CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderbouwing aanvraag BOPA Kievitsweg 134, Ridderkerk [6-8-2024].pdf

Gemeenteraad RK 21 oktober 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 6: Advies (bindend) aanvraag omgevingsvergunning Kievitsweg 134 (20 starterswoningen)17.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

5 Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 6 1.1 Inleiding en aanduiding projectgebied ........................................................................................................... 6 1.2 Leeswijzer ....................................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2 2.3

Huidige en nieuwe situatie ....................................................................................................................... 8 Beschrijving huidige situatie ........................................................................................................................... 8 Beschrijving nieuwe situatie ........................................................................................................................... 9 Beschrijving strijdigheid ................................................................................................................................ 11

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Ruimtelijk beleidskader ......................................................................................................................... 12 Rijksbeleid ..................................................................................................................................................... 12 Provinciaal beleid ......................................................................................................................................... 13 Regionaal beleid ........................................................................................................................................... 18 Gemeentelijk beleid...................................................................................................................................... 19 Conclusie....................................................................................................................................................... 22

4 Aspecten van de fysieke leefomgeving ................................................................................................... 23 4.1 Milieueffectrapportage ................................................................................................................................ 23 4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ......................................................................................................... 27 4.3 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................................... 28 4.4 Geluid door wegen ....................................................................................................................................... 29 4.5 Geluid door activiteiten ................................................................................................................................ 30 4.6 Geur .............................................................................................................................................................. 31 4.7 Trillingen .......................................................................................................................................................

32 4.8 Bodem .......................................................................................................................................................... 32 4.9 Omgevingsveiligheid ..................................................................................................................................... 33 4.10 Mobiliteit ...................................................................................................................................................... 35 4.11 Natuur en ecologie ....................................................................................................................................... 37 4.12 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed ....................................................................................................... 39 4.13 Water en klimaatadaptatie ........................................................................................................................... 41 4.14 Duurzaamheid .............................................................................................................................................. 46 5

Participatie............................................................................................................................................. 48

6

Financiële haalbaarheid ......................................................................................................................... 49

Bijlagen: Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

KuiperCompagnons (5 augustus 2024) Quickscan geluid Kievitsweg 134 Linge Milieu BV (5 april 2024) Verkennend bodemonderzoek Ecofect (29 februari 2024) Natuurwaardenonderzoek KuiperCompagnons (14 maart 2024) Stikstofdepositie-onderzoek Econsultancy (15 mei 2024) Verkennend archeologisch booronderzoek Ecofect (28 mei 2024) Nader onderzoek huismus Ecofect (19 juli 2024) Nader onderzoek gierzwaluw Overzichtskaart BOPA

6

1 Inleiding 1.1

Inleiding en aanduiding projectgebied Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een perceel aan de Kievitsweg in Ridderkerk. De ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van drie woonblokken met in totaal 20 starterswoningen. Voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de toegestane activiteiten in het omgevingsplan (van rechtswege) van de gemeente Ridderkerk en wordt om die reden gezien als buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet biedt een algemene mogelijkheid om de omgevingsvergunning te verlenen. Een vergunning kan verleend worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend document bevat de onderbouwing op welke manier voorgenomen ontwikkeling hierin voorziet. Ligging planlocatie De locatie ligt in het oosten van Ridderkerk, in de wijk Bolnes. Specifiek bevindt de planlocatie zich aan de Kievitsweg 134, kadastraal perceel sectie G, nummer 4254. De ligging van het projectgebied is globaal weergegeven op afbeelding 1.1 en 1.2.

Afbeelding 1.1: Ligging van het projectgebied (het projectgebied is wit omkaderd).

7

Afbeelding 1.2: Globale ligging van het projectgebied (de ligging van het projectgebied is rood omkaderd).

1.2

Leeswijzer De opzet en het vervolg van deze motivering is als volgt. In hoofdstuk 2 is de planbeschrijving opgenomen, waarin de huidige en toekomstige situatie wordt beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk beleidskader. In het vierde hoofdstuk komen de verschillende milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hierbij worden per thema de relevante juridische en beleidskaders beknopt weergegeven, waarna vervolgens de effecten in relatie tot de beoogde toekomstige situatie worden beoordeeld (inclusief alle bijbehorende onderzoeken). De wijze waarop met kostenverhaal en participatie is omgegaan komen in het laatste twee hoofdstukken aan de orde.

8

2 Huidige en nieuwe situatie 2.1

Beschrijving huidige situatie

2.1.1 Planologische situatie Omgevingsplan Ridderkerk Ter plaatse van het projectgebied vigeert het bestemmingsplan ‘Donckse Velden’ (vastgesteld op 14 november 2012). Dit bestemmingsplan is vanaf 1 januari 2024 automatisch onderdeel van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan (van rechtswege1) van de gemeente Ridderkerk. Bestemmingsplan Donckse Velden Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Donckse Velden’ kent het projectgebied de bestemming ‘Bedrijf’ met functieaanduidingen ‘opslag’ en ‘bedrijfswoning’, zie afbeelding 2.1. Daarnaast valt een deel van het projectgebied binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat- Waterstaatkundige functie’.

Afbeelding 2.1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Donckse Velden’ (het plangebied is rood omkaderd).

Vigerende milieuregels (bruidsschat - omgevingsplan van rijkswege) Met het in werking treden van de Omgevingswet komen veel rijksregels die in onder meer het Activiteitenbesluit, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit en Woningwet te vervallen. Als deze vervallen regels toch nodig zijn om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen, moeten gemeenten deze opnemen in het omgevingsplan. Nu zal het merendeel van de gemeenten geen omgevingsplan vaststellen op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden. De tot dat moment geldende bestemmingsplannen gaan dan over in een omgevingsplan van rechtswege. Om er voor te zorgen dat hierdoor geen regelhiaat ontstaat, worden deze vervallen rijksregels van rechtswege als 'bruidsschat' aan het omgevingsplan van rechtswege gehecht. Deze bruidsschatregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 (begripsbepalingen) en hoofdstuk 22 (inhoudelijke regels) van het omgevingsplan. Hoewel deze bruidsschat onderdeel uitmaakt van het zogenoemde 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan, blijft deze van kracht tot het moment dat de gemeente deze regels met een besluit tot wijzigen van het omgevingsplan wijzigt of laat vervallen.

1

Elke gemeente heeft op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, automatisch een omgevingsplan: een omgevingsplan van rechtswege. Dit betreffen inhoudelijk de nu geldende bestemmingsplannen samen met een aantal rijksregels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet automatisch toevoegt aan elk omgevingsplan, beter bekend als de bruidsschat. Tijdens de overgangstermijn (die tot en met 2032 loopt) kan elke gemeente het tijdelijk deel stapsgewijs omvormen naar een volwaardig omgevingsplan.

9 De bruidsschat bevat milieuregels voor activiteiten die lokaal geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld over geluidshinder of geurhinder bij een horecagelegenheid, sportinrichting of een winkel. Ook bevat de bruidsschat regels over immissies van geluid, geur en trillingen. Bij de voorliggende BOPA wordt er van uit gegaan dat de gemeente Ridderkerk de bruidsschat (vooralsnog) intact laat. Op deze milieubelastende activiteiten blijven de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van toepassing. 2.1.2 Feitelijke situatie Oorspronkelijk bestond de projectlocatie uit polderlandschap. De bestaande bebouwing dateert uit 1935 met een woonfunctie als gebruiksdoel. In de huidige situatie staat er een woning en een schuurvolume op het perceel, het achtererf is in gebruik als camper- en caravanstalling. Beiden gebouwen zijn haaks op de Kievitsweg georiënteerd. Het perceel wordt middels een brug ontsloten vanaf de Kievitsweg. Het perceel wordt aan de zijde van de Kievitsweg en aan de westzijde begrensd door een watergang. Aan de noord- en oostzijde sluit het perceel aan op een recreatieve wandel- en fietszone. Op afbeelding 2.2 en 2.3 zijn foto’s van de bestaande situatie weergegeven.

Afbeelding 2.2: Het projectgebied vanaf de Kievitsstraat (bron: Google Maps).

Afbeelding 2.3: Luchtfoto van het projectgebied (bron: Google Earth).

2.2

Beschrijving nieuwe situatie Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningbouw. Het project omvat 20 starterswoningen in maximaal drie bouwvolumes op het bestaande erf. Het plan is opgezet als een boerderijerf waarin de drie

10

bouwvolumes dezelfde kaprichting krijgen, haaks op de Kievitsweg. Een van de woongebouwen wordt vormgegeven als ‘hoofdgebouw Blok A’ (polderwoning), de andere twee gebouwen als ‘bijgebouw’ (schuurwoningen). De randen van het erf worden groen ingericht, waardoor het karakter van het erf behouden blijft. Het projectgebied wordt klimaatadaptief en groen ingericht, met op het voorerf een siertuin en hagen, en op het achtererf parkeerplaatsen, een gemeenschappelijke fietsenberging en een gemeenschappelijke buitenruimte. Er worden geen grote verharde oppervlaktes toegevoegd en er is aandacht voor duurzaamheid. In totaal worden 20 woningen, verdeeld over drie woonblokken, gerealiseerd in het projectgebied. Deze drie woonblokken bestaan uit: - blok A (hoofdgebouw) met 4 starterswoningen; - blok B (schuur klein) met 12 starterswoningen; - blok C (schuur groot) met 4 starterswoningen. Voor alle blokken wordt uitgegaan van rug-aan-rug-woningen met een gebruiksoppervlakte variërend van circa 70 tot circa 80 vierkante meter. De toekomstige woningen zijn bedoeld voor starters die in Ridderkerk wonen. De promotie van de woningen zal daarom met name worden gericht op de lokale woningmarkt. Daarnaast zal er bij de toewijzing van de woningen gebruik worden gemaakt van een puntensysteem, waarbij ook punten worden verdeeld op basis van huidige woonplaats en woonsituatie.

De aankoopprijs van de woningen blijft binnen de maximale grens voor betaalbare koopwoningen (conform rijks- en provinciaal beleid). Om de woningen ook te behouden als starterswoning bij verkoop zijn er afspraken gemaakt in een anterieure overeenkomst ten aanzien van zelfbewoningsplicht en antispeculatie. De afbeeldingen 2.4 t/m 2.6 geven een impressie van de stedenbouwkundige invulling van het projectgebied weer.

Afbeelding 2.4 en 2.5: (Concept)impressie van de toekomstige invulling van het projectgebied in 3D.

11

Afbeelding 2.6: (Concept)plattegrond van toekomstige invulling van het projectgebied.

2.3

Beschrijving strijdigheid Momenteel heeft het perceel een bedrijfsfunctie. Wonen is alleen toegestaan in de vorm van een bedrijfswoning en enkel ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Voorgenomen ontwikkeling van 20 starterswoningen op het perceel past dus niet binnen de toegestane activiteiten in het omgevingsplan (van rechtswege) van de gemeente Ridderkerk en wordt om die reden gezien als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is ofwel een activiteit, waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, ofwel een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Het gaat dus om een activiteit die niet toegelaten is op grond van het omgevingsplan en ook niet toegelaten kan worden met toepassing van de regels in het omgevingsplan.

12

3 Ruimtelijk beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Omgevingswet De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: • Omgevingsbesluit: hierin staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering evenals over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): hierin stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Algemene rijksregels die gelden voor diverse activiteiten zijn in dit besluit opgenomen. Het Bal is direct gericht op burgers en bedrijven.

• Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor gemeenten, provincies en waterschappen voor het vaststellen van onder meer omgevingsplannen en verordeningen. • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat met name regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast bevat het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers of bedrijven. Toetsing Met voorgenomen ontwikkeling wordt niet afgeweken en worden geen aanvullende regels gesteld ten aanzien van de regels uit het Bal of het Bkl. De toetsing aan de verschillende milieuthema’s is verder uitgewerkt in Hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. Uit de toetsing aan deze milieuthema’s blijkt dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de toegestane activiteiten in het omgevingsplan (van rechtswege) van de gemeente Ridderkerk en wordt om die reden gezien als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het voorliggende document betreft de onderbouwing bij de BOPA voor het gebruik (‘planologisch basisbesluit’).

De aanvraag voor de technische bouwactiviteit volgt op een later moment. Deze latere aanvraag zal worden getoetst aan de kaders dit in deze BOPA zijn beschreven. In bijlage 8 zijn deze belangrijkste kaders opgenomen in een overzichtskaart. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met

13

energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet. Toetsing Voorliggend plangebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.2

Provinciaal beleid Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is.

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland. Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt.

De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

14

Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland – ruimtelijke hoofdstructuur.

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: - Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; - Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving.

De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol.

15 De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Toetsing Het voorliggende projectgebied valt binnen het gebiedsprofiel ‘IJsselmonde’. Het is (deels) aangeduid op twee van de vier kwaliteitskaarten. Gebiedsprofiel ‘IJsselmonde’ Binnen het gebiedsprofiel ‘IJsselmonde’ bevindt het projectgebied zich op de volgende kaarten: Herkenbaar en open zeekleipolderlandschap Het plangebied is gelegen in een zeekleipolder.

Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: • Versterken van de polders als onderscheidende ruimtelijke eenheden met een eigen karakter; • Behoud van het open karakter van de polders door behouden en versterken van zichtrelaties, tussen oriëntatiepunten, zoals kerktorens en polderranden; • Versterken van polderdijken, randen en verkaveling als structuurdrager; • Versterken van het contrast tussen op gecultiveerde binnendijkse polders met zicht van polderdijk tot polderdijk en ruige en bosrijke buitendijkse natuur- en recreatiegebieden; • Ontwikkelruimte bieden aan verbrede landbouw als drager van het open polderlandschap. Weg door stad en land Het plangebied grenst aan een historische polderweg en is onderdeel van het landschap. Deze wegen hebben vaak een grote recreatieve betekenis. Hier gelden de volgende ambities:

• • •

Zo min mogelijk verkeerstechnische ingrepen aan polderwegen toepassen en bij eventuele wegomleggingen de structuur van het landschap volgen; Een functioneel en ingetogen wegprofiel waarbij rekening wordt gehouden met het langzaam (recreatief) verkeer; De polderwegen onbeplant houden waardoor de openheid van de polder beleefbaar is. Daar waar het mono-functionele polderlandschap verandert door het toevoegen van nieuwe programma’s kan ervoor gekozen worden de polderwegen te beplanten. Zij worden dan drager en bindend element.

Kwaliteit van de stads- en dorpsrand Het plangebied is gelegen in een groenzone aan een stads- of dorpsrand. Deze recreatieve groengebieden gaan uit van een geleidelijke overgang tussen bebouwd gebied en landschap met veel beplanting. De ambities zijn: • Stedelijke en landelijke functies in vloeien in elkaar over en worden in samenhang ontworpen; • De afwisseling in gebruik en inrichting bevorderen door de recreatieve groengebieden te differentiëren en zoveel mogelijk aan te sluiten op de ruimtelijke kwaliteiten van het omliggende landschap;

•

De toegankelijkheid en beleefbaarheid van de recreatieve groengebieden verbeteren door openbare routes te handhaven dan wel te versterken.

16 Vrijetijdslandschap Het plangebied grenst aan een vrij toegankelijk dagrecreatiegebied. Deze zijn parkachtig ingericht en worden recreatief gebruikt. Er liggen wandelroutes in het gebied en ze zijn aangesloten op het fietsnetwerk. De ambities zijn: • Versterken van de diversiteit van de recreatiegebieden; • Verbinden van de verschillende recreatiegebieden met als uitgangspunt routes voor verschillende modaliteiten; • Verbeteren toegankelijkheid recreatiegebieden per openbaar vervoer. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van 20 woningen. De woningen worden aangepast op de landschappelijke kwaliteiten en door middel van groen wordt er een vloeiende overgang naar het landschap gecreëerd. Zodoende wordt het initiatief passend geacht binnen het gebiedsprofiel. Kwaliteitskaarten Laag van de ondergrond In de laag van de ondergrond is het projectgebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex – rivierklei en veen’. Richtpunt is dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar houden. Voorgenomen ontwikkeling voorziet geen ingrepen die van invloed zijn op het rivierengebied. Laag van de stedelijke occupatie In de laag van de stedelijk occupatie is het projectgebied aangeduid als ‘Stedelijke groen- en waterstructuur’. Dit gebied heeft groot belang voor de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in het stedelijk gebied.

De parken en groenblauwe dooradering vormen de uitlopers en haarvaten van de landschappen buiten de stad. De stedelijke groen- en waterstructuur kan eveneens een rol spelen bij het beperken van hittestress, droogte en wateroverlast. Het richtpunt bij ontwikkelingen is dat deze bijdragen aan het behouden en versterken van de stedelijke groenen waterstructuur. Daarbij gaat het om recreatieve kwaliteit die bijdraagt aan de klimaatbestendigheid en verbinding tussen stad en land. De randen van het erf worden groen ingericht, waardoor het karakter van het erf behouden blijft. Het projectgebied wordt daarnaast klimaatadaptief en groen ingericht, met op het voorerf een siertuin en hagen en op het achtererf een moestuin en gemeenschappelijke buitenruimte. Er worden geen grote verharde oppervlaktes toegevoegd en er is aandacht voor duurzaamheid. Voorgenomen ontwikkeling sluit dus aan bij de richtpunten uit de kwaliteitskaarten. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is geldig vanaf 1 januari 2024. De ZHOV is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Daarna is de ZHOV enkele keren gewijzigd en aangevuld (ook al voor de inwerkingtreding). De instructieregels uit de omgevingsverordening hebben een directe doorwerking in omgevingsplannen en bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Ladder voor duurzame verstedelijking Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 7.45 van de Omgevingsverordening. De toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt behandeld in paragraaf 4.2.

17 Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 7.43 van de Omgevingsverordening kan een omgevingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.

Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Toetsing Voorliggende ontwikkeling voorziet in de transformatie van het perceel van bedrijfsdoeleinden naar woondoeleinden. Verouderde bedrijfsbebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor starterswoningen. De belevingswaarde en kwaliteit van het perceel wordt vergroot, het plan is opgezet als boerderij erf en de randen van het erf worden groen ingericht, waardoor het karakter van het erf behouden blijft. Het projectgebied wordt klimaatadaptief en groen ingericht, met op het voorerf een siertuin en hagen en op het achtererf een moestuin en gemeenschappelijke buitenruimte.

Er worden geen grote verharde oppervlaktes toegevoegd en er is aandacht voor duurzaamheid. Het plangebied maakt onderdeel uit van een 'groene buffer' (beschermingscategorie 2). Op grond van artikel 7.43 b en 7.43k van de Zuid Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) kan een bestemmingsplan voor een gebied in beschermingscategorie 2, alleen voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder a (inpassen) en b (aanpassen). Deze planontwikkeling op perceelsniveau past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar er wijzigt iets op structuurniveau of het past qua schaal op deze plek, maar de aard verandert. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'aanpassen', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. Voor het overige zijn geen instructieregels opgenomen voor het projectgebied in de omgevingsverordening. Conclusie De toekomstige woonfunctie is passend in de omgeving. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. Voldaan wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

18

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Woonvisie Regio Rotterdam en het Regioakkoord Rotterdam De Regionale Woonvisie vormt een drieluik met het Regioakkoord en het Bouwmanifest. De Regionale Woonvisie duidt de kwalitatieve ambities, het Regioakkoord focust zich op de kwantitatieve woningmarktopgaven en het Bouwmanifest is gericht op woningbouwversnelling. Onderstaand is ingegaan op de Regionale Woonvisie en het Regioakkoord. Regionale woonvisie Regio Rotterdam Op 23 juni 2021 is de nieuwe woonvisie van de Regio Rotterdam vastgesteld. De regionale woonvisie duidt de kwalitatieve ambities van de 14 gemeentes in de Regio Rotterdam op het gebied van wonen. Doel van de omgevingsvisie is dat er in 2040 een woningaanbod is dat aansluit bij de maatschappelijke wensen van die tijd, en waarin alle bewoners een woonkeuze kunnen maken die past bij hun persoonlijke situatie en voorkeuren. Belangrijke onderwerpen in de woonvisie zijn het bouwen van de juiste woning op de juiste plaats en een kwalitatieve goede woningvoorraad in een hoogwaardig woonmilieu voor alle inwoners. Dit betekent ook inzet op trends in nieuwe woonvormen, bijvoorbeeld ten gevolge van de vergrijzing. Op basis van bestaand lokaal en regionaal beleid en geïnspireerd door de gesprekken met bestuurders, stadsen beleidsmakers en de woonpartners zijn vier toekomstperspectieven ontwikkeld.

Deze zijn voor de komende periode (tot 2040) richtinggevend voor de regionale samenwerking op het brede terrein van wonen: • Een meer gelijkwaardige & inclusieve woningmarkt; • Een diversiteit aan woon(zorg)vormen; • Gemengde en verbonden woongebieden; • Een groenblauwe en natuurinclusieve leefomgeving. Regioakkoord Rotterdam Op 23 januari 2019 is het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam vastgesteld. De regionale doelen zijn vastgesteld en de afspraken laten zien welke bijdrage iedere gemeente daaraan levert. In de periode tot 2030 worden zo voldoende woningen gerealiseerd en wordt de sociale woningvoorraad beter verspreid. De gemeenten staan tussen de periode 2018 - 2030 voor de uitdaging van een netto groei van 53.700 woningen. Tevens staan de gemeenten voor de uitdaging om de afname van de sociale voorraad te beperken tot netto ca. 19.000 woningen en realiseert de regio een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad. Toetsing Voorliggend plan voorziet in 20 starterswoningen. De openbare ruimte krijgt ook een kwaliteitsimpuls waardoor de leefbaarheid verbeterd wordt. De toekomstige woningen bedoeld voor starters die in Ridderkerk wonen of recent hebben gewoond. De aankoopprijs van de woningen blijft binnen de maximale grens voor betaalbare koopwoningen (conform rijks- en provinciaal beleid).

Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de woningbouwopgave van gemeente Ridderkerk. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Regionale Woonvisie en het Regioakkoord Rotterdam. 3.3.2 Landschapspark eiland IJsselmonde – Mooi IJsselmonde Door de Landschapstafel IJsselmonde is een visie op het buitengebied gemaakt. De Landschapstafel is een bestuurlijke samenwerking tussen de zes gemeenten op IJsselmonde (Albrandswaard, Barendrecht, Hendrik-IdoAmbacht, Ridderkerk, Rotterdam en Zwijndrecht), de provincie Zuid-Holland, het Waterschap Hollandse Delta, ZuidHollands Landschap, Staatsbosbeheer en de Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon. Het doel van de landschapstafel is om een stimulans te geven aan het recreatief aantrekkelijker, toegankelijker en bruikbaarder maken van het groene landschap en daarmee aan de versterking van het economisch vestigingsklimaat.

19

Het visiedocument ‘Landschapspark eiland IJsselmonde’ gaat in op de thema’s groen, landschap en recreatie op IJsselmonde. Er zijn 3 hoofdthema’s benoemd: Natuurlijk IJsselmonde gaat over het versterken van de biodiversiteit en de landschappelijke kwaliteit. Bestemming IJsselmonde heeft tot doel om recreatieve plekken te realiseren voor de verstedelijkte delen van het eiland. Bereikbaar IJsselmonde gaat over het verbeteren van de verbindingen tussen gebieden. Het doel bij de uitvoering van deze visie is: het gebied IJsselmonde te ontwikkelen tot een aantrekkelijk gebied waar met plezier en tevredenheid wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. Toetsing Er zijn richtlijnen meegeven voor nieuw bebouwing op IJsselmonde. Zo geeft de website mooiijsselmonde.nl voorbeelduitwerkingen voor het bouwen in de verschillende landschapstypen die IJsselmonde rijk is. In de configuratie van de woningen maar ook in de landschappelijke opzet is hier rekening mee gehouden.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 De gemeente Ridderkerk heeft veel verschillende wijken met allemaal een eigen karakter. Samen vormen ze een unieke gemeente om te leven en te werken. Om dit unieke karakter optimaal te benutten legt de gemeente de kaders van het beleid tot 2035 vast in een Omgevingsvisie, vastgesteld in 2017. Deze visie geeft richting aan toekomstige ontwikkelingen en laat ruimte voor initiatieven vanuit de Ridderkerkse samenleving. De visie is de basis voor alle (gemeentelijke) plannen. De karakteristieke identiteit van Ridderkerk sluit aan op de structuurvisie uit 2009 en in drie kernwaarden samen te vatten: Sterke wijken, goed verbonden De wijken van Ridderkerk, veelal ontstaan als dorpen, zijn een absolute kernwaarde van Ridderkerk. Veel mensen waarderen vooral de identiteit die de verschillende wijken kenmerkt: Slikkerveer met zijn typerende woningen uit de jaren 30, Rijsoord en Oostendam als typische dijkdorpen, Bolnes met de nog steeds aanwezige historische watergerelateerde bedrijvigheid en het centrum van Ridderkerk, centraal gelegen in de gemeente. De sociale cohesie binnen de wijken is sterk. Dat uit zich in een sterk en hecht verenigingsleven en het feit dat nieuwe bewoners niet kiezen voor Ridderkerk, maar specifiek willen wonen in één van de wijken. De wijken Bolnes, Slikkerveer en Drievliet hebben een levendig wijkwinkelcentrum.

Groen-blauwe oase De aanwezigheid van een rijke, stevige, groene infrastructuur, die de rand van Ridderkerk in een groene jas hult en de woon- en werkgebieden dooradert, is een belangrijke kernwaarde om te behouden en te versterken. Deze groene gebieden en het water dienen als buffer tegen de verstedelijkingsdruk van de regio Rotterdam en de regio Drechtsteden. Daarnaast dragen de groene gebieden en het water bij aan een aantrekkelijke gemeente om in te wonen, werken en recreëren en een aantrekkelijk leefklimaat. De ‘groen-blauwe kraag’ van Ridderkerk is samengesteld uit de bestaande grotere groengebieden Oosterpark, Reyerpark, Donckse Bos en Donckse velden, de Gorzen, de Grienden en het Waalbos en uit de rivieren de Noord, de Nieuwe Maas en de Waal. Recent heeft de nieuwe inrichting van de Crezéepolder als getijdepark die groene omhulling versterkt. Kloppend hart Ridderkerk is uniek vanwege de centrale ligging van bedrijventerrein Donkersloot. Ongeveer de helft van het aantal werknemers in Donkersloot woont ook in Ridderkerk. Daarnaast kenmerkt de Ridderkerker zich door een hoge arbeidsethos. Ridderkerk heeft een werkend en kloppend hart, waar een grote diversiteit aan bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en winkels aanwezig is.

20

Toetsing De visie heeft een hoog abstractieniveau, waarin geen uitspraken worden gedaan op perceelsniveau. Het plangebied maakt onderdeel uit van de groenstructuur van de gemeente. Bedrijfsbebouwing maakt plaats voor woningbouw. De groenstructuur in en rond het projectgebied wordt versterkt. Gesteld kan worden gesteld dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.4.2 Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 De gemeenteraad van Ridderkerk heeft op 1 juli 2021 de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 vastgesteld. De Woonvisie vormt een actueel kader voor het woonbeleid. De woonvisie wordt leidend bij de initiëring en uitvoering van nieuwe woningbouwontwikkelingen en gaat fungeren als beoordelingskader voor het college en de gemeenteraad. In de Woonvisie is voorgesteld meer woningen te bouwen tot 2030 dan het bod dat in 2018 voor het Regioakkoord is gedaan. De meest recente Trendraming van de woningbehoefte van de provincie Zuid-Holland uit 2019 duidt op een grotere woningbehoefte dan in het Regioakkoord is benoemd. Dit betekent in ieder geval een opgave van afgerond 900 woningen voor de periode 2021 tot 2030. Maar de opgaven en knelpunten in de woningmarkt zijn zo groot, dat de gemeente meer ruimte wil geven voor woningbouw in Ridderkerk.

Voorwaarde is wel, dat de kwaliteit van de plannen goed is en de plannen inspelen op de gemeentelijke visie en beleid. Meer realiseren dan de gemaakte regionale woningmarktafspraken (uit 2019) betekent ook dat de gemeente voor dit surplus wil openstaan voor het extra toevoegen van sociale corporatievoorraad. Daarnaast is per wijk aangegeven aan welk type woningen het meeste behoefte is. Toetsing De herontwikkeling voorziet zowel kwalitatief als kwantitatief voor een impuls voor het plangebied. De huidige bebouwing wordt afgebroken en er komen (starters)woningen voor terug. De openbare ruimte krijgt ook een kwaliteitsimpuls waardoor de leefbaarheid verbeterd wordt. De toekomstige woningen zijn bedoeld voor starters die in Ridderkerk wonen of recent hebben gewoond. De aankoopprijs van de woningen blijft daarom ook binnen de voorwaarden voor een betaalbare woningen zoals gehanteerd door het Rijk.. Om de woningen ook te behouden als starterswoning bij verkoop zullen in de toekomst afspraken gemaakt worden in een anterieure overeenkomst ten aanzien van zelfbewoningsplicht en anti-speculatie. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de woningbouwopgave van gemeente Ridderkerk. 3.4.3 Groenvisie Ridderkerk De gemeentelijke ambitie is om de groenste gemeente van het eiland IJsselmonde te worden.

Ridderkerk heeft een aantal natuurlijke parels, zoals onder andere de dijklinten, de Waal, de Noord, de Crezeepolder en de Donckse Velden. Dit groen bevindt zich voornamelijk aan de randen van de wijken en er is te weinig groen in de wijken zelf. Hier wil de gemeente graag verandering in brengen. Bij nieuwbouwprojecten stelt de Groenvisie ook dat er rekening moet worden gehouden met klimaatadaptatie en behoud van natuur. Er moet maatwerk worden geleverd om klimaatadaptief of natuurinclusief te bouwen. Dit betekent dat een ontwikkeling geen schade brengt aan de natuur en mogelijk zelfs voor verbetering zorgt. Groen wordt ook als gelijkwaardig component meegenomen in de afweging van belangen. Hierbij wordt er belang gehecht aan het in gesprek blijven met ontwikkelaars. Toetsing Voorliggend plangebied grenst aan het gebied de Donckse Velden die dooradert tot aan het parkachtige groengebied ten noorden van het plangebied. De huidige situatie van het plangebied is overwegend groen ingericht. In de toekomstige situatie wordt een collectieve buitenruimte gerealiseerd waaraan bomen en

21

beplanting wordt toegevoegd. De parkeerplaatsen worden halfverhard ontwikkeld. Hierdoor sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de groenvisie van de gemeente Ridderkerk. 3.4.4 Groen is onze toekomst Op 7 juli 2020 heeft de gemeenteraad van Ridderkerk de integrale visie per wijk in de openbare ruimte ‘Groen is onze toekomst’ vastgesteld. In de visie schetst de gemeente de huidige groensituatie en wordt aan de hand van zes ambities weergegeven hoe haar doel van een 'sterk Ridderkerk waar bewoners gelukkig en gezond zijn' wil behalen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Omgevingsvisie waarin het versterken van groen-blauwe netwerken een grote rol speelt. De Groenvisie vloeit dan ook voort uit de Omgevingsvisie. De zes ambities zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

De groenste gemeente van IJsselmonde zijn; De grote variatie aan samenhangende natuur in onze gemeente zorgt voor een rijke biodiversiteit; Het groen in onze gemeente beschermt onze gezondheid en stimuleert gezond gedrag; In 2050 is onze gemeente waterrobuust en klimaatbestendig; De energietransitie heeft geleid tot een verbetering van ons openbaar groen; Wij schatten (potentiële) groene ruimte letterlijk op waarde.

Toetsing Voorliggend projectgebied bevindt zich in het groen-blauwe netwerk van Ridderkerk. Naar verwachting zal ten opzichte van de huidige situatie de verharding toenemen. Dit wordt gecompenseerd door watercompenserende maatregelen te treffen, zie ook paragraaf 4.13. De woningen en het omliggende gebied worden klimaatadaptief, toekomstbestendig en duurzaam ingericht. Hiermee sluit voorgenomen ontwikkeling aan op de Groenvisie van Ridderkerk. 3.4.5 Welstandsnota Ridderkerk De welstandsnota ‘Welstand Ridderkerk’ uit 2009 bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst worden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen, maar ook om gebieden aan te wijzen waar een bijzondere kwaliteit gewenst is. Met de gebiedsgerichte benadering wil de gemeente de waardevolle eigenschappen van ieder afzonderlijk gebied behouden. Toetsing Voorliggend plangebied is bevindt zich in het welstandsgebied ‘buitengebied’ en heeft een regulier welstandsregime. Het buitengebied van de gemeente Ridderkerk bestaat voornamelijk uit bebouwing langs ontsluitingswegen en is meestal gegroepeerd langs de linten.

De bebouwing bestaat meestal uit bedrijfsbebouwing of woningen en enkele boerderijen. De oorspronkelijke structuurelementen zoals dijken, kades en watergangen zijn belangrijke, waardevolle landschappelijke elementen. Het behoud van deze structuurelementen en cultuurhistorische bebouwing is beleidsinzet, net als het behouden van het karakteristieke profiel van de lintwegen en het inperken van grote oppervlakken verharding. Voor het buitengebied geldt het regulier welstandsregime. De beoordeling van de woongebouwen is ingericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik. Voorgenomen ontwikkeling zal hierop door de welstandscommissie worden getoetst.

22

3.5

Conclusie Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het projectgebied binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

23

4 Aspecten van de fysieke leefomgeving 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1 Kader In Europees verband is afgesproken dat projecten die aanzienlijke milieueffecten hebben of kunnen hebben, worden onderzocht op hun gevolgen voor het milieu. Een milieueffectrapportage (mer) brengt de milieugevolgen van een project in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt de milieueffectrapportage ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie van omwonenden bij de totstandkoming van het besluit. Voor een reeks van projecten is bepaald dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt, voordat toestemming wordt gegeven het project uit te voeren. Voor een andere reeks van projecten moet worden onderzocht of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In Nederland is de mer-richtlijn geïmplementeerd in paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, is af te leiden uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In dit geval wordt er eerst een mer-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

De mer-beoordeling dient te voldoen aan de inhoudelijke eisen in artikel 11.10 en 11.11 van het Omgevingsbesluit. 4.1.2 Kenmerken van het project Omvang en ontwerp van het project De ontwikkeling ziet toe op de realisatie van maximaal 20 woningen. De bestaande gronden met bedrijfsbestemming worden getransformeerd tot woonerf in een groene omgeving aan het open polderlandschap. De woningen bestaan uit rug-aan-rug-woningen, verdeeld over drie bouwblokken. Daarnaast wordt het groen aangepast op de directe natuurlijke omgeving en wordt er een gemeenschappelijke buitenruimte gerealiseerd. Cumulatie met andere projecten Voorliggende BOPA heeft enkel betrekking op dit projectgebied. In de omgeving van het projectgebied vinden geen gebiedsontwikkelingen plaats, waardoor dan ook geen cumulatie wordt verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet-vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden reguliere materialen en hulpbronnen gebruikt. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt waarbij intensief en/of grootschalig gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen vormt naar aard en omvang derhalve geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstofemitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De bewoners van de woningen zullen in de toekomst gebruikelijke

24 hoeveelheden huis-, tuin en keukenafval produceren. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die leiden tot grootschalige productie van afvalstoffen. Het beoogde plan heeft een verkeersaantrekkende functie ten opzichte van de huidige situatie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid). In de paragrafen 4.3, 4.4 en 4.10 wordt hier nader op ingegaan. Risico van ongevallen en voor de menselijke gezondheid Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving of voor de menselijke gezondheid. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee. Effecten op gebieden De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Het plan ligt in het buitengebied van Ridderkerk. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EURichtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het projectgebied. Gelet op de aard en omvang van het plan zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid.

4.1.3 Locatie van het project Bestaand landgebruik Oorspronkelijk bestond de projectlocatie uit polderlandschap. In de huidige situatie staat er een woning en een schuurvolume op het perceel, het achtererf is in gebruik als camper- en caravanstalling. Het perceel wordt aan de zijde van de Kievitsweg en aan de westzijde begrensd door een watergang. Aan de noord- en oostzijde sluit het perceel aan op een recreatieve wandel- en fietszone. Rijkdom en beschikbaarheid natuurlijke hulpbronnen De locatie is niet bestemd als waterwingebied en wordt niet benut voor het gebruik van andere natuurlijke hulpbronnen. Tevens wordt er in de bestaande situatie geen gebruikgemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd.

In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

25

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het besluitgebied is niet gelegen in een bergen bosgebied.

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte Nationale Parken zijn onderdeel van het NNN.

Het plangebied ligt niet in een Nationaal Landschap. Het besluitgebied ligt niet in een Nationaal Park / maakt geen onderdeel uit van NNN.

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn)

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het besluitgebied liggen Natura 2000gebieden (zie verder onder deze tabel).

Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden

Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, kaderrichtlijn water)

Het plangebied ligt niet in gebieden waar basis van communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden.

-

nationale landschappen nationale parken

Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van -

historisch belang cultureel belang beschermd stads- en dorpsgezicht archeologisch belang

Het plangebied is niet gelegen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid. - Verdrag van Valletta Monumentenwet - Gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan

In het plangebied zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. Het plangebied heeft op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’ een lage archeologische Verwachtingswaarde.

Tabel 1: Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu speelt hier niet direct. De locatie ligt in het oosten van Ridderkerk, in de wijk Bolnes. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EURichtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het plangebied. Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000 gebied. Daarom wordt in paragraaf 4.11 nader ingegaan op het aspect natuur. Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur)

Provinciale omgevingsverordening

Het besluitgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gebied geschikt voor beschermde soorten

Wet natuurbescherming

Het besluitgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten. In paragraaf 4.11 is dit aspect daarom nader onderzocht.

Weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied

Provinciale omgevingsverordening

Het besluitgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt

26 ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied. Stiltegebied

Wet milieubeheer en Provinciale omgevingsverordening

Het besluitgebied is niet gelegen in een stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Provinciale omgevingsverordening

Het besluitgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale omgevingsverordening

Het besluitgebied is niet gelegen in een grondwater-beschermingsgebied.

Tabel 2: Overzicht overige gevoelige gebieden

4.1.4 Kenmerken van de effecten Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure reeds meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat. Uit de beoordeling van deze aspecten volgt in algemene zin dat er in het kader van de ontwikkeling geen sprake is van een grensoverschrijdend effect. De effecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn beperkt qua intensiteit en complexiteit (er worden geen vervolgeffecten of indirecte effecten verwacht). Ook is er geen sprake van onomkeerbare effecten. Bodem Nieuwe woningen vormen geen bodembedreigende functie, waardoor het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk is. Geluid De geluidsuitsraling van dit aantal woningen naar de omgeving van de nieuwe wijk is beperkt en leidt niet tot nadelige effecten als gevolg van geluid. Daarom is het uitvoeren van een MER voor geluid niet noodzakelijk. Geur In het plangebied worden geen nieuwe geurbronnen toegevoegd, waardoor het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk is. Verkeer De afwikkeling van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling leidt niet tot de noodzaak tot het nemen van maatregelen.

Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheid. Er worden geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming, veiligheid en parkeervoorzieningen. Gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk. Externe veiligheid De nieuwe woningen vormen geen relevante risicobronnen, waardoor het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk is. Water Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie in en rondom het plangebied. Gezien het voorgaande leidt het aspect water niet tot nadelige effecten voor het milieu. Gezien de kenmerken van het potentiële effect is het uitvoeren van een MER niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1197/documents/38959