CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderbouwing aanvraag BOPA Kievitsweg 134, Ridderkerk [6-8-2024].pdf

Gemeenteraad RK 21 oktober 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 6: Advies (bindend) aanvraag omgevingsvergunning Kievitsweg 134 (20 starterswoningen)17.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27 Luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Om deze reden is het niet noodzakelijk onderzoek naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot nadelige effecten voor het milieu. Gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Omliggende activiteiten Omliggende bedrijven en functies worden niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering (zie ook paragraaf 4.5). Dit aspect vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van de ontwikkeling en gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Natuur en ecologie Uit onderzoek blijkt dat er geen nadelige effecten optreden op het gebied van stikstofdepositie en beschermde plant- of diersoorten. Er loopt nog wel een vleermuisonderzoek, waarvan afhankelijk van de resultaten mogelijk maatregelen dienen te worden getroffen. Het aspect natuur en ecologie heeft echter, mits deze eventuele maatregelen getroffen worden, geen significant negatieve effecten op de bescherming van soorten en op de instandhouding van beschermde gebieden. Dit aspect leidt niet tot nadelige effecten voor het milieu. Het uitvoeren van een MER is dan ook niet noodzakelijk. 4.1.5 Conclusie De mogelijke milieueffecten zijn weloverwogen beoordeeld.

Waar mogelijk worden maatregelen genomen om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Bovenstaande paragrafen vormen de m.e.r.-beoordeling, op basis waarvan het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit dient te nemen. De m.e.r.-beoordelingsbeslissing vormt uiteindelijk een bijlage bij de vergunning.

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1 Wettelijk kader In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en

28

4.

b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 4.2.2 Onderzoek Locatiekeuze Voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied van Ridderkerk. Het plangebied bevindt zich in het groengebied dat is aangeduid als ‘Groen-Blauwe Oase’. Voor dit gebied wordt benoemd de groenblauwe structuren en de dooraderende woon- en werkgebieden te behouden en versterken als kernwaarde voor het gebied. De locatie is op dit moment in gebruik als caravanstalling. Met voorgenomen ontwikkeling wordt de caravanstalling opgeruimd en kunnen er woningen worden toegevoegd in een segment waar veel behoefte aan is. Het plan is opgezet als een boerderijerf waarin de drie bouwvolumes dezelfde kaprichting krijgen, haaks op de Kievitsweg. Een van de woongebouwen wordt vormgegeven als ‘hoofdgebouw’ (polderwoning), de andere twee gebouwen als ‘bijgebouw’ (schuurwoningen). De randen van het erf worden groen ingericht waarmee het karakter van het erf behouden blijft. Het projectgebied wordt klimaatadaptief en groen ingericht met op het voorerf een siertuin en hagen en op het achtererf een moestuin en gemeenschappelijke buitenruimte. Er worden geen grote verharde oppervlaktes toegevoegd en er is aandacht voor duurzaamheid.

Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan een aantrekkelijke gemeente om in te wonen, werken en recreëren zonder de identiteit van het gebied negatief te beïnvloeden. Onderbouwing behoefte Met de Regionale Woningbouwafspraken van de Regio Rotterdam is de woningbouwopgave tot 2030 voor Ridderkerk geraamd op 1.150 woningen. Deze woningbouwopgave is overgenomen in de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026. De gemeenteraad van Ridderkerk heeft in de woonvisie Ridderkerk 2021-2026 opgenomen in ieder geval 900 woningen te willen realiseren in de periode tot 2030. Echter vraagt de complexiteit van de woningmarkt meer ruimte voor woningbouw in Ridderkerk onder voorwaarde van kwalitatieve en op het gemeentelijk beleid afgestemde plannen. In de gemeente Ridderkerk is vooral behoefte aan sociale huurwoningen en ‘goedkope’ koopwoningen. Deze woningen zijn belangrijk voor de gemeente Ridderkerk om starters en jongeren te behouden. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan deze kwantitatieve opgave. 4.2.3 Conclusie Gezien het voorgaande en op basis van de algehele woningbehoefte in de regio en de gemeente Ridderkerk kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de

29 omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Ridderkerk bevindt zich binnen het aandachtsgebied voor luchtkwaliteit ‘agglomeratie Rotterdam/Dordrecht’. Hier is de gemeente onderdeel van. De voorgenomen ontwikkeling is vanwege zijn aard en omvang aan te merken als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van luchtkwaliteit. 4.3.2 Onderzoek Het project gaat om de realisatie van maximaal 20 woningen. Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van verhoging van de concentratie stikstofdioxide en fijnstof. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 µg/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht. Uit de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de waarden van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de omgevingswaarden blijven zoals benoemd in artikel 2.4 en artikel 2.5 uit het Bkl. In afbeelding 4.1 is een uitsnede weergegeven van de kaart van het CIMLK voor de concentratie NO2 in de omgeving van het projectgebied.

Afbeelding 4.1: Uitsnede CIMLK-kaart NO2-concentraties.

4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Geluid door wegen

4.4.1 Kader Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen.

30 4.4.2 Onderzoek Uit onderzoek (bijlage 1 bij deze motivering) blijkt dat standaardwaarde door het verkeer op de rijkswegen en de waterschapsweg (Rotterdamseweg) wordt overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden zodat nietgeluidsgevoelige gevels niet noodzakelijk zijn. Omdat de standaardwaarde wordt overschreden is onderzoek naar geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Door de relatief hoge geluidsbelasting van het verkeer op de Rotterdamseweg ten opzichte van de rijksweg zijn alleen maatregelen beschouwd voor de Rotterdamseweg. Op grond van de doelmatigheidstoets uit het concept beleidsregel geluid van de gemeente Ridderkerk zijn geluidbeperkende maatregelen op of langs de Rotterdamseweg niet doelmatig. De kopgevel van gebouw A moet op de eerste verdieping als niet-geluidgevoelige gevel worden uitgevoerd. Dit is noodzakelijk omdat op dit geveldeel de plandrempel van 65 dB wordt overschreden. 4.4.3 Conclusie In de uitwerking van het plan wordt de geluidbelasting meegenomen en waar nodig zullen de benodigde maatregelen worden getroffen. Met het toepassen van deze maatregelen heeft het aspect geluid geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt het bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Geluid door activiteiten

4.5.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar(bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf) - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen) De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen.

In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde.

31 Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 4.5.2 Onderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is onderzocht welke bedrijven en activiteiten zich in en rondom het projectgebied bevinden.

Er kan vanwege de ligging van de locatie en de daarbijbehorende diversiteit aan toegestane activiteiten uit worden gegaan van een sterke mate van functiemenging. Aan de noord- en oostzijde wordt het projectgebied begrenst door een recreatieve bestemming. De aangrenzende gronden zijn in gebruik als recreatief park. Op ruim 60 meter afstand van het projectgebied bevindt zich daarnaast een volkstuincomplex. Gezien de afstand wordt hiervan geen hinder verwacht. Direct aangrenzend aan het volkstuincomplex zijn daarnaast reeds woningen aanwezig. Overige (bedrijfsmatige) activiteiten bevinden zich op grotere afstand, waardoor ook hiervan geen hinder wordt verwacht. 4.5.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Geur

4.6.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente om te beslissen of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het projectgebied aanvaardbaar te laten zijn. 4.6.2 Onderzoek Voorliggend plan omvat de realisatie van geurgevoelige bebouwing. In de omgeving van het plangebied ligt de Haven van Rotterdam. Hier zijn verschillende geurbronnen aanwezig. Uit de kaart ‘Geurhinder Zuid-Holland en Zeeland’ van de omgevingsdienst DCMR (zie afbeelding 4.2) blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied

32

waar geen geurhinder wordt verwacht. Het plangebied ligt in een zone waar sprake is van minder dan <0.5 Odour units. Er zijn daarom vanwege geur geen negatieve effecten op het welzijn en de gezondheid van mensen te verwachten.

Afbeelding 4.2: Uitsnede kaart Geurhinder van de DCMR (het projectgebied is rood aangestipt).

4.6.3 Conclusie Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Trillingen

4.7.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 4.7.2 Onderzoek Trillingen door activiteiten Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Trillingen door wegverkeer Binnen het projectgebied, bestaande uit een erf, is een maximale rijsnelheid van 15 km per uur toegestaan. Er zullen dan ook geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden. 4.7.3 Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Bodem

4.8.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het gemeentelijk omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het projectgebied in kaart te worden

33 gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.8.2 Onderzoek In maart 2024 is door Linge Milieu bv een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. Het onderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707 en het handelingskader PFAS. Uit het onderzoek blijkt dat in de boven en ondergrond van het plangebied geen waarden worden overschreden. Indicatief is de boven- en ondergrond op het terrein op basis van de stoffen in de kwaliteitsklasse landbouwnatuur. De klei ter hoogte van de halfverharding aan de achterzijde van het perceel is indicatief industriekwaliteit, door een licht verhoogd zinkgehalte. Er is zintuigelijk geen asbest waargenomen. De kwaliteit van de bodem is geschikt voor de ontwikkeling van voorgenomen ontwikkeling. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie van barium aangetroffen. Dit is echter landelijk het geval en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8.3 Conclusie Het aspect bodem heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Omgevingsveiligheid

4.9.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.

De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. • Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten

34 hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant. 4.9.2 Onderzoek Met de nieuwe ontwikkeling worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart (afbeelding 4.3) zijn er risicobronnen in de omgeving van de locatie aanwezig. De aandachtsgebieden van deze risicobronnen reiken echter niet tot het plangebied, waardoor uitgebreid onderzoek niet benodigd is.

Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart (het projectgebied is globaal rood omlijnd).

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen. Het maatgevende scenario voor zowel beide bedrijven als de transportroutes is een toxische wolk. Tijdens een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen of een incident met een ketelwagon op het spoor of tankwagen op de weg kan een wolk met giftige stoffen vrijkomen en zich verspreiden in de omgeving. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding en beperking van rampen Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen de bewoners op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden.

Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Het is wellicht wenselijk om een kettingbepaling af te dwingen, zodat

35 toekomstige bewoners ook van de situatie op de hoogte zijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Daarnaast dient aandacht te worden gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd volgens de normen uit het Bbl. Het is belangrijk om tijdens de bouw te controleren of dit goed wordt uitgevoerd. Aangezien het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie niet middels het Bouwbesluit kan worden afgedwongen, dient hierover actief gecommuniceerd te worden de initiatiefnemer van het bouwproject. 4.9.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Mobiliteit 4.10.1 Kader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Mobiliteitsplan Ridderkerk In 2020 heeft de gemeente Ridderkerk het Mobiliteitsplan Ridderkerk vastgesteld. Het mobiliteitsplan is opgesteld om de mobiliteit in Ridderkerk te verbeteren en de stad duurzaam bereikbaar, leefbaar, verkeersveilig en aantrekkelijk te maken. Het plan richt zich op het optimaliseren van de (duurzame) bereikbaarheid van Ridderkerk, voor zowel inwoners als bezoekers. De focus ligt hierbij op het versterken en verbeteren van het fiets- en autonetwerk in Ridderkerk en de verbinding met de omgeving. Ook is het verbeteren van het openbaar vervoer en elektrische (deel)mobiliteit een belangrijke prioriteit. Zo wordt er ingezet op het versterken van bestaande busroutes en wordt er een laadinfrastructuur voor elektrische auto’s aangelegd. Daarnaast is de relatie met de leefbaarheid een belangrijk uitgangspunt voor de gemeente. Met meer groen, meer ruimte voor fietsers en voetgangers en het terugdringen van autoverkeer door middel van 30 km-zones, streeft het plan naar een prettige leefomgeving voor alle Ridderkerkers.

Nota parkeernormen Parkeernormen worden gebruikt om vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen voor auto's en fietsen nodig zijn bij nieuw- en verbouwinitiatieven. Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is door de gemeente Ridderkerk de ‘Parkeernota Ridderkerk’ vastgesteld op 26 februari 2024. 4.10.2 Onderzoek Verkeersstructuur en ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten aan de Kievitsweg. De Kievitsweg ontsluit zich in oostelijke richting (voor fietsers, brommers en bussen) direct naar het centrum- en woongebied van Ridderkerk via de woonwijk Slikkerveer. In westelijke richting ontsluit de Kievitsweg zich via de Spuistraat aan de Rijnsingel. De weg sluit aan op de

36

Rotterdamseweg die zich in oostelijke richting naar het centrum van Ridderkerk vervolgt. In westelijke richting sluit deze weg aan op stadsroute via S105 tussen de Olympiaweg (Rotterdam-IJsselmonde) die zich ontsluit aan de A38 vanaf Bolnes tot aan knooppunt Ridderkerk richting Rotterdam en Dordrecht (A16) en Europoort en de Drechtsteden (A15). Verkeersgeneratie Op basis van het toekomstige programma is de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling berekend, gebruikmakend van de cijfers uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De verkeersaantrekkende werking van het nieuwe programma is bepaald op basis van het gebiedstype sterk stedelijk, rest bebouwde kom. Programma Koop, huis, tussen/hoek Totaal

Gemiddelde CROW-norm 7,1

Aantallen 20

Verkeersgeneratie 142

20

142

In de huidige situatie staat er een woning en een schuurvolume op het perceel, het achtererf is in gebruik als camper- en caravanstalling. De precieze verkeersbewegingen van de bestaande situatie zijn niet bekend, maar de extra verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande verkeersbewegingen zullen verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de bestaande verkeersintensiteit op de omliggende wegen. Bekend is dat er reeds een verkeersknelpunt aanwezig is op de Rijnsingel, los van voorgenomen planontwikkeling. De gemeenteraad heeft ingestemd met het doen van onderzoek naar oplossingen voor dit knelpunt. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek worden er maatregelen getroffen om de situatie te verbeteren. Parkeren Om inzicht te bieden in de parkeerbehoefte is een parkeerbalans opgesteld: Berekening normatieve parkeervraag auto

Type Tussen woning hoek

aantal

norm bewoners

norm

20

1,8

norm bezoekers

1,5

parkeervraa g bewoners

parkeervraa g bezoekers

Totale parkeervraa g

30

6

36

0,3

Berekening maatgevende moment

Functie

Werkdag ochtend

werkdag middag

werkdag avond

Koop avond

werkdag nacht

zaterdag middag

zaterdag avond

zondag middag

bewoners

50%

50%

90%

80%

100%

60%

80%

70%

Bezoekers

10%

20%

80%

70%

0%

60%

100%

70%

Bewoners

15

15

27

24

30

18

24

21

Bezoekers

0,6

1,2

4,8

4,2

0

3,6

6

4,2

15,6

16,2

31,8

28,2

30

21,6

30

25,2

Als er wordt gekeken naar het maatgevende moment zijn er 32 parkeerplaatsen nodig. Dit wordt op eigen terrein opgelost. De overige vier parkeerplaatsen worden als ruimtelijke reservering opgenomen, mocht er in de

37

toekomst toch behoefte zijn aan extra parkeerplaatsen. Binnen het projectgebied wordt ook voor één parkeerplaats de maatvoering van een gehandicaptenparkeerplaats toegepast. Voor wat betreft het aantal fietsparkeerplaatsen stelt de ‘Nota parkeernomen 2024’ dat er voor woningen van 61 t/m 100 m2 vier fietsparkeerplaatsen per woning dienen te worden gerealiseerd. Dit resulteert in een parkeereis van 80 fietsparkeerplaatsen. Daarnaast geldt een bezoekersparkeernorm van 0,5 per woning, wat resulteert in 10 fietsparkeerplaatsen. Deze normatie parkeervraag voor de fiets is vrij hoog. Dit komt doordat er geen aparte categorie is voor starterswoningen. Voor de categorie ‘woning, kleiner of gelijk aan 60 m2’ wordt in de Nota parkeernormen een parkeernorm van drie fietsparkeerplaatsen gehanteerd. Deze categorie sluit beter aan bij de typologie starterswoningen. Ook de ‘Leidraad fietsparkeren 2023’ vanuit het CROW hanteert voor appartementen met fietsenberging een kencijfer van 2,0-3,0 per woning. Deze normatie resulteert in een totale parkeereis van 60 fietseparkeerplaatsen voor de bewoners. In de gemeenschappelijke fietsenberging is plek voor 50 fietsparkeerplaatsen. Voor de overige 20 plekken (10 voor bewoners en 10 voor bezoekers) zullen fietsenbeugels op het maaiveld worden geplaatst.

4.10.3 Conclusie Met betrachting van de juiste maatregelen voor wat betreft de verkeersgeneratie en realisatie van voldoende (fiets)parkeerplaatsen heeft het aspect mobiliteit geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt het bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma

38 voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. 4.11.2 Onderzoek Door Ecofect is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Onderstaand worden de resultaten uit het onderzoek samengevat. Gebiedsbescherming Natura-2000 Voorliggend plangebied is gelegen nabij het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Deze is ter plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngengebied. Hiervoor zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, -soorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van voorliggende ontwikkeling buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van Boezems Kinderdijk. Het plangebied ligt op een afstand van circa 3,1 kilometer. Gezien de afstand tot Boezems Kinderdijk, in relatie tot de geplande ontwikkelingen en tussenliggende bebouwing worden er geen significante invloeden op beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen verwacht. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voorliggend plangebied is niet gelegen in een van de aangewezen NNN-gebieden van Zuid-Holland. Om deze reden wordt nadere toetsing niet nodig geacht. Stikstof Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd.

De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 4. Hierin is beoordeeld of de bouw (aanlegfase) en het gebruik (gebruiksfase) van de nieuwe woningen in het plangebied leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek blijkt dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de nieuwe woningen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming Het perceel is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Wel blijkt de huidige bebouwing in het plangebied geschikt als habitat voor de huismus en gierzwaluw. Om deze reden is nader onderzoek naar deze soorten noodzakelijk. Tot slot wordt er geadviseerd om de werkzaamheden voor de ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het broedseizoen van vogels uit categorie 5. Onderzoek naar overige soorten wordt niet noodzakelijk geacht. Voor de huismus en de gierzwaluw is zodoende nader onderzoek uitgevoerd. De rapportages hiervan zijn opgenomen als bijlage 6 en 7 bij deze onderbouwing.

Uit dit onderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zijn. Bij het uitvoeren van de veldbezoeken voor de huismus is vastgesteld dat er geen nestindicatief is vastgesteld. Er zijn geen waarnemingen gedaan van nest- en verblijfplaatsen. Ook wat betreft de gierzwaluw gaan geen nesten verloren. Door de ingreep blijft de functie van het leefgebied behouden. Vleermuizen Uit de resultaten van het veldonderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van vleermuizen in de bestaande bebouwing niet uitgesloten kan worden. Om deze dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gebouwbewonende vleermuizen. Dit onderzoek vindt plaats tot en met oktober 2024.

39

Zoogdieren en overige soorten Ten aanzien van de zoogdieren wordt geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet verwacht. Voor overige soorten luidt wel het advies om vooraf en tijdens de werkzaamheden een reptielen/amfibieënscherm te plaatsen. Daarnaast geldt in alle gevallen een zorgplicht. 4.11.3 Conclusie Uit onderzoek blijkt dat er geen nadelige effecten optreden op het gebied van stikstofdepositie en beschermde plant- of diersoorten. Er loopt nog wel een vleermuisonderzoek, waarvan afhankelijk van de resultaten mogelijk maatregelen dienen te worden getroffen. Het aspect natuur en ecologie heeft echter, mits deze eventuele maatregelen getroffen worden, geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed 4.12.1 Kader Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid De Erfgoedwet is op dit moment het wettelijk kader voor de omgang met erfgoed. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet gaat deels op in de Omgevingswet: in de Omgevingswet zullen de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd worden, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die nu in het overgangsrecht van de Erfgoedwet zijn opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Provinciaal beleid De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Zuid-Holland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het projectgebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. 4.12.2 Onderzoek Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland (zie afbeelding 4.4) is het plangebied gelegen in een gebied met een trefkans op archeologische sporen van Rivierduinen.

40

Afbeelding 4.4: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Zuid-Holland (het plangebied is rood omkaderd).

Op de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Buitengebied Ridderkerk’ is het plangebied opgenomen als gebied met een hoge waarde. Dit heeft te maken met de ligging aan de Kievitsweg (een historische landschappelijke lijn) en de relatie met de ontginningsgeschiedenis van de polder, de samenhang met de omgeving, de herkenbaarheid van het kadeprofiel en de relatieve gaafheid van het kadeprofiel. In de omgeving van het plangebied bevind zich daarnaast het landgoedbiotoop Huys ten Donck. Dit beschermde complex heeft een hoge archeologische waarde en bestaat uit een historische buitenplaats met landhuis uit de Gouden Eeuw. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling wordt het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk geacht. Archeologie Rotterdam heeft geadviseerd om in het plangebied een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uit te voeren. In 2024 is door Econsultancy een archeologisch onderzoek uitgevoerd op basis van een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) door middel van boringen. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat in het plangebied één potentieel archeologisch niveau aanwezig is, namelijk de top van het Hollandveen Laagpakket, dat in een deel van de boringen geoxideerd is.

Dit niveau toot vertoont geen sporen van archeologische indicatoren, echter kan basis van de boringen kan niet orden uitgesloten dat het plangebied in de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen geschikt is geweest voor bewoning. Het niveau ligt echter op een diepte tussen de 170 en 195 beneden het maaiveld. Dit niveau wordt, mits de toekomstige bebouwing niet wordt onderkelderd, beperkt verstoord heipalen. Aandachtspunt is deze niet te dicht in het grid te plaatsen. Bij voorgenomen ontwikkeling worden de bouwmuren onderheid. De afstand tussen deze muren bedraagt 6,3 of 7,3 meter. Met deze afstand voldoet het bouwplan aan het criterium voor een geoptimaliseerd palenplan conform de Handreiking Paalfundering in een archeologievriendelijk bouwplan conform de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed waarin wordt uitgegaan van een minimale afstand tussen palenrijen van 4 meter.

41

Gezien de afstand tussen de palen en de beperkte verstoring op het enige potentiële archeologische niveau, is het plangebied vrijgegeven voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is het stedenbouwkundig plan opgezet als een boerderijerf waarin de drie bouwvolumes dezelfde kaprichting krijgen, haaks op de Kievitsweg. Een van de woongebouwen wordt vormgegeven als hoofdgebouw (polderwoning), de andere twee gebouwen als ‘bijgebouw’ (schuurwoningen). De randen van het erf worden groen ingericht, waardoor het karakter van het erf behouden blijft en er geen nadelige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van eht gebied. 4.12.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het behoud van landschappelijke; cultuurhistorische en archeologische waarden. Vanuit deze aspecten is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Water en klimaatadaptatie 4.13.1 Kader Voor een duurzame en hoogwaardige toekomst van de fysieke leefomgeving moet het belang van watersystemen worden betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bouw- en herinrichtingsprojecten kunnen grote gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Door de mogelijke effecten in kaart te brengen en het waterbelang mee te nemen in het project, kunnen problemen met water worden voorkomen. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig.

In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.

42 Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse

43

structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Er is een grote en urgente maatschappelijke behoefte om voldoende woningen te bouwen, en in aanloop daarnaar toe locaties te vinden die ook in lijn staan met de verstedelijkingsstrategie van Zuid-Holland. Beleid waterbeheerder Waterschap Hollandse Delta – Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wilt bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen.

De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planningen controlcyclus bepaald. Beleid gemeente Programma Stedelijk Water 2023-2027 Op 25 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Ridderkerk het Programma Stedelijk Water 2023-2027 (PSW) vastgesteld. Het PSW beschrijft het beleid op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. 4.13.2 Onderzoek Bestaande en toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Het plangebied bestaat is in de huidige situatie gedeeltelijk verhard en gedeeltelijk onverhard. Aan het plangebied grenst oppervlaktewater met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ (zie paragraaf 2.1.1). Het plangebied is bereikbaar via een brug in de vorm van een vrije overspanning. Er zijn geen andere kunstwerken aanwezig (zie afbeelding 4.5).

44

Afbeelding 4.5: Uitsnede leggerkaart waterschap Hollandse Delta (het plangebied is rood omkaderd).

Waterkwantiteit en watercompensatie Met het oog op de voorliggende ontwikkeling is beoordeeld met welk oppervlak de verharding zal toenemen. In onderstaande tabellen is het verschil tussen de huidige en de toekomstige verharding berekend. De toename van het verhard oppervlak bedraagt 168 m2. Bij een toename van meer dan 500 m2 is compenserende waterberging door middel van oppervlaktewater benodigd. Het gaat dan om een compensatie van 14% van de toename aan verhard oppervlak. Omdat de toename onder deze 500 m2 blijft is compensatie echter niet benodigd. Daarnaast zal er zoveel mogelijk bestaand groen (bomen en struiken) behouden blijven en zal waar mogelijk extra beplanting worden toegevoegd. Soort verharding Halfverharding (bestaand puin) Elementenverharding Bebouwing Totaal

Huidig aantal m2 1.400 m2

Percentage verhard 50 %

Totaal 700 m2

782 m2 551 m2

100 % 100 %

782 m2 551 m2 2.033 m2

Tabel 4.1 Huidige verharding

Soort verharding Grastegels Halfverharding Elementenverharding Bebouwing Totaal

Aantal m2 650 m2 558 m2 567 m2 1.030 m2

Percentage verhard 50 % 50 % 100 % 100 %

Totaal 325 m2 279 m2 567 m2 1.030 m2 2.201 m2

Tabel 4.2 Toekomstige verharding

Waterkwaliteit Voor de nieuwbouw van woningen gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te

45 worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van nietuitloogbare bouwmaterialen, voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild. Voorliggende projectlocatie is gelegen in een milieubeschermingsgebied dat door de provincie Zuid-Holland is aangemerkt als grondwaterbeschermingszone. In dit grondwaterbeschermingsgebied wordt grondwater gewonnen voor drinkwaterproductie, door drinkwaterbedrijf Oasen (zie afbeelding 4.6).

Afbeelding 4.6: uitsnede leggerkaart Strategisch zoet grondwater (provincie Zuid-Holland).

De grondwaterbeschermingszone is de zone rondom het waterwingebied. Deze bufferzone is ingesteld om het grondwater in het waterwingebied te beschermen. Dit houdt in dat in dit gebied een ontheffing benodigd is voor het hebben van boorputten, het dieper dan 2,5 meter graven (in de provincie Zuid-Holland), het verwijderen van funderingswerken/heipalen en andere handelingen die weerstand van de bodem kunnen aantasten. De ontheffing hiervoor dient te worden aangevraagd bij de omgevingsdienst. Bij activiteiten in een grondwaterbeschermingsbied dient er onder andere gebruik gemaakt te worden van schone materialen en dienen gaten (ook van sonderingen) correct afgedicht te worden met zwelklein tot minstens 10 meter onder het maaiveld. De maatregelen en voorschriften die door Oasen drinkwater dienen daarnaast in acht te worden genomen. Veiligheid en wateroverlast Zoals blijkt uit het vigerend omgevingsplan is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – waterstaatkundige functie’ opgenomen. Indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterstaatsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de hier geldende regels. Zodoende vormt waterveiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling.

Het ontwerp is er op gericht een klimaatadaptieve omgeving te creëren waarbij water kan worden vastgehouden indien nodig en zo min mogelijk wateroverlast ontstaat. Het gebied wordt groen ingericht, waardoor een vermindering er geen toename van hitte(stress) optreedt en dit naar verwachting wordt verbeterd. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.

46

Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Daarnaast moet de gemeentelijke riolering bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Daarnaast zal het beoogde infiltratiesysteem voor de waterberging (zie onder ‘waterkwantiteit’) ook onderhouden moeten worden (regulier onderhouden en schoonmaken). 4.13.3 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er is vanuit het aspect water daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van het vooroverleg wordt een concept van de BOPA aan het Waterschap Hollandse Delta toegestuurd.

4.14 Duurzaamheid 4.14.1 Kader Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VNklimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES).

De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG).

In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze

47 nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm. 4.14.2 Onderzoek en conclusie Het plan voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders. Vanuit dit aspect is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1197/documents/38959