Toelichting BP Woningbouw Pruimendijk 19 - 21 - versie ter vaststelling.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Woningbouw Pruimendijk 19 - 21
Januari 2022
Status: Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Bestemmingsplan Woningbouw Pruimendijk 19 - 21
Plannaam:
Woningbouw Pruimendijk 19 - 21
Plantype:
Bestemmingsplan
Status:
Vastgesteld
IMRO-nummer: NL.IMRO.0597.BPRIJS2020Prdk1921-VG01
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 5 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 5 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 5 HUIDIG PLANOLOGISCH REGIEM ...................................................................................................................... 6 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 7
HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3
BESCHRIJVING PLANGEBIED .............................................................. 8
HUIDIGE SITUATIE ........................................................................................................................................ 8 GEWENSTE SITUATIE ..................................................................................................................................... 9 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ........................................................................... 12 3.1 3.2 3.3
RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 14 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 19
HOOFDSTUK 4 MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 23 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
GELUID .................................................................................................................................................... 23 BODEM.................................................................................................................................................... 24 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 25 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 26 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 28 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 31 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 33 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 36
HOOFDSTUK 5 WATERASPECTEN........................................................................ 38 5.1 5.2
VIGEREND BELEID....................................................................................................................................... 38 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 39
HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 43 6.1 6.2 6.3
INLEIDING................................................................................................................................................. 43 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 43 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 44
HOOFDSTUK 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................... 46 HOOFDSTUK 8 INSPRAAK, VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN ........................................ 47 8.1 8.2 8.3
VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 47 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 47 ZIENSWIJZEN............................................................................................................................................. 47
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 48 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ...................................................................................... 48 BODEMONDERZOEK ........................................................................................................................... 49 AANVULLEND BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 50 AKOESTISCH ONDERZOEK INDUSTRIELAWAAI............................................................................................ 51 STIKSTOFONDERZOEK.......................................................................................................................... 52 QUICKSCAN NATUURWAARDENONDERZOEK ............................................................................................ 53 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld BIJLAGE 7 BIJLAGE 8 BIJLAGE 9
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN PVE VELDONDERZOEK ................................................................. 54 STANDAARD WATERPARAGRAAF ........................................................................................................... 55 ZIENSWIJZENNOTA ............................................................................................................................. 56
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de locatie Pruimendijk 19 – 21 te Rijsoord (hierna: plangebied). Ter plaatse is een autogarage met showroom en werkplaats aanwezig, alsmede een vrijstaande woning. Het voornemen is om de locatie te herontwikkelen voor woningbouw. Concreet gaat het om het slopen van alle aanwezige bebouwing en het realiseren van 12 grondgebonden woningen, bestaande uit twee blokken van drie rijwoningen en zes tweekappers. Omdat deze ontwikkeling niet in overeenstemming is met de vigerende beheersverordening is een herziening van het planologisch regime via een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. In voorliggend bestemmingsplan wordt aangetoond dat de wijziging van de bestemming vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Pruimendijk 19 – 21, te Ridderkerk. De ligging van het plangebied (rode contour) in Rijsoord is indicatief weergegeven in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1
1.3
Ligging van het plangebied (Bron: PDOK)
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.0597.BPRIJS2020Prdk1921-VG01) en een renvooi; regels en bijbehorende bijlagen.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
1.4
Huidig planologisch regiem
1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de beheersverordening “Rijsoord”. Deze beheersverordening is op 12 september 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de vaststelling van deze beheersverordening is de regeling zoals deze was opgenomen in bestemmingsplan “Rijsoord 1997” (vastgesteld d.d. 19 oktober 1998) opnieuw van toepassing verklaard.
Afbeelding 1.2
1.4.2
Uitsnede verbeelding beheersverordening (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Beschrijving bestemmingen en aanduidingen
De gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’, ‘Woongebied’ en ‘Waterkering’. Hierna wordt kort ingegaan op de geldende bestemmingen.
‘Bedrijfsdoeleinden’ De voor ‘Bedrijfsdoeleinden’ aangewezen gronden zijn in geval van het plangebied hoofdzakelijk bestemd voor bedrijven vallende onder de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Op gronden die zijn voorzien van de nadere aanwijzing (z) mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld ‘Woongebied’ De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee de uitoefening van een vrij beroep aan huis, erven, tuinen, verkeer- en parkeervoorzieningen, groen, speelvoorzieningen en water.
‘Waterkering’ De voor ‘Waterkering’ aangewezen gronden zijn primair bestemd voor een waterkering. Indien de bestemming ‘Waterkering’ samenvalt met andere bestemmingen zijn de bebouwing en werken, geen gebouwen zijnde, en werkzaamheden ten behoeve van deze samenvallende bestemmingen, uitgezonderd normale beheers- en onderhoudswerkzaamheden, uitsluitend toegestaan wanneer het door de bestemming ‘Waterkering’ te dienen belang niet wordt aangetast en vooraf bij de dijkbeheerder advies is ingewonnen.
‘Molencirkel’ Binnen de op de plankaart aangegeven molencirkel rondom de aanwezige molen gelden nadere voorwaarden voor het bouwen en voor beplanting in verband met mogelijke aantasting van belangrijke zichtlijnen en de vrije windvang.
1.4.3
Strijdigheid
Het voornemen bestaat om het plangebied te herontwikkelen voor woningbouw. Vanwege het ontbreken van passende bouw- en gebruiksregels is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie ZuidHolland en de gemeente Ridderkerk beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten waaronder de watertoets. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 8 gaat in op de inspraak en het vooroverleg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 2 2.1
BESCHRIJVING PLANGEBIED
Huidige situatie
Het plangebied ligt aan de Pruimendijk 19 – 21 is het dorp Rijsoord, gemeente Ridderkerk. Ter plaatse vormen de A16 en de Waal de belangrijkste structuurdragers in het gebied. In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor, waaronder woningen, (kleinschalige) bedrijvigheid, horeca en detailhandel. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door woonpercelen. Aan de zuid-, oost- en westzijde wordt het plangebied begrensd door respectievelijk de Pruimendijk, de Govert Flohilstraat en de Ds. Sleeswijk Visserstraat. Ter plaatse van het plangebied is een autogarage met showroom en werkplaats aanwezig, alsmede een vrijstaande woning. De gronden zijn nagenoeg geheel voorzien van bebouwing en/of verharding. Aan de vooren achterzijde van de vrijstaande woning zijn de gronden deels onverhard en in gebruik als tuin. De luchtfoto in afbeelding 2.1 geeft een goed beeld van de huidige situatie in het plangebied. Daarnaast zijn een aantal straatbeelden opgenomen in afbeelding 2.2.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Afbeelding 2.2
2.2
Straatbeelden plangebied (Bron: Google streetview; links 2018, rechts 2015)
Gewenste situatie
Het voornemen is om de binnen het plangebied aanwezige bebouwing te slopen en ter plaatse 12 grondgebonden woningen met bijbehorende bijgebouwen en (parkeer)voorzieningen te realiseren. Concreet gaat het om twee blokken van drie rijwoningen en zes tweekappers. De twee blokken van drie rijwoningen worden georiënteerd op de Ds. Sleeswijk Visserstraat en de Govert Flohilstraat. De beoogde tweekappers worden georiënteerd op de Pruimendijk. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met kap. Hiermee wordt qua maat een schaal aangesloten op de in de omgeving reeds aanwezige woningen/gebouwen, waardoor de toekomstige bebouwing zich ruimtelijke gezien goed voegt in de omgeving. De woningen zijn geschikt voor uiteenlopende doelgroepen, denk bijvoorbeeld aan starters, doorstromers en gezinnen. In afbeelding 2.3 is een situatietekening opgenomen van de beoogde situatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Afbeelding 2.3
Beoogde situatie plangebied (Bron: Maat Architecten BNA)
2.3
Verkeer en parkeren
2.3.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW bovengenoemde publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie.
2.3.2
Situatie plangebied
2.3.2.1 Uitgangspunten Voor de berekening van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • •
Stedelijkheidsgraad: sterk stedelijk, gemeente Ridderkerk (CBS statLine); Stedelijk gebied: rest bebouwde kom.
Binnen de begrenzing van het plangebied wordt middels voorliggend bestemmingsplan de realisatie van 12 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om rijwoningen en tweekappers. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 2.3.2.2 Parkeerbehoefte Op basis van voorgenoemde uitgangspunten ontstaat er het volgende beeld voor wat betreft de parkeerbehoefte. Type woning Koop, huis, twee-ondereen-kap Koop, huis, tussen/hoek (rij)
Parkeernorm per woning 2
Aantal woningen
parkeerbehoefte
6
(2*6=) 12
1,8
6
(1,8*6=) 10,8 Totaal: 22,8
Het plan voorziet in 22 parkeerplaatsen op eigen terrein. De overige 0,8 parkeerplaats (afgerond 1), kan eenvoudig worden opgevangen in de in de omgeving aanwezige openbare parkeerplaatsen. Opgemerkt wordt dat er als gevolg van voorgenomen ontwikkeling in totaal ook 4 openbare parkeerplaatsen komen te vervallen (zie ook rode vlakken in afbeelding 2.3). Deze parkeerplaatsen komen te vervallen in verband met de te realiseren in- en uitritten. Echter wordt gesteld dat er in de toekomstige situatie sprake zal zijn van voldoende openbare parkeerplaatsen in de omgeving. Dit temeer omdat de openbare parkeerplaatsen die zijn toebedeeld aan de op dit moment aldaar aanwezige autogarage vrijkomen.
2.3.2.3 Verkeersgeneratie Op basis van de in paragraaf 2.3.2.1 beschreven uitgangspunten en de in onderstaande tabel aangegeven type woningen, ontstaat er het volgende beeld voor wat betreft de verkeersgeneratie. Type woning
Koop, huis, twee-ondereen-kap Koop, huis, tussen/hoek (rij)
Verkeersgeneratie per woning per weekdagetmaal 7,8
Aantal
Verkeersgeneratie per weekdagetmaal
6
(7,8*6=) 46,8
7,1
6
(7,1*6=) 42 Totaal: 88,2
De ontwikkeling genereert afgerond 89 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Gesteld wordt dat de omliggende wegen en infrastructuur van voldoende capaciteit zijn om de voorgenoemde verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. Tevens wordt opgemerkt dat als gevolg van voorgenomen ontwikkeling de ter plaatse aanwezige autogarage en vrijstaande woning gesloopt zullen worden. Hierdoor komen de daarbij behorende verkeersbewegingen te vervallen. De daadwerkelijke toename aan verkeersbewegingen ligt dan ook lager.
2.3.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.
Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 3.1.2.2 Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat de ladder van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de bouw van 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. De raad is van oordeel dat gelet het aantal woningen dat het plan mogelijk maakt, het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 eerste lid, aanhef en onder i van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van 12 woningen. Daarnaast wordt een bestaande woning gesloopt. Per saldo is er dus sprake van het toevoegen van 11 woningen. In voorliggende geval is de ladder voor duurzame verstedelijk dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het rijksbeleid.
3.1.3
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd wordt dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
3.2.1.1 Algemeen Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • •
• •
Introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur; de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: Ambities en sturing. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Dit bestaande beleid is integraal toegankelijk via de digitale raadpleegomgeving.
Met betrekking tot de bovenstaande onderdelen uit de Omgevingsvisie zijn op verschillende onderdelen beleidsbeslissingen genomen. In het kader van dit plan zijn met name de beleidsbeslissingen ‘Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied’ en ‘verstedelijking en wonen’ van belang. De beleidsbeslissingen zoals verwoord in de provinciale omgevingsvisie werken door naar regels in de omgevingsverordening. In voorliggend geval is met name artikel 6.10 lid 1 (Stedelijke ontwikkelingen) van de omgevingsverordening van belang. Op de genoemde onderdelen wordt hierna ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 3.2.1.2 Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stad- en dorpsgezicht In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. De provincie laat die keus aan hen.
Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken. De provincie is zich bewust dat er grenzen zitten aan de mogelijkheden om te verdichten. Het bepalen of de woningbehoefte binnen de bebouwde ruimte opgevangen kan worden, is niet alleen een technische afweging (is het fysiek mogelijk om de woningbehoefte te accommoderen), maar bevat ook kwalitatieve elementen.
3.2.1.3 Verstedelijking en wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur onder andere uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woonen leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling.
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De beleidsbeslissingen zoals verwoord in de provinciale omgevingsvisie werken door naar regels in de omgevingsverordening. In voorliggend geval is met name artikel 6.9 lid 1 (ruimtelijke kwaliteit) en 6.10 lid 1 (Stedelijke ontwikkelingen) van de omgevingsverordening van belang.
3.2.2.1 Gebiedsprofiel en kwaliteitskaarten De provincie Zuid-Holland heeft in haar kwaliteitskaart de gebiedsprofielen van gebieden beschreven. Het plangebied ligt in het gebiedsprofiel IJsselmonde. IJsselmonde ligt in de Maasdelta en wordt omgeven door water: de Nieuwe Maas in het noorden, de Oude Maas in het zuiden en de Noord in het oosten. IJsselmonde kent in grote lijnen dezelfde oorsprong als de andere Zuid-Hollandse eilanden maar heeft zich in de laatste eeuw anders ontwikkeld. Het eiland wordt gekenmerkt door een grote menging van stedelijke en landschappelijke functies. De dorpen zijn zelfstandige gemeenschappen met beperkte voorzieningen. Rustig wonen en recreëren met de stad dichtbij. Wonen, werken, recreëren en infrastructuur vormen een mozaïek op basis van het oorspronkelijke landschap. Evenals op de andere eilanden zijn in dit landschap de dijken, polders en kreken de kenmerkende elementen. De dorpen zijn vaak ontstaan aan een dijk of waterloop en verder uitgebreid in de polder. De voorstraatdorpen Rhoon en Poortugaal zijn ontstaan aan de rand van een polder en haaks op de dijk verder uitgegroeid. Daarnaast zijn er enkele dorpen ontstaan rondom een dam (Heerjansdam en Oostendam) of op de oevers van een verlande rivier (Rijsoord). Dorpen als Hoogvliet,
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld Ridderkerk, Barendrecht, maar ook Rhoon en Poortugaal veranderden na de Tweede Wereldoorlog in snel tempo tot satellietsteden van Rotterdam. De plaatsen Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht groeiden in de schaduw van de Rotterdamse haven uit tot zelfstandige industriesteden met scheepswerven. Onderhavig plangebied ligt is Rijsoord. Rijsoord is een langgerekt dijkdorp op de oeverwal van De Waal. Evenals Heerjansdam en Oostendam ontleent Rijsoord zijn oorsprong aan dit riviertje. Het dorp ligt van oudsher op beide oevers van de afgedamde rivier. In eerste instantie werd de toen veel bredere Waal overgestoken met een veerschuit. Halverwege de 16e eeuw was het water zodanig smal geworden dat een brug aangelegd kon worden. De aanwezigheid van en het zicht op het water is nog steeds bepalend voor het karakter van Rijsoord. De Waaldijk en de Pruimendijk vormen de ruggengraat van het noordelijk deel van het dorp. Deze historische structuur wordt nu echter ruw doorsneden door de belangrijkste route door het dorp, de Rijksstraatweg. Het gebied ten noorden wordt gekenmerkt door planmatige woningbouw en glastuinbouw. De nabijheid van de A15 is door zijn schaal en maat goed zichtbaar en hoorbaar. De fijnmazige en langgerekte verkaveling is echter nog steeds waarneembaar. Ook op de zuidoever van De Waal ligt een kleine uitbreiding van het dorp.
De ambities voor Rijsoord zijn als volgt: -
Er wordt ingezet op het behoud en de versterking van de historische structuur van het dorp. De barrièrewerking van de Rijksstraatweg wordt zoveel mogelijk opgeheven. Met name de routes evenwijdig aan De Waal (Waaldijk-Pruimendijk en Waalweg-Achterambachtseweg) worden gecontinueerd. Bij de inpassing van (vervangende) nieuwbouw rekening houden met de huidige korrel, de nokrichting, het profiel en variatie in bebouwing.
-
De fijnmazige, langgerekte verkaveling aan de noordkant van de Pruimendijk behouden, zodat het agrarische karakter overheerst en niet de A15.
-
Daar waar dorpsgebied grenst aan De Waal wordt ingezet op openbaar toegankelijke oevers (zie ook Afgedamde rivierarm).
-
De dijklinten worden opgenomen in het recreatieve netwerk, waarbij het centrum fungeert als concentratiepunt voor routes en attracties.
-
(Nieuwe) ontwikkelingen worden zoveel mogelijk gerealiseerd binnen bestaand bebouwd gebied. Hierbij worden waardevolle patronen en elementen herkenbaar opgenomen in de structuur van de ontwikkeling. Waar mogelijk wordt de relatie met het omliggende landschap opgezocht door nieuwe zichtrelaties en routes.
Daarnaast is in de kwaliteitskaart op basis van de lagenbenadering in beeld gebracht wat de gebiedskenmerken en kernkwaliteiten van gebieden zijn in de volgende lagen: • • • •
Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van beleving;
3.2.2.2 Relevante artikelen In voorliggend geval zijn met name artikel 6.9 lid 1 (ruimtelijke kwaliteit) en 6.10 lid 1 (Stedelijke ontwikkelingen) van de omgevingsverordening van belang om te toetsen. Artikel 6.9 (Ruimtelijke kwaliteit) 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld a.
c.
zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
Artikel 6.10 (Stedelijke ontwikkelingen) “Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;”
3.2.3
Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid-Holland
Gebiedsprofiel De voorgenomen binnenstedelijke herontwikkeling doet geen afbreuk aan het gebiedsprofiel ‘IJsselmonde’. Daarnaast sluit de ontwikkeling aan op de ambities voor de kern Rijsoord, waarbij onder andere de ambitie is om (nieuwe) ontwikkelingen zoveel mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied te realiseren. Verder is de ambitie dat bij inpassing van (vervangende) nieuwbouw rekening wordt gehouden met de huidige korrel, de nokrichting, het profiel en variatie in bebouwing. Zoals ook aangegeven in paragraaf 2.2 bestaan de beoogde woningen uit twee bouwlagen met kap. Hiermee wordt qua maat een schaal aangesloten op de in de omgeving reeds aanwezige woningen/gebouwen, waardoor de toekomstige bebouwing zich ruimtelijke gezien goed voegt in de omgeving.
Kernkwaliteiten in verschillende lagen Wat betreft de kernkwaliteiten in de verschillende lagen kan worden gesteld dat vanwege ligging van het plangebied in het bestaand stedelijk gebied de ‘Laag van de ondergrond’ niet relevant is. Deze laag is door het huidige gebruik van de gronden reeds verstoord of niet meer aanwezig. In de ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ maakt het plangebied onderdeel uit van het ‘zeekleipolderlandschap’. Richtpunten van de provincie in dit landschap zijn het bijdragen aan de versterking van karakteristieke kenmerken van de eiland en verschillen daartussen. Ontwikkelingen aan de rand van eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en deltawateren. Daarnaast is het de bedoeling de herkenbaarheid van patronen in op en aanwaspolders te behouden. Tevens dienen ontwikkelingen de dijk en de kreek als herkenbare structuurdragers te versterken, dient bebouwing geconcentreerd te zijn en dient het contrast tussen de binnendijkse polders en buitendijkse natuur te worden behouden. Aangezien in voorliggend geval sprake is van een (kleinschalige) binnenstedelijke herontwikkeling is een nadere toetsing aan de ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ niet noodzakelijk. Ten aanzien van de ‘Laag van de beleving’ geldt ter plaatse van het plangebied het gebiedstype ‘Groene buffers’. Hiervoor gelden de volgende richtpunten: -
Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaatse in de bufferzone; Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld In voorliggend geval is sprake van een kleinschalige herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. Met voorgenomen ontwikkeling wordt niet zozeer bijgedragen een de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde, echter is er wel sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij verouderde bebouwing wordt gesloopt. In de ‘Laag van de stedelijke occupatie’ is het gebiedskenmerk ‘Steden en dorpen’ van toepassing. Richtpunten voor ontwikkeling in deze laag zijn: • • •
•
Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
Zoals ook aangegeven in paragraaf 2.2 bestaan de beoogde woningen uit twee bouwlagen met kap. Hiermee wordt qua maat een schaal aangesloten op de in de omgeving reeds aanwezige woningen/gebouwen, waardoor de toekomstige bebouwing zich ruimtelijke gezien goed voegt in de omgeving.
Relevante artikelen In voorliggend geval is sprake van een (kleinschalige) binnenstedelijke herontwikkeling. Doordat de ontwikkeling zich goed voegt in de omgeving (zoals hiervoor reeds beargumenteerd) en voldoet aan de richtpunten voorziet deze niet in een wijziging op structuurniveau. Daarnaast zorgt de ontwikkeling door de sloop van verouderde bebouwing in een ruimtelijke kwaliteitsverbetering ter plaatse. Voorliggend plan voorziet in een woningbouwontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is (zie ook paragraaf 3.1.2). In paragraaf 3.2.2 blijkt dat het plan past binnen de gemeentelijke beleidskaders. Daarnaast wordt er gebouwd op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee sprake is van effectief en compact ruimtegebruik. Met betrekking tot het aspect duurzaamheid wordt opgemerkt dat de woningen niet op het gasnetwerk worden aangesloten en worden gebouwd conform de actuele bouwbesluit eisen. Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.2.4
Woonvisie Zuid-Holland 2011-2020
3.2.4.1 Algemeen In oktober 2011 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Woonvisie Zuid-Holland 2011 - 2020 vastgesteld. In deze woonvisie zijn ambities en doelstellingen voor wonen in Zuid-Holland tot 2020 vastgelegd. De woningbehoefte is als gevolg van economische en sociaal maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, gezinsverdunning, vergrijzing, vluchtelingenbeleid) aan verandering onderhevig. Het provinciale beleid is erop gericht voor alle bevolkingsgroepen een voldoende en passend woningaanbod te realiseren. Passend betekent dat woningen en woonmilieus aansluiten bij de situatie en wensen van bewoners, duurzaam zijn en passen in de ruimtelijke visie. Met dit uitgangspunt heeft de provincie 5 ambities geformuleerd: • • • • •
Passend woningaanbod voor iedereen; Niet meer woningen plannen dan nodig; Toevoegingen en impulsen dragen bij aan een verbetering van de leefbaarheid; Provincie stelt kaders voor de lange termijn, waardoor innovatie mogelijk wordt; Regionale verscheidenheid wordt behouden en benut.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 3.2.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Zuid-Holland 2011-2020 De belangrijkste doelstelling van de ‘Woonvisie Zuid-Holland 2011-2020’ is om voor alle bevolkingsgroepen in een voldoende en passend woningaanbod te voorzien. De woningen zijn geschikt voor uiteenlopende doelgroepen, denk bijvoorbeeld aan starters, doorstromers en gezinnen. De gemeentelijke behoefte is nader uitgewerkt in de ‘Woningbouwstrategie Ridderkerk’, onder paragraaf 3.3.2.
3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Ridderkerk 2035
3.3.1.1 Algemeen De gemeenteraad heeft op 14 september 2017 de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 vastgesteld. In deze omgevingsvisie anticipeert de gemeente op het in werking treden van de nieuwe Omgevingswet. Daarnaast beoogt de gemeente Ridderkerk met deze nieuwe visie in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de vraag naar levensloopbestendige woningen en de druk op de detailhandelsstructuur. Verder bevat de omgevingsvisie aanpassingen in de beleidsambities ten opzichte van de Structuurvisie Ridderkerk 2020. De omgevingsvisie beoogt de ruimtelijke kwaliteit van Ridderkerk als rustige en aantrekkelijke woongemeente met een goede binnenstedelijke groenstructuur en omliggend groen te behouden en waar mogelijk te versterken. In het uitvoeringsprogramma van de omgevingsvisie is een kaart opgenomen waarin lopende projecten zijn weergeven. Het plangebied is aangegeven met nummer 19: ‘Pruimendijk 19-21 (zie afbeelding 3.1).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
Afbeelding 3.1
Uitsnede kaart Omgevingsvisie Ridderkerk (Bron: gemeente Ridderkerk)
3.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een nieuwe toekomstbestendige functie ter plaatse van het plangebied. Hierbij wordt een bestaande milieubelastende functie opgeheven en verouderde bebouwing gesloopt. Dit zorgt ter plaatse voor een vermindering van de milieubelasting en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Met onderhavig bestemmingsplan wordt uitvoering gegeven aan één van de in de omgevingsvisie aangewezen lopende projecten/ontwikkelingen. Geconcludeerd wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Ridderkerk’.
3.3.2
Woonvisie Ridderkerk 2021-2026
3.3.2.1 Algemeen In de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 heeft de gemeente de ruimtelijke toekomst van Ridderkerk beschreven. In de woonvisie kijkt de gemeente op een realistische manier naar de toekomst: haalbare ambities staan centraal. In de periode 2011 tot 2021 was de Woningbouwstrategie de basis voor woningbouwontwikkelingen. Er is behoefte aan een actueel kader voor de komende jaren. Daarnaast zijn begin 2019 in de regio Rotterdam nieuwe regionale woningmarktafspraken gemaakt. De woningbouwopgave tot 2030 is in die afspraken voor Ridderkerk geraamd op ongeveer 1.150 woningen. Tegelijkertijd worden er regelmatig nieuwe initiatieven ingediend door marktpartijen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 3.3.2.2 Visie op wonen In de woonvisie staan vijf thema’s centraal. Het gaat hierbij om de thema’s: • • • • •
Voldoende woningen Meer variatie, de juiste woningen Duurzame woningvoorraad Woning en zorg Leefbare wijken
In geval van voorgenomen ontwikkeling zijn met name de thema’s ‘voldoende woningen’ en ‘meer variatie, de juiste woningen’ van belang. Thema: Voldoende woningen Er is een opgave om de woningvoorraad in kwantitatieve zin uit te breiden. Met de regio heeft de gemeente het ‘Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam’ gesloten voor de periode 2018- 2030. In dit akkoord maken de veertien gemeenten van het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam (SvWrR) zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met ongeveer 54.000 uit te breiden. De gemeenten en de woningcorporaties zetten zich ook in voor een betere balans van het sociale woningaanbod in de regio. De meest recente Trendraming van de woningbehoefte van de provincie Zuid-Holland (2019) duidt op een grotere woningbehoefte dan in het Regioakkoord is benoemd. In 2030 zou de behoefte volgens deze prognose rond 2030-2035 circa 22.200 huishoudens zijn. De woningvoorraad was op 1 januari 2021 circa 21.310. Dit betekent in ieder geval een opgave van afgerond 900 woningen voor de periode 2021 tot 2030. Het gaat hierbij om uitbreiding van de woningvoorraad: sloop moet getalsmatig gecompenseerd worden om voldoende woningen te houden. Maar de opgaven en knelpunten in de woningmarkt zijn zo groot, dat de gemeente meer ruimte willen geven voor woningbouw in Ridderkerk.
Er liggen goede initiatieven uit de markt, en deze wil de gemeente niet op voorhand afwijzen. Wel wil de gemeente sturen op een goede kwaliteit van de plannen. In de gemeentelijke planmonitor wordt rekening gehouden met een overmaat aan plannen (uitgangspunt dat wordt gehanteerd is 130% plannen in voorraad ten opzichte van wat nodig is voor de huishoudensgroei). Dat komt neer op programmering van afgerond minimaal 1.200 woningen in de periode 2021 tot 2030. De ontwikkeling na 2030 is zeer onzeker en neemt de gemeente vooralsnog niet mee in de visie. De woningmarkt is veranderlijk. Dat zal ook in de komende jaren blijven. Daarom is het van belang goed zicht te blijven houden op de ontwikkelingen op de woningmarkt, de voortgang van de woningbouwproductie en herstructurering. Dat doet de gemeente jaarlijks. Ook vindt de gemeente het belangrijk om periodiek de actuele woonwensen bij onze inwoners te peilen. Dat doet de gemeente één keer per 5 jaar, gekoppeld aan het opstellen van een nieuwe Woonvisie. Thema: Meer variatie, de juiste woningen De ambitie is om te zorgen voor de juiste woningen op de juiste plek, voor de juiste doelgroepen. Hiermee kunnen verschillende doelen worden bereikt: het op gang krijgen van doorstroming, het behouden van een draagkrachtige bevolking en het zoveel mogelijk vasthouden van jongeren en starters.
Specifieke aandacht besteedt de gemeente aan het beschikbaar krijgen en houden van goedkopere en betaalbare huur- en koopwoningen. Het onderzoek dat is uitgevoerd voor de ‘Woonvisie Ridderkerk 2021-2026’ heeft inzicht opgeleverd in de woonwensen en potentiële tekorten en overschotten op de woningmarkt. Er is op zich geen grote uitbreidingsbehoefte in de sociale huursector. Er is vooral verandering nodig in de woningvoorraad gelet op de demografische verandering: meer kleine(re), levensloopbestendige woningen voor het toenemend aantal kleine huishoudens. Het accent van de opgave ligt op de koopsector. En dan vooral op de goedkopere koop (tot € 250.000). Waarbij zowel behoefte is aan grondgebonden woningen als appartementen. Deze woningen zijn belangrijk om starters/jongeren voor Ridderkerk te behouden. Ook is er behoefte aan koopwoningen in het duurdere segment (vooral grondgebonden, vanaf € 350.000,-). Dat segment komt relatief weinig voor in Ridderkerk. Dit type woning zorgt voor behoud van draagkrachtige bevolking en zorgt voor doorstroming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld 3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van het toevoegen van zes rijwoningen en zes tweekappers. De woningen zijn geschikt voor uiteenlopende doelgroepen, denk bijvoorbeeld aan starters, doorstromers en gezinnen. Zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de ambities en opgaven zoals genoemd in de ‘Woonvisie Ridderkerk 2021-2026’. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de (toenemende) vraag naar grondgebonden (koop)woningen. Daarnaast kunnen verschillende doelgroepen worden bediend.
3.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
MILIEU-EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit Milieueffectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van de bij het type weg horende geluidszone is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De zones uit de tabel gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijke geluidszone van de A16 (100 km/uur) en de Rijksstraatweg (50 km/uur). Daarnaast bevindt het plangebied zich in de nabijheid van meerdere 30 km/uur wegen, waaronder de Pruimendijk, Dominee Sleeswijk Visserstraat en de Govert Flohilstraat. Deze wegen zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het gemeentelijk geluidbeleid meegenomen in voorliggend onderzoek. Als gevolg van de geluidsbelasting afkomstig van de A16 (maximaal 56 dB), Pruimendijk (maximaal 55 dB) en de Govert Flohilstraat (maximaal 49 dB) wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. De Pruimendijk en de Govert Flohilstraat betreffen 30 km/uur wegen waarvoor geen hogere waarde kan worden verleend. Voor de A16 is wel een hogere waarde benodigd. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en financieel haalbaar. Indien wordt gekozen voor HR ++ beglazing, kan ter plaatse van alle woningen worden voldaan aan een binnenwaarde van 33 dB. Tevens wordt voldaan aan de gemeentelijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld beleidsregels inzake wegverkeerslawaai. Voor de woningen kan dan ook een hogere waarde worden verleend van maximaal 53 dB. Gelet op het bovenstaande is er ter plaatse van het plangebied, door het treffen van gevelmaatregelen, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai realiseerbaar.
4.1.2.2 Railverkeerslawaai De te realiseren woningen liggen niet binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven.
4.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid.
4.1.3
Conclusie
Met inachtneming van het verkrijgen van een hogere waarde inzake wegverkeerlawaai, vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. In voorliggend geval is in 2015 ter plaatse van het plangebied een milieukundig bodemonderzoek en een aanvullend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Gesteld wordt dat de uitgevoerde bodemonderzoeken een actueel beeld schetsen van de milieukundige staat van de bodem. De volledige onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 2 en 3 bij deze plantoelichting, hierna wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen.
4.2.2
Onderzoeksresultaten
Milieukundig bodemonderzoek Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • • • • • •
in de grond zijn bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen; in de grond is olieproduct waargenomen; op het maaiveld is één stukje asbesthoudend materiaal waargenomen; uit de analyses blijkt dat in de grond asbest aanwezig is; over het algemeen zijn op de locatie lichte verontreinigingen aangetoond in de grond en het grondwater; ter plaatse van de afgewerkte olietank is in één boring (boring 20) een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond; ter plaatse van de niet onderzochte terreindelen zijn ter plaatse van boringen 02 en 02B sterke gehalten aan koper, lood, zink en minerale olie aangetoond. Het gehalte nikkel wordt matig verhoogd aangetoond;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Pruimendijk 19 – 21’ Vastgesteld • • •
ter plaatse van het voormalige pompeiland zijn in de grond en in het grondwater matige tot sterke verontreinigingen aangetoond voor de parameters vluchtige aromaten en minerale olie; op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat in de grond meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond en meer dan 100 m3 sterk verontreinigd grondwater aanwezig is; op de onderzoekslocatie is, ingevolge de Wet bodembescherming, sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Aanvullend milieukundig bodemonderzoek Het doel van het aanvullend milieukundig bodemonderzoek is het volledig in kaart brengen van de verontreiniging met benzine. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • • •
in de grond zijn geen bijmengingen met olieproducten waargenomen; op het maaiveld en in het opgeboorde bovenmateriaal zijn zintuigelijk geen asbestverdachte materialen waargenomen; het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte vluchtige aromaten en minerale olie (C5C40).
Gelet op de onderzoekresultaten kan worden geconcludeerd dat de verontreiniging in kaart is gebracht.
4.2.3
Conclusie
Na sanering van de saneringsplichtige verontreinigingen zijn er geen milieutechnische bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. De bodem wordt na sanering van de saneringsplichtige verontreinigingen geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •