Ruimtelijke onderbouwing Quooker.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Bieslookweg 90 Ridderkerk Vestigen Quooker B.V.
Datum Opgesteld door Versie
: 09-04-2024 : : 2.1
Inhoud 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding .................................................................................................................. 4
1.2.
Ligging en begrenzing projectgebied......................................................................... 4
1.3.
Vigerend ruimtelijk beleid ......................................................................................... 5
1.4
Voorgeschiedenis ...................................................................................................... 7
1.5
Doelstelling ................................................................................................................ 7
1.6
Leeswijzer .................................................................................................................. 8
2. Het initiatief......................................................................................................................................... 9 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................................... 9
2.2.
Nieuwe situatie........................................................................................................ 10
3. Beleid en regelgeving ........................................................................................................................ 12 3.1
Nationaal beleid ...................................................................................................... 12
3.2
Provinciaal beleid .................................................................................................... 14
3.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................................ 19
4. Omgevingsaspecten .......................................................................................................................... 21 4.1
Milieueffectrapportage ........................................................................................... 21
4.2
Waterhuishouding ................................................................................................... 22
4.3
Externe veiligheid .................................................................................................... 23
4.4
Natuur ..................................................................................................................... 24
4.5.
Luchtkwaliteit .......................................................................................................... 25
4.6
Bedrijven en milieuzonering.................................................................................... 28
4.7
Duurzaamheid ......................................................................................................... 30
4.8
Bodem ..................................................................................................................... 30
4.9
Archeologie & cultuurhistorie ................................................................................. 31
4.10
Parkeren .................................................................................................................. 32
5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................ 35 5.1 Economische uitvoerbaarheid....................................................................................... 35 5.2 Maatschappelijk draagvlak ............................................................................................ 35 5.3 Vooroverleg ................................................................................................................... 35 5.4 Zienswijze ontwerpbesluit omgevingsvergunning ........................................................ 40
Bijlagen 1. Notitie EV-beleid 2. Verantwoording Groepsrisico 3. Stikstofonderzoek 3a. AERIUS Aanlegfasefase 3b. AERIUS Gebruiksfase 4. Ecologisch onderzoek 5. Historisch bodemonderzoek 6. Advies Archeologie 7. Presentatie masterplan 8. Inspiratieboek Duurzame Ambities Realiseren 9. Vervoersplan TRA-05-1a 10. Urbanisten Do Booklet
d.d. 19-09-2023 d.d. 09-04-2024 d.d. 10-11-2023 d.d. 10-11-2023 d.d. 10-11-2023 d.d. 23-02-2024 d.d. 12-01-2012 d.d. 23-11-2022 d.d. 26-10-2023 d.d. maart 2022 d.d. 11-01-2024 d.d. 04-03-2024
1. Inleiding 1.1.
Aanleiding
Quooker B.V. (hierna: Quooker) heeft het voornemen haar bedrijf te vestigen op de (nu nog braakliggende) gronden aan de Bieslookweg 90 in Ridderkerk (kadastraal bekend Gemeente Ridderkerk, sectie D, nummer 4620). Met deze ontwikkeling, bestaande uit een volledig duurzaam bedrijfscomplex met fabrieken, kantoren en een distributiecentrum, ontstaat de mogelijkheid om de nu versnipperde bedrijfsonderdelen op één locatie samen te voegen, die zich momenteel op meerdere adressen in Ridderkerk en Rotterdam bevinden.
1.2.
Ligging en begrenzing projectgebied
Het projectgebied is gelegen aan de Bieslookweg 90 in Ridderkerk op het Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard. Het plangebied is gelegen tussen de autosnelweg A15 en de Verbindingsweg die vanuit het westen naar het oosten dwars door het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard loopt. Aan beide zijden is het perceel ingeklemd tussen andere percelen die zijn bestemd voor het vestigen van bedrijven. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1: Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3.
Vigerend ruimtelijk beleid
Het huidige planologisch kader voor de locatie is vastgelegd in het inpassingsplan ‘Nieuw besluit Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard’. De planlocatie heeft daarin de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein met de nadere functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en is er op de strook in het midden van het plangebied (van noord naar zuid) een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – bebouwing’ opgenomen. Een uitsnede van de verbeelding van het huidige bestemmingsplan is weergegeven in afbeelding 2.
Afbeelding 2: Uitsnede plangebied inpassingsplan ‘Nieuw besluit Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard’
De voorliggende ontwikkeling is in strijd met het inpassingsplan. De strijdigheden hebben betrekking op zowel de gebruiks- als de bouwvoorschriften: 1. De gronden die zijn bestemd als ‘Bedrijventerrein’ mogen onder andere worden gebruikt voor het vestigen van: • agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven; • bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek, en: • bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3.1, 3.2 en 4.1 uit de in de bijlage bij de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 4.1'; De werkzaamheden van Quooker passen niet binnen de definitie van de hierboven genoemde bedrijvigheid.
Het voorliggende plan betreft bedrijfsbebouwing voor Quooker, een maakbedrijf met productie en assemblage, met intensieve bedrijvigheid voor veel verschillende opleidingsniveaus. Het bedrijf is momenteel in Ridderkerk én in de haven van Rotterdam gevestigd en heeft ruimte voor uitbreiding binnen deze regio nodig. Het plan wordt duurzaam ontwikkeld, met compacte duurzame gebouwen waar het BREEAM label outstanding uitgangspunt is. Het bestuur van GR Nieuw Reijerwaard heeft daarom besloten om de ruimte die in het bestemmingsplan is opgenomen om af te wijken van het toegestane gebruik voor dit bedrijf te willen aanwenden. Het bedrijf Quooker ontwikkelt sinds 1990 kokend-waterkranen in Ridderkerk, en is na de recente uitbreiding gestart met het ontwikkelen van systemen voor koel- en bruisend water, de productie van CO2 flessen ten behoeve hiervan en de ontwikkeling van eigen koffielijnen. Hiermee past het bedrijf steeds meer in deze food (gerelateerde) omgeving. 2. De gronden die zijn bestemd als ‘Bedrijventerrein’ mogen worden gebruikt voor aan de hoofdactiviteit ondergeschikte kantoorfuncties tot maximaal 50% van het bedrijfs-vloeroppervlak tot een maximum van 3.000 m2 per bedrijf zoals genoemd onder 1; De aan de hoofdactiviteit ondergeschikte kantoorfuncties overschrijden de toegestane oppervlakte van 3.000 m2.
In het inpassingsplan is opgenomen dat maximaal 50% van het totaal te bouwen programma als kantoor bij een bedrijf gebruikt mag worden, met een maximum van 3.000 m2. Dit voorschrift heeft als doel om te waarborgen dat het gebied Nieuw Reijerwaard als een bedrijfsterrein wordt ontwikkeld en niet als kantoorlocatie. In voorliggend plan wordt beoogd ongeveer 15.000 m2 kantooroppervlakte te realiseren, verdeeld over verschillende panden (die worden gebouwd in verschillende bouwfasen) van in totaal ruim 92.000 m2 vloeroppervlak. De kavel is ruim 9 ha groot en daarmee veel groter dan een gemiddelde kavel op Nieuw Reijerwaard. De vloeroppervlakte die wordt gebruikt als kantoor is dus ruim minder dan 50%, maar door de grootte van het hele bouwperceel meer dan 3.000 m2. Het voorliggende plan heeft als hoofdfunctie een productiebedrijf, het kantoor-programma is daar ondersteunend aan. Er is geen sprake van een bezoekersintensief kantoor of bedrijfsprogramma, dat maakt dat de parkeereis en dus de verkeersdruk ook niet groter zijn dan voor de meeste toegestane bedrijven in het gebied. Dit is verder uitgewerkt in paragraaf 4.10. De kantoren worden met name in de middenzone van de bebouwing gerealiseerd en zijn dus ook naar buiten toe niet beeldbepalend. Het gehele bouwplan krijgt de uitstraling van een fabriek/productiegebouw, waar kantoren in het ontwerp geïntegreerd zijn. 3.
In de planvoorschriften is opgenomen dat gebouwen alleen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak. Er wordt gebouwd buiten het bouwvlak. De strook die in het midden van de kavel loopt (van noord naar zuid) wordt bebouwd. Dit is noodzakelijk voor een optimale bedrijfsvoering. Op de verbeelding behorende bij het inpassingsbestemmingsplan is een zone opgenomen in het midden van de kavels opgenomen die onbebouwd moet blijven. Hier is bij het opstellen van het inpassingsplan voor gekozen, ervan uitgaande dat er vaak tot aan het midden van de gehele kavel ‘verkaveld’ wordt. Deze zone is gerealiseerd om te zorgen voor een goede toegankelijkheid van alle kavels en de zone zorgt er tevens voor dat er geen brandoverslag tussen twee kavels
plaatsvindt (Bouwbesluit/Bbl). Op een aantal plekken in het gebied Nieuw Reijerwaard is echter anders verkaveld en is deze strook bebouwd. (buitenplans afwijken bestemmingsplan, kruimelgevallenregeling). In dit geval ligt de perceelgrens niet in het midden tussen de twee aangrenzende straten (de Bieslookweg en de Basilicumweg), maar wat meer richting de Basilicumweg. Hiervoor is gekozen vanwege een optimale bedrijfsvoering. Hiervoor is het plangebied in breedte aangepast van ongeveer 130 meter naar 175 meter. In voorliggend bouwplan wordt overigens wel rekening gehouden met de gewenste onbebouwde strook van tussen dit bouwplan een het toekomstige bouwplan aan de Basilicumweg. In het voorliggende bouwplan wordt een zone als onbebouwde strook naast de erfgrens aangehouden. Met de GR Nieuw Reijerwaard is afgesproken dat het aangrenzende plot dezelfde zone in acht neemt (dit is opgenomen in de aanbestedingsregels voor het plot). Daarmee is de onbebouwde zone wederom gewaarborgd, maar is deze alleen iets opgeschoven.
1.4
Voorgeschiedenis
Reeds bij het opstellen van het inpassingsplan hebben Gemeente Ridderkerk en de Provincie ZuidHolland de afspraak gemaakt dat maximaal 10% van het te bebouwen gebied binnen het inpassingsplan af mag wijken van de gebruiksvoorschriften die in het plan zijn opgenomen, mits het gebruik passend is in de hoofddoelstellingen van het gebied. De GR Nieuw Reijerwaard heeft met het dagelijks bestuur in 2022 besloten deze 10% beschikbaar te stellen aan de ontwikkeling van één van de kavels door Quooker, omdat de plannen huns inziens passen in de doelstellingen voor het gebied. Op basis daarvan is voor Quooker een reservering voor de grond gemaakt en is Quooker gestart met het uitwerken van de plannen om hiervoor zo spoedig mogelijk een aanvraag omgevingsvergunning (uitgebreide voorbereidingsprocedure) in te dienen.
1.5
Doelstelling
Het voorliggende bouwplan is niet inpasbaar binnen de kaders van het huidige Inpassingsplan dat geldt voor deze locatie. Realisatie van de gewenste situatie is in dit geval een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan worden afgeweken van het huidige bestemmingsplan middels een omgevingsvergunning ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Om de omgevingsvergunning voor het planologisch afwijken te kunnen verlenen zal de gemeente medewerking moeten verlenen met toepassing van een afwijkingsprocedure zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 3o Wabo, ook wel ‘’Wabo-projectbesluit’’ genoemd. Hiermee kan toestemming worden verkregen om de beoogde ontwikkeling in afwijking van de bepalingen in het inpassingsplan mogelijk te maken. De uitgebreide voorbereidingsprocedure zoals bedoeld in afdeling 3:4 Awb is hier van toepassing en een ruimtelijke onderbouwing dient aan het uiteindelijke besluit op de aanvraag omgevingsvergunning ten grondslag te liggen. Deze onderbouwing vormt een instrument voor zowel het College van B&W als de Raad (VvGB) om hun besluitvorming te kunnen motiveren en daarmee een volwaardig akkoord te kunnen geven op de planologische strijdigheid.
Om een verantwoord besluit te kunnen nemen dient deze onderbouwing met name inzage te geven in: • De aard en omvang van de beoogde herontwikkeling. • Het ruimtelijk beleid en toekomstvisies van de gemeente Ridderkerk en andere overheden. • Het anticiperen van de planvorming op woonbehoefte. • De in en rondom het plangebied aanwezige ruimtelijke- en milieukwaliteiten. • De ruimtelijke- en/of milieueffecten van het herontwikkelingsplan op de omgeving alsmede de mogelijke invloed vanuit de omgeving op deze planvorming.
1.6
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan gemotiveerd en zijn de uitkomsten van de procedure- en overlegmomenten opgenomen.
2. Het initiatief 2.1
Bestaande situatie
De ontwikkeling van de beoogde bedrijfsgebouwen dient plaats te vinden op het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard in Ridderkerk. Nog niet alle kavels op het bedrijventerrein zijn verkocht. De planlocatie voor de beoogde ontwikkeling betreft een braakliggende akker op het bedrijventerrein die nu voornamelijk bestaat uit modder en gras. Met de komst van een nieuw bestemmingsplan en daarna het nieuwe inpassingplan zijn de gronden bestemd als 'bedrijventerrein'. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de planlocatie in de huidige situatie.
Afbeelding 3: zicht vanaf Krommeweg op gehele kavel richting zuiden
Afbeelding 4: zicht langs de Krommeweg richting het oosten
Afbeelding 5: Kortgeleden stonden er nog kassen in het plangebied, deze zijn gesloopt ten behoeve van de ontwikkeling van het gebied
2.2.
Nieuwe situatie
Quooker is voornemens om nieuwbouw te realiseren op het perceel aan de Bieslookweg 90 in Ridderkerk. De nieuwbouw zal worden uitgevoerd in verschillende bouwfasen en zal over meerdere jaren worden gerealiseerd, afhankelijk van de groei van het bedrijf. Voor bouwfase 1 (het distributiecentrum) is de omgevings-vergunning inmiddels verleend en onherroepelijk. Iedere bouwfase heeft betrekking op het bouwen van een gebouw dat na voltooiing meteen in gebruik kan worden genomen. Voor wat betreft het gebruik moet worden gedacht aan een distributiecentrum, productiehallen, kantoren enz. In totaal zal er circa 125.000 m2 aan bedrijfsvloeroppervlak worden gerealiseerd, dit is inclusief de eerste fase die reeds vergund is. Dit biedt werkgelegenheid aan circa 1.400 mensen. Het laden en lossen en het parkeren van zowel personeel als bezoekers zal plaatvinden op eigen terrein. In de afbeeldingen hieronder wordt het totaalplan gepresenteerd en wordt de fasering van de bouwfasen weergegeven.
Afbeelding 6: 3D-impressie totaalplan.
Afbeelding 7: Fasering verschillende bouwdelen
3. Beleid en regelgeving 3.1
Nationaal beleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte-termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is, heeft het geen effecten op de onderwerpen die van nationaal belang zijn.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien; 3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel; 4.
Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gezien bij een bedrijventerrein ligt bij een vloeroppervlakte minder dan 500m2. Omdat het voorliggende planvoornemen deze vloeroppervlakte overschrijdt, kan er gesproken worden over een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is echter geen sprake van een functiewijziging van het plangebied. Het plangebied heeft al de bestemming 'bedrijventerrein'. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel de behoefte van de ontwikkeling te worden aangetoond.
Behoefte De gemeente heeft het bestemmingsplan voor het betreffend gebied in 2014 onherroepelijk vastgesteld. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 23 februari 2011 de startnotitie voor het inpassingsplan voor het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard vastgesteld en daarmee de opdracht gegeven tot het opstellen van een inpassingsplan. De voorbereiding van het inpassingsplan is door Provinciale Staten in de startnotitie bij Gedeputeerde Staten neergelegd. Op 11 januari 2011 hebben Gedeputeerde Staten besloten een inpassingsplan voor bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard op te starten. Het inpassingplan is uiteindelijk op 12 november 2014 vastgesteld. De provincie had in beginsel de verantwoordelijkheid voor het inpassingsplan, maar deze bevoegdheid is op 26 juni 2023 overgegaan naar Gemeente Ridderkerk.
Het plangebied is in dit bestemmingsplan bestemd als 'Bedrijventerrein'. In het beoogde plan vindt dan ook geen bestemmingswijziging plaats. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: • het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; • de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; • het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; • de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; • de groene ruimte en de groenblauwe structuur; • het bodem- en watersysteem; • energie. 2. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat.
De provincie heeft de volgende ambities: • naar een klimaatbestendige delta; • naar een nieuwe economie: the next level; • naar een levendig meerkernige metropool; • energievernieuwing; • best bereikbare provincie; • gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
3. Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: • • •
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid- Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4. Beleidskeuzes De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Een belangrijk onderdeel van de provincie is het versterken van een vitale, innovatieve en toekomstige regionale economie. Deze opgave gaat over het versterken van Zuid-Holland als economische topregio. Onderdeel hiervan zijn het versterken van de kennisinfrastructuur en innovatiekracht, het stimuleren van groei en vernieuwing van het bedrijfsleven en het vormgeven van een transitie naar een duurzame en digitale economie. Eer onderdeel hierbij is aandacht geven aan toekomstbestendige bedrijventerreinen die de vitaliteit van het bedrijfsleven versterken. Het huidige plangebied is nu een leeg, braakliggend veld op het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard Met de transformatie van het plangebied neemt de ruimtelijke kwaliteit toe. Met de komst van het bedrijf kan gewerkt worden aan het versterken van de vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie van Zuid-Holland. De beoogde ontwikkeling levert een bijdrage aan het gewenste ontwikkelperspectief van de provincie Zuid-Holland.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 6.10 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de Omgevingsverordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hiermee wordt voldaan aan sub a. Sub b is van toepassing, omdat de betreffende locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied wordt gerealiseerd, de planlocatie groter is dan 3 hectare en de maximale toegestane oppervlakte voor kantoren wordt overschreden. Het plangebied is op Kaart 3: ‘Strategie voor bedrijventerreinen’ niet aangemerkt als Bedrijventerrein. In de uitwerking van de verstedelijkingsstrategie voor bedrijventerreinen is als operationeel doel opgenomen dat moet worden voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve vraag voor bedrijventerreinen in 2030.
Regio’s moeten worden gestimuleerd om te komen tot regionale bedrijventerreinenvisies en (boven)regionale programmeringen met een kwantitatieve en kwalitatieve invalshoek. Hieraan is met de vaststelling van het geldende inpassingsplan reeds voldaan. Er wordt dan ook voldaan aan sub b. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: I. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en II. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
De planlocatie is in het geldende bestemmingsplan bestemd voor een stedelijke voorziening (bedrijf). Het plan wordt ingepast binnen de begrenzing van het huidige bedrijfsperceel. Het betreft daarmee geen wijziging op structuurniveau. Daarmee is sprake van het inpassen van de ruimtelijke ontwikkeling. Derhalve dient voldaan te worden aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. In artikel 6.11 zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de vestiging van nieuwe kantoren. Zo is in lid 1 onder andere bepaald op welke locaties nieuwe kantoren mogen worden gerealiseerd. De voorliggende planlocatie is niet als zodanig aangewezen. Lid 1 is echter niet van toepassing op “bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf;”. Omdat hieraan wordt voldaan is het planvoornemen passend binnen de provinciale verordening. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. Voor alle vier de lagen zijn kenmerken benoemd en uitgewerkt in richtpunten. Voor het plangebied is de laag van de ondergrond van belang. Het plangebied ligt in een gebied dat aangemerkt wordt als Rivierklei en veen.
De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Richtpunt is dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar houden. Bij de uitvoering van het project zal rekening worden gehouden met de eigenschappen van het Rivierklein en veen. Het plangebied ligt in gebied aangemerkt als Stads- en dorpsranden. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Beoogde ontwikkeling past bij de andere bedrijven op het bedrijventerrein en dus bij de overgangskwaliteit. Conclusie Vanuit de omgevingsverordening worden er aanvullend op het voorgaande geen eisen gesteld aan het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de omgevingsverordening.
3.2.3 Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 Eén van de onderdelen die wel opnieuw moet worden beoordeeld is de toets aan de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021 (hierna: Pmv2021). In dit kader is een adviesverzoek ingediend bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Zij hebben als volgt geadviseerd: Bovengenoemde locatie is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied van drinkwaterbedrijf Oasen N.V. en heeft als aangewezen gebiedscategorie ‘boringsvrije zone’. Met het oog op de waterwinning dienen de beoogde werkzaamheden daarom ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater getoetst te worden aan de Pmv2021. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo, in samenhang gelezen met hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij behorende bijlage, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk het bevoegd gezag om te beslissen op de ingediende
aanvraag voor een omgevingsvergunning. Ingevolge artikel 2.26, derde lid, onder b van de Wabo en 6.1, tweede lid, van het Bor zijn Gedeputeerde Staten (hierna: GS) bevoegd om advies aan de gemeente Ridderkerk te geven. In de Pmv2021 is voor bepaalde activiteiten niet langer een ontheffing nodig. Voor een aantal activiteiten geldt een meldingsplicht waarbij aan de in de Pmv2021 gestelde voorschriften voldaan moet worden. In het onderhavige geval is voor de aangevraagde activiteiten geen ontheffing op grond van de Pmv2021 nodig, waardoor de artikelen 2.26, derde lid, van de Wabo en 6.1, tweede lid, van het Bor, niet van toepassing zijn. Daarom beschouwen wij het verzoek om advies van de gemeente Ridderkerk gemakshalve als het doorzenden van een melding. Uit de melding blijkt dat de verboden als bedoeld in de artikelen 93, 94 en 96 van de Pmv2021 van toepassing zijn. Ingevolge artikel 93 van de Pmv2021, in verband met artikel 32 van de Pmv2021, is het verboden om grond of baggerspecie toe te passen, tenzij is voldaan aan de voorschriften als bedoeld in bijlage 2 van de Pmv2021, kolom 1, onder A2.2 juncto kolom 3. Deze voorschriften voor het toepassen van grond of baggerspecie zijn onderaan deze brief opgenomen.
Op grond van artikel 94 van de Pmv2021 is het verboden een ingreep aan of in de bodem uit te voeren waarbij schadelijke vaste en vloeibare stoffen worden gebruikt, dan wel op of in de bodem worden gebracht, tenzij voldaan is aan de voorschriften, bedoeld in bijlage 2, kolom 1, onder A3, jo. kolom 3. Deze voorschriften zijn opgenomen in het advies. Op grond van artikel 96 van de Pmv2021, in verband met artikel 36 van de Pmv2021, is het verboden een ingreep aan of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren die de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodemlagen aantast of kan aantasten. In het eerste lid van artikel 96, onder b, is echter bepaald dat het genoemde verbod niet toepassing is indien er voldaan is aan de voorschriften als bedoeld in bijlage 2 van de Pmv2021, onder B. Deze voorschriften ter bescherming van de slecht-doorlatende eigenschappen van de bodem zijn onderaan deze brief te vinden. Tot slot wijzen wij ook op de zorgplicht die in artikel 7 van de Pmv2021 is opgenomen.
Op grond van deze zorgplicht rust op eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een grondwaterbeschermingsgebied de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, de verplichting dergelijk handelen achterwege te laten dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd teneinde schade te voorkomen, dan wel die schade te beperken en ongedaan te maken. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal moeten worden voldaan aan de geldende voorschriften, de zorgplicht en het gestelde in de vergunningsaanvraag ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Hiermee zal tijdens de planvorming en tijdens de uitvoering rekening worden gehouden.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Gemeente Ridderkerk 2035 In de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 is met betrekking tot het bedrijventerrein Donkersloot het volgende opgenomen: 3. KLOPPEND HART Ridderkerk is uniek vanwege de centrale ligging van bedrijventerrein Donkersloot. Ongeveer de helft van het aantal werknemers in Donkersloot woont ook in Ridderkerk. Daarnaast kenmerkt de Ridderkerker zich door een hoog arbeidsethos. Ridderkerk heeft een werkend en kloppend hart, waar een grote diversiteit aan bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en winkels aanwezig is. Om de diversiteit aan bedrijven en winkels te behouden en te versterken, ligt een belangrijke opgave in het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte in het centrum en het transformeren van het centrum en omliggend gebied. Hierdoor verbetert de bereikbaarheid en vindbaarheid van het centrum en de verblijfskwaliteit in het centrum en dient het ook als antwoord op leegstand in het centrum. Toepassing kernwaarden en principes bij ontwikkelingen en initiatieven Bij initiatieven of ontwikkelingen in Ridderkerk dienen bovenstaande principes waar mogelijk toegepast te worden. Kansen die zich voordoen om de kernwaarden te versterken of bij te dragen aan de opgaven, dienen meegenomen te worden bij ontwikkelingen of initiatieven.
Dit met in het achterhoofd dat: • inzet is om de kernwaarden en de samenhang tussen de kernwaarden verder te versterken, waardoor Ridderkerk een aantrekkelijkere gemeente wordt om in te wonen, te werken en te recreëren. Streven daarbij is het behoud van de eigen identiteiten van de verschillende wijken, waarbij de sociale cohesie en het verenigingsleven centraal staan. Daarbij is behoud van de werkgelegenheid in het centrum en op de bedrijventerreinen Donkersloot en Verenambacht en het verder ontwikkelen van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen Cornelisland en NieuwReijerwaard een aandachtspunt. Voor het gebied tussen het winkelcentrum en Donkersloot is de transformatie voor de langere termijn naar een gemengd gebied van wonen en werken het streven. De noodzakelijke uitbreiding van het bedrijf is op bedrijventerrein Donkersloot op basis van bovenstaande niet wenselijk. Gemeente Ridderkerk heeft ambities voor dit gebied in de omgevingsvisie opgenomen; in de toekomst wil men het gebied transformeren naar een woningbouwlocatie. Het verplaatsen van het bedrijf naar bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard is daarom een prima ontwikkeling. Dit wordt hieronder nader gemotiveerd. Kernwaarden omgevingsvisie Gemeente Ridderkerk 2035 De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de kernwaarden die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie. Dit wordt als volgt gemotiveerd: 1.
Perceel Quooker is buitengewoon groot De meeste kavels op Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard zijn tussen de 1 en 4 ha groot. De kavel van Quooker is ruim 2 keer zo groot als de gemiddelde kavels op het bedrijventerrein (91.221 m2 9,1 ha). Het gestelde maximum van 3.000 m2 kantoorfunctie is in het bestemmingsplan opgenomen met het
doel ervoor te zorgen dat er geen bedrijven worden gerealiseerd waar de kantoorfunctie de hoofdfunctie wordt. Quooker wil alle bedrijfsgebouwen in 4 bouwfasen realiseren, waarbij moet worden vermeld dat de omgevingsvergunning voor fase 1 (nieuwbouw distributiecentrum) inmiddels onherroepelijk is verleend. In totaal wordt het bouwperceel voor circa 58.000 m2 / 5,8 ha bebouwd met ruim 100.000 m2 bedrijfsbebouwing. Hiervan zal ongeveer 20% een kantoorfunctie krijgen. Hiermee blijft het percentage kantoorfunctie ruim onder het in het inpassingsplan gestelde maximum van 50%, maar is het wel meer dan het maximum van 3000 m 2. Het betreft hier hoofdzakelijk een productiebedrijf, waarbij de kantoren ondergeschikt zijn. 2. Werkgelegenheid Quooker is al ruim 30 jaar gehuisvest in Ridderkerk. Het bedrijf biedt werkgelegenheid voor diverse opleidingsniveaus, momenteel telt het bedrijf ongeveer 600 werknemers. Met het voorliggende planvoornemen zal dit naar verwachting groeien tot het 2 á 3 dubbele de komende jaren. Veel werknemers komen uit de regio. Het bedrijf heeft daarom grote behoefte om in deze regio te kunnen groeien. Dit sluit aan bij de doelstelling voor Nieuw Reijerwaard om door ruimte te bieden aan intensieve bedrijvigheid de werkgelegenheid voor verschillende opleidingsniveaus in deze regio te stimuleren. 3.
Duurzaamheid De Gemeenschappelijke Regeling Nieuw Reijerwaard (GRNR) voelt zich verantwoordelijk voor de toekomst van het gebied en houdt hier bij de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard rekening mee. Bij alle keuzes die worden gemaakt in de gebiedsontwikkeling wordt rekening gehouden met aspecten die bijdragen aan een toekomstbestendig bedrijventerrein, zoals energievoorziening zonder het milieu te veel te belasten en slimme oplossingen voor de inzet van mobiliteit en circulariteit. Dit wordt verder uitgewerkt in het ‘Inspiratieboek Duurzame Ambities Realiseren’ (bijlage 8). De ambities van Quooker passen nadrukkelijk in bovengenoemde duurzaamheidsambities voor het bedrijventerrein. Quooker gaat zelfs een stuk verder in duurzame oplossingen door compact ruimtegebruik, een ecologisch groen- en waterconcept en een BREEAM-OUTSTANDING aanpak. Conclusie toets gemeentelijk beleid Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.
4. Omgevingsaspecten Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven.
4.1
Milieueffectrapportage
Ten behoeve van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard is reeds bij de totstandkoming van het inpassingsplan een milieueffectrapportage(m.e.r)-procedure doorlopen. Op basis van onderstaande onderbouwing zijn wij van mening dat de MER van 2013 toereikend is voor het voorliggende planvoornemen. Hieronder wordt gemotiveerd dat de impact van Quooker even groot of kleiner is dan wanneer deze locatie was ingevuld volgens het inpassingsplan. BREEAM Het plan is volledig volgens de creditlijst van BREEAM outstanding ontworpen. Helaas is bij de nadere uitwerking van het plan gebleken dat de bodemopbouw zo slecht is, dat de hoeveelheid betonpalen die toegepast moet worden ervoor zorgt dat de MPG score niet gehaald kan worden. Dit heeft tot gevolg dat dit duurzame compacte gebouw niet kan voldoen aan BREEAM outstanding. De ambities op het gebied van duurzaamheid blijven echter wel overeind. Hieruit volgt een breed palet aan maatregelen zoals het toepassen van een dieptewarmtepomp (meer dan 200m diep), voorzieningen voor de toepassing van zonne-energie , materiaalkeuzes (oa klakhennep), een duurzaam groenontwerp, biophelic design en biodiversiteit, compact bouwen en daarnaast duurzaam watermanagement. Programma Quooker Het bedrijf Quooker is in vele opzichten vergelijkbaar met de bedrijven die passen in het inpassingsplan.
Quooker heeft weliswaar geen letterlijke food/foodgerelateerde functie, maar met de recente ontwikkelingen binnen het bedrijf leunt de bedrijfsvoering steeds meer tegen een foodgerelateerd bedrijf aan. Met de huidige productie van CO2 flessen filters (tbv drink- en bruiswater) en het in ontwikkeling zijnde koffieproject, met onderzoek naar eigen Quooker koffielijnen, wordt deze verwantschap steeds steviger. Het hoofdprogramma van Quooker is productie en opslag, de kantoren en overige functies zijn hierbij ondersteunend. Voor wat betreft het aantal medewerkers is de bezettingsgraad in het gebouw vergelijkbaar met vanuit het bestemmingsplan toegestane bedrijven op het bedrijventerrein. Vervoersbewegingen en verkeer De verkeersbewegingen zijn ook vergelijkbaar met toegestane bedrijven binnen het binnen het bedrijventerrein. Doordat bij Quooker vooral veel nadruk wordt gelegd op de logistieke functie en niet op de import en export van producten, zal het aandeel aan groot vrachtwagentransport wat lager zijn dan bij het gemiddelde bedrijf dat op het bedrijventerrein is toegestaan. Quooker heeft
hierdoor ook minder loading docks nodig dan een gemiddeld toegestaan bedrijf. Ter informatie is het vervoersplan van bouwfase 1 (nieuwbouw distributiecentrum) bijgevoegd. Een groot deel van de medewerkers van het bedrijf Quooker woont in de nabije regio, hierdoor is er een relatief groot deel van de medewerkers dat op de fiets komt. Overigens wordt in het plan wel uitgegaan en voldaan aan de parkeernormen uit het CROW. Stikstofdepositie Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd waarin de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden als gevolg van de nieuwbouw is berekend. Uit de berekeningen van zowel de aanleg- als de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Regenwater In het gebied Nieuw Reijerwaaard is gewoon toegestaan het regenwater op het daarvoor bestemde riool te lozen. Quooker wil altijd graag inventief en duurzaam met water om gaan. Dus in het plan is een aantal zaken bedacht om zowel in natte als in droge tijden verstandig waterbeleid te kunnen voeren. Er wordt zowel een ‘groen’ waterbuffer gerealiseerd met ‘open / vies’ water, waar regenwater wordt opgevangen en dus niet of vertraagd naar het publieke riool wordt afgevoerd. Dit water wordt hergebruikt voor besproeiing van planten op maaiveld en daken (van fase 2, 3 en 4) in tijden van droogte.
Daarnaast wordt er ook een ‘blauwe’ schoonwaterbuffer gerealiseerd met regenwater van de ’witte’ daken. Dit wordt hergebruikt in een grijswatercircuit in het gebouw (toiletten spoelen) hiermee wordt ook het riool ontlast. Biodiversiteit Met de Urbanisten is een uitgebreid plan ontwikkeld dat voorziet in een inrichting van het maaiveld en het dak waarin biodiversiteit centraal staat. Zie meegestuurde groenplan. Door de ontwerpers is niet alleen veel aandacht geschonken aan het feit dat er sprake moet zijn van een ontwerp waarmee een prettige en gezonde werkomgeving wordt gecreëerd (biophelic design), maar ook om meer te doen dan strikt noodzakelijk om bij te dragen aan de biodiversiteit in het gebied (zowel flora als fauna). Dit heeft geleid tot een aantal ontwerpen met verschillende thema’s waarin duidelijke keuzes zijn gemaakt in de toegepaste materialen, de bomen- en plantensoorten en de voorzieningen voor dieren zijn gemaakt. Door de variëteit in hoogte van de gekozen soorten en het rekening houden met de wind- en zonoriëntatie wordt de biodiversiteit in het gebied optimaal bevordert. (zie de bijlage 5164_URBANISTEN_DO BOOKLET_Commissie Ruimtelijke Kwaliteit_242003_2)
4.2
Waterhuishouding
In het plangebied is Waterschap Hollandse Delta de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer.
4.2.1 Toetsing Reeds bij de totstandkoming van het inpassingsplan is aan de geldende beleidskaders met betrekking tot de waterhuishouding getoetst. Middels overleggen met het Waterschap Hollandse Delta over het toekomstige watersysteem, de omgang met de waterkeringen en de planmethodiek is invulling
gegeven aan het proces van de watertoets. In het kader van het vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Bro heeft afstemming plaatsgevonden met Waterschap Hollandse Delta. De resultaten van het overleg zijn in de bij dit inpassingsplan horende nota van beantwoording Vooroverleg meegenomen. Het waterschap heeft geen opmerkingen gegeven met betrekking tot het watersysteem.
4.2.2 Conclusie De voorgesteld ontwikkeling heeft geen effecten op de waterhuishouding zoals deze is opgenomen in het inpassingsplan. Er wordt niet meer gebouwd dan het inpassingplan toestaat. Overigens zal er op het perceel nog een vijver worden aangelegd die als waterberging zal dienen. Hierover zal vooraf aan het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ nog afstemming met het Waterschap plaatsvinden. Conclusie Het voorliggende plan ondervindt voor wat betreft waterhuishouding geen belemmeringen.
4.3
Externe veiligheid
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen.
4.3.1 Toetsing In het kader van externe veiligheid is er een notitie externe veiligheid opgesteld (bijlage 1). Daarnaast is er een notitie verantwoording groepsrisico opgesteld (bijlage 2). De conclusies uit deze notities zijn als volgt: Notitie externe veiligheid Er wordt gesteld dat het EV-beleid van de gemeente Ridderkerk ten opzichte van het Bevb een aanvullende beoordeling van de ontwikkeling vraagt. In deze notitie is hierover een beschouwing beschreven. Resumerend kan gesteld worden dat conform het EV-beleid van de gemeente Ridderkerk gebouwd mag worden binnen 15 meter van de aardgasleiding mits de ontwikkeling voldoet aan het gestelde vanuit zelfredzaamheid en hulpverlening. In het vigerende bestemmingsplan is de belemmeringenstrook van 5 m, waarbinnen niet gebouwd mag worden, opgenomen. Aanvullend zijn er in het bestemmingsplan geen beperkingen of eisen ten aanzien van de ontwikkeling in relatie tot externe veiligheid. Notitie Verantwoording groepsrisico Voor de ontwikkeling in het plangebied is het groepsrisico beschouwd. De vaststelling van het plan leidt tot een verhoging van 25,5% van het groepsrisico tot 0.123 keer de orientatiewaarde.
In overweging nemende dat: • de vaststelling van het plan leidt tot een verhoging van de hoogte van het groepsrisico (het groepsrisico blijft wel ruimschoots onder de oriëntatiewaarde); • de vaststelling van het plan de interventiemogelijkheden van de hulpdiensten en de zelfredzaamheid van de aanwezigen niet negatief beïnvloedt (door de getroffen maatregelen); • het plan past binnen het voornemen van het college om invulling te geven aan de ontwikkeling van industrieterrein Nieuw-Reijerswaard; is het college van mening dat de toename van het groepsrisico aanvaardbaar is.
4.3.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. in overleg met de Veiligheidsregio, de gemeente en DCMR is aanvullend benoemd op welke wijze in het plan maatregelen kunnen worden opgenomen om de situatie veiliger te maken dan strikt noodzakelijk, zodat bepaalde gevallen van ongelukken bij de gasleiding de zelfredzaamheid en de bereikbaarheid van hulpdiensten worden vergroot (zie bijlage 2). Dit wordt bij de planuitwerking meegenomen.
4.4
Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
4.4.1 Onderzoek Quickscan Wet Natuurbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd (bijlage 4). De resultaten uit de quickscan luiden als volgt: 1. Voor de algemene broedvogelsoorten die in de omgeving van de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. 2. Ten aanzien van mogelijk foeragerende en overvliegende vleermuizen op en nabij de onderzoekslocatie en mogelijk verblijvende vleermuizen in de directe omgeving, wordt geadviseerd om te werken met vleermuis-vriendelijke verlichting tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Met name in het actieve vleermuisseizoen (1 april t/m 30 oktober) dient hier rekening mee te worden gehouden bij werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst. 3. Met betrekking tot algemeen voorkomende amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen.
4.4.2 Conclusie Het voorliggende plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect Natuur. Vergunninghouder zal tijdens de planvorming en de uitvoering de zorgplicht in ogenschouw houden.
4.5.
Luchtkwaliteit
4.5.1 Beleidskader Grenswaarden Wet milieubeheer In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 de Wm. Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. Besluit niet in betekenende mate bijdragen Op basis van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) kan worden beoordeeld of een project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze projecten hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Projecten met een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde worden als NIBM beschouwd.
Voor de stoffen NO2 en PM10 is dit het geval bij een toename van maximaal 1,2 µg/m3. Met berekeningen moet worden aangetoond dat deze maximale toename niet wordt bereikt. Daarnaast zijn in de Regeling NIBM projecten (met een maximale omvang) opgenomen die zonder meer als NIBM kunnen worden beschouwd. Projecten die de vastgestelde maximale omvang niet overschrijden dragen per definitie niet in betekenende mate bij. Dit hoeft niet te worden aangetoond met berekeningen en er hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.
4.5.2 Toetsing Het plan gaat ervan uit dat er in de eindsituatie een fabriek, distributiecentrum en kantoren. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat de fabrieksactiviteiten geen luchtverontreinigende stoffen vrijkomen. Al het materieel wat gebruikt wordt op het terrein, waaronder bijvoorbeeld ook de heftrucks, zal elektrisch zijn. Hierdoor is de enige invloed van het plan op de luchtkwaliteit de emissie vanuit de extra voertuigbewegingen die het plan genereert. Er is geen emissie van stookinstallaties, het project is gasloos uitgevoerd. Gezien de omvang van het project en de afstand tot woningen in de omgeving, kan op voorhand worden gesteld dat ter plaatse van woningen in de omgeving aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit zal worden voldaan. In de ontwikkeling worden bij de eindsituatie circa 1475 arbeidsplaatsen gerealiseerd. Uitgaande van 250 werkdagen per jaar en twee bewegingen per werknemer per werkdag komt dat neer op circa 2020 lichte voertuigbewegingen per dag. Daarnaast is er ook sprake van zwaar verkeer ten behoeve van de fabriek en het distributiecentrum. Echter geldt dat het bedrijventerrein Nieuw-Reijerwaard al als project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierdoor zijn in principe al maatregelen genomen om de emissie van luchtverontreinigende stoffen als gevolg van het bedrijventerrein te compenseren.
Er wordt aangenomen dat de niet-agrarische activiteiten van Quooker niet tot meer emissie leiden dan vergelijkbare activiteiten met een agrarisch karakter waar het bedrijventerrein oorspronkelijk voor bestemd is. Wel geldt dat er planologisch meer kantoorruimte wordt toegestaan dan oorspronkelijk beoogd. Dit zal naar verwachting echter praktisch alleen leiden tot een toename van het aantal lichte verkeersbewegingen ten opzichte van de bestemde situatie. Zelfs wanneer alle lichte vervoersbewegingen ingevoerd worden in de tool (terwijl ook bij de oorspronkelijke bestemming al sprake zou zijn van licht verkeer) met een percentage vracht van 0,5% dan is de bijdrage van het project niet in betekenende mate (NIBM).