Ruimtelijke onderbouwing Quooker.pdf
Tekst van het document
Het project is niet in betekenende mate (NIBM) van invloed op de luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt uit de Atlas Leefomgeving (afbeelding 8) dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is, er wordt voldaan aan de grenswaarden.
Afbeelding 8: Uitsnede van Atlas Leefomgeving
4.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Voor een goede ruimtelijke ordening moet voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten worden beschouwd. Om hinder en gevaar te voorkomen moet tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningen) voldoende afstand aanwezig zijn. Deze afstanden worden getoetst met het toetsingskader zoals dat is beschreven in de VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) (vanaf hier: de handreiking).
4.6.1 Toetsing VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ De richtafstanden hierin gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een inrichting en de grens waar de gevel van een - in een rustige woonwijk of buitengebied gelegen – woning kan komen. Bij gemengd gebied kunnen kleinere afstanden worden aangehouden, met uitzondering van de afstand voor gevaar. Gemengd gebied is volgens de VNG-handreiking een gebied met verschillende functies. De handreiking geeft als voorbeeld lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid of gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur (grote wegen) liggen. Richtafstanden per omgevingstype VNG-Handreiking Milieucategorie
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
Situatie Het beoogde hoofdkantoor kan worden beschouwd als een milieubelastende. De beoogde functies (fabriek, kantoor en distributiecentrum) worden niet beschouwd als milieugevoelige functies. Beoogde bedrijfssituatie Het hoofdkantoor zal bestaan uit een fabrieksfunctie, een kantoorfunctie en een distributiecentrum. De milieucategorieën van deze functies zijn weergegeven in de onderstaande tabel. De richtafstanden zijn weergegeven voor een gemengd gebied (zie ook volgende paragraaf). De maatgevende activiteit qua milieubelasting is de productie van de kranen, met een milieucategorie van 3.2 en een maximale richtafstand van 50 meter in gemengd gebied (Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.).
gevaar
categorie
Distributiecentra, pak- en koelhuizen
geluid
Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.
stof
SBI 2008 259, 331 52102, 52109 63, 69-71, 73, 74, 77, 78, 80-82
geur
Richtafstanden VNG-Handreiking voor gemengd gebied
10
10
50
10
3.2
10
0
30
30
3.1
0
0
0
0
1
Overige zakelijke dienstverlening: kantoren
Eerdere milieuzonering Het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard waar het nieuwe hoofdkantoor zal worden gerealiseerd is bestemd en aangelegd op basis van het principe “inwaarts zoneren” uit de handreiking (paragraaf 4.3). In de toelichting van het inpassingsplan is hierover het volgende opgenomen: “Inwaarts zoneren betekent dat in de omgeving van gevoelige objecten (woningen) lichtere milieucategorieën worden toegestaan en de zwaardere milieucategorieën op een grotere afstand van deze objecten. Het plangebied is geschikt voor bedrijven uit milieucategorie 3 en 4. Uitgaande van het gebiedstype 'gemengd gebied' is op basis van deze categorisering het bedrijventerrein als volgt ingedeeld; • milieucategorie 3.1: van 30 meter; • milieucategorie 3.2: vanaf 50 meter; • milieucategorie 4.1: vanaf 100 meter; • milieucategorie 4.2: vanaf 200 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de (achter-)gevel van een woning + 2,5 meter (mogelijkheid vergunningsvrij bouwen). Nog steeds geldt dat de maatgevende gevoelige functies rondom het bedrijventerrein in gemengd gebied zijn gelegen. Door het hanteren van dit principe worden er geen richtafstanden overschreden.
4.6 2 Toetsing De beoogde activiteiten zullen plaatsvinden op een perceel op het bedrijventerrein waar bedrijven zich mogen vestigen met een maximale milieucategorie van 4.1. De beoogde bedrijfsvoering past binnen deze maximale milieucategorie. Voor het aspect bedrijven en milieuzonering past het initiatief op dit moment al in het huidige bestemmingsplan. Hierdoor is gegarandeerd dat er ter plaatse van omliggende milieugevoelige bestemming sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Om te laten zien dat in de praktijk wordt voldaan aan de richtafstanden is alsnog bekeken wat de dichtstbijzijnde gevoelige functie is vanaf het plangebied. Dit betreft de woning aan de Voorweg 2 op een afstand van 600 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de richtafstanden voor de beoogde functies (maximaal milieucategorie 3.2, maximale richtafstand 50 meter in gemengd gebied). Er wordt ook nog steeds ruim aan de richtafstanden voldaan van de maximale planologische mogelijkheden die in het plangebied aanwezig zijn (milieucategorie 4.1 maximale richtafstand 100 meter in gemengd gebied).
4.6.3 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
4.7
Duurzaamheid
Het streven naar duurzaamheid is een belangrijke pijler in het ontwerp van de voorliggende ontwikkeling. Quooker heeft ambitieuze doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en wil een voorbeeld stellen in de branche. Zo wordt er reeds bij het ontwerpen en het technisch uitwerken van de gebouwen al rekening gehouden met alle mogelijke duurzame maatregelen. Leidend hiervoor is BREEAM (Building Research Establishment’s Environmental Assessment Method). Dit is wereldwijd de leidende methode voor het beoordelen van de duurzaamheid van projecten in de gebouwde omgeving. Door BREEAM toe te passen en te gebruiken, worden duurzaamheidsaspecten van gebieden en gebouwen inzichtelijk gemaakt. De duurzaamheidsdoelstellingen stijgen uit boven het wettelijk minimum zoals opgenomen in het Bouwbesluit/BBL.
4.8
Bodem
Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
4.8.1 Historisch onderzoek In september 2011 is voor het plangebied een historisch bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Hiermee is op een effectieve manier inzicht gekregen in de bodemgerelateerde risico's en knelpunten die vanuit de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit op kunnen treden.
De conclusie van dit historisch onderzoek is overgenomen uit de toelichting behorende bij het inpassingsplan (2014): De resultaten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied, die met onderhavig inpassingsplan wordt mogelijk gemaakt. De uitkomsten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek worden nog geverifieerd middels een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740. DCMR heeft als bevoegd gezag ingestemd met de resultaten van het uitgevoerde historisch onderzoek. Voor het inpassingsplan is het uitgevoerde onderzoek toereikend. Er bestaat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig inpassingsplan.
4.8.2 Gebruik gronden periode 2011-2023 In de periode tussen 2011-2023 zijn de gronden niet gebruikt voor andere activiteiten en zijn de gronden altijd braakliggend geweest. Wel is het terrein periodiek onderhouden in de vorm van het maaien van de begroeiing. In 2023 zijn de gronden geëgaliseerd.
4.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering in het kader van voorliggende ruimtelijke ontwikkeling. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ zal een bodemonderzoek conform NEN 5740 worden ingediend. Hiermee moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoet aan de normen voor de bedrijfsbebouwing en de gebruiksdoeleinden.
4.9
Archeologie & cultuurhistorie
Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor kan onderzoek noodzakelijk zijn. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.9.1 Toetsing In het voortraject is reeds contact gezocht met de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR). Zij hebben het volgende met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling aangegeven: In verband met in het verleden uitgevoerd archeologisch onderzoek op de planlocatie (meest recentelijk P.C. Teekens 2016: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. karterende boringen, aanvullend onderzoek binnen plangebied “Nieuw-Reijerwaard” incl. de voorterreinen, Antea Group) zijn verdere archeologische inspanningen in het kader van dit project niet noodzakelijk. Dit advies is conform het Wijzigingsplan archeologie Nieuw Reijerwaard (2018). Wel dient altijd rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de
Erfgoedwet 2016, art. 5.10 melding te maken bij Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In de praktijk is het eenvoudiger om dit bij de bevoegde overheid te doen. Ter volledigheid is het volledige advies opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing.
4.9.2 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het initiatief. Cultuurhistorie Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Toetsing Er bevinden zich in het projectgebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die mogelijk negatief zouden kunnen worden beïnvloed door voorliggende ontwikkeling. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.10 Parkeren Zowel het auto- als fietsparkeren vindt plaats op eigen terrein, deels op maaiveld en deels in een gebouwde voorziening. Voor de parkeernormering wordt aangesloten bij de geldende CROWnormen. Autoparkeren Voor het autoparkeren is uitgegaan van onderstaande uitgangspunten: Parkeernormering Nieuw Reijerwaard te Ridderkerk O.b.v. CROW, publicatie 182 “Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering", 3e gewijzigde druk, dec.2008 aandeel min. gemiddeld max. bezoekers opmerkingen (Commerciële) dienstverlening (kantoren met baliefunctie) [per 100 m² bvo] sterk stedelijk
2,50
2,75
3,00
20%
1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² bvo
1,90
5%
1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² bvo
Kantoren zonder baliefunctie [per 100 m² bvo] sterk stedelijk
1,20
1,55
Arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, transportbedrijf) 1 arbeidsplaats = 30 - 50 sterk stedelijk 0,70 0,75 0,80 5% m² bvo Arbeidsintensieve/bezoekerintensieve bedrijven (industrie, laboratorium, werkplaats) 1 arbeidsplaats = 25 - 35 sterk stedelijk 2,00 2,25 2,50 5% m² bvo Bedrijfsverzamelgebouw [per 100 m² bvo] 1 arbeidsplaats = 25 - 35 sterk stedelijk 0,80 1,25 1,70 10% m² bvo
Binnen het voorgestelde bouwplan wordt in totaal ca. 112.170 m2 bvo gerealiseerd, waarvan circa 86.600 m2 ten dienste staat van de industriefunctie en ongeveer 25.570 m2 wordt gebruikt ten behoeve van algemene functies (kantine, bijeenkomst, kleedkamers etc.) en kantoren (zonder baliefuncties). Dit is inclusief het reeds vergunde plan voor het distributiecentrum (fase 1). In het voortraject hebben wij de volgende motivering voorgelegd aan de verkeerskundige van de gemeente inzake de motivering met betrekking tot het berekenen van het aantal parkeerplaatsen: Kantoor/algemene functies Voor de kantoren en de algemene functies wordt uitgegaan van de parkeernormen die gelden voor ‘kantoren zonder baliefuncties’, hiervoor geldt een rekennorm van 1,55 parkeerplaatsen per 100 m2. De algemene functies staan vooral ten dienste van de industriefunctie, maar ook voor de kantoren. Omdat wordt gerekend met de norm voor kantoren (zwaardere norm dan bij industrie), hoeven we flexibiliteit in het plan voor wat betreft het gebruik (keuze tussen industrie of kantoren). Industriefunctie Voor de industriefunctie wordt uitgegaan van de parkkeernormen die gelden voor ‘arbeidsextensie/bezoekerextensieve bedrijven, hiervoor geldt een rekennorm van 0,75 parkeerplaatsen per 100 m2.
De verkeerskundige heeft aangegeven dat bovenstaande motivering voorstelbaar is, onder de voorwaarde dat per fase met een parkeerberekening gemotiveerd kan worden aangetoond dat de gekozen verdeling in functies logisch is. Aantal autoparkeerplaatsen Op basis van bovenstaande uitgangspunten is de parkeernorm berekend: functie Oppervlakte Norm/100 m2 Aantal pp. 2 Industrie 86.600 m 0,75 651 2 Kantoren (zonder balie) 25.570 m 1,55 396 Totaal 1.047 pp. In het masterplan worden circa 340 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de oostzijde het perceel. De overige (ca. 700) parkeerplaatsen worden gerealiseerd in een gebouwde parkeervoorziening aan de achterzijde van het perceel (bouwfase 4). Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ voor iedere bouwfase zal worden aangetoond dat aan de parkeernormen zal worden voldaan.
Fietsparkeren Voor het fietsparkeren zal nog overleg worden gevoerd met Gemeente Ridderkerk. In de planvorming is in ieder geval rekening gehouden met voldoende fietsparkeerplaatsen, zowel in de buitenruimte als binnen de bebouwing.
5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen nieuwbouw, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke hierbij aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Op basis van artikel 6.2.1. Bro is er geen sprake van een Grex-plichtig bouwplan, waardoor de raad niet bevoegd is tot het opstellen van een exploitatieplan. Immers, met de planologische afwijking wordt enkel afgeweken van bepaalde gebruiks- en bouwvoorschriften van het inpassingsplan, maar worden de bestaande mogelijkheden voor bebouwing niet verruimd. Derhalve wordt geen anterieure overeenkomst gesloten, maar wordt voor kostenverhaal de Legesverordening toegepast. Indien bij omgevingsvergunning afgeweken wordt van het bestemmingsplan, is het mogelijk dat er door deze planologische maatregel schade ontstaat zoals bedoeld in artikel 6.1 Wro. Om ervoor te zorgen dat deze planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt, wordt een planschadevergoedingsovereenkomst gesloten. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
5.2 Maatschappelijk draagvlak In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de andere bedrijven in het gebied al in een vroeg stadium persoonlijk en informeel geïnformeerd. Zij hebben het bouwplan positief ontvangen.
5.3 Vooroverleg De ruimtelijke onderbouwing is toegestuurd aan de volgende vooroverlegpartners: • Provincie Zuid-Holland • Oasen • Waterschap Hollands Delta (WSHD) • Gasunie • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) Provincie Zuid-Holland De provincie heeft per e-mail gereageerd. De provincie geeft aan dat het plan past binnen het provinciale beleid. Er is getoetst op ruimtelijke economisch beleid, kantorenbeleid en veiligheid. Ruimtelijk economisch beleid Er is bestuurlijk afgesproken met de provincie en de aandeelhouders van de GR NR dat er 10% buiten het label mag vallen in Dutch Fresh Port. Kantorenbeleid Het plan is conform bedrijfsgebonden kantoren artikel. Wij geven wel als opmerking mee of Quooker en de gemeente Ridderkerk bij hun kantoren proberen efficiënt ruimtegebruik toe te passen (bv. meerlaags, of op productieplek).
Veiligheid De uitbreidingsplannen zijn gesitueerd in de nabijheid van een aantal verschillende risicobronnen, waarbij een van de aardgasleidingen zelfs het plangebied doorkruist. Het plan is niet strijd met de artikelen uit de ZHOV (Zuid Hollandse OmgevingsVerordening). Belangrijk voor de verdere uitvoering is het advies van de veiligheidsregio, op het gebied van bouwkundige maatregelen, zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Hieruit kunnen mogelijk nog andere maatregelen voortkomen. In de notitie externe veiligheid is aangegeven dat het plan wordt voorgelegd aan de veiligheidsregio. Reactie gemeente De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan. Het plan is inderdaad voorgelegd aan de veiligheidsregio, en zij heeft geadviseerd. Zie ook de beantwoording verderop. Oasen Oasen heeft per e-mail gereageerd. Ze geven de volgende opmerkingen mee: •
•
De locatie, betreffende, vestiging Quooker bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard, ligt in de boringsvrije zone van ons zuiveringsstation Reijerwaard te Ridderkerk, hier gelden de regels conform de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (dit wordt ook in het plan aangegeven); Aan de noordzijde van de verbindingsweg ligt een vitale drinkwatertransportleiding en door het beoogde gebied loopt een drinkwaterhoofdleiding.
Milieubeschermingsgebied Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van ons zuiveringsstation Reijerwaard te Ridderkerk. Het grondwater ter plaatse dient als bron voor de lokale- en regionale drinkwatervoorziening. Ter bescherming van de drinkwatervoorziening is door de provincie Zuid-Holland een aantal ‘Milieubeschermingsgebieden voor grondwater” aangewezen waar extra aandacht voor de bodem en grondwaterkwaliteit is geregeld. Om de kwaliteit hiervan te waarborgen zijn er aanvullende regels opgesteld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening om het grondwater te beschermen. Afhankelijk van de betrokken zone geldt een lichter of zwaarder beschermingsregime. Reactie gemeente De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan. Waterschap Hollands Delta Het Waterschap heeft gereageerd per e-mail. Het Waterschap geeft aan dat er ruimtelijk gezien vanuit het waterschap geen bezwaar is tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. De toename verharding is opgenomen in het inpassingsplan. Het waterschap ziet in het plan wel een aantal landschappelijke inrichtingen waar zij graag meer informatie over willen voordat deze uitgevoerd worden, met name de beoogde waterbuffer en het aanbrengen van beplanting in de beschermingszone van watergangen van het Waterschap. Deze zijn misschien vergunningplichtig, maar hier is nu te weinig informatie over. Een positief besluit op deze
werkzaamheden hangt af van de geplande uitvoering en het waarborgen van de waterstaatswerken en toegankelijkheid beheer en onderhoud. Reactie gemeente De beoogde waterbuffer en de beplanting zijn volledig op eigen terrein en betreft fase 1, die reeds vorig jaar is vergund door de gemeente. Deze waterbuffer staat niet in verbinding met het watercircuit van Nieuw Reijerwaard. Dit is als ongewenst aangegeven door GR Nieuw Reijerwaard. De waterbuffer (in de tekeningen aangeduid als kikkerpoel) is een verdiept stukje landschap, dat water kan bufferen in tijden van veel regen, en daarmee het riool kan ontlasten. En het biedt (regen)waterreserve in tijden van droogte voor besproeiing van de groenvoorzieningen op eigen terrein. Als het lang droog is zal deze bijna droog staan (modderpoel / kikkerpoel). Om zeker van te zijn dat hier geen vergunning benodigd is van het waterschap zal Quooker contact opnemen met het Waterschap om dit aspect af te stemmen. Gasunie De Gasunie heeft gereageerd op de kennisgeving van het plan. De Gasunie geeft aan dat een leiding van Gasunie deze projectlocatie doorkruist. Bij de aanvraag zit het document ‘Goede ruimtelijke onderbouwing v1.6’ gevoegd (zie bijlage). Op afbeelding 6 en 7 van dit document is te zien dat er bruggen worden gebouwd, over de leiding en belemmeringenstrook.
Er is op voorhand overleg geweest met Gasunie, waar gemeld is dat deze bruggen niet over onze leiding ontworpen mogen worden. De Gasunie geeft aan dat dit uit het plan gehaald zou worden. Daarnaast zouden er ook stukken grond verhoogd worden naast onze leiding. Afgesproken is dat dit niet zomaar kan i.v.m. de zettingen op onze leidingen waardoor veiligheid in het geding komt. Ook dit zou meegenomen worden in het plan, maar dit aspect ziet de Gasunie niet terug. Reactie gemeente De voorliggende procedure betreft een planologische afwijking qua gebruik en een afwijking voor bouwen in een zone waar geen bebouwing is toegestaan. Dit gaat echter niet om de bouwvrije zone ter plaatse van de gasleiding. Quooker heeft aangegeven dat de verbindingen / bruggen tussen de bouwdelen aan weerszijden van de leiding wenslijk en belangrijk zijn voor het functioneren van het bedrijf. De genoemde afbeelding 6 en 7 in de ruimtelijke onderbouwing illustreren dit. Het is voor Quooker echter duidelijk dat in het kader van deze procedure er geen rechten aan ontleend kunnen worden. Quooker heeft reeds met de Gasunie gesproken over deze wens, en ook over aan welke eisen voldaan moet worden om toch bruggen in de toekomst te kunnen realiseren. Het is Quooker bekend dat dit niet makkelijk is, maar ook niet onmogelijk.
Er moet bijvoorbeeld rekening gehouden worden met een beperkte breedte en demonteerbaarheid. Bij de nieuwbouw van Van Gelder is na overleg met Gasunie het ook mogelijk gebleken om de bruggen te vergunnen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de aanvraag voor de bruggen pas aan de orde komt in de omgevingsvergunning voor fase 3. Quooker zal voor het indienen van de aanvraag de bruggen eerst volledig uitwerken en technisch detailleren, en eerst bespreken en laten toetsen door de Gasunie. Pas daarna zal de vergunning ingediend worden. Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) De VRR heeft het volgende advies uitgebracht per brief op de ruimtelijke onderbouwing. De brief is opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing als bijlage. Hieronder staat het adviesgedeelte uit de brief. Advies Voor het bepalen van het effect en voor het bepalen van gewenste maatregelen voor (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties wordt de 1% letaliteitscontour van het meest geloofwaardige scenario gebruikt. Omgevingsmaatregelen 1. De VRR attendeert op het aspect waterveiligheid in het kader van klimaatbestendig bouwen. In de analyse van de omgeving kwam naar voren dat er bij het perceel mogelijk wateroverlast zou kunnen ontstaan bij extreme neerslag en overstromingen (bron: Klimaatatlas van de Provincie Zuid-Holland). Neem maatregelen die passen bij het verminderen van wateroverlast, bijvoorbeeld aangepaste drempelhoogte en plaats de aansluitingen van elektriciteit hoger. Zie voor meer informatie ook de Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving van het Rijk. Bluswater en bereikbaarheid 2.
De VRR adviseert bij deze ontwikkelingen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Voor een maatwerkadvies verwijs ik naar de collega’s van de afdeling Operationele Informatie. Zij zijn bereikbaar via bluswater@vr-rr.nl. 3. Houdt bij het ontwerp en aanleg van calamiteitenwegen rekening met voornoemde effecten van piekbuien in relatie tot bereikbaarheid voor hulpdiensten van het plangebied. Bouwkundige maatregelen 4. Construeer eventuele (her)ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare gebouwen binnen de 1% letaliteitscontour (15 meter vanuit het hart van de leiding) van de A517 zodanig dat deze beschermd zijn tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) als gevolg van een fakkelbrand. Hierbij kan voor de gevels en daken gericht naar de A-517 gedacht worden aan blinde gevels of het beperken van het glasoppervlak. De gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de A-517, behoren bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux >15 kW/m2. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets rekening te worden gehouden met de effecten van een fakkelbrand op de gevel/dak. 5.
Construeer eventuele (her)ontwikkeling van (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen de 1% letaliteitscontour (15 meter vanuit het hart van de leiding) van de A-517 zodanig dat aanwezigen bij een (dreigende) fakkelbrand goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. Voor het ontvluchten is het wenselijk om minimaal één (nood)uitgang van de A-517 af, richting het noorden te richten. Ook moet er minimaal één (nood)uitgang richting het zuidwesten, zoals de
Bieslook en/of Basilicumweg te richten. Deze (nood)uitgangen dienen in voldoende mate aan te sluiten op de infrastructuur van de omgeving. 6. In de eventueel te realiseren parkeergarage of stallingen van interne transportsystemen wordt mogelijk de stalling van elektrische voertuigen mogelijk gemaakt. Dit brengt veiligheidsrisico’s met zich mee. Voor meer informatie hierover wil de VRR u wijzen op de publicatie van de volgende NIPV-documenten (te vinden via de link:www.nipv.nl/parkeergarages): • ‘Brandveiligheid parkeergarages met elektrisch aangedreven voertuigen’. • ‘Veilig parkeren en laden van elektrische voertuigen in parkeergarages’. Installatietechnische maatregelen 7. Construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Een en ander in relatie tot een scenario basisnetroute weg A15/A16 ‘toxisch’. Organisatorische maatregelen 8. Stel het doen van een KLIC-melding in geval van werkzaamheden aan of rondom het object verplicht. De kans op een incident met een buisleiding hangt namelijk in sterke mate samen met graafwerkzaamheden in de nabijheid van de leiding.
Als de ongestoorde ligging van de hogedruk aardgastransportleiding gegarandeerd kan worden, leidt dit tot een grote afname van de kans op een incident. 9. Maak afspraken met de beheerder van de A-517 hogedruk aardgastransportleiding over graafwerkzaamheden in nabijheid van Quooker. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan venstertijden van graafwerkzaamheden, wanneer er bij Quooker weinig/geen mensen aanwezig zijn. 10. Zorg dat de BHV-organisatie van Quooker op de hoogte is van de mogelijkheid van het optreden van een incident met de hogedruk aardgasleiding A-517 of een incident met transport gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A15/A16 en weet hoe er op dat moment gehandeld moet worden. Doorgaans is schuilen in het gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. 11. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een incident. Bijvoorbeeld bij in dienst treden aanname van nieuw personeel contract kunnen medewerkers op de (externe) veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn.
Op de website www.rijnmondveilig.nl vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. 12. Betrek de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in de (deel)advisering en informatiedeling indien in het plangebied nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld. Aan de energietransitie (nieuwe vormen van energiewinning, -opslag en –transport) kunnen immers veiligheidsrisico’s verbonden zijn, zoals risico’s rond elektrisch laden, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen al dan niet in combinatie met energie opslag systemen (EOS). Reactie gemeente Het advies is gedeeld met Quooker en zal betrokken worden bij de verdere ontwikkeling.
5.4 Zienswijze ontwerpbesluit omgevingsvergunning Op de voorbereiding van een bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning en bijbehorende stukken hebben van PM gedurende zes weken ter inzage gelegen. De terinzagelegging is bekend gemaakt in de Staatscourant, het huis-aanhuisblad ’De Combinatie’ en op de gemeentelijke website (www.ridderkerk.nl). Daarnaast kon het ontwerpbesluit worden ingezien in het gemeentehuis van Ridderkerk en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens de termijn dat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen zijn er wel/geen zienswijze(n) ingediend