CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Regionale Nota Bodembeheer.pdf

Commissie Samen wonen RK 20 mei 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 12: Regionale Nota Bodembeheer27.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

11.1.3 Maatregelen Beheersmaatregelen volgen altijd als op een perceel is vastgesteld dat sprake is van asbest in een gehalte boven de 100 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool). Bij een meer gevoeliger bodemgebruik als ‘wonen’, ‘kinderspeelplaatsen’, ‘recreatie of volkstuinen’, volgen ook beheersmaatregelen als visueel asbest(verdacht materiaal) is vastgesteld. De beheersmaatregel richt zich altijd op het wegnemen van risico’s op blootstelling, bijvoorbeeld door het aanpassen van de structuur van de toplaag. Bij minder gevoelig bodemgebruik (functieklasse ‘industrie’, ‘natuur’ of daaraan gerelateerd) kan gekozen worden voor dichtere vegetatie of een verbod tot betreden. Sanerende maatregelen volgen direct als blijkt dat in de bodem op een perceel respirabele (inadembare) asbestvezels voorkomen in concentraties van 10 mg/ kg d.s. of meer. Tijdens het uitvoeren van sanering of beheersmaatregelen moet worden voorkomen dat risiconormen worden overschreden voor asbest in huisstof en/of in binnen- en/of buitenlucht.

43

11.1.4 Hergebruik Het toepassen of herschikken van partijen grond op een perceel:  is vrij toegestaan als de bodem van dat perceel of die partij grond niet asbestverdacht is of daarin geen asbest is aangetoond in gewogen gehaltes boven 10 mg/kg d.s. en bij een visuele inspectie geen asbest(verdacht materiaal) is aangetroffen;  is niet toegestaan op percelen of gebieden met een bodemfunctieklasse ‘wonen’ of een ander gevoelig bodemgebruik zoals kinderspeelplaatsen, recreatiegebieden of volkstuinen als asbest is gemeten in gehaltes boven de 10 mg/kg d.s. gewogen of als bij een visuele inspectie asbest(verdacht materiaal) is aangetroffen;  is, tenzij onder een gesloten verharding, niet toegestaan in de contactzone (van 0 tot 0,5 m –mv) indien asbest is gemeten in gehaltes boven de 50 mg/kg d.s. gewogen;  is niet toegestaan, tenzij sprake is van ‘herschikken onder een gesloten verharding of leeflaag’ binnen het regiem van een door het bevoegd gezag Wet bodembescherming goedgekeurd saneringsplan, als asbest is gemeten in gehaltes boven de 100 mg/kg d.s. gewogen;  is niet toegestaan als is vastgesteld dat er sprake is van de aanwezigheid van respirabele asbestvezels in concentraties boven de 10 mg/kg d.s. Een uitgebreide toelichting op bovenstaand beleid is te vinden in bijlage 9.

11.2 Asbestwegen Onder asbestwegen wordt verstaan een weg, een pad of een erf, alsmede andere grond die bestemd is om door rij- en ander verkeer gebruikt te worden. Het is sinds 1 januari 2000, op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer, verboden om een asbesthoudende weg in eigendom te hebben. Wanneer er meer dan 100 mg/kg gewogen asbest in een weg zit, is de eigenaar verplicht een melding te doen bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu en maatregelen te nemen die strekken tot het tegengaan van blootstelling van gebruikers van die weg aan asbest. Hierbij zijn twee opties:  Weg aangelegd vóór 1 juli 1993: de asbestverontreiniging mag worden geïsoleerd door middel van het aanbrengen van een verharding;  Weg aangelegd na 1 juli 1993: de asbestverontreiniging moet worden verwijderd Wegen die voor 1 juli 1993 zijn aangebracht en waarvan het asbest reeds is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat, vallen niet onder de meldplicht. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ziet toe op de handhaving van het Besluit asbestwegen milieubeheer.

11.3 Overige situaties Overige situaties zijn bijvoorbeeld (sloot)dempingen met asbest. Allereerst moet worden nagegaan of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als de hoeveelheid bodemvreemd materiaal kleiner is dan 50%, is de Wet bodembescherming en daarmee de saneringsregeling van toepassing. Bij meer dan 50% bodemvreemd materiaal is de Wet bodembescherming niet van toepassing en betreffen de werkzaamheden, juridisch gezien, geen bodemsanering. Voor de procedure van melding en uitvoering wordt verwezen naar de eisen zoals beschreven in hoofdstuk 10. Uiteraard zijn in dergelijke gevallen ook de afvalstoffenwetgeving en regels omtrent veiligheid en gezondheid van toepassing.

44

11.4 Bevoegde gezagen In tabel 11.1 is een samenvattend overzicht gegeven van de bevoegde gezagen en de meldingsplicht bij de gemeente. Tabel 11.1: Bevoegd gezag bij asbestsanering

Situatie Erfverharding/asbestwegen Asbest in bodem Overige situaties: - Binnen inrichtingen - Buiten inrichtingen

Bevoegd gezag Rijk Provincie

Meldingsplicht gemeente Ja Ja

Vergunningverlener (gemeente/provincie) Gemeente/provincie

Ja Nee

45

12. Gegevensbeheer 12.1 Gegevensbeheer Om de bodem in Barendrecht en Ridderkerk te kunnen beheren moeten er gegevens over de kwaliteit van de bodem bekend zijn. De bodemgegevens worden verwerkt en beheerd met behulp van een bodeminformatiesysteem. Barendrecht gebruikt hiervoor de applicatie Nazca, Ridderkerk gebruikt de applicatie Squit. Het bodeminformatiesysteem verstrekt de gemeente:  bodemonderzoeks- en bodemsaneringsgegevens;  gegevens met betrekking tot historisch gebruik;  locaties van al dan niet gesaneerde ondergrondse tanks;  archeologische waarden;  gegevens waarmee achtergrondwaarden kunnen worden berekend voor o.a. bodemkwaliteitskaarten;  de mogelijkheid overzichten te maken van (on)verdachte locaties, onderzochte en gesaneerde locaties, (ernstige) gevallen van bodemverontreiniging. Het bodeminformatiesysteem vormt hiermee de basis voor:  opstellen bodemkwaliteitskaarten;  de planning van eigen activiteiten (bijvoorbeeld bodemprogramma );  de loketfunctie (informatie intern en extern; w.o. andere afdelingen, burgers, bedrijven en instanties);  advisering ruimtelijke planvorming.

12.2 Uitwisseling bodeminformatie tussen gemeente en adviesbureaus De gemeenten Barendrecht en Ridderkerk willen de onderzoeksresultaten van bodemonderzoeken zoveel mogelijk digitaal aangeleverd krijgen. Deze digitale gegevens bestaan uit: 1. het rapport in PDF-formaat. 2. een XML-bestand conform laatste versie SIKB-protocol 0101 (gegevens SIKB Basis Dataset), waarin minimaal zijn opgenomen:  boringen met coördinaten xyz;  boorbeschrijvingen conform NEN;  (meng)monsters en analyseresultaten grond en grondwater;  de locatie- en onderzoekscontour. Het XML-bestand kan worden geïmporteerd in het bodeminformatiesysteem van Barendrecht of Ridderkerk. Het digitaal aanleveren van bodemonderzoeksgegevens levert tijdwinst op en de kans op fouten als gevolg van het verkeerd overtypen van gegevens wordt weggenomen. Om deze reden vraagt de gemeente, zowel bij eigen opdrachtverlening voor bodemonderzoeken als bij beoordeling van bodemonderzoeken, (b.v. in het kader van aanvragen omgevingsvergunning) uitdrukkelijk om digitale aanlevering van de bodemonderzoeksgegevens.

46

12.3 Uitwisseling bodeminformatie tussen gemeente en provincie De status en informatie over de (potentieel) verontreinigde locaties zijn momenteel geregistreerd bij zowel de provincie Zuid-Holland (DCMR) als bij de gemeenten. Het informatieniveau bij de provincie en de gemeenten is echter niet gelijk. Om te komen tot een één-locatielijst (alle locaties waarover informatie bekend is over mogelijke bodemverontreiniging of het ontbreken ervan)’ worden de gegevens van de gemeenten en de provincie Zuid Holland digitaal gesynchroniseerd. Belangrijke landelijke aanleidingen voor het ontsluiten en synchroniseren van locatiegebonden bodemgegevens zijn:      

De jaarlijkse monitoring van de bodemsanering Het vormen van het landsdekkend beeld bodemverontreiniging Het uitvoeren van het Bodemconvenant (opstellen spoedlijsten) Het goed kunnen sturen op beleidsdoelen Het geven van een zo volledig mogelijk inzicht in bodeminformatie aan derden (burgers, makelaars etc.) Het digitale loket voor bodemdata: http://dcmr.gisinternet.nl/ en www.bodemloket.nl.

12.3.1 Geautomatiseerde uitwisseling De basis voor de synchronisatie wordt gevormd door een eenduidige één-locatielijst die door middel van periodieke uitwisseling tussen gemeente en provincie actueel en volledig wordt gehouden. Uitgangspunt bij de synchronisatie moet zijn dat alle informatie in de één-locatielijst voldoet aan het SIKBprotocol 0101. Door het LIB (Landelijk Informatiebeheer Bodem) is een minimale dataset opgesteld waarin alle velden zijn opgenomen die nodig zijn in het kader van de rapportage Monitoring Bodemsanering, ontsluiting van bodeminformatie via Bodemloket.nl en het verkrijgen en onderhouden van een Landsdekkend Beeld bodemverontreiniging (LDB). Deze zogenaamde LIB-dataset vormt de basis van de informatie-uitwisseling tussen provincie en gemeente.

12.3.2 Frequentie van uitwisseling De uitwisseling van bodeminformatie tussen de provincie (DCMR) en de gemeente zal vier keer per jaar plaatsvinden, conform vastgesteld uitwisselingsprotocol.

Uitsnede http://dcmr.gisinternet.nl

47

13. Duurzaamheid Zowel Barendrecht als Ridderkerk hebben duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld de bodem zodanig benutten, gebruiken en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties beschikbaar is. Maar een duurzaam bodembeheer kan ook faciliteren in de verduurzaming van een ander thema of onderwerp. Een goed voorbeeld hiervan is dat het niet duurzaam wordt geacht om schaarse primaire grondstoffen zoals schoon zand te gebruiken voor het ophogen van een industrieterrein als dit net zo goed kan met grond van dichterbij en een iets minder goede chemische kwaliteit. Dit spaart de winning van delfstoffen. Ook is de transportafstand minder en wordt er dus minder CO2 uitgestoten. Het creëert ook goede afzetmogelijkheden voor van elders vrijkomende Industriegrond, zodat deze dichterbij de plek van herkomst kan worden verwerkt. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid dat er door grondverzet geen nieuwe risico’s mogen ontstaan bij toekomstig gebruik.

48

14. Communicatie Met betrekking tot de communicatie rond het bodembeheerplan dient onderscheid gemaakt te worden tussen:  communicatie tijdens het tot stand komen en vaststellen van de Nota Bodembeheer;  communicatie na het vaststellen van de Nota Bodembeheer. De communicatie gedurende de bovengenoemde fasen is belangrijk omdat bij grondverzet veel instanties betrokken zijn. Bij het tot stand komen van de Nota Bodembeheer worden de gemeentelijke uitvoerende afdelingen betrokken. De Nota Bodembeheer zal samen met de bodemkwaliteitskaart worden vastgesteld door de gemeenteraad. Hiervoor wordt de procedure zoals beschreven in Afdeling 3.4 (art. 3:10) van de Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd. Dit betekent dat beide documenten zullen worden aangekondigd in een advertentie van de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk en dat ze ter inzage worden gelegd. Na het vaststellen van de Nota Bodembeheer zullen de in de vorige hoofdstukken aangehaalde mogelijkheden en beperkingen van het toepassen en/of het hergebruik van de licht verontreinigde grond en baggerspecie te worden gecommuniceerd met de bij grondverzet betrokken interne afdelingen (voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden) en externe instanties (projectontwikkelaars, aannemers, adviesbureau’s, grondbanken).

Ook zal voorlichting aan en overleg met diverse handhavingspartners plaatsvinden (provincie, DCMR, waterkwaliteitsbeheerder, politie).

49

Literatuur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Besluit bodemkwaliteit, 3 december 2007, Staatsblad nr. 469 Regeling bodemkwaliteit, 20 december 2007, wijziging april 2014. Bodembeheerplan gemeente Barendrecht en Ridderkerk, december 2006 Regionale bodemkwaliteitskaart gemeenten Barendrecht en Ridderkerk, juni 2014 Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, wijzingsblad d.d. 1 maart 2011, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, Ministerie van Verkeer en Waterstaat Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie, Agentschap NL, 7 juli 2010 Provinciale Milieu Verordening, 8e tranche, Provincie Zuid-Holland, 1 mei 2013 HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit bodemkwaliteit (HUM-Bbk), SenterNovem Bodemplus, april 2010 Overzicht reikwijdte omgevingsvergunning van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, november 2010 Ministeriële regeling omgevingsrecht, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 30 maart 2010

50

Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Begrenzing van het bodembeheergebied Bodemfunctiekaart gebiedsspecifiek a. Toepassingskaart gebiedsspecifiek (boven en ondergrond) b. Toepassingskaart generiek (boven en ondergrond Grondstromenmatrix gebiedsspecifiek Uitkomsten risicotoolbox Schema: Meldingsplicht Schema: Toets melding Bbk Schema: Procedure bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen of afwijken van bestemmingsplannen Toelichting asbestbeleid Begrippenlijst Formulier ‘Toets herkomst’ t.b.v. vrij grondverzet Bepaling veiligheidsklassen voor werken in en met verontreinigde grond

51

Bijlage 1

Begrenzing van het bodembeheergebied

52

Bijlage 2

Bodemfunctiekaart gebiedsspecifiek

9

53

Bijlage 3a

Toepassingskaart gebiedsspecifiek (bovengrond en ondergrond)

9

54

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Barendrecht (bovengrond)

55

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Barendrecht (ondergrond)

56

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Ridderkerk (bovengrond)

57

Bijlage 3b

Toepassingskaart generiek Ridderkerk (ondergrond)

58

Bijlage 4

zone

Grondstromenmatrix gebiedsspecifiek

bodemlaag

zone bodemlaag eis

1 BG

1 OG

2 BG

2 OG

3 BG

3 OG

Ontvangende zone (zone en toepassingseis) 4 4 5 5 6 6 BG OG BG OG BG OG

7 BG

7 OG

8 BG

8 OG

9 BG

9 OG

AW

AW

Wn

Wn

Ind

Ind

Wn

Wn

Wn

Wn

Wn

Wn

AW

AW

Ind

Ind

Ind

Ind

J J J J J J N J N N N J N N N N N N

J J J J J J N J N N N J N N N N N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J J J J J J J J J N N

J J J J J J J J J J J J J J J J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J J J N J J J J N N J N N

J J J J J J N J N N N J N N N N N N

J J J J J J N J N N N J N N N N N N

J J J J J J J J J J J J J J J J N N

J J J J J J J J J J J J J J J J N N

J J J J J J J J J J J J J J J J J J

J J J J J J J J J J J J J J J J J J

Zone van herkomst (toe te passen grond)

kwaliteit 1* 1* 2 2 3 3 4 4 5 5 6 6 7* 7* 8 8 9 9

BG OG BG OG BG OG BG OG BG OG BG OG BG OG BG OG BG OG

AW AW AW AW AW AW Wn AW Ind Wn Wn AW Wn Ind Ind Wn AW AW

* Wilt u grond uit deze zone binnen het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart hergebruiken, zie dan paragraaf 5.3 van deze Nota Bodembeheer.

59

Bijlage 5

Uitkomsten risicotoolbox

5.1 Gebiedsspecifiek beleid en de risicotoolbox In hoofdstuk 5 van deze Nota bodembeheer is gebiedsspecifiek beleid opgenomen, waarbij voor een aantal gebieden Lokale Maximale Waarden (LMW) zijn vastgelegd. Een voorwaarde voor het vaststellen van LMW is, dat de gevolgen van deze waarden worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox (www.risicotoolbox.nl). Dit instrument is ontwikkeld om te bepalen welke risico’s de LMW met zich mee brengen bij een bepaald terreingebruik. Deze bijlage bevat de uitkomsten van de toepassing van de risicotoolbox. De berekeningen zijn uitgevoerd met versie 1.1.0.0 van de risicotoolbox. In hoofdstuk 4 zijn voor de volgende situaties hogere LMW vastgelegd dan de generieke toepassingseisen: Gebied LMW Zone 5 MaxINDUSTRIE Lintbebouwing (alleen voor grondverzet in deze zone) Zone 7 Crezeépolder

MaxWONEN (alleen voor grondverzet in deze zone)

Zone 9 Deelgebied Reijerwaard (kasgebied)

Som drins: 2,0 mg/kgds (omgerekend naar standaardbodem) (alleen voor grondverzet in deze zone) MaxINDUSTRIE* (alleen voor grondverzet in deze zone)

Deelgebied Zuidpolder (BA07)

*Overschrijding van de Achtergrondwaarde bij bestrijdingsmiddelen zorgt ervoor dat partij meteen in klasse Industrie moet worden ingedeeld. NB: In deze bijlage wordt de volgende notatie aangehouden: Maximale waarden voor wonen: MaxWONEN Maximale waarden voor industrie: MaxINDUSTRIE Er is volgens de risicotoolbox sprake van een duurzaam geschikte bodem indien de risico-index lager is dan 1. Bij een hogere risico-index geldt de bodem weliswaar niet als “duurzaam geschikt”, maar daarmee is de bodem nog niet ongeschikt voor het betreffende gebruik. Of de bodem al of niet (mogelijk) ongeschikt is voor het betreffende gebruik wordt beoordeeld met een ander risicomodel: Sanscrit. In geval van een ernstige bodemverontreiniging dient men met behulp van Sanscrit te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare risico’s waardoor spoedige sanering van de verontreiniging noodzakelijk is. Hiervan is mogelijk sprake, wanneer de risico-index volgens Sanscrit hoger is dan 1.

60

De volgende paragrafen behandelen de uitkomsten van de risicotoolbox, met onderscheid in ecologische risico’s en humane risico’s. De beoordeling van landbouwrisico’s is voor de gebieden met LMW niet relevant. De parameters PCB en minerale olie komen niet voor in de risicotoolbox en zijn derhalve in deze bijlage buiten beschouwing gelaten.

Disclaimer bij de risicotoolbox Onderstaand kader bevat de disclaimer zoals ook opgenomen op de website www.risicotoolbox.nl: Status van de berekeningen van de risicotoolbox De risicotoolbox berekent de risico's van een ingevoerde chemische bodemkwaliteit voor ecosysteem, mens en landbouwproductie. De risicotoolbox maakt hiervoor gebruik van wetenschappelijke modellen uit de normstellingspraktijk. Modellen kunnen slechts een voorspelling geven van te verwachten risico's. De kwaliteit van deze voorspellingen wordt bepaald door de betrouwbaarheid van de modellen. De modellen achter de risicotoolbox hebben uiteenlopende betrouwbaarheden. Bij het weergeven van de resultaten wordt een kwalitatieve indruk gegeven van de betrouwbaarheid van een resultaat. De verantwoordelijkheid voor de interpretatie van de resultaten ligt bij de gebruiker van het instrument. Het bovenstaande betekent dat voorspellingen van risico's die zowel boven als onder de - voor de gekozen bodemgebruiksvorm relevante - risicogrenswaarde liggen slechts indicatief zijn. Juist bij resultaten die dicht bij risicogrenswaarden liggen is het belangrijk om hierbij in de interpretatiefase stil te staan.

5.2 Ecologische risico’s volgens de risicotoolbox Voor de ecologische risico’s rekent de risicotoolbox met 3 verschillende beschermingsniveaus, afhankelijk van de functie van de bodem. Daarnaast berekent de risicotoolbox tevens de toxische druk op ecosystemen van (mengsels van) stoffen, uitgedrukt in msPAF. Algemene beoordeling van ecologische risico’s Afhankelijk van het beschermingsniveau toetst de risicotoolbox voor de ecologische risico’s in het algemeen aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN of MaxINDUSTRIE 1: Bodemfunctie Ecologisch beschermingsniveau Risicogrenswaarde Natuur Hoog Achtergrondwaarde Wonen met tuin Gemiddeld MaxWONEN * Moestuinen/volkstuinen Gemiddeld MaxWONEN * Landbouw zonder boerderij/erf Gemiddeld MaxWONEN Groen met natuurwaarden Gemiddeld MaxWONEN 1 lood: enigszins afwijkende waarden (540 in plaats van 530 mg/kgds en 214 in plaats van 210 mg.kgds)

61

Plaatsen waar kinderen spelen

Gemiddeld of Matig Matig

Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie * Voor cadmium en kwik hogere risicogrenswaarden dan MaxWONEN

MaxWONEN * of MaxINDUSTRIE MaxINDUSTRIE

De risico-index wordt in de risicotoolbox als volgt bepaald: Risico-index = LMW / risicogrenswaarde Voor de drie gebieden met LMW geldt een matig ecologisch beschermingsniveau. Dit betekent, dat de LMW voor de parameters uit NEN5740 een risico-index opleveren die kleiner is dan 1. Voor zone 9 is de gekozen LMW voor drins hoger dan MaxINDUSTRIE, zodat deze LMW een risico-index groter dan 1 oplevert. Toxische druk van (mengsels van) stoffen De risicotoolbox berekent tevens de toxische druk op ecosystemen van (mengsels van) stoffen, uitgedrukt in msPAF. De afkorting PAF staat hierbij voor ‘Potentieel Aangetaste Fractie’, en het voorvoegsel ms duidt aan, dat de risico’s een optelsom van het effect van meerdere stoffen zijn. De msPAF geeft een percentage van het aantal organismen waarop de hogere concentraties een merkbaar/meetbaar effect hebben. In de landelijke normstelling is bij het bepalen van MaxWONEN uitgegaan van een PAF van circa 20% en is voor MaxINDUSTRIE uitgegaan van een PAF van 50% (lit 1 en 2). De ecologische mengselrisico’s zijn voor zones 1, 5 7 buiten beschouwing gelaten.

Deze mengselrisico’s zijn een optelsom van risico’s voor verschillende stoffen, maar in de praktijk zal de toe te passen grond voor een deel van de stoffen schoner zijn dan de Lokale Maximale Waarden, waardoor de berekening van ecologische mengselrisico’s met alle stoffen tezamen te hoog uit zouden vallen. Voor de drins in zone 9 levert de algemene beoordeling een risico-index hoger dan 1 op. In onderstaande tabel zijn de PAF en msPAF bekeken voor de drins. PAF en msPAF drins bij standaardbodem (organische stof = 10%) Gehalte afzonderlijke Gehalte afzonderlijke drin drin 0,667 mg/kgds 2,0 mg/kgds Dieldrin (PAF) 34,6 % 51,4 % Aldrin (PAF) 22,9 % 37,8 % Endrin (PAF) 53,3 % 69,6 % Drins totaal (msPAF) 58,7 % (som 2,0 74,2 % (som 6,0 mg/kgds) mg/kgds) De LMW van 2,0 mg/kgds heeft betrekking op de som van de drins. De risicotoolbox rekent echter met de afzonderlijke drins. Daarbij weegt endrin bij de ecologische risico’s het zwaarst. Afhankelijk van het aandeel van de afzonderlijke drins bedraagt de msPAF voor de drins tussen de 37,8 % en 69,6 %. Wanneer het aandeel van de afzonderlijke drins gelijk is bedraagt de msPAF 58,7 %. Ter nuancering van de ecologische risico’s wordt het volgende opgemerkt: De LMW gelden steeds voor grondverzet binnen een beperkt gebied en niet voor grond afkomstig van buiten de zone.

Dit betekent, dat het grondverzet sowieso niet snel tot een ecologische verslechtering van het gebied zal leiden. De verontreiniging is al in het milieu van het gebied aanwezig en wordt door het grondverzet enkel verplaatst.

62

5.3

Humane risico’s volgens de risicotoolbox

5.3.1 Algemeen Voor de humane risico’s is in het model CSOIL een maximale blootstellingsdosis vastgelegd, waarbij mensen nog niet ziek worden: het MTR-humaan (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau voor de mens). De mens mag niet meer dan deze dosis in mg per kg lichaamsgewicht per dag ‘binnen krijgen’ van een bepaalde verontreinigende stof (lit. 1). De risico-index is gedefinieerd als: Blootstelling (LMW) / MTR-humaan Bij de humane risico’s is voor het bodemgebruik ‘moestuinen / volkstuinen’ uitgegaan van een gemiddelde gewasconsumptie uit eigen tuin. Dit komt overeen met de consumptie van 50% bladgewassen en 25% knolgewassen uit eigen tuin. In de praktijk is hiervoor een moestuin met een minimale oppervlakte van 100 m2 benodigd (lit. 2). Bij de bodemfunctie ‘wonen met tuin’ rekent het risicomodel met een gewasconsumptie van 10% uit eigen tuin. De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘wonen met tuin’ en ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek. De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘natuur’, ‘groen met natuurwaarden’ en ‘overig groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ zijn voor de humane risico’s eveneens identiek.

5.3.2 Humane risico’s NEN-5740-parameters Metalen In de tabellen op de volgende pagina’s zijn de blootstelling en de bijbehorende risico-index opgenomen [tussen vierkante haken] voor MaxWONEN en voor de MaxINDUSTRIE voor de volgende bodemfuncties: Moestuin / volkstuin (gemiddelde gewasconsumptie) Wonen met tuin (uitkomsten voor terreingebruik ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek) Plaatsen waar kinderen spelen Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie (uitkomsten voor de terreingebruiken ‘natuur’ en ‘groen met natuurwaarden’ zijn voor de humane risico’s identiek) In zone 5 kunnen alle bodemfuncties voorkomen. Voor zones 1 en 7 (deelgebieden BA07 en RA11) is alleen de onderste van toepassing. Er is uitgegaan van een standaardbodem (lutum=25%, humus=10%)2. Dit is een worst case benadering, aangezien in alle zones in de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk de gemiddelde percentages voor lutum en organische stof lager zijn. De werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE zijn dus lager dan bij een standaardbodem. De blootstelling aan de verschillende stoffen is bij de werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE lager dan de in deze bijlage berekende blootstelling. Voor de pH van de bodem zijn geen meetgegevens beschikbaar. Als aanname is een pH-waarde van 6 gehanteerd.

Voor de meeste stoffen is de pH niet van invloed op de resultaten.

2 Voor de humane risico’s van de metalen zijn de uitkomsten in het algemeen niet afhankelijk van de

ingevoerde waarden voor lutum en humus

63

Tabel 5.1a: Blootstelling in mg/kg lg/dag voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE (standaardbodem) [Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven] Bodemfunctie: MaxWONEN Blootstelling MaxINDUSTRIE Blootstelling - Moestuin / volkstuin (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) = LMW zone 5 Arseen 27 1,14 x 10-4 76 3,21 x 10-4 [index 0,16] [index 0,46] Cadmium 1,2 1,14 x 10-4 4,3 2,75 x 10-4 [index 0,41] [index 0,98] -4 Chroom (III) 62 2,59 x 10 180 7,52 x 10-4 [index 0,06] [index 0,19] Koper 54 0,00388 190 0,0136 [index 0,04] [index 0,12] -5 Kwik 0,83 8,02 x 10 4,8 4,64 x 10-4 [index 0,04] [index 0,24] Lood 210 0,00322 530 0,00812 [index 1,79] [index 4,51] Nikkel 39 0,00161 100 0,00413 [index 0,04] [index 0,09] Zink 200 0,0137 720 0,0493 [index 0,05] [index 0,20] Kobalt 35 0,0172 190 0,0935 [index 15,66] [index 84,99] Molybdeen 88 0,00497 190 0,0107 [index 0,83] [index 1,79] Tabel 5.1b: Blootstelling in mg/kg lg/dag voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE (standaardbodem) Bodemfunctie: MaxWONEN Blootstelling MaxINDUSTRIE Blootstelling - Wonen met tuin (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) = LMW zone 5 Arseen 27 4,37 x 10-5 76 1,23 x 10-4 [index 0,06] [index 0,18] -5 Cadmium 1,2 1,73 x 10 4,3 4,45 x 10-5 [index 0,06] [index 0,16] Chroom (III) 62 1,12 x 10-4 180 3,26 x 10-4 [index 0,03] [index 0,08] Koper 54 8,61 x 10-4 190 0,00303 [index 0,01] [index 0,03] Kwik 0,83 1,24

x 10-5 4,8 7,16 x 10-5 [index 0,01] [index 0,04] Lood 210 0,00141 530 0,00357 [index 0,79] [index 1,98] Nikkel 39 0,00123 100 0,00316 [index 0,03] [index 0,07] Zink 200 0,00196 720 0,00705 [index 0,01] [index 0,03] Kobalt 35 0,00211 190 0,0115 [index 1,92] [index 10,41] Molybdeen 88 7,08 x 10-4 190 0,00153 [index 0,12] [index 0,25] 64

Tabel 5.1c: Blootstelling in mg/kg lg/dag voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE (standaardbodem) Bodemfunctie: MaxWONEN Blootstelling MaxINDUSTRIE Blootstelling - Plaatsen waar kinderen (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) spelen = LMW zone 5 Arseen 27 3,37 x 10-5 76 9,47 x 10-5 [index 0,05] [index 0,14] Cadmium 1,2 1,48 x 10-6 4,3 5,31 x 10-6 [index 0,01] [index 0,02] Chroom (III) 62 7,60 x 10-5 180 2,21 x 10-4 [index 0,02] [index 0,06] Koper 54 2,52 x 10-4 190 8,85 x 10-4 [index 0,00] [index 0,01] -6 Kwik 0,83 1,26 x 10 4,8 7,30 x 10-6 [index 0,00] [index 0,00] Lood 210 0,00104 530 0,00262 [index 0,58] [index 1,46] Nikkel 39 0,00117 100 0,00299 [index 0,03] [index 0,07] Zink 200 2,47 x 10-4 720 8,88 x 10-4 [index 0,00] [index 0,00] Kobalt 35 4,53 x 10-5 190 2,46 x 10-4 [index 0,04] [index 0,22] Molybdeen 88 1,09 x 10-4 190 2,36 x 10-4 [index 0,02] [index 0,04] Tabel 5.1d: Blootstelling in mg/kg lg/dag voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE (standaardbodem) Bodemfunctie: MaxWONEN Blootstelling MaxINDUSTRIE Blootstelling - Ander groen, (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) bebouwing = LMW zone 7 = LMW zone 5 infr.structuur, industrie Arseen 27 7,20 x 10-6 76 2,03 x 10-5 [index 0,01] [index 0,03] Cadmium 1,2 3,05 x 10-7 4,3 1,09 x 10-6 [index 0,00] [index 0,00] Chroom (III) 62 1,53 x 10-5 180 4,45 x 10-5 [index 0,00] [index 0,01] -4 Koper 54 1,99 x 10 190 6,99 x 10-4

[index 0,00] [index 0,01] -7 Kwik 0,83 4,49 x 10 4,8 2,6 x 10-6 [index 0,00] [index 0,00] -4 Lood 210 2,10 x 10 530 5,31 x 10-4 [index 0,12] [index 0,30] Nikkel 39 0,00113 100 0,0029 [index 0,02] [index 0,06] Zink 200 5,09 x 10-5 720 1,83 x 10-4 [index 0,00] [index 0,00] Kobalt 35 1,10 x 10-5 190 5,96 x 10-5 [index 0,01] [index 0,05] -5 Molybdeen 88 2,29 x 10 190 4,95 x 10-5 [index 0,00] [index 0,01]

65

Conclusie Metalen Lood vormt voor zone 5 een kritische parameter bij de terreingebruiken ‘moestuin / volkstuin’, ‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Bij deze terreingebruiken is de risico-index bij een gehalte van MaxINDUSTRIE hoger dan 1. Dit wordt overigens mede veroorzaakt door de blootstelling aan lood vanuit andere bronnen dan bodem zoals luchtverontreiniging. De hoge risico-index voor kobalt in bovenstaande tabellen wordt veroorzaakt door modelmatige onzekerheden. Voor kobalt is het niet mogelijk om een betrouwbare blootstelling via consumptie van groenten te berekenen (lit. 3). De humaan-toxicologische risicogrens in de landelijke modellen is hierdoor onzeker en conservatief. In de landelijke normstelling is voor kobalt alleen uitgegaan van ecologie en zijn vanwege de modelmatige onzekerheden humane risico’s buiten beschouwing gelaten. De risicotoolbox berekent echter wel een blootstelling op basis van onzekere, conservatieve aannames over blootstelling via gewasconsumptie. Verder zou molybdeen een kritische parameter kunnen zijn bij de bodemfunctie ‘moestuin / volkstuin’, maar gehaltes molybdeen boven MaxWONEN worden in de praktijk niet aangetroffen. Conclusie PAK De normering uit de Regeling bodemkwaliteit gaat uit van de som van 10 PAK’s. De risicotoolbox berekent voor PAK per individuele PAK een blootstelling en een bijbehorende risico-index.

Vervolgens worden deze afzonderlijke risico-indexen gesommeerd tot een totale risico-index voor som-PAK. Benzo(a)pyreen weegt het zwaarst in de bepaling van de risico-index, gevolgd door indeno(123cd)pyreen. In het algemeen bestaat de som-PAK meestal voor minder dan 15% uit benzo(a)pyreen en voor minder dan 15% uit indeno(123cd)pyreen. Voor de toepassing van de risicotoolbox is uitgegaan van een aandeel van 15% benzo(a)pyreen en 15% indeno(123cd)pyreen in de totale som-PAK. De resterende 70% is verdeeld over de overige acht PAK’s. Onderstaande tabel bevat de risico-index voor MaxWONEN en de MaxINDUSTRIE voor som-PAK. Hieruit blijkt dat PAK een kritische parameter is bij de bodemfuncties ‘moestuin / volkstuin’, ‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Tabel 5.2: Risico-index som-PAK bij standaardbodem (organische stof = 10%): Bodemfunctie MaxWONEN Risico-index MaxINDUSTRIE (mg/kgds) (mg/kgds) Moestuin/volkstuin 6,8 2,30 40 (gem. gewasconsumptie) Wonen met tuin Landbouw Plaatsen waar kinderen spelen Natuur Groen met natuurwaarden Overig groen, bebouwing, infrastructuur en industrie

Risico-index 13,51

6,8

0,94

40

5,53

6,8

0,34

40

2,00

6,8

0,08

40

0,49

66

5.3.3 Humane risico’s drins in zone 9 Onderstaande tabel bevat de uitkomsten van de berekening van de humane risico’s voor de drins voor de LMW en uit zone 9. Als referentie is ook de blootstelling bij de Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE bepaald. Voor de drins worden de humane risico’s in de risicotoolbox afzonderlijk bepaald voor dieldrin, aldrin en endrin. Aldrin is daarbij de gevoeligste parameter. De Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE in de tabel hebben betrekking op de som van deze stoffen. Ook de LMW betreft de som van deze drie drins. Blootstelling en risico-index drins voor bodemfunctie ‘overig groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ (Blootstelling in mg/kg lg/dag voor gehalten bij standaardbodem, organische stof = 10%): Achtergrond- MaxWONEN MaxINDUSTRIE LMW waarde 0,015 0,04 mg/kgds 0,14 mg/kgds 2,0 mg/kgds mg/kgds Dieldrin 7,59 x 10-9 2,01 x 10-8 7,02 x 10-8 1,0 x 10-6 [index 0,00] [index 0,00] [index 0,00] [index 0,02] Aldrin 8,92 x 10-9 2,38 x 10-8 8,33 x 10-8 1,19 x 10-6 [index 0,00] [index 0,00] [index 0,00] [index 0,02] Endrin 7,8 x 10-9 2,08 x 10-8 7,28 x 10-8 1,04 x 10-6 [index 0,00] [index 0,00] [index 0,00] [index 0,01] Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven. Ter verduidelijking: de tweede kolom bevat achtereenvolgens de resultaten voor 0,015 mg/kgds dieldrin, 0,015 mg/kgds aldrin en 0,015 mg/kgds endrin. NB.

Voor de humane risico’s is er bij de drins een lineair verband tussen de concentratie in de bodem en de blootstelling: een 2 x zo hoge LMW levert bij eenzelfde bodemfunctie een 2 x zo hoog blootstellingsrisico op. 5.4 Conclusie risicotoolbox Voor een aantal situaties zijn in hoofdstuk 4 van deze Nota als toepassingseis voor grond en baggerspecie hogere Lokale Maximale Waarden (LMW) opgenomen dan de toepassingseisen volgens het generieke beleid. In dat geval schrijft het Besluit bodemkwaliteit voor, dat de gevolgen van deze LMW worden beoordeeld met behulp van een landelijk voorgeschreven risicomodel, de risicotoolbox. Zone 5 De LMW in zone 5 leiden niet tot ecologische risico’s. Uit oogpunt van de ecologische risico’s blijft de bodem duurzaam geschikt voor het betreffende gebruik. Voor de humane risico’s zijn lood en PAK kritische parameters bij de terreingebruiken ‘moestuin/ volkstuin’ en ‘wonen met tuin’. Voor lood wordt dit mede veroorzaakt doordat de risicotoolbox de blootstelling aan lood meerekent vanuit andere bronnen zoals luchtverontreiniging. Voor de risico’s die voorvloeien uit het hergebruik van grond uit zone 5 blijft de eigenaar van het betreffend perceel verantwoordelijk. Zo kent een kinderspeelplaats of een moestuin hogere risico’s dan een verhard (parkeer)terrein. Bij gemeentelijke projecten wordt rekening gehouden met deze risicogevoelige functies.

De risicotoolbox berekent tevens een hoge risico-index voor kobalt. De hoge risico-index voor kobalt wordt echter veroorzaakt door modelmatige onzekerheden.

67

Zone 1 en 7 (deelgebieden BA07 en RA11) De LMW in zones 1 en 7 leiden niet tot ecologische risico’s. Uit oogpunt van de ecologische risico’s blijft de bodem duurzaam geschikt voor het betreffende gebruik. Voor zones 1 en 7 is alleen het bodemgebruik ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ van toepassing. Bij dit bodemgebruik leiden de LMW niet tot humane risico’s. Uit oogpunt van de humane risico’s blijft de bodem duurzaam geschikt voor het betreffende gebruik. Zone 9 Volgens de risicotoolbox kunnen de LMW voor drins in zone 9 ertoe leiden dat de bodem vanuit ecologisch oogpunt minder geschikt wordt. De LMW gelden echter alleen voor grond die al binnen dit gebied aanwezig is. In de praktijk zal het grondverzet dus niet tot een ecologische verslechtering leiden. De verontreinigingen zijn in dit gebied al in het milieu aanwezig en worden door het grondverzet enkel verplaatst. De LMW voor drins in zone 9 leiden niet tot humane risico’s. Uit oogpunt van de humane risico’s blijft de bodem duurzaam geschikt voor het betreffende gebruik. 5.5 1 2

3

Literatuurverwijzingen Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk; Grontmij 1 september 2007. NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. NOBO-2008-029. Grontmij Nederland BV, 12 september 2008. Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid; RIVM rapport 711701053, 2007.

NB: Voor PFAS wordt verwezen naar de bodemkwaliteitskaart PFAS van de betreffende gemeente

68

Bijlage 6

Schema: Meldingsplicht

69

Bijlage 7

Schema: Toets melding Bbk

70

Bijlage 8 Schema: Procedure bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen of afwijken van bestemmingsplannen

71

Bijlage 9

Toelichting asbestbeleid

Om inzichtelijk te hebben waarop bepaalde beleidsmatige keuzes zijn gebaseerd, is het nuttig om meer te weten over asbest. Het is nuttig om te weten: 1. wanneer asbest in de bodem kan worden verwacht3; 2. welke normen en regelgeving er reeds over ‘asbest in grond’ bestaan4/5; 3. welke risico’s de aanwezigheid van asbest met zich meebrengt en welke maatregelen je kunt treffen om deze weg te nemen of te verminderen6; 4. hoe de GGD tegen asbest aankijkt1 en 5. hoe voeren wij onderzoek uit naar asbest in de bodem. 1. Wanneer asbest in de bodem kan worden verwacht? Asbest is een van nature voorkomende vezel van kristal. Asbest is direct na de oorlog en tot de jaren ’90 toegepast. Asbest werd gebruikt in gebouwen en woningen omdat het sterk, slijtvast, isolerend, brandwerend en goedkoop is. Asbestafval kon rond 1950 worden afgehaald bij fabrieken om bijvoorbeeld boerenpaden te verharden. Asbest wordt in de grond veelal ook aangetroffen in erf-, wegen- en puinverhardingen. Wit asbest (chrysotiel) is de meest toegepaste soort. Bruin asbest (amosiet) werd vooral gebruikt voor warmte-isolatie. Voor toepassingen die bestand zijn tegen zuren werd blauw asbest (crocidoliet) gebruikt. De risico's die asbest oplevert voor de gezondheid werden pas later bekend. Losgebonden asbest is vanaf 1983 vrijwel niet meer toegepast.

De beroepsmatige toepassing en verkoop van alle soorten asbest is sinds 1 juli 1993 verboden. Sinds 2005 is het gebruik van alle soorten asbest verboden in de Europese Unie (EU). Voorbeelden van asbesthoudende producten zijn: - isolatieplaten bij kachels - golfplaten op schuurtjes - sommige plantenbakken en vensterbanken - beschermingslagen voor plafonds - ondergrondse gas- en waterleidingbuizen - koppelingsplaten en remvoeringen van auto’s - onderlagen van bepaalde soorten vloerzeil - beschermringen bij lantaarnpalen - sommige kitranden en/of –voegen in gebouwen - bepaalde dakbedekking en gevelbeplating In niet-hechtgebonden asbest is de binding van de vezels slecht tot zeer slecht, waardoor de kans op het vrijkomen van asbestvezels onder normale omstandigheden al aanzienlijk is. Hieronder vallen onder andere asbestkoord, spuitasbest, asbestkarton, asbesthoudend zachtboard (brandwerend board), vinylzeil met asbesthoudende onderlaag (Novilon) en pakkingsmaterialen (niet in kunststofgebonden).

de GGD-richtlijn ‘asbest in de bodem en gezondheid’, opgesteld door het RIVM met kenmerk 609330003 uit 2007 4 de ”Circulaire bodemsanering 2009, Staatscourant 1 april 2009, nummer 67 5 het advies van de Gezondheidsraad van 3 juni 2010 aan VROM en SZW over de herziening van risicowaarden voor asbest 6 de “Beleidsbrief asbest in bodem, grond en puingranulaat’ van het ministerie van VROM uit 2004 3

72

Belangrijke oorzaken van asbest in de bodem zijn: -

ongecontroleerde stort, bijvoorbeeld bij sloop en verbouwingen; toepassing van asbesthoudend afval uit de asbestverwerkende industrie en asbesthoudend puin als wegverharding of -fundering (‘asbestwegen’); asbestverspreiding door brand, explosie, storm; ophoging van de bodem met grond die vermengd is met asbesthoudend materiaal.

De NEN 5707 geeft resoluut aan dat we asbest(houdend materiaal) in de bodem tegenkomen als sprake is van een puinbijmenging. Anderzijds stelt dezelfde NEN 5707 dat niet iedere bijmenging met puin een (vervolg)onderzoek noodzakelijk maakt. Daarnaast worden eerder beschreven asbesthoudende producten en niet-hechtgebonden asbestverdachte materialen als eventueel bodemvreemd materialen niet genoemd. Verduidelijking is dus gewenst. Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is en het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem is terechtgekomen). De aanwezigheid van enig puin dient zodoende een denkproces in gang te zetten en kan zowel leiden tot een “asbestverdachte” of een “niet asbestverdachte” locatie. In de praktijk zijn al veel gegevens verzameld over asbestanalyses. Niet altijd blijkt dat deze van toegevoegde waarde zijn. Een bodemverontreiniging met asbest (dus in de fijne fractie > 100 mg/kg ds) op een ‘alleen-voor-puin-verdachte locatie’ wordt doorgaans alleen vastgesteld als er ook zintuiglijk, asbesthoudend materiaal, is aangetroffen.

Dezelfde stelling kan ook worden getrokken voor locaties waarop een gebouw of woonhuis staat/stond waarin asbesthoudend materiaal is verwerkt en voor locaties die ook anderszins verdacht zijn, zoals asbestverwerkende industrie. Tot op heden is grond met name verdacht gebleken op de aanwezigheid van asbest(houdend materiaal) indien het is bijgemengd met ongebroken metselpuin en/of betonpuin (met name funderingspuin). Grond met ongebroken metselpuin blijkt met name verontreinigd te zijn met asbestcement plaatmateriaal (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). In betonpuin (met name funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen en -stelplaatjes. Grond met overige soorten bijmenging (ongebroken puin en/of puingranulaat, puin van asfalt, puin van klinkers en/of straatstenen) lijkt tot op heden niet of minder verdacht te zijn op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Stedelijke ophooglagen (zonder bijmenging met bodemvreemd materiaal) is in eerste instantie dus niet verdacht op het voorkomen van asbest(houdend materiaal). Een gedegen vooronderzoek conform NEN 5725 en NEN 5707 in combinatie met visuele waarnemingen tijdens het veldwerk is in eerste instantie dus afdoend om vast te stellen of een locatie of een partij grond verdacht is op asbest(houdend materiaal).

De correcte beschrijving en motivatie over de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem op basis van de historie en de boorprofielen en/of het monsternemingsformulier is daarbij van belang.

73

2. Normen en regelgeving Vooralsnog zijn er alleen normen voor asbest in grond opgenomen in de Circulaire bodemsanering (hierin is een ‘protocol asbest’ opgenomen). De Circulaire is alleen van toepassing indien er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool). Onafhankelijk van het bodemvolume, is er dan sprake van een geval van ernstige verontreiniging en een saneringsplicht. Voor meer zekerheid over de kwaliteit van de bodem adviseert TNO om grond of puin met een gemeten gehalte > 50 mg/kg ds gewogen asbest niet toe te passen bij gebruiksvormen waar sprake is van intensief gebruik, zoals bij woningbouw. TNO wijst hierbij op de specifieke kenmerken van asbest in de bodem waarbij het namelijk lastig is om betrouwbare metingen uit te voeren. Wil men een betrouwbaarheid ten aanzien van het voorspelde asbestgehalte in de grond realiseren van 95%, dan is het noodzakelijk om bij een waarde die tussen 50 en 100 mg/kg ligt een extra zorgvuldigheid in te bouwen. De Circulaire is niet van toepassing op verontreinigingen met asbest die na 31 december 1992 zijn ontstaan in (water)bodem, grond en baggerspecie. Deze verontreinigingen dienen op basis van de zorgplicht gesaneerd te worden.

Indien de verontreiniging met asbest na 31 december 1992 is veroorzaakt en het zorgplichtbeginsel van artikel 13 van de Wbb van toepassing is, wordt de veroorzaker verplicht alle handelingen te nemen, die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, om de bodem te saneren en de directe gevolgen daarvan te beperken en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Het maakt daarbij in principe niet uit of de verontreiniging is ontstaan binnen of buiten een inrichting. Nieuwe verontreinigingen binnen een vergunningplichtige inrichting vallen onder de zorgplicht van de Wm en die van buiten een inrichting onder de zorgplicht van de Wbb. Bij een nieuwe verontreiniging buiten een inrichting is veelal sprake van een ongewoon voorval. Een ongewoon voorval is een gebeurtenis, die bij een normale gang van zaken niet zou hebben plaatsgevonden en waarbij de bodem is of dreigt te worden verontreinigd of aangetast en waarbij maximaal één jaar verstreken mag zijn sinds de melding van het voorval.

Artikel 30, lid 1 van de Wbb is in dat opzicht dwingend naar het bevoegd gezag: Indien ten gevolge van een ongewoon voorval een geval van ernstige verontreiniging ontstaat of de bodem ernstig is of dreigt te worden aangetast, neemt het bevoegd gezag onverwijld de naar hun oordeel noodzakelijke maatregelen ten einde de oorzaak van de verontreiniging of aantasting weg te nemen en de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien een veroorzaker niet is aan te wijzen of niet duidelijk is of sprake is van een calamiteit of een ongewoon voorval (en dus of de verontreiniging (voor een deel) voor, op of na 31 december 1992 is veroorzaakt), hoeft niet te worden gestreefd om de verontreiniging zo veel mogelijk ongedaan te maken maar kan worden teruggegrepen op een functionele saneringsvariant. Eventueel kan worden volstaan met eerder beschreven maatregelen om risico’s tegen te gaan.

74

3. De risico’s van asbest De algemene bevolking wordt tegenwoordig in geringe mate blootgesteld aan asbestvezels. Van nature komen in de buitenlucht 10 tot 20 asbestvezels per m3 voor. Asbestvezels zijn gevaarlijk indien je dagelijks wordt blootgesteld aan hoge concentraties. We hebben het dan over een veelvoud van het aantal vezels dat van nature voorkomt. Asbest is meestal verwerkt in een ander materiaal. Dit is zogenaamd dragermateriaal, zoals cement. Wanneer het materiaal intact is, bestaat er vrijwel geen gevaar voor de gezondheid. Er treden pas gezondheidsrisico’s op wanneer losse vezels asbest ingeademd kunnen worden. De vezels die met het blote oog niet zichtbaar zijn, kunnen diep in de longen doordringen en kunnen op termijn bepaalde vormen van kanker veroorzaken. Meestal zitten er vele jaren tussen het inademen van vezels en het ziek worden (zo’n dertig tot veertig jaar). Asbestvezels in voedsel en in water leveren – voor zover nu bekend is – geen gevaar op voor de gezondheid. In de gewone buitenlucht bevinden zich (normaal gesproken) zo weinig vezels dat het gezondheidsrisico daarvan zeer klein is. Verspreiding via grondwater vindt eveneens niet plaats omdat de asbestvezels niet in grondwater oplossen. Effecten op het (bodem)ecosysteem zijn naar verwachting niet relevant. Niet alle vezels kunnen ingeademd worden.

Alleen vezels met een diameter kleiner dan 3 μm en een lengte kleiner dan 200 μm kunnen in de longen komen. Dit zijn de respirabele vezels. Ook onder normale omstandigheden, waarbij géén sprake is van activiteiten zoals graven, storten en zeven van bodemmateriaal en waarbij de (toplaag van de) bodem het grootste deel van het jaar vochtig is, kunnen er situaties zijn waarbij respirabele vezels vrijkomen. Kortom: Als gevolg van het chemische en fysische karakter van asbest is er alleen sprake van een mogelijk gezondheidsrisico als er asbestvezels in de lucht vrijkomen. Er moet dus voorkomen worden dat vezels uit het dragermateriaal kunnen vrijkomen. Een locatie valt in de categorie ‘géén onaanvaardbare risico’s’ als er geen kans op vezelemissie is omdat het bij het actuele gebruik niet mogelijk is om met de asbestbodemverontreiniging in contact te komen. Dit betekent dat alleen een beperkingenregistratie zal plaatsvinden op grond van artikel 55 Wet bodembescherming als sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (zie ‘normen en regelgeving’). Het bevoegd gezag Wet bodembescherming kan aanvullend daarop beheermaatregelen voorschrijven. Deze beheermaatregelen worden dan in de beschikking ‘ernst en (geen) spoed’ vastgelegd (zie ‘maatregelen om risico’s tegen te gaan’).

Als de inrichting of het gebruik van de locatie verandert, dienen de locatiespecifieke risico’s opnieuw te worden beoordeeld. De locatie valt in de categorie ‘onaanvaardbare risico’s’ als uit metingen blijkt dat de concentratie respirabele asbestvezels in de bodem hoger ligt dan de risicogrenswaarde van 10 mg/kg ds. (gewogen) en in voorkomende situaties de concentratie asbestvezels in huisstof hoger ligt dan 100 vezels/cm2 (waarschijnlijk zal deze laatste norm in de nieuwe circulaire anders zijn vastgesteld) Er dienen dan spoedig saneringsmaatregelen te worden getroffen op dat deel van de locatie waar sprake is van onaanvaardbare risico’s door de aanwezigheid van asbest in de bodem. In de Circulaire wordt ook nog een ander criteria aangehaald voor de vaststelling van spoedeisendheid van een sanering op asbest. Het betreft hier het criterium voor asbestconcentraties in binnen- of buitenlucht. Wanneer het verwaarloosbaar risiconiveau (thans is dit bepaald op 1.000 vezels per m3 maar zal op advies van de Gezondheidsraad wellicht worden aangepast) wordt overschreden, is er volgens de Circulaire eveneens sprake van een locatie met een onaanvaardbaar risico, waarmee sanering spoedeisend is. Het VRniveau is gesteld op één persoon per miljoen levenslang blootgestelde personen die bij een bepaalde concentratie kanker krijgt door asbest (mesothelioom of longkanker).

De gezondheidsraad heeft in 2010

75

geadviseerd om de MTR- en VR-waarden voor chrysotiel ongeveer een factor 40, en voor amfibool asbest ongeveer een factor 30 lager te stellen dan de huidige MTR- en VR-waarden. De risicogrens van 10 mg/kg d.s. (gewogen) voor respirabele asbestvezels in de bodem lijkt in tegenspraak met de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. (gewogen). In theorie zou er sprake kunnen zijn van een verontreiniging met meer dan 10 mg/kg d.s. aan respirabele asbestvezels, maar toch een totaalconcentratie aan asbest onder de interventiewaarde. Uit onderzoek dat TNO de laatste tien jaar heeft uitgevoerd blijkt echter dat zelfs voor de meest ‘losse’ niet- hechtgebonden asbest (vrijwel ongebonden asbest) het aandeel aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5-10% (zie RIVM-rappor 711701034/2003). Dit betekent dat bij een asbestconcentratie in de grond van 100 mg/kg d.s. de concentratie aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5 – 10 mg/kg d.s. Niet bekend is of dat inzicht anno 2011 nog steeds hetzelfde is. Verder is bekend dat zolang het asbest in de bodem vastzit, er geen gezondheidsrisico’s zijn omdat men dan geen losse vezels kan inademen. Wanneer de bodem wordt omgewoeld, de bodem droog is en het waait, kunnen asbestvezels in de lucht vrijkomen.

In de Circulaire is gesteld dat dit alleen gebeurt bij hechten niet-hechtgebonden asbest in de grond in gehaltes van respectievelijk > 1000 en > 100 mg/kg ds. Daarom bestaat er door asbest in de grond zelden een te hoge blootstelling aan asbestvezels in de lucht. Maatregelen om risico’s van asbest in de bodem tegen te gaan kan inhouden dat: - de bodem wordt nathouden én - de bodem zo min mogelijk mag worden betreden én - de bodem niet mag worden bewerkt of - de bodem wordt afgedekt. Een bedekking met graszoden, of een verharding met tegels, klinkers etc. zorgen voor voldoende bescherming. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de structuur van de toplaag en het bodemgebruik van invloed is op het kunnen vrijkomen van asbestvezels vanuit de bodem. Bij dichte vegetatie en een minder intensief bodemgebruik is het vrijkomen van asbestvezels naar de lucht zeer onwaarschijnlijk. 4. De GGD’en Er lijkt een discrepantie te bestaan tussen de beoordeling van het locatiespecifieke risico volgens de Circulaire bodemsanering en het daarin opgenomen protocol asbest en de conclusies die worden getrokken door de GGD over het risico bij een bepaalde locatie en de aanbevelingen die worden gedaan.

Zo kan in sommige situaties volgens de Circulaire de conclusie worden getrokken dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn (waarmee sanering niet spoedeisend is), terwijl de GGD wel maatregelen of aanvullend onderzoek adviseert. Uitgangspunt van de GGD is dat blootstelling aan asbestvezels zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden voorkomen. Taken van de GGD bij een bodemverontreiniging met asbest zijn het beoordelen van de kans op blootstelling, het maken van een risicobeoordeling, het adviseren over maatregelen en over aanvullend onderzoek, het adviseren over risicocommunicatie en het geven van informatie over asbest in bodem en gezondheid. De risicobeoordeling van de GGD is met name bedoeld om het risico voor betrokkenen inzichtelijk te maken. Bij de aanbevelingen van de GGD is het uitgangspunt dat onnodige blootstelling aan een kankerverwekkende stof, zoals asbest, niet gewenst is. Bijvoorbeeld: bij de aanwezigheid van zichtbare asbestdeeltjes zal de GGD adviseren deze via handpicking te laten verwijderen 5. Het uitvoeren van bodemonderzoek op asbest De noodzaak voor een onderzoek op asbest volgt vanuit:

76

- de Wet bodembescherming (Wbb) als sprake is van een ‘ongewoon voorval waarbij mogelijk asbestvezels zijn vrijgekomen’ of als het voornemen bestaat tot het verrichten van handelingen in of met grond die (mogelijk) besmet is met asbest(houdend materiaal); - het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) als er grond wordt toegepast die verdacht is op de aanwezigheid van asbest(houdend materiaal); - de Arbeidsomstandighedenwet. Op grond van ARBO-eisen is het gewenst dat in elke melding of rapportage over grond waarin handelingen worden verricht een conclusie is getrokken over de mogelijke aanwezigheid van asbest(houdend materiaal) en indien aanwezig, over de risico’s. Onderzoek naar asbest(houdend materiaal) gebeurd stapsgewijs. Een QuickScan in het Bodem Informatie Systeem kan uitwijzen, dat reeds voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden op asbest in de bodem. Verder onderzoek op asbest is dan uiteraard niet nodig. De NEN 5707 (Bodem – Inspectie, monsterneming en analyses van asbest in bodem en partijen grond, mei 2003) beschrijft een methode voor de bepaling van het gehalte aan asbest in de bodem en in partijen grond. In de norm worden drie onderzoeksfasen beschreven: vooronderzoek, verkennend onderzoek en nader onderzoek.

Het vooronderzoek heeft als doel om op basis van verzamelde (historische) informatie over de locatie een onderzoekshypothese op te stellen over de aard en ruimtelijke verdeling van asbest in de bodem. Als er concrete aanwijzingen zijn voor mogelijke bodembelastende activiteiten en/of als uit het locatiebezoek blijkt dat de bodem is bijgemengd met asbest(verdacht materiaal), dan wordt de locatie als “verdacht” gekarakteriseerd. Zijn er geen aanwijzingen voor bodembelastende activiteiten en blijkt tevens uit het locatiebezoek dat de bodem niet is bijgemengd met asbest(verdacht materiaal), dan wordt de aanname “onverdacht” gesteld. Het is dan niet per definitie noodzakelijk om een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren. Om een verkennend onderzoek achterwege te kunnen laten moet, in aanvulling op het locatiebezoek, tijdens het vooronderzoek ook een visuele inspectie van het maaiveld zijn uitgevoerd, waarbij geen asbest(verdacht materiaal) is waargenomen. Indien het verkennend onderzoek achterwege blijft kan slechts worden vastgesteld dat de locatie “niet asbestverdacht” is. Als uit het vooronderzoek asbest en het locatiebezoek blijkt dat de locatie, of een duidelijk definieerbaar deel daarvan, asbest bevat, kan het verkennend onderzoek asbest worden overgeslagen en kan meteen een nader onderzoek asbest worden uitgevoerd.

Het verkennend onderzoek heeft als doel om de in het vooronderzoek gestelde hypothese met een relatief geringe onderzoeksinspanning te verifiëren. Het verkennend onderzoek asbest geeft uitsluitsel over de aanwezigheid van grotere hoeveelheden hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest zolang dit voorkomt in asbesthoudende materialen. Het verkennend onderzoek geeft geen uitsluitsel over de aanwezigheid van vrije asbestvezels. De conclusie dat in en/of op een locatie “geen asbest is aangetoond” kan echter pas worden getrokken wanneer visueel geen asbestverdacht materiaal wordt waargenomen en wanneer bij de analyse van grondmonsters geen analytisch aantoonbaar gehalte aan asbest wordt gevonden. Om te voorkomen dat men deze verificatiestap overslaat om niet te snel hoeven te grijpen naar het nader onderzoek, is het beter om te stellen dat de norm van 10 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool) niet mag worden overschreden. Tot dit gehalte aan asbest in de bodem mag worden gesproken van een Verwaarloosbaar risico. In de beleidsbrief wordt dit gehalte ook beschouwd als de landelijke achtergrondwaarde. Het doel van het nader onderzoek is het vaststellen van het gemiddelde gehalte aan asbest per ruimtelijke eenheid (RE = 1.000 m2) en in tweede instantie het in detail vaststellen van de omvang van de verontreiniging.

Voor het bepalen van de locatiespecifieke humane risico’s, onafhankelijk van het bodemgebruik, is het aandeel aan respirabele asbestvezels in de bodem van belang. In de NEN 5707 worden respirabele vezels “vrije asbestvezels” genoemd en gedefinieerd als asbestvezels met een lengte kleiner dan 100 μm die niet zijn ingesloten in een matrix. 77

Tussen de definities van “respirabele vezels” (RIVM) en “vrije asbestvezels”(NEN 5707) bestaat dus een verschil in de lengte van de asbestvezels (200 μm en 100 μm). Strikt genomen moeten vezels met een lengte tussen 100 μm en 200 μm ook tot de respirabele vezels worden gerekend. Het aandeel aan deze grote vezels in de grond is echter minimaal, zodat het voor de bepaling van de concentratie respirabele vezels in de meeste gevallen geen verschil zal uitmaken of vezels tot 100 μm of tot 200 μm worden gemeten. Voor de beoordeling van het risico op blootstelling bij asbest in de bodem is het van belang om op basis van de NEN 5707 een overzicht te krijgen van: - de lokale situatie: de aanwezigheid van nabij gelegen woningen, de toegankelijkheid van de locatie of het gebied voor derden; - het vroegere en huidige bodemgebruik/bestemming van de locatie of het gebied.

Tevens is hierbij het bodemgebruik van de directe omgeving van belang; - de mogelijke oorzaken van de verontreiniging: de bron van de verontreiniging en de wijze waarop de verontreiniging in de bodem terecht is gekomen; - de plaatsen/gebieden waar de bodem is begroeid, bebouwd of afgedekt, inclusief type vegetatie (gras, struiken, bomen) en type afdekking (zand, grind, tegels, beton, asfalt); - de ruimtelijke verdeling (verspreidingspatroon): de omvang en plaats(en) van voorkomen van de verontreiniging en de diepte (bodemlaag) waarin de asbestverontreiniging voorkomt; - de aard van de verontreiniging: de typen asbesthoudend materiaal, de soorten asbest, het gehalte aan asbest in de aangetroffen materialen, de mate van hechtgebondenheid en de verweringsgraad van de aangetroffen materialen; - de verontreiniginggraad: het gehalte aan (visueel detecteerbaar) asbest op en nabij het maaiveld per (deel)locatie, de concentratie per zeeffractie, de concentratie chrysotielasbest en amfiboolasbest, de concentratie hechtgebonden asbest en niet-hechtgebonden asbest, de concentratie respirabele vezels en de totale concentratie asbest.

Hoewel niet in de Circulaire opgenomen, verdient het aanbeveling om de concentratie respirabele vezels in de bodem al in stap 1 te bepalen, vooral indien een snelle beoordeling van het locatiespecifieke risico gewenst is (bijvoorbeeld bij onrust onder omwonenden). Hiermee wordt een extra onderzoeksstap en daarmee vertraging in de risicobeoordeling voorkomen. Hierbij is het wel van belang dat de concentratie respirabele vezels wordt bepaald in de relevante bodemlaag (actuele contactzone). Het gehalte aan asbest in de waterbodem en baggerspecie wordt bepaald conform het protocol Nederlandse Technische Afspraak (NTA) 5727 – Monsterneming van asbest in waterbodem en baggerspecie. Het gehalte aan asbest in puingranulaat wordt bepaald conform de NEN 5897. Bij de beoordeling of voor onderzoek naar asbest de NEN 5707 of de NEN 5897 moet worden gebruikt, ligt de grens bij 20% puin. Het vreemde is dat in de Circulaire bodemsanering is opgenomen dat pas bij een percentage bodemvreemde materialen van meer dan 50% de betreffende bodemlaag niet meer als bodem wordt aangemerkt. De leemte tussen 20% en 50% moet dus beter worden ingevuld. De onderzoeksstrategieën van de NEN 5897 en de NEN 5707 zijn niet wezenlijk verschillend van elkaar. Dit geldt ook voor de onderzoeksinspanning en de monsteraantallen.

Het enige verschil is dat men voor monstername conform de NEN 5707 erkend moet zijn volgens protocol 2018. Voor partijkeuringen asbest in grond geldt een erkenningsplicht volgens protocol 1001. Voor grond met een percentage bodemvreemd materiaal tussen de 20% en 50% wordt daarom voorgesteld om die te onderzoeken conform de NEN 5707. Indien het percentage bodemvreemd materiaal moeilijk is in te schatten kan, in de afweging welke NENnorm te hanteren, de gebruiksfunctie van de locatie doorslaggevend zijn. Voor lagen die fungeren als verharding, stabilisatie en/of fundering voor percelen, wegen en erven wordt de NEN 5897 gebruikt. 78

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/760/documents/28641