CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Regionale Nota Bodembeheer.pdf

Commissie Samen wonen RK 20 mei 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 12: Regionale Nota Bodembeheer27.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.5 Consequenties De in dit hoofdstuk uitgewerkte richting heeft als groot voordeel dat het eenvoudig is. In woonwijken moet toe te passen grond voldoen aan de Klasse Wonen, op bedrijfsterreinen aan Klasse Industrie en in het landelijk gebied mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de Klasse Landbouw/Natuur. Hiermee wordt dus alleen naar de functie van de bodem gekeken en niet naar de kwaliteit van de ontvangende bodem, zoals in het oude beleid wel gebruikelijk was. Het Besluit bodemkwaliteit zelf laat dit principe ook al los door niet op stofniveau te toetsen, maar te beoordelen op klasse. Consequenties grondstromenmatrix Om de consequenties voor grondverzet in het generieke beleid en gebiedsspecifieke beleid te vergelijken zijn voor beide een grondstromenmatrix opgesteld zie rapport bodemkwaliteitskaart voor de grondstromenmatrix conform generiek beleid en bijlage 4 voor de grondstromenmatrix conform gebiedsspecifiek beleid. Hieruit blijkt dat het gebiedsspecifieke beleid een aanzienlijke verruiming geeft van de mogelijkheden voor hergebruik van grond. Hiermee is een belangrijke doelstelling van het nieuwe beleid behaald (zie hoofdstuk 3).

23

6. Spelregels voor hergebruik van grond Dit hoofdstuk beschrijft de spelregels voor het ontgraven en toepassen van schone grond en grond van de klasse Wonen en Industrie (licht tot matig verontreinigde grond). Voor grondverzet van sterk verontreinigde grond wordt verwezen naar het saneringsspoor in hoofdstuk 10. De regels voor het toepassen van baggerspecie staan in hoofdstuk 7.

6.1 Grondverzet tussen zones De basisprincipes van grondverzet tussen verschillende zones volgens het generieke kader is vrij eenvoudig:  Grond afkomstig uit een zone met een bodemkwaliteit die voldoet aan de Achtergrondwaarde (groen op de ontgravingskaarten) mag zonder partijkeuring overal binnen het beheergebied van de kaart worden toegepast.  Grond afkomstig uit een zone met een kwaliteit die voldoet aan de maximale waarde 'Wonen' (geel op de ontgravingskaarten) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis klasse 'Wonen' of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje en rood op de toepassingskaarten).  Grond afkomstig uit een zone met een kwaliteit die voldoet aan de maximale waarde 'Industrie' (rood op de ontgravingskaarten) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis klasse 'Industrie' is (eveneens rood op de toepassingskaarten). Vanuit het gebiedsspecifieke kader van deze Nota bodembeheer wordt de functie van een zone leidend voor de kwaliteit van de grond die er mag worden toegepast. In zones waar de functie Natuur/Landbouw is mag alleen grond met kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde worden toegepast. In zones met functie Wonen mag klasse achtergrondwaarde en Wonen worden toegepast en in zones met functie Industrie kan klasse Achtergrondwaarde, Wonen en Industrie worden toegepast.

De toe te passen grond moet in alle gevallen afkomstig zijn uit het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart. In de grondstromenmatrix (zie bijlage 4) is schematisch weergegeven welk grondverzet wel en niet is toegestaan op basis van de gebiedsspecifieke toepassingskaart (zie bijlage 3a) Voor grond, waarop een partijkeuring conform Besluit bodemkwaliteit is uitgevoerd, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend. De toepassingskaart geeft aan waar deze grond mag worden hergebruikt. PFAS Voor PFAS/PFOA is door Barendrecht en Ridderkerk een Bodemkwaliteitskaart opgesteld (Marmos, resp. P20-06 en P20-07, 3 november 2020). De kaarten voor Barendrecht en Ridderkerk zijn in december 2020 vastgesteld. Dit rapport maakt duidelijk dat voor PFAS de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk één bodembeheergebied vormen. Dit betekent dat binnen deze gemeenten dezelfde toepassingsnormen voor PFAS gelden. De gemeenten Barendrecht en Ridderkerk erkennen elkaars bodemkwaliteitskaarten voor PFAS als milieuhygiënische verklaring. Voor grond en bagger afkomstig van buiten Barendrecht en Ridderkerk gelden in het buitengebied strengere normen.

6.2 Grondverzet binnen de zone Grondverzet binnen de eigen zone is door gebiedsspecifiek beleid in alle gevallen mogelijk. 24

6.3 Grond afkomstig van buiten het beheergebied De gemeenten Barendrecht en Ridderkerk stellen gezamenlijk beleid op dat in beide gemeenten wordt vastgesteld. Wanneer grond van buiten het beheergebied wordt toegepast accepteren de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk onder voorwaarden (zie paragraaf 1.4) een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Verder moet bij de melding een volledig ingevuld en correct ondertekend formulier voor de ‘toets herkomst’ zijn gevoegd. Hieruit moet blijken dat de grond onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging. Grond afkomstig van buiten het beheergebied dient voor toepassing in een zone te voldoen aan de toepassingseis weergegeven op de generieke toepassingskaart (zie bijlage 3b) en de bodemkwaliteitskaart PFAS van de betreffende gemeente.

6.4 Grond van een depot Indien aangetoond kan worden dat de grond in een depot afkomstig is uit een zone, dan kan deze grond zonder keuring toegepast worden binnen dezelfde zone, of een andere zone waarvan de functie van de ontvangende bodem voldoet aan de kwaliteit van de toe te passen (depot)grond. Indien de herkomst niet kan worden aangetoond, moet de grond worden gekeurd en op basis hiervan moet worden vastgesteld of de grond mag worden toegepast. Als partijen worden samengevoegd gelden de eisen van de BRL 9335.

6.5 Ontgraven Milieuhygiënische verklaring Als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond en baggerspecie worden binnen het Besluit bodemkwaliteit vijf typen milieuhygiënische verklaringen onderscheiden te weten:  een partijkeuring (BRL 1000, SIKB 1001);  een erkende kwaliteitsverklaring;  een fabrikant-eigenverklaring;  een (water)bodemonderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van de in het Besluit bodemkwaliteit genoemde erkende strategieën;  een (water)bodemkwaliteitskaart. Een verdere toelichting op deze verklaringen is te vinden in het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling [1 en 2]. Bodemkwaliteitskaart Barendrecht / Ridderkerk als bewijsmiddel Zoals hierboven aangegeven kan de bodemkwaliteitskaart een erkend bewijsmiddel zijn. Dit kan als wordt voldaan aan de volgende - in het Besluit bodemkwaliteit gedefinieerde - voorwaarden: 1. De bodemkwaliteitskaart moet zijn opgesteld conform de richtlijn bodemkwaliteitskaarten; 2. Het moet aantoonbaar zijn dat de grond die wordt toegepast, afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van het beheergebied Barendrecht / Ridderkerk; 3. Op de locatie mogen geen bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er moet sprake zijn van een onverdachte locatie; 4.

Als de partij ook is voorzien van een ander geldig bewijsmiddel (partijkeuring of erkende kwaliteitsverklaring) dan geldt het andere bewijsmiddel als milieuhygiënische verklaring, omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond of baggerspecie.

25

 Aan de eerste voorwaarde is voldaan met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart.  Of aan voorwaarde 2 wordt voldaan, is afhankelijk van de specifieke situatie.  Om aan voorwaarde 3 te voldoen dient een vooronderzoek (conform NEN 5725) te worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient te voorkomen dat grond afkomstig van verdachte locaties zonder onderzoek elders wordt toegepast. Indien uit het vooronderzoek volgt dat sprake is van een verdachte locatie, dan dient minimaal een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd te worden.  Voorwaarde 4 spreekt voor zich. Verkennend onderzoek (NEN 5740) in relatie tot de bodemkwaliteitskaart Een NEN 5740-onderzoek geldt niet als een afzonderlijk bewijsmiddel voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit van toe te passen grond. Dit type onderzoek wordt gebruikt om te zien of er redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is van een afwijkende bodemkwaliteit (bijvoorbeeld wanneer blijkt dat er sprake is van een puntbron). Het komt voor dat op verdachte locaties lichte verontreinigingen worden aangetroffen, waarvan de gehalten binnen de spreiding ligt die normaal voorkomen in de betreffende bodemkwaliteitszones. Het zou een onnodig zware belasting zijn om voor al deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek, een aanvullende partijkeuring te eisen bij hergebruik van grond.

In verband hiermee staan de gemeenten vanuit dit type locaties grondverzet toe op basis van de bodemkwaliteitskaart, mits de maximaal op de locatie gemeten gehalten onder de 95-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone liggen. De 95-percentielwaarde wordt aangeduid als de lokale achtergrondwaarde. Grond die hieraan voldoet heeft een gebiedseigen bodemkwaliteit en kan dus zonder aanvullende partijkeuring worden verzet. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend bewijsmiddel op de bodemkwaliteitskaart gebruikt.

6.6 Tijdelijk verplaatsen en opslaan Voor tijdelijke uitname van grond en baggerspecie stelt het Besluit Bodemkwaliteit geen extra verplichtingen. Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie is in het kader van het Besluit in de meeste situaties niet langer vergunningplichtig, maar meldingsplichtig op grond van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. In paragraaf 8.1 wordt dit nader toegelicht. Het Besluit kent een uitzondering op de verplichte kwaliteitsbepaling en meldingsverplichting, in het geval grond en/of baggerspecie alleen tijdelijk uitgenomen worden. De gedachte hierbij is dat in deze situatie weinig tot niets verandert aan de milieubelasting op een bepaalde locatie. Indien grond of baggerspecie niet worden bewerkt en op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dezelfde toepassing worden teruggebracht, is dit toegestaan zonder kwaliteitsbepaling, toetsing aan de functie en melding. In het ‘Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie’ [6] is een checklist opgenomen om te beoordelen of er sprake is van tijdelijke uitname.

26

In de praktijk blijkt dat bij grondverzet in kabel- en leidingcunetten bovengrond en ondergrond dikwijls gemengd zijn. Bij het terugplaatsen van grond binnen cunetten hoeft daarom geen onderscheid gemaakt te worden tussen boven- en ondergrond. Het opbulken van grond, zoals dat gebeurt in (gemeentelijke) gronddepots, mag uitsluitend worden uitgevoerd door een bedrijf dat is erkend voor de BRL 9335. Opbulken kleine partijen In de praktijk is echter gebleken dat het voor veel hoveniersbedrijven, gemeentewerven en kleine aannemers vanuit economisch oogpunt niet haalbaar is om een erkenning voor de BRL 9335 te behalen. Daarom is voor het opbulken van kleine partijen een uitzondering gemaakt. Deze uitzondering houdt in dat het bij elkaar brengen van partijen grond of baggerspecie met verschillende herkomst is toegestaan. Indien de omvang van de opgebulkte partijen grond niet groter is dan 25 m3. Deze partij moet vervolgens worden afgevoerd naar een inrichting die erkend is voor de BRL 9335.

6.7 Toepassen Nuttige toepassing Partijen grond en baggerspecie mogen binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit alleen worden toegepast als er sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. Nuttig toepassen betekent ook dat niet meer materiaal mag worden toegepast dan nuttig en functioneel is. Artikel 35 in het Besluit Bodemkwaliteit [1] beschrijft wanneer een toepassing nuttig is. Toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing (GBT) De ontgravingskaart van de Bodemkwaliteitskaart is wettig bewijsmiddel voor de vrijkomende grond van onverdachte locaties en daarmee ook voor de toepassing van grond in grootschalige bodemtoepassingen (b.v. wegen, dijken, geluidswallen, verontdiepen oppervlaktewater). Er moet wel voldaan worden aan de overige eisen voor een grootschalige toepassing, zoals de emissietoets, het volumecriterium, de toepassingshoogte etc. 27

Een GBT moet worden afgedekt met een leeflaag van ten minste 0,5 meter dikte. Deze leeflaag moet geschikt zijn voor de functie ter plaatse en passen bij de daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. Dit betekent dat voor de leeflaag dezelfde functie-eis van toepassing is als in de toepassingskaart is aangegeven. Ook kan bij de aanvulling van de leeflaag de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de aanvulgrond.

6.8 Zorgplicht Zoals ook in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen, blijft de zorgplicht van kracht. Dit betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De zorgplicht vormt een vangnet voor situaties waarin sprake is van onzorgvuldig handelen zonder dat een specifiek wettelijk voorschrift wordt overschreden.

6.9 Bijzondere omstandigheden Uitgezonderde gebieden Bij toepassing van grond ter plaatse van uitgezonderde gebieden (gearceerde zones op de kaart) moet de kwaliteit van de ontvangende bodem worden onderzocht. In eerste instantie wordt op basis van de bodemfunctiekaart en de in het bodemonderzoek vastgestelde bodemkwaliteit de toepassingseis bepaald. Vervolgens wordt bepaald of de aan te brengen grond voldoet aan de toepassingseis. De in de Bodemkwaliteitskaart uitgezonderde gebieden zijn:  rijkswegen (A15, A16, A29 en A38), inclusief wegbermen;  wegen in beheer bij het waterschap Hollandse Delta, inclusief wegbermen;  spoorbermen;  oeverzone / ophooglaag langs Oude Maas in Barendrecht;  oeverzones langs rivieren Nieuwe Maas en Noord in Ridderkerk;  de waterbodems. De uitgezonderde gebieden zijn gearceerd op de ontgravings- en toepassingskaarten. Voor weg- (A15, A16, A29 en A38 incl. op- en afritten) en spoorbermen die niet zijn gelegen binnen de woonzones in het beheergebied geldt een ontheffing van de kwaliteitstoets van de ontvangende bodem. Deze wegbermen vallen per definitie in een zone met gebruiksfunctie Industrie. Wegbermen zijn in algemeenheid heterogeen verontreinigd als gevolg van verkeersactiviteiten (o.a. olielekkages, depositie als gevolg van uitlaatgassen, gladheidbestrijding) en onderhoud (o.a. teerhoudende kleeflagen).

De definitie van wegbermen in deze nota is dat zij een strook betreffen van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt afgesneden door een sloot dan wel de grens van het desbetreffend perceel. Voor wegbermen langs dijkwegen geldt het voorgaande beleid voor een strook van 2 meter buiten het wegvak aan beide zijden. De wegbermen worden beschouwd als één zone. Dit beleid is alleen van kracht voor bestaande wegbermen. Wegbermen ter plaatse van nieuw aangelegde wegen zijn hiervan uitgesloten. Binnen de wegbermen mag, onder een aantal voorwaarden, grond en baggerspecie worden toegepast met een maximale kwaliteitsklasse industrie. Deze voorwaarden zijn: - Wanneer de toepassingslocatie van de wegbermgrond binnen een straal van 100 meter van de ontgravingslocatie en binnen de wegberm ligt is het doen van bodemonderzoek niet noodzakelijk. - Wanneer de toepassingslocatie verder dan 100 meter van de ontgravingslocatie ligt dan dient de kwaliteit van de ontgraven wegbermgrond geverifieerd te worden met een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740, strategie homogeen verdacht). Indien blijkt dat de kwaliteit van de grond maximaal binnen de kwaliteitsklasse Industrie valt, dan mag deze grond ook elders binnen de wegbermen worden toegepast.

Indien de kwaliteit de kwaliteitsklasse Industrie overschrijdt, dan dient voor de grond een andere bestemming gevonden te worden. Indien de interventiewaarde wordt overschreden dient (in het kader van de Wet bodembescherming) een saneringsplan te worden opgesteld. 28

- Ook voor grond of baggerspecie afkomstig van elders geldt dat tot maximaal de kwaliteitsklasse Industrie binnen de bermen mag worden toegepast. Puntbronnen Binnen het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart zijn een groot aantal locaties aanwezig, waar sprake is (geweest) van een lokale bron van bodemverontreiniging. In deze gevallen kan de kwaliteit van de bodem afwijken van de algemene diffuse bodemkwaliteit. Er kan sprake zijn van een verdachte locatie, een locatie met een geval van ernstige bodemverontreiniging of een gesaneerde locatie. Voorbeelden van puntbronnen zijn: • lokale ophogingen of dempingen; • olietanks; • locaties waar een bedrijf gevestigd is (geweest), waarbij mogelijk bodemverontreiniging is ontstaan; • locaties waarbij bodemvreemd materiaal of andere zintuiglijke afwijkingen worden aangetroffen die duiden op een plaatselijke bodemverontreiniging (koolas, sintels, asbest etc.). Vanwege het grote aantal locaties, de relatief kleine schaal en het dynamische karakter van dit type locaties zijn deze niet aangegeven op de bodemkwaliteitskaart. Deze zijn wel te traceren via de internetsite van de DCMR Milieudienst Rijnmond (http://dcmr.gisinternet.nl/). Bij grondverzet vanuit of naar verdachte locaties moet onderzoek worden uitgevoerd of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Grondverzet van of naar een geval van ernstige bodemverontreiniging is alleen mogelijk op basis van een saneringsplan of BUS-melding. Bij gesaneerde locaties moet rekening worden gehouden met eventuele restverontreinigingen en/of in stand houden van de leeflaag. Voor de ontgravingskwaliteit van dergelijke locaties is de ontgravingskaart niet van toepassing, tenzij blijkt dat de met het bodemonderzoek vastgestelde kwaliteit gebiedseigen is. Voor toepassen van hergebruiksgrond afkomstig van buiten de locatie geldt dezelfde toepassingseis als aangegeven op de toepassingskaarten (bijlagen 3a en 3b). Hiermee zijn de eisen voor toepassing van grond binnen en buiten Wbb locaties gelijk getrokken.

Vrijstelling voor particulieren en agrariërs Particulieren en agrariërs zijn vrijgesteld van de volgende verplichtingen: • de onderzoeksplicht naar de kwaliteit van kleinschalige hoeveelheden toe te passen grond/baggerspecie en toets ontvangende bodem; • de meldingsplicht voor het toepassen van grond en baggerspecie. Voor agrariërs geldt de vrijstelling voor de onderzoeks- en meldingsplicht alleen indien de grond/baggerspecie afkomstig is van een tot datzelfde landbouwbedrijf behorende perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld. Voor particulieren geldt dat het op niet-bedrijfsmatige hoeveelheden betrekking heeft. De zorgplicht blijft wel van kracht. Bovengenoemde vrijstelling ontslaat particulieren en agrariërs niet van de plicht om te voldoen aan de kwaliteitseisen uit het Besluit bodemkwaliteit. Indien er vermoedens bestaan dat de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie niet voldoet aan de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit, dan kan het bevoegd gezag handhavend optreden.

29

Beschermingsgebieden Grondwaterbeschermings- en grondwaterwingebieden behoren tot de bijzondere beschermingsgebieden zoals opgenomen in de Provinciale Milieu Verordening (PMV) [7]. In de PMV van de provincie Zuid-Holland is beschreven hoe omgegaan moet worden met het toepassen van grond in grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden geldt een strenger beleid ten aanzien van grondverzet en zijn regels gesteld voor de activiteiten in deze zones die de kwaliteit van het grondwater kunnen bedreigen. Op de website van de provincie Zuid-Holland (www.pzh.nl) zijn de grondwaterbeschermings- en grondwaterwingebieden binnen de gemeente Ridderkerk weergegeven. In gemeente Barendrecht ligt geen waterwingebied. Andere beschermingsgebieden waar maatwerk geldt voor grondverzet kunnen zijn: de provinciale hoofdstructuur gebieden (PEHS), aardkundig waardevolle gebieden en archeologisch waardevolle gebieden.

6.10 Veiligheidsklassen CROW-publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ is een systematiek voor het bepalen van veiligheids- en gezondheidsrisico’s en de bijbehorende beschermende maatregelen. Kerngedachte is het risicogestuurd werken. Dit houdt in het treffen van maatregelen waardoor risico’s worden voorkomen of beperkt. In de CROW 400 is een duidelijk verschil gemaakt tussen het werken met vluchtige en niet-vluchtige stoffen. Uit toetsing aan de 95 percentielwaarde (P95) van de bodemkwaliteitskaart blijkt dat bij werkzaamheden in de bovengrond ter plaatse van de meest verontreinigde zones 5 en 8 (lintzones en Donkersloot) er geen veiligheidsklasse van toepassing is. Aangezien dit de meest verdachte zones zijn, is in de overige zones ook geen veiligheidsklasse van toepassing. De toetsing van zones 5 en 8 is als Bijlage 12 aan deze Nota toegevoegd.

30

7. Hergebruik van baggerspecie Vrijkomende baggerspecie kan op vier manieren worden hergebruikt: 1. op aangrenzende percelen: via het toetsingskader voor verspreiden; 2. op niet-aangrenzende percelen: in een standaard toepassing op landbodem; 3. in de waterbodem: in een standaard toepassing in waterbodem; 4. in een grootschalige bodemtoepassing. Deze nota bodembeleid beperkt zich tot het verspreiden op de aangrenzende percelen. Optie 3, het toepassen in de waterbodem, valt buiten het bevoegde gezag van de gemeenten. Voor de opties 2 en 4 wordt baggerspecie op dezelfde manier als grond behandeld en gelden de regels uit hoofdstuk 6.

7.1 Vaststellen milieuhygiënische kwaliteit Voordat baggerspecie mag worden toegepast of verspreid, is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit noodzakelijk. De milieuhygiënische kwaliteit kan worden aangetoond door middel van één van de volgende bewijsmiddelen: • Waterbodemkwaliteitskaart (voorwaarde is dat zowel het waterschap Hollandse Delta als de colleges van Barendrecht en Ridderkerk de kaart bestuurlijk hebben vastgesteld); • Bodemonderzoek conform NEN 5720; • Partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit. In de meeste gevallen kan de waterbodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt. De waterbodemkwaliteitskaart mag echter niet als bewijsmiddel worden gebruikt indien de watergang verdacht is vanwege de nabijheid van: • een voormalige stortplaats • een saneringslocatie • een lozingspunt of riooloverstort • vulpunten t.b.v. het sproeien met bestrijdingsmiddelen • asbestverdachte beschoeiingen • een calamiteit Ook mag geen gebruik worden gemaakt van de waterbodemkwaliteitskaart als op de locatie van herkomst een partijkeuring of waterbodemonderzoek conform NEN 5720 is uitgevoerd. In dat geval moet worden uitgegaan van de resultaten van het lokaal uitgevoerde onderzoek.

7.2 Waterbodemkwaliteitskaart De regionale waterbodemkwaliteitskaart voor de eilanden IJsselmonde en Rozenburg is in voorbereiding en wordt opgesteld in opdracht van het waterschap Hollandse Delta. De kaart gaat alle binnen- en buitenstedelijke watergangen omvatten binnen het beheergebied zoals aangegeven op de bodemkwaliteitskaarten van de landbodem. Watergangen rond riooloverstorten, rond de inlaatpunten van rivierwater en waterlichaam ’t Waaltje zijn niet gezoneerd omdat ze verdacht zijn op verontreinigingen. De waterbodemkwaliteitskaart geeft een indicatie van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij baggerspecie die wordt verwijderd in verband met (onderhouds)baggerwerk. Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor baggerspecie onderscheid tussen verspreidbare en niet-verspreidbare baggerspecie (zie figuur 6.1). De vrij verspreidbare baggerspecie voldoet aan de normen voor schone grond.

31

Figuur 6.1: Overzicht normen waterbodem

7.3 Hergebruik op aangrenzende percelen Baggerspecie uit watergangen mag over de aangrenzende percelen worden verspreid. Dit valt onder het generieke kader voor verspreiden. Baggerspecie mag op aangrenzende percelen worden verspreid als de milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan de generieke verspreidingsnorm. Alvorens te worden verspreid, mag de baggerspecie op een aangrenzend perceel in een weilanddepot worden gezet om te laten ontwateren. Opgemerkt wordt dat het toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort), bij inlaten van rivierwater en voor waterlichaam ‘t Waaltje. Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit.

7.3.1 Voorwaarden Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden conform generiek beleid: • voor baggerspecie waarvan de milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan de generieke verspreidingsnorm geldt de ontvangstplicht; • de baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid; • er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteitsklasse of functieklasse van de ontvangende bodem; • het verspreiden van baggerspecie hoeft niet te worden gemeld.

7.3.2 Acceptatieplicht Het Besluit bodemkwaliteit geeft alleen de milieuhygiënische randvoorwaarden, met de bijbehorende reikwijdte, waarbinnen mag worden verspreid. Het Besluit staat verder los van de bevoegdheden, eigendomsverhoudingen en ‘ontvangstplichten’ die rondom het verspreiden van baggerspecie in andere regelgeving zijn geregeld. Het Besluit geeft daarnaast ook geen maat voor de laagdikte of hoeveelheden. In de Handreiking Besluit bodemkwaliteit is hierover alleen vermeld dat de hoeveelheid, en de daarmee samenhangende laagdikte, in overleg met de eigenaar van het perceel wordt bepaald.

7.4 Geen gebiedsspecifiek beleid Het heeft de voorkeur om vrijkomende baggerspecie te verspreiden op de aangrenzende percelen, conform de generieke verspreidingsnorm opgenomen in Besluit / Regeling bodemkwaliteit. Regelmatig komt het echter voor dat vrijkomende baggerspecie niet op het aangrenzende perceel kan worden verspreid omdat er onvoldoende ruimte is. Dit speelt met name binnen de bebouwde kom, waar verharding en bebouwing de mogelijkheden sterk beperken. De hier vrijkomende baggerspecie moet worden afgevoerd naar een depot of verwerker. Indien de kwaliteit het toestaat kan de baggerspecie ook als landbodem worden toegepast. Op basis van gebiedsspecifiek beleid zijn oplossingen te vinden voor de knelpunten in zowel het stedelijk als landelijk gebied. Omdat op het moment van vaststelling van deze Nota deze knelpunten nog onvoldoende in beeld zijn, is het niet mogelijk om hier met gebiedsspecifiek beleid op te anticiperen. Wellicht kunnen hierover, na de afronding en vaststelling van de waterbodemkwaliteitskaart van het waterschap Hollandse Delta, wel beleidsuitgangspunten worden geformuleerd. Deze moeten dan met een apart besluit worden vastgelegd. 32

8. Procedurele aspecten 8.1 Meldingen De gemeenten Barendrecht en Ridderkerk zijn bevoegd gezag in het kader van het Besluit bodemkwaliteit voor de toepassing van grond en baggerspecie binnen haar grondgebied. Alle toepassingen van (schone) grond en baggerspecie dienen te worden gemeld bij het bevoegd gezag, met uitzondering van: • tijdelijke uitname van grond; • kleinschalige hoeveelheden grond of baggerspecie door particulieren; • schone grond en schone baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m3; • verspreiden van baggerspecie uit een watergang over aan de watergang grenzende percelen; • grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf als de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond of baggerspecie wordt toegepast. Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen moet dit ten minste vijf werkdagen van te voren melden via het Meldpunt bodemkwaliteit : (http://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Deze website geeft nadere informatie over de procedure van het melden. In bijlage 6 is schematisch weergegeven welke toepassingen van grond en baggerspecie meldingsplichtig zijn. Iedere melding wordt direct (elektronisch) doorgezonden aan het bevoegd gezag en aan degene die belast zijn met het toezicht op de naleving.

Het bevoegd gezag controleert de meldingen volgens het in bijlage 7 weergegeven schema.

8.2 Handhaving De melding geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om te verifiëren of de toe te passen partij en de voorgenomen toepassing voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens onduidelijk, onvolledig of op een andere wijze niet toereikend zijn worden er aanvullende gegevens opgevraagd bij de melder. De toetsing wordt uitgevoerd door de gemeenten zelf. De handhaving van het Besluit bodemkwaliteit is door beide gemeenten uitbesteed aan DCMR.

8.2.1. Pro-actieve handhaving Een deel van de gemelde toepassingen wordt in het veld gecontroleerd. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan:  Is er tijdig gemeld?  Komt de toepassingslocatie overeen met wat in de melding is aangegeven?  Komt het toegepaste volume overeen met de melding?  Komt het toegepaste materiaal overeen met wat is gemeld? Als blijkt dat de toepassing niet overeenkomt met de melding zullen de toezichthouders er op toezien dat de ongewenste situatie met gebruik van de beschikbare wettelijke hulpmiddelen ongedaan gemaakt wordt. Afhankelijk van de geconstateerde tekortkoming zal melding worden gedaan bij het toezichtloket Bodem (= Bodemsignaal) van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) (https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht). Naast gerichte inspecties in relatie tot gemelde toepassingen, kunnen de toezichthouders controles uitvoeren op niet gemelde toepassingen van grond en baggerspecie.

33

8.2.2 Post-actieve handhaving Tot slot is het mogelijk om handhavend op te treden door het uitvoeren van een handhavingsonderzoek. Indien het noodzakelijk wordt geacht om tot monsterneming over te gaan, bijvoorbeeld wanneer wordt betwijfeld of de kwaliteit van de toegepaste partij grond of baggerspecie overeenkomt met de gemelde kwaliteit, moeten de bemonstering en het laboratoriumonderzoek plaatsvinden overeenkomstig het daarvoor van toepassing zijnde wettelijke kader. Daarnaast kan strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden bij geconstateerde overtredingen. De HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit bodemkwaliteit (HUM-Bbk) [8] is hierbij leidend. De HUM-Bbk is bedoeld om alle handhavende overheidsinstanties, die toezicht houden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit, ondersteuning te bieden bij het signaleren, beëindigen, ongedaan maken of terugdraaien van een overtreding. Bestuursrechtelijke handhaving Wanneer de gemeente constateert dat de regels van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een last onder dwangsom worden opgelegd. Strafrechtelijke handhaving De strafrechtelijke handhaving van het Besluit bodemkwaliteit en de Wet bodembescherming is geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast.

Overtredingen van voorschriften uit het Besluit bodemkwaliteit en de Wet bodembescherming zijn economische delicten. Indien de overtredingen opzettelijk zijn begaan worden zij aangemerkt als misdrijven.

8.2.3 Preventieve handhaving Door middel van voorlichting en communicatie door de gemeente zal het nieuwe gemeentelijke beleid bij iedereen die hiermee te maken krijgt worden geïntroduceerd. Voorlichting hierover zal in 2014 plaatsvinden.

8.3 Transport Bij transport van licht verontreinigde grond of baggerspecie dient de transporteur onder andere aan te kunnen tonen wat de kwaliteit, herkomst en bestemming van de partij is. Dit dient met transportbegeleidingsformulieren te gebeuren. Opgemerkt wordt dat voor wat betreft grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit alleen betrekking heeft op het toepassen hiervan. Het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit is niet bevoegd voor het uitvoeren van controles in het kader van transport(- of afvalstoffen)wetgeving. Het bevoegd gezag in relatie tot transport zijn de politie en de provincie. Daarnaast zijn de Inspectie van Verkeer en Waterstaat en de Inspectie voor Leefomgeving en Transport eerstverantwoordelijke voor ketentoezicht in relatie tot het Besluit bodemkwaliteit. Wel mag een toezichthouder van de gemeente die transporten controleren die gerelateerd zijn aan een toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit. Bij het controleren van transporten is samenwerking met de provincie of de politie echter altijd aan te bevelen.

8.4 Registratie Om de uitvoering in de dagelijkse praktijk te kunnen toetsen aan het beleid zoals opgenomen in dit bodembeleidsplan is een goede registratie van grondstromen binnen de gemeente van belang. Naar gelang het aantal ingekomen meldingen wordt gekeken of aanvullende communicatie over de meldingsplicht rond grondverzet binnen de gemeenten nodig is.

34

9. Bodemtoetsen 9.1 Algemeen Zowel binnen het gemeentelijke beleid als het landelijke beleid is er voor gekozen om de aanpak van de bodemverontreiniging te combineren met de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied; stedelijke dynamiek wordt aangegrepen om de bodemkwaliteit waar nodig te verbeteren en geschikt te maken voor het beoogde gebruik. In dit kader is de reikwijdte van deze Nota Bodembeheer beperkt tot de zogenaamde situaties waarbij er een maatschappelijke ontwikkeling gepland is die aanleiding geeft om eisen te stellen aan de bodemkwaliteit, zoals een functiewijziging van bedrijfslocatie naar woningbouw. Het gaat hierbij om zogenaamde ‘nieuwe situaties’. De bodemkwaliteit dient bepaald te worden bij:  opstellen nieuw bestemmingsplan;  een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of voor het afwijken van het bestemmingsplan;  aan- en verkoop van percelen;  grondverzet;  saneringssituaties. Barendrecht en Ridderkerk willen de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN5725 gebruiken als milieuhygiënische verklaring.

Dit betekent dat niet alleen voor grondverzet, maar dat ook voor de activiteit Bouwen en/of afwijken de bodemkwaliteitskaart (bijlage 3b) in combinatie met een vooronderzoek conform NEN5725 onder voorwaarden als bewijsmateriaal kan dienen.Deze versoepeling van de onderzoekseisen leidt tot een lastenvermindering voor iedereen die één van deze sporen doorloopt. Daarnaast kunnen de waarden van de gebiedsspecifieke toepassingskaart (bijlage 3a) dienen als terugsaneerwaarden binnen het saneringsspoor uit de Wet bodembescherming. Indien grond wordt toegepast op saneringslocaties (aanvulgrond) kan sprake zijn van een samenloop van bevoegdheden. Dit betekent dat zowel vanuit de Wet bodembescherming als vanuit het Besluit bodemkwaliteit eisen kunnen worden gesteld aan de aanvulgrond. Voor het Besluit bodemkwaliteit gelden de regels uit deze Nota Bodembeheer. In onderstaande paragrafen is aangegeven wat de procedures en vereisten zijn in diverse kaders. Bij deze procedures wordt zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande wet- en regelgeving die op de drie genoemde processen van toepassing is. Aspecten als registratie, melding en handhaving zullen plaatsvinden conform de van toepassing zijnde wet- en regelgeving (beschreven in hoofdstuk 8).

De taken en bevoegdheden voor de beoordeling en de afhandeling van aspecten die te maken hebben met bodemverontreiniging blijven ongewijzigd. Indien er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging zijn Gedeputeerde Staten (taken gemandateerd aan DCMR) bevoegd gezag inzake de Wet bodembescherming. Barendrecht en Ridderkerk zijn het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit.

9.2 WABO en omgevingsvergunning Het centrale instrument in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning, voegt een aantal vergunningen en toestemmingen samen, waaronder: • de bouwvergunning ingevolge de Woningwet; • de gebruiksvergunning en melding ingevolge het Gebruiksbesluit; • de milieuvergunning ingevolge de Wet milieubeheer; • afwijken of strijdig gebruik van het bestemmingsplan of aanlegvergunning ingevolge de Wet ruimtelijke ordening. Voor een compleet overzicht wordt verwezen naar het ‘Overzicht reikwijdte omgevingsvergunning van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu’ [9]. Als er een omgevingsvergunning wordt ingediend, wordt deze getoetst aan de geldende indieningvereisten, zoals deze zijn opgenomen in de Ministeriële regeling 35

omgevingsrecht (Mor) [10]. omgevingsvergunning voor het bouwen en/of voor het afwijken van het bestemmingsplan

9.2.1 Bestemmingsplannen en afwijken van bestemmingsplannen. In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem opgenomen. Daarnaast moet de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. In het Besluit ruimtelijke ordening is niet vastgelegd hoe de bodem onderzocht moet worden. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bestemmingswijziging. In paragraaf 9.2.3 is invulling gegeven aan de procedures voor bodemonderzoek bij bestemmings- en/of functiewijziging, de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen en de aan- en verkoop van percelen. Indien op de te ontwikkelen locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging dient eerst inzicht te zijn in de saneringskosten en dient er ambtelijke overeenstemming te zijn tussen het bevoegd gezag Wet bodembescherming (GS/DCMR) en het bevoegd gezag Wet ruimtelijke ordening (b&w van de betreffende gemeente) alvorens ingestemd kan worden met een bestemmingswijziging. Indien geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, zijn er in dat kader doorgaans geen belemmeringen voor een bestemmingswijziging. Dit is weergegeven in bijlage 8.

De procedurele afhandeling zal plaatsvinden volgens de gangbare procedure in de Wet ruimtelijke ordening. Het toetsingskader binnen de Wet ruimtelijke ordening ligt vast. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: • worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; • worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; • in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen.

9.2.2 Omgevingsvergunning voor het bouwen In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is opgenomen dat een bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden door een persoon of instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit (Kwalibo). Op basis hiervan stellen de gemeenten Barendrecht of Ridderkerk dat een bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd dient te worden. In enkele gevallen kan op basis van de bouwverordening geheel of gedeeltelijk worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport voor het uitvoeren van een volledig bodemonderzoek. Dit omdat wordt voldaan aan ten minste één van de volgende voorwaarden: • het bouwen heeft betrekking op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor), artikelen 2 en 3 van bijlage II; • er zijn al voldoende (bruikbare) recente gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid aanwezig; • het bouwen heeft betrekking op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; • het desbetreffende bouwwerk raakt de grond niet of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

Ook voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen is het mogelijk om de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek als bewijsmiddel te gebruiken in plaats van een bodemonderzoek conform NEN5740. In paragraaf 9.2.3 is invulling gegeven aan de procedures voor bodemonderzoek bij bestemmings-en/of functiewijziging , bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen en aan- en verkoop van percelen.

36

9.2.3 Bodemonderzoek bij ruimtelijke procedures en aan- en verkoop van percelen. Met uitzondering van de voorwaarden genoemd in paragraaf 9.2.2 dient voor een bestemmingswijziging en een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen altijd een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd te worden. Indien uit dit vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging kan de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het vooronderzoek als bewijsmiddel dienen. Er zijn echter enkele uitzonderingen. De bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek is géén geldig bewijsmiddel in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of bestemmingsplanprocedure wanneer: - de locatie in de lintzones van zones 4 of 5 is gelegen. Uit de statistische berekeningen blijkt dat deze lintzones een zeer heterogene dataset hebben en/of dat er veel uitbijters zijn aangetroffen. Dit betekent dat de bodemkwaliteitskaart voor deze zones onvoldoende zekerheid geeft over de daadwerkelijke kwaliteit. In deze lintzones dient dus altijd een vooronderzoek conform NEN5725 en een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden; - uit het vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat de locatie of een gedeelte van de locatie verdacht is. In dat geval dient altijd minimaal een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden.

In bijlage 9 is één en ander nogmaals visueel weergegeven. Bij aan- of verkoop van percelen wordt geadviseerd altijd een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Eventueel grondverzet ten gevolge van een bestemmingswijziging of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen dient gemeld te worden bij het landelijke meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl . De spelregels voor grondverzet zijn toegelicht in hoofdstuk 6, die voor het melden van grondverzet in hoofdstuk 8. Opgemerkt wordt dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het vooronderzoek conform NEN5725 als bewijsmiddel mag dienen binnen te doorlopen procedures. Dit is echter nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer. Hij of zij mag er ook voor kiezen om toch een bodemonderzoek uit te laten voeren. Voordat deze keuze wordt gemaakt zal men zich van voor- en nadelen en eventuele risico’s moeten vergewissen. Daarom wordt aanbevolen om bij twijfel contact op te nemen met de betreffende gemeente. Indien de initiatiefnemer er voor kiest om gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart kan het zijn dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden zaken worden aangetroffen die onderzoek alsnog noodzakelijk maken. In het kader van andere regelgeving (b.v. Arboregelgeving) kan het ook noodzakelijk zijn dat er toch bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

Indien op een locatie sprake is, of een redelijk vermoeden bestaat van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking:  nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of  met het saneringsplan is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of  een melding van een voornemen tot sanering is gedaan en de wettelijke termijn na indiening van deze melding is verstreken. Voor de bijbehorende voorwaarden en regels wordt verwezen naar de omgevingsvergunning.

37

9.3 Nul- en eindsituatie onderzoek Op basis van de omgevingsvergunning voor deelactiviteit milieu en voor meldingsplichtige bedrijven, kan een nul- en/of een eindsituatie-bodemonderzoek worden voorgeschreven. Het nulsituatiebodemonderzoek is bedoeld als referentiekader voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van bodembedreigende activiteiten. Het eindsituatie-bodemonderzoek wordt na beëindiging van de werkzaamheden uitgevoerd. Als uit vergelijking tussen beide onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit is verslechterd, dan is de inrichtinghouder hier in eerste aanleg verantwoordelijk voor. Deze zal op basis van de zorgplicht de bodemverontreiniging ongedaan moeten maken. Het onderzoek dient conform paragraaf 5.8 “Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting (NUL)” van de NEN5740 (NNI, januari 2009) te worden uitgevoerd. Indien er geen nulsituatie-bodemonderzoek is uitgevoerd, kan in bepaalde gevallen de bodemkwaliteitskaart als nulsituatie worden gezien. Het bevoegd gezag beslist hierover.

9.4 Relatie met de Wet bodembescherming Het Wet bodembeschermingspoor is primair van toepassing op graaf- en saneringswerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor de gemeenten Barendrecht en Ridderkerk blijft de volgende situatie waarbij de bodemkwaliteitskaart een rol speelt binnen het spoor Wet bodembescherming over: Aanbrengen van aanvulgrond op een ernstig verontreinigde locatie Op het aanbrengen van aanvulgrond op een ernstig verontreinigde locatie is de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Binnen de Wet bodembescherming is niet vastgelegd welk onderzoek noodzakelijk is voor het toepassen van grond in de leef- of afdeklaag. Dat betekent dat de mogelijkheid bestaat om de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel te hanteren. In Barendrecht en Ridderkerk wordt de toepassingskaart gebruikt om te bepalen wat de kwaliteit van de (aan te brengen) leeflaag dient te zijn. Uitzonderingen hierop zijn: - de moes- en volkstuinen (hieronder vallen ook particuliere tuinen waarin gewassen voor consumptie worden gekweekt). Deze moeten altijd worden aangevuld met grond van kwaliteit Achtergrondwaarde (AW). - plaatsen waar kinderen spelen. Deze moeten altijd worden aangevuld met grond van kwaliteit Wonen. - grondwaterwingebieden.

Voor de kwaliteit van de aanvulgrond in grondwaterwingebieden wordt verwezen naar de Provinciale Milieu Verordening (PMV), te vinden op de website van de provincie (www.pzh.nl).

38

10. Saneren 10.1 Saneren van historische bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 Bij bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als meer dan 25 m3 grond en/of 100 m3 bodemvolume grondwater sterk verontreinigd (boven vastgestelde interventiewaarde Circulaire bodemsanering 2009) is. Asbest vormt een uitzondering op deze regels. Voor asbest is niet 1987 het ijkpunt voor een historische bodemverontreiniging, maar 1993. Indien de asbestverontreiniging is ontstaan vóór 1993 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging. Hiervoor geldt geen volumecriterium. Er is sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest als de bodem meer dan 100 mg/kg aan (gewogen) asbest bevat. Het bovenstaande betreft landelijke wet- en regelgeving voor asbest in bodem. Barendrecht en Ridderkerk hebben het beleid voor asbest in bodem en hergebruik van grond met asbest strikter geformuleerd. Dit wordt uiteengezet in hoofdstuk 11 van deze nota.

10.1.1 Gevallen van ernstige bodemverontreiniging De provincie Zuid-Holland is conform de Wet bodembescherming bevoegd gezag voor Besluiten over gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Zij heeft de uitvoerende taken uitbesteed aan de DCMR Milieudienst Rijnmond. De noodzaak tot sanering en de aard van de saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. De spoedeisendheid wordt vastgesteld op basis van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's (resp. risico’s voor de mens, bodemleven en verspreiding). Het merendeel van de saneringen, uitgevoerd met conventionele technieken handelt de DCMR af via het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering en een BUS-evaluatierapport achteraf. Gecompliceerde saneringsgevallen lopen via het Wbbspoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. Na afloop van een dergelijke sanering dient een evaluatierapport te worden ingediend. Het aanvullen van een saneringsput valt onder het Besluit bodemkwaliteit. Hiervoor is de gemeente het bevoegd gezag.

10.1.2 Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging worden afgehandeld door de gemeente. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de gemeente. Voor de sanering zal een beperkt plan van aanpak moeten worden ingediend. De gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een kort saneringsevaluatieverslag overleggen.

39

Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. De verontreiniging moet zodanig zijn afgeperkt dat uitgesloten kan worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Agentschap NL/Bodemplus. Eisen aan plan van aanpak en melding voorafgaand aan sanering Minimaal 5 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. De gemeente heeft 5 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring. Eisen aan uitvoering De sanering van niet-ernstige gevallen valt niet onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding niet gecertificeerd hoeven te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. Aangezien de gemeente een voorbeeldfunctie heeft, zal zij voor gemeentelijke saneringen altijd gebruik maken van conform BRL 6000 en BRL 7000 erkende bedrijven. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. Dit evaluatieverslag moet de uitgevoerde werkzaamheden beschrijven.

In geval van ontgraving dient het verslag aanvullend de resultaten van de controlemonsters, de hoeveelheden afgevoerde grond (stortbonnen) en de hoeveelheid en kwaliteit van de aanvulgrond te vermelden. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.

10.2 Saneren van nieuwe gevallen van bodemverontreiniging Bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 wordt als een nieuw geval beschouwd en moet direct worden gemeld. Bij de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging kunnen zowel provincie als gemeente bevoegd gezag zijn:  voor nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen is de gemeente het bevoegd gezag, tenzij sprake is van een provinciale inrichting;  voor nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen is de provincie het bevoegd gezag. Indien het nieuwe geval het gevolg is van een calamiteit (ongewoon voorval), is een specifieke aanpak nodig. In dergelijke situaties binnen een Wm-inrichting is het bevoegd gezag de overheidsinstantie die vergunningverlener voor deze Wm-inrichting is. Buiten inrichtingen is de DCMR Milieudienst Rijnmond het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming.

10.2.1 Nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen Inrichtingen beschikken over een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) of vallen onder het ActiviteitenBesluit. Vaak zijn in de vergunning bepalingen opgenomen over bodemverontreiniging en het uitvoeren van nul- en eindsituatiebodemonderzoek. Verder kan het bevoegd gezag Wm terugvallen op de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet bodembescherming (art. 13). Binnen gemeentelijke inrichtingen is de gemeente bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 13 Wbb. De gemeente bepaalt de randvoorwaarden voor de aanpak van de geconstateerde bodemverontreiniging. Volgens artikel 1.1a uit de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming is de veroorzaker verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd. In principe betekent dit dat de verontreiniging volledig wordt verwijderd, waarbij als terugsaneerwaarde de maximale waarde bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctiekaart mag worden gehanteerd. Complexe gevallen, bijvoorbeeld onder bebouwing, kunnen maatwerk vereisen. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de gemeente en de gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een evaluatieverslag overleggen.

40

Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. In principe moet het geval worden afgeperkt tot de bodemfunctieklasse zoals weergegeven op de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart, of het niveau zoals vastgesteld bij eerder nulsituatiebodemonderzoek. De mate van afperking moet dusdanig zijn dat een oplossingsrichting voor de verontreinigingsproblematiek kan worden bepaald. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Rijkswaterstaat leefomgeving/Bodemplus. Eisen aan melding voorafgaand aan sanering Minimaal 5 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. Voor complexe gevallen kan het bevoegde gezag aanvullende eisen stellen. De gemeente heeft 5 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring. Eisen aan uitvoering De sanering van nieuwe gevallen valt onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente.

Dit evaluatieverslag moet de uitgevoerde werkzaamheden beschrijven. In geval van ontgraving dient het verslag aanvullend de resultaten van de controlemonsters, de hoeveelheden afgevoerde grond (stortbonnen) en de hoeveelheid en kwaliteit van de aanvulgrond te vermelden. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.

10.2.2 Nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen Nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen, niet zijnde calamiteiten, komen minder vaak voor dan binnen inrichtingen. Voorbeelden van dergelijke gevallen zijn:  Verontreiniging van wegbermen na 1 januari 1987.  Verontreiniging van de bodem als gevolg van de aanleg van een werk in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (door onverwacht hoge uitloging of vermenging met de bodem). In tegenstelling tot situaties binnen inrichtingen is een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer niet van toepassing. Hierdoor blijven de gevallen vaak onopgemerkt tot het moment dat er bodemonderzoek in een ander kader plaatsvindt of er een vermoeden bestaat dat er iets aan de hand is. Er is ook niet altijd een duidelijke veroorzaker aan te wijzen. Wanneer de veroorzaker niet bekend is, kan worden teruggevallen op de saneringsparagraaf uit de Wet bodembescherming. De DCMR is het orgaan voor het beoordelen en handhaven van deze bodemverontreiniging.

10.2.3 Calamiteiten (ongewone gevallen) Wanneer door een ongeval of een ander ongewoon voorval de bodem verontreinigd raakt of dreigt te raken, dient de veroorzaker onverwijld maatregelen te nemen om (verspreiding van) de verontreiniging te voorkomen. Als de bodem al verontreinigd is geraakt, moet deze zo snel mogelijk ongedaan worden gemaakt. Dit is vastgelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming, het zorgplichtbeginsel. Direct handelen is nodig als:  de verontreiniging zich snel verspreidt;  de verontreiniging kort geleden is ontstaan;  de verontreiniging eenvoudig is op te ruimen door ontgraving.

41

In principe moet de veroorzaker in de gelegenheid worden gesteld om de benodigde acties te ondernemen. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegde gezag de acties (laten) uitvoeren en deze in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is dan sprake van rauwelijkse bestuursdwang, zoals vastgelegd in artikel 5.24 van de Awb ('geen termijn als de geboden spoed dit eist'). De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld. Het bevoegd gezag is:  Binnen Wm-inrichtingen: de overheidsinstantie die, net als bij de reguliere nieuwe gevallen van bodemverontreiniging, vergunningverlener is.  Buiten Wm-inrichtingen: het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (DCMR Milieudienst Rijnmond). Eisen aan bodemonderzoek Indien direct handelen vereist is, is het zaak dat de verontreiniging direct wordt ontgraven. Voorafgaand bodemonderzoek kan dan achterwege worden gelaten. De ontgravingsgrenzen worden tijdens de sanering vastgesteld. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, is het beter om eerst een bodemonderzoek uit te voeren. Eisen aan melding De veroorzaker moet de calamiteit melden aan de gemeente. De gemeente bepaalt of zij zelf bevoegd gezag is of de provincie. In het laatste geval geeft de gemeente de melding door aan de DCMR die voor verdere afhandeling zorgt.

Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, moet de veroorzaker een schriftelijke melding doen, zoals beschreven in paragraaf 10.2.1. Eisen aan uitvoering sanering Het saneren van bodemverontreiniging als gevolg van calamiteiten valt afhankelijk van het verontreinigd bodemvolume onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat wanneer sprake is van een geval van de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Uitzondering vormen situaties waarin direct handelen is vereist. In dat geval hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn voor de BRL-7000. Dit geldt voor de bereddering van de eerste 24 uur na een calamiteit. Indien geen bodemonderzoek is uitgevoerd, bepaalt de milieukundig begeleider in het veld de ontgravingsgrenzen van de sanering. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.

42

11. Saneren van asbest 11.1 Asbest in grond Voor asbest is niet 1987 het ijkpunt voor een historische bodemverontreiniging, maar 1993. Indien de asbestverontreiniging is ontstaan vóór 1993 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging. Hiervoor geldt geen volumecriterium. Er is sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest als de bodem meer dan 100 mg/kg aan (gewogen) asbest bevat. Aanvullend op landelijke wet- en regelgeving is voor Barendrecht en Ridderkerk het volgende van toepassing:

11.1.1 Doelstelling Bij het verrichten van (alle) handelingen in/op of met grond, moet blootstelling aan asbestvezels zoveel als redelijkerwijs mogelijk worden voorkomen. Essentieel hierbij is om voorafgaande aan deze handelingen zoveel mogelijk inzicht te verkrijgen in welke vorm en mate de grond besmet is of kan zijn met asbest. Voor grond met een percentage bodemvreemd materiaal tot 50% (en dus nog als bodem wordt aangemerkt) wordt daarvoor in ieder geval de NEN 5707 gevolgd.

11.1.2 Onderzoek Nader bodemonderzoek of een partijkeuring op asbest is niet nodig als:  uit een quick-scan blijkt dat recent (max. 5 jaar) bodemonderzoek aanwezig is op basis waarvan op zijn minst de conclusie kan worden getrokken dat het perceel of de partij grond niet asbestverdacht is;  uit een vooronderzoek conform de NEN 5725, de NEN 5707 en een visuele inspectie de conclusie kan worden getrokken dat het perceel of de partij grond niet asbestverdacht is. De visuele inspectie wordt uitgevoerd door personen die een cursus asbestherkenning hebben gevolgd. Deze visuele inspectie moet niet worden verward met een asbestinventarisatie door een daartoe erkend bedrijf;  uit een verkennend onderzoek blijkt dat in de bodem op een perceel of in een partij grond geen asbest is aangetoond in gehaltes boven de 10 mg/kg d.s. gewogen (concentratie serpentijn + 10 x concentratie amfibool) en bij een visuele inspectie geen asbest(verdacht materiaal) is aangetroffen. Het verkennend onderzoek wordt dus uitgevoerd als met het vooronderzoek geen duidelijk standpunt kan worden ingenomen over het wel of niet asbestverdacht zijn van grond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/760/documents/28641