecten

5.2.3.1 Veiligheid Streefbeeld Hoog water vanuit zee en de rivier vormt een reële bedreiging voor de veiligheid op de Hollandse eilanden. Waterkeringen beschermen tegen deze bedreiging. Het waterstap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.

5.2.3.2 Voldoende water en schoon water Wateroverlast Streefbeeld Een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Zo n systeem kan het water, conform de daarvoor vastgestelde normen en zonder overlast te veroorzaken, verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR) mogelijk. Hollandse Delta streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Strategie Het waterschap beheert het watersysteem en tracht daarbij de aan- en afvoer van water soepel te laten verlopen en ervoor te zorgen dat het water fysisch-chemisch en ecologisch goed van kwaliteit is en er geen problemen ontstaan van wateroverlast of wateronderlast. Een van de taken is het beheer van het oppervlaktewaterpeil. Een goed peilbeheer is een middel om de bovenstaande situatie te faciliteren. De keuze van het oppervlaktewaterpeil en het peilregime wordt in eerste instantie ingegeven door de gebruiksfunctie van het gebied.

Daarnaast wordt er rekening gehouden met andere belangen in het betreffende gebied. Alvorens tot een peilbesluit te komen worden belanghebbende in de gelegenheid gesteld om hun wensen kenbaar te maken. Indien hieraan tegemoet kan worden gekomen zonder het algemeen belang te schaden zal het waterschap de wensen proberen te honoreren. In de afweging spelen een aantal uitgangspunten een rol: • • •

• •

In zetting gevoelige gebieden streeft het waterschap naar vertragen van de maaivelddaling door het zo hoog mogelijk instellen van het peil. Het waterschap probeert zoveel mogelijk om onnodige versnippering van peilgebieden te voorkomen. Waar mogelijk en wenselijk streeft het waterschap naar het zoveel mogelijk vasthouden van het gebiedseigen water. Waar mogelijk wordt hiertoe een zo natuurlijk mogelijk flexibel peilregime gehanteerd. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voor de oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid).

Randvoorwaarden Met het oog op ongewenste kwel of inzijging dient de bodemgesteldheid bekeken te worden. In bepaalde situaties kan de goede kwaliteit van kwelwater benut worden. Bij het ontwikkelen van een nieuw peilbesluit voor nieuw aan te leggen stedelijk gebied gelden enkele randvoorwaarden. Dit zal nog verder worden uitgewerkt. Bij de peilstelling wordt rekening gehouden met het risico op te hoge of te lage grondwaterstanden. Het in te stellen peil mag geen reden zijn voor problemen met de grondwaterstand.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld Er vindt altijd vooraf overleg plaats tussen projectontwikkelaar en waterschap. Gebieden die al een hoge grondwaterstand hebben moeten voor de nieuwbouw worden opgehoogd en/of gedraineerd worden. In gebieden waar op langere termijn sprake kan zijn van aanzienlijke bodemdaling moeten vooraf maatregelen worden genomen om problemen in de toekomstige situatie te voorkomen. Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Goede inrichting/structuurdiversiteit van het watersysteem Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.

5.2.3.3 Wegen Streefbeeld Het waterschap streeft naar een afdoende bereikbaarheid van alle bestemmingen binnen het beheersgebied. Een optimale verkeersveiligheid en een goede doorstroming op de wegen die bij het waterschap in beheer en onderhoud zijn daar bij essentieel.

5.2.4

Toetsing

Veiligheid en waterkeringen Ter bescherming van de binnen het plangebied aanwezige waterkering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen in de regels en op de verbeelding.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld Waterkwantiteit Het plangebied is op dit moment nagenoeg geheel verhard en/of voorzien van bebouwing. Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling zal van een toename van de verharding met meer dan 500 m 2 geen sprake zijn. Het treffen van compenserende maatregelen wordt niet noodzakelijk geacht. Het afvalwater afkomstig van de woningen wordt afgevoerd via het (gemeentelijke) riool.

Afvalwater en riolering Conform het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan’ en het vigerend waterschapsbeleid is het voor (grootschalige) nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •

hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, nietuitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

6.2.2

Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld • • • •

6.2.4

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksregels en onder welke voorwaarden bepaalde gebruiken zijn toegestaan; Afwijkingen van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich voornamelijk voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hierin zijn regels opgenomen omtrent de gevallen waarbij bouwgrenzen mogen worden overschreden. Daarnaast zijn hier regels opgenomen omtrent parkeren.

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de regels die gelden voor de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’ beschreven.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.

•

Overige regels (Artikel 11) In dit artikel worden de geldende wettelijke regelingen van toepassing.

6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Wonen (Artikel 3) De gronden ter plaatse van de beoogde woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor het wonen, al dan niet met aan-huis-gebonden beroepen en aan-huisgebonden bedrijven. Met de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen regels voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Voor alle gevallen zijn maatvoeringseisen opgenomen. Hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Ter plaatse van het plangebied zijn maximaal 12 woningen toegestaan. Door middel van een maatvoeringsaanduiding zijn de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen vastgelegd op maximaal 6 en 11 meter. Verder mag de diepte van een hoofdgebouw, gemeten vanaf de voorgevel, maximaal 12 meter bedragen. Het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf, met een maximum van 50 m², met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt dient te blijven. De goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste respectievelijk 3 en 4 meter. De bouwhoogte van overkapping bedraagt ten hoogste 3 meter.

Tevens is het mogelijk om binnen deze bestemming bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, op te richten. Eén en ander tevens gekoppeld aan maximale bouwhoogten.

Waarde – Archeologie 2 (Artikel 4) Gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden ter plaatse van terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Waterstaat - Waterkering (Artikel 5) De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het beheer van waterstaatsdoeleinden in de vorm van dijken, kaden en dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval worden de gemeentelijke kosten, op basis van de legesverordening, verhaald op initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt tevens een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 8 8.1

Vooroverleg

8.1.1

Het Rijk

INSPRAAK, VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2

Provincie Zuid-Holland

Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en er sprake is van een ontwikkeling dat in overeenstemming is met het provinciaal beleid, is afgezien van het voeren van vooroverleg met de provincie Zuid-Holland. Het ontwerpbestemmingsplan is wel naar de provincie opgestuurd. De provincie heeft hierbij een reactie geplaatst bij het aspect cultuurhistorie en de regels aangaande de bescherming van de molenbiotoop. Een en ander is conform wens van de provincie aangepast.

8.1.3

Waterschap Hollandse Delta

Er is afgezien van het voeren van vooroverleg met waterschap Hollandse Delta. Het ontwerpbestemmingsplan is wel naar het waterschap gestuurd. Hier zijn vanuit het waterschap geen reacties op ontvangen.

8.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij dit plan wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan. In het kader van voorgenomen ontwikkeling heeft er wel een gesprek plaatsgevonden met het wijkoverleg Rijsoord. Zij staan positief tegenover het plan. Verder zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen middels een (nieuws)brief.

8.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 19 november tot en met 30 december 2021 ter inzage gelegen. Binnen de termijn zijn een aantal zienswijzen op het plan ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de zienswijzennota zoals opgenomen in bijlage 9. De ingediende zienswijzen geven aanleiding tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/837/documents/31350