CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Jaarverslag en Jaarrekening DCMR 2021.pdf

Gemeenteraad RK 2 juni 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 8: Zienswijze ontwerpbegroting 2023 DCMR39.239 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

42 / 100

Een aantal projecten op het gebied van modernisering bedrijfsvoering – invoering Microsoft 365, invoering nieuw VTH-zaaksysteem (Mozard Suite), ontwikkeling Regionale Omgevingsinformatie (ROI), voorbereiding Omgevingswet en invoering van Altijd actuele digitale vergunning (AADV) – zijn in 2021 gefinancierd vanuit de bestemmingsreserve modernisering bedrijfsvoering. In het algemeen bestuur van december 2019 is besloten dat DCMR met ingang van het begrotingsjaar 2020 jaarlijks €1mln vanuit haar exploitatie doteert aan de bestemmingsreserve modernisering bedrijfsvoering ter dekking van de kosten van toekomstige projecten. In 2021 was verwacht €1,7mln uit te geven en is €1,2mln gerealiseerd. Het project Microsoft 365 heeft €290k minder besteed omdat twee aanbestedingen zijn mislukt. De aanbesteding is aangepast op basis van extern advies en naar verwachting zal in 2022 de aanbesteding succesvol zijn. De projecten ROI en AADV hebben ook minder besteed, respectievelijk €145k en €590k. Dit is vooral toe te schrijven aan het innovatieve karakter van beide projecten die maakt dat ze moeilijk planbaar is. Het project Omgevingswet loopt achter (€65k) omdat de Omgevingswet opnieuw is uitgesteld. Project Mozard Suite loopt ongeveer volgens plan.

Daarnaast is de financiering van een aantal specifiek personele frictiekosten gedekt uit een eerder gevormde bestemmingsreserve personeel en organisatie. Deze bestemmingsreserve was opgezet als onderdeel van de reorganisatie van 2015. In 2021 is een klein deel besteed (€65k). Eind 2021 zal deze bestemmingsreserve worden afgesloten, omdat geen frictiekosten uit 2015 zich zullen voordoen. Het restant (€56k) wordt overgeheveld naar de bestemmingsreserve modernisering bedrijfsvoering. Het algemeen bestuur (AB) besloot op 1 juli 2021 tot het instellen van de bestemmingsreserve voor maatschappelijke duurzaamheidsopgaven. In de AB-vergadering van 9 december werd besloten om het financieel resultaat van 2020 (€2,3mln) te doteren aan deze reserve, ten behoeve van het programma Circulaire economie en energietransitie. Het programma is opgezet als een meerjarig traject, met een looptijd van vier jaar, maar is incidenteel gefinancierd. Jaarlijks wordt in een jaarplan beschreven welke activiteiten worden uitgevoerd. De hogere realisatie van de algemene dekkingsmiddelen is vooral het gevolg van een incidenteel resultaat uit voorgaande boekjaren, voornamelijk vanwege het terugboeken van een incorrecte inkooporderreservering (€184k) van voor 2021. De inkooporder was gelieerd aan een leverancier van cloudplatforms (Geodan).

5.2

Risicomanagement en weerstandsvermogen

De paragraaf geeft een beschouwing over de kwaliteit van de vermogenspositie van DCMR op lange termijn. Het weerstandsvermogen is het vermogen om financiële tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat de doelrealisatie in het gedrang komt. Het weerstandsvermogen geeft samen met het verloop van de investeringen, financiering, reserves en voorzieningen en de uitkomsten van de meerjarenraming een indicatie van de financiële positie van DCMR. Daarnaast zal kwantitatief en kwalitatief inzicht gegeven worden in het risicomanagement van DCMR zodoende de weerstandscapaciteit te kunnen bepalen.

5.3

Risicomanagement

Om de doelstellingen van DCMR ook in de toekomst te kunnen realiseren en de gewenste kwaliteit te kunnen blijven leveren treft DCMR maatregelen ter behoud van een goede reputatie en een duurzaam gezonde financiële situatie. Eén van deze maatregelen is de risicomanagementcyclus. De auditcommissie heeft een borgende taak voor risicomanagement en voor borging van de reviewfunctie. De auditcommissie bestaat uit het directieteam, aangevuld met de concerncontroller. Een risico is een onzekere gebeurtenis met oorzaken, een kans van optreden en gevolgen voor doelstellingen. Er is sprake van een menselijke, organisatorische of technische/juridische oorzaak of een ontwikkeling van buitenaf waardoor de onzekere gebeurtenis zich kan voordoen. In de risicomanagementcyclus worden zowel de risico’s met financiële vervolgschade, als die met andere

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

43 / 100

gevolgschade opgepakt en gemonitord. Kwaliteitsverlies, veiligheidsissues en reputatieschade bij DCMR vertalen zich net zo goed in negatieve gevolgen voor de organisatie en de participant. 1

De risicomanagementcyclus van DCMR is gebaseerd op de theorie van risicoleiderschap en heeft als doel de weerbaarheid van de organisatie te vergroten. De gekozen methodiek is praktisch toepasbaar en geïntegreerd in de reguliere managementtaken. DCMR hanteert conform de nota risicomanagement en weerstandsvermogen DCMR 2020-2023, een opslag van 20% op het benodigd weerstandsvermogen. Inventarisatie risico’s In 2021 zijn de eerder geïdentificeerde risico’s geactualiseerd en aangevuld. Een belangrijke ontwikkeling binnen de risicocyclus was de uitbraak van corona. Net als in 2020 heeft corona invloed op de geïdentificeerde risico’s, maar er is wel een verschuiving opgetreden. In 2020 waren de risico’s allereerst gericht op continuïteit van het werk, door bijvoorbeeld werken op afstand mogelijk te maken. In 2021 is werken op afstand normaler geworden, maar richten de risico’s zich naast continuïteit ook op de mentale gezondheid van de medewerkers. In 2021 is risicomanagement integraal onderdeel geworden van de managementgesprekken en is op directieniveau een risicolog opgezet voor de risico’s die door de afdelingsdirecteuren als cruciaal en afdelingoverstijgend worden geclassificeerd. Tenslotte is een risico-grid (kans en impact) toegevoegd die in een oogopslag laat te zien wat de ‘beweging’ van de risico’s is en wat de classificatie is.

Dit jaar zijn in totaal 22 risico’s besproken, vastgelegd en gemitigeerd, waarvan er twaalf een kwalitatief en tien een kwantitatief karakter hebben. Voor drie risico’s is de classificatie verlaagd en zes zijn afgesloten. Hiermee sluit 2021 af met zestien risico’s, waarvan vier in de hoge risicocategorie (drie kwantitatief en een kwalitatief). Over deze laatste categorie wordt in het jaarverslag gerapporteerd. Hoge risico’s (kwantitatief en materieel belang) Er zijn drie hoge risico’s met kwantitatief financiële gevolgschade van materieel belang in 2021. Deze hebben gevolgen voor de weerstandscapaciteit. Tabel: Benodigde weerstandcapaciteit.

Omschrijving

Kans

Risicocategorie

Financieel gevolg bedrag x €1000

1. Bedreiging continuïteit bedrijfsprocessen door verouderde soft- en hardware.

70%

Hoog

€263

2. Te lage gerealiseerde declarabiliteit.

70%

Hoog

€711

3. Tekort aan vakspecialisten voor aantal specifieke vakgebieden.

90%

Hoog

€90

Totaal benodigde weerstandscapaciteit

x 1,2

€1.277

Ad 1. In 2021 is met de roadmap automatisering systematisch gewerkt aan het op orde brengen van de basis, is een plan goedgekeurd en zijn alle voorbereidingen getroffen om een grote technische stap vooruit te zetten, de zogenaamde technische upgrade. Hiervoor is extern advies ingewonnen. De technische upgrade is een aantal keer uitgesteld, gezien de afhankelijkheid met het project vervanging VTH-systeem. De technische upgrade staat nu gepland in het tweede en derde kwartaal van 2022. Hierna zal dit risico afgeschaald worden.

1

Risicoleiderschap. Doelgericht omgaan met onzekerheden, Martin van Staveren (2018)

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

44 / 100

Ad 2. In 2019 werd over de risico’s rondom stuwmeerverlof en te lage declarabiliteit apart gerapporteerd. Omdat het (overmatig) opnemen van verlof feitelijk als één van de oorzaken kan worden gezien voor een verlaagde declarabiliteit, is ervoor gekozen beide onderwerpen onder te brengen in één risico. Voor de herberekening is gekeken naar de trend van de afgelopen drie jaar, met oog voor de bijzondere omstandigheden van corona. De onzekerheid van de declarabiliteit is bepaald op 1,5%, met Kan klasse IV (hoog). Oorzaken die aan deze onzekerheid ten grondslag liggen, zijn de organisatieontwikkeling met nieuwe (programma)managementfuncties, coronaperikelen (mentaal en fysiek) en aangepaste productiviteitsnormen, een verhoogde opleidingsdruk als gevolg van het persoonlijk ontwikkelbudget (POB), de Omgevingswet en de introductie van nieuwe systemen, mogelijk minder fysiek toezicht als gevolg van corona en het opnemen van bovenmatig verlof in verband met afbouwafspraken. Ad 3. Het is voor DCMR voor een aantal specifieke functies en soms ook in het algemeen moeilijk om vacatures in te vullen. Dit is een landelijk beeld en speelt bijvoorbeeld bij gemeentes en provincies. Er zijn acties ondernomen om nieuwe medewerkers te trekken, zoals meer stageplekken, nieuwe wervingswebsite, meeloopdagen en dergelijke. De verwachting is dat dit risico in 2022 ook aanwezig zal zijn.

Hoge risico’s (kwalitatief en niet-materieel) Eén risico met andere dan financieel-materiële gevolgen, staat als hoog geclassificeerd. Tabel: Hoog risico niet-materieel.

Omschrijving

Kans

Risicocategorie

Gevolgen

De aantasting van de fysieke en mentale gezondheid van medewerkers als gevolg van de coronamaatregelen.

70%

Hoog

-

Kwaliteit. Veiligheid (van de werkomstandigheden). Directe financiële gevolgschade beperkt.

Toelichting: Dit risico neemt toe naarmate de coronamaatregelen langer aanhouden. DCMR acteert door te sturen op persoonlijke aandacht voor het welzijn van de medewerkers, ruimte voor maatwerkafspraken, het delen van best practices, het faciliteren van arboverantwoord materiaal, aandacht voor thuiswerkomstandigheden en vitaliteit. Bedrijfsmaatschappelijk werk is erbij betrokken.

Herclassificatie risico’s De drie risico’s met een lagere classificatie dan in 2020 houden verband met corona. Dit betekent dat DCMR de coronasituatie steeds beter onder controle heeft en dat de mitigerende maatregelen werken. Afgesloten risico’s Twee risico’s zijn afgesloten: 1. ‘(Onvoldoende) beheersing van dossiers waardoor er fouten ontstaan.’ Mitigerende acties in de afgelopen twee jaar hebben dit risico weggenomen. Voorbeelden zijn reviews ter lering van probleemdossiers, casusgewijze bespreking en het preventief bespreken van probleemdossiers. 2. ‘Niet in contact zijn met de opdrachtgever.’ Dit is eigenlijk een strategisch uitgangspunt en is nu onderdeel van de organisatieontwikkeling. Weerstandsvermogen Om het weerstandsvermogen te kunnen bepalen is inzicht nodig in de feitelijk aanwezige weerstandscapaciteit (‘de reserves’) en in de omvang van de risico’s, de benodigde weerstandscapaciteit. De verhouding tussen benodigde en aanwezige middelen heet de ratio van het weerstandsvermogen.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

45 / 100

In een formule: weerstandscapaciteit (reserves) ratio weerstandvermogen = benodigde weerstandscapaciteit Met deze ratio wordt duidelijk gemaakt in welke mate DCMR beschikt over een financiële buffer om financiële gevolgen van risico’s op te vangen. Het algemeen bestuur heeft een bandbreedte voor deze ratio vastgesteld van 1,0 < x < 1,4. De aan te houden weerstandscapaciteit is dan tenminste net zo groot als de benodigde weerstandscapaciteit. In risicomanagementmodellen wordt deze bandbreedte als ‘voldoende’ geclassificeerd. Daar waar de buffer geen uitsluitsel biedt, voorziet artikel 34 van de Gemeenschappelijke regeling, waarin de financiële verantwoordelijkheid van de gezamenlijke participanten is vastgelegd. Weerstandscapaciteit (beschikbaar) Voor het bepalen van de beschikbare weerstandscapaciteit wordt meegenomen: - De algemene reserve. - Het vrij besteedbare deel van de bestemmingsreserves. Het deel van de bestemmingsreserves dat via meerjarenplannen al bestemd is, wordt niet meegenomen. - De post onvoorzien. Tabel: Weerstandsvermogen.

Weerstandsvermogen

Bedrag x €1000

Algemene reserves

€1.770

Mutatie algemene reserves

€-954

Post onvoorzien *

-

Mutatie vrij besteedbaar deel bestemmingsreserve

€1.884

Totaal

€2.700

* De post onvoorzien is onderdeel van het resultaat en is daarmee onderdeel van de mutatie algemene reserves.

Voor het bepalen van de benodigde weerstandscapaciteit worden de risico’s geclassificeerd conform een vastgestelde classificatiemethodiek. De risico’s met een (zeer) hoge financiële impact, risicocategorie hoog en zeer hoog vormen onderdeel van het benodigd weerstandsvermogen, zij worden beschouwd als risico’s van materieel belang. Er wordt daarbij uitgegaan van het netto risico, dus het resterend risico als de aanwezige beheersmaatregelen in beschouwing worden genomen. De classificatie van de kans leidt tot een wegingsfactor: een percentage van het bedrag dat wordt aangehouden in de weerstandscapaciteit. Ratio weerstandsvermogen Op basis van de benodigde weerstandscapaciteit en de aanwezige weerstandscapaciteit kan de ratio weerstandsvermogen worden berekend: €2.700k ratio weerstandvermogen = = 2,11 €1.277k De ratio is gestegen ten opzichte van 2020 gezien de verlaging van de financiële impact van de risico’s en de verhoging van het weerstandsvermogen. De stijging van het weerstandsvermogen is toe te schrijven aan de daling van de algemene reserves en de stijging van het onbestemde deel van de bestemmingsreserve maatschappelijke duurzaamheidsopgave. DCMR heeft afgesproken om de ratio norm tussen 1,0 < x < 1,4 te houden. De nuance zit in het feit dat het onbestemde deel van de bestemmingsreserve €1,8mln is. Zonder dit deel zou de ratio 0,64 zijn.

Het is dus belangrijk dat de algemene reserves komende jaren worden aangevuld, zodat dat het onbestemde deel van de

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

46 / 100

bestemmingsreserves die wel geoormerkt zijn voor maatschappelijke duurzaamheidsopgave (circulaire economie en energietransitie) kunnen worden aangewend. Zonder het vrij besteedbare deel van de bestemmmingsreserve zou een aanvulling van de algemene reserves van €461k nodig zijn om de ratio weerstandsvermogen op het gewenste minimum van 1,0 te brengen.

5.4

Financiële en beleidsindicatoren

De financiële indicatoren in onderstaande tabel zijn overeenkomstig artikel 11 lid 3 van de BBV berekend: Tabel: Kengetallen.

Kengetallen

Jaarverslag 2020

Begroting 2021 Jaarverslag 2021

Netto schuldquote

-4,5%

0,4%

-2,4%

Solvabiliteitratio

36,0%

24,2%

34,4%

Structurele exploitatieruimte

4,9%

0,0%

6,4%

Netto schuldquote: de afwijking met 2020 komt vooral doordat in 2021 de vordering rekeningcourantverhouding met het Rijk is gestegen (€2,9mln). Solvabiliteitsratio: de solvabiliteit is ten opzichte van 2020 licht gedaald. Dit wordt veroorzaakt door een daling van het eigen vermogen als gevolg van het negatieve financiële resultaat van 2021 Structurele exploitatieruimte: de stijging ten opzichte van 2020 wordt veroorzaakt door hogere structurele baten en iets lagere structurele lasten in 2021. Behalve financiële indicatoren schrijft het BBV (art. 25, lid 2) ook de verantwoording voor een aantal beleidsindicatoren voor die betrekking hebben op de realisatie van maatschappelijke effecten van de programma’s. Deze indicatoren zijn in onderstaande tabel opgenomen. Voor DCMR zijn alleen de indicatoren voor het taakveld bestuur en ondersteuning relevant. Tabel: Beleidsindicatoren.

Beleidsindicatoren

Realisatie 2019

Realisatie 2020

Begroting 2021

Realisatie 2021

Formatie (fte's per 1.000 inwoners)

0,15

0,15

0,14

0,16

Bezetting (fte's per 1.000 inwoners)

0,14

0,14

0,13

0,15

Apparaatskosten per inwoner

€17,01

€17,00

€16,31

€17,84

Externe inhuur

18,2%

14,7%

16,2%

14,4%

Overhead

30,5%

31,9%

31,1%

31,6%

Beheersing kosten externe inhuur Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat het aandeel kosten inhuur op de totale loonkosten (inclusief inhuur) in 2021 opnieuw is gedaald ten opzichte van 2020 en 2019. In absolute zin zijn de inhuurkosten in 2021 ongeveer €300k hoger dan in 2020, maar de salariskosten zijn harder gestegen door groei van de bezetting en opwaartse impact van de nieuwe cao. De hogere kosten van inhuur zijn vooral toe te schrijven aan de inzet van duurder inhuurpersoneel als gevolg van de opwaartse druk op inhuurprijzen en hoger geclassificeerd inhuurpersoneel. Tenslotte heeft DCMR de vruchten geplukt van het in 2020 uitgevoerde LEAN-traject voor het inhuurproces. Onderdeel hiervan was onder meer het borgen dat tijdig de juiste afwegingen worden gemaakt over nut en noodzaak van inhuur en de bijbehorende kosten. Tenslotte zorgt het gebruik van een dynamisch aankoopsysteem behalve voor

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

47 / 100

rechtmatige inkoop ook voor een meer objectieve kosten-batenafweging van inhuurkrachten. Dit alles bevordert beheerste inzet van inhuur. Ontwikkeling aandeel overhead Ten opzichte van 2020 is het relatieve aandeel van de overhead in de totale exploitatielasten in 2021 met 0,3% gedaald. In absolute zin steeg de overhead met €1,1mln ten opzichte van 2020. Ten opzichte van de begroting 2021 bedroeg de stijging 0,5% (€0,2mln). De component loonkosten in de overhead laat een stijging zien van €1,4mln, voornamelijk gerelateerd aan ondersteuning en inhuur buiten formatie. Ook hier geldt de invloed van de nieuwe cao, aangezien in de begroting is uitgegaan van een loonstijging van 1,2%, terwijl in het finale akkoord ook een thuiswerkvergoeding van €750 en een loonschaalverruiming van €50 is vastgelegd. Behalve een prijscomponent (loonontwikkeling) en duurdere inhuur is ook de groei van eigen personeel een oorzaak. De component overige overhead, die bestaat uit onder andere huisvesting, ICT en kosten van uitbesteding zijn juist met € 1,2mln gedaald. De voornaamste daling is bereikt op het gebied van ICT doordat de automatiseringskosten lager zijn uitgevallen door een combinatie van factoren zoals betere beheersing van kosten, uitstel/afstel kosten (€0,8mln). Tenslotte zijn de archiefkosten sterk gedaald (€0,1mln).

Vennootschapsbelasting (VPB) DCMR heeft van al haar activiteiten beoordeeld of er sprake is van een belaste activiteit conform de VPB. Daarnaast zijn alle activiteiten voor de VPB geclusterd in 19 clusters, waar deze een samenhang met elkaar hebben. Voor 2016 tot en met 2019 heeft DCMR aangifte gedaan. Hieruit is naar voren gekomen dat uiteindelijk geen VPB verschuldigd is. De VPB-aangifte over het boekjaar 2021 zal in de loop van 2022 worden opgesteld. Aangezien er geen grote wijzigingen in eventueel belaste activiteiten van DCMR hebben plaatsgevonden, is de verwachting dat de aangifte 2021 opnieuw nihil zal zijn.

5.5

Financiering

De financieringsparagraaf vloeit voort uit de Wet financiering decentrale overheden (Wet FIDO). Voor DCMR is deze regelgeving vertaald in het door het Algemeen Bestuur vastgestelde treasurystatuut. Deze financieringsparagraaf is in samenhang met het treasurystatuut een belangrijk instrument voor het transparant maken en daarmee sturen, beheersen en controleren van de treasuryfunctie van DCMR. De treasuryfunctie omvat het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. Aandachtspunten vanuit de treasury zijn: - Facturering van de bijdragen van de participanten vindt vier keer per jaar plaats; de bijdragen van de participanten moeten uiterlijk halverwege het lopende kwartaal zijn ontvangen. - DCMR leent geen gelden uit aan derden. - DCMR maakt binnen de regelgeving voor decentrale overheden alleen gebruik van goed bekendstaande banken. - Voor de financiering van tekorten op de rekening-courant wordt gebruik gemaakt van kasgeldleningen via goed bekendstaande banken. In onderlinge samenhang worden het treasurystatuut, de financiële verordening en de controle verordening jaarlijks beoordeeld op hun actualiteit en indien nodig opnieuw vastgesteld door het algemeen bestuur.

De laatste vaststelling vond plaats in het algemeen bestuur van 6 december 2017. De wet Financiering Decentrale Overheden (FIDO) geeft aan dat de kasgeldlimiet maximaal 8,5% van het begrotingstotaal (primair) mag zijn. DCMR voldoet het volledige jaar 2021 hieraan.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

48 / 100

Deel 2: Rapportage Meerjarenprogramma 2021–2024

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

49 / 100

6 Meerjarenprogramma 6.1

Algemeen

DCMR werkt samen met de participanten – de provincie Zuid-Holland en vijftien gemeenten – aan een veilig en leefbaar Rijnmondgebied. Het streven is het gebied te ontwikkelen tot een economische topregio en tegelijkertijd de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving te verbeteren. Om dit te bereiken is samen met de participanten een meerjarenprogramma (MJP) opgesteld waarin is aangegeven aan welke beleidsdoelstellingen DCMR in de periode 2021–2024 bijdraagt. De doelstellingen zijn opgesteld rond de beleidsopgaven veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, leefbaarheid en ondermijning. In de volgende paragrafen wordt per beleidsopgave gerapporteerd over zowel kwantitatieve als kwalitatieve resultaten. Per beleidsopgave zijn focuspunten benoemd met een duidelijk effect op milieu en veiligheid. Voor elk focuspunt zijn indicatoren opgesteld waarmee de voortgang en resultaten gemonitord kunnen worden.

6.2

Veiligheid

De beleidsopgave veiligheid kent drie focuspunten: 6.2.1

Procesveiligheid in de industrie

Voor de procesveiligheid is het van belang dat er naast ontwerp en techniek ook gekeken wordt naar de operationele veiligheid. Het gaat hierbij om het juist bedienen en opereren van installaties. Naast instrumentele veiligheid speelt de veiligheidscultuur een belangrijke rol. Het onderwerp veiligheidscultuur was eveneens een thema in het MJP 2017–2020 en is ook de komende jaren relevant in het kader van procesveiligheid. Operationele procesveiligheid is niet geheel in voorschriften en normen te beschrijven. Wel kan een continue inspanning van het bedrijf worden gevraagd, waardoor het wordt uitgedaagd continu te verbeteren. Aandacht voor operationele veiligheid draagt bij aan het voorkomen van incidenten en de gevolgen hiervan. Er zijn drie indicatoren voor procesveiligheid bekeken: - Aantal inspecties en overtredingen op het thema procesveiligheid. - Resultaten van cultuurmetingen. - Benchmark op cybersecurity. Wat is er bereikt? Aantal inspecties en overtredingen op procesveiligheid Onderzocht is of veiligheidskritische apparatuur aanwezig is, de werking goed is en of de inspectie- en onderhoudseisen van de veiligheidskritische apparatuur aantoonbaar wordt aangepast op basis van nieuwe data, meldingen of wijzigingen.

In 2021 zijn binnen de branche chemie, tankopslagbedrijven en raffinaderijen inspecties uitgevoerd, waar bij een aantal inspecties (zeven) in de chemie overtredingen zijn geconstateerd op de juiste toepassing van veiligheidskritische apparatuur. Operationele procesveiligheid is niet geheel in voorschriften en normen te beschrijven, waardoor deze indicator in de herijking van het MJP wordt herzien. Resultaten van cultuurmetingen Het adviesteam externe veiligheid voert jaarlijks veiligheidscultuurbeoordelingen uit door middel van interviews bij een selectie van bedrijven. In 2021 werden interviews afgenomen bij zes bedrijven. Er wordt onder andere gevraagd naar leiderschap, de betrokkenheid van medewerkers en communicatie. Hieruit volgen conclusies over de fase van de veiligheidscultuur waarin het bedrijf zich bevindt. Een bedrijf kan startend zijn op het gebied van veiligheidscultuur, uitvoerend of evaluerend.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

50 / 100

In 2020 is door de DCMR-gedragswetenschappers een nieuw instrument ontwikkeld om te meten hoe medewerkers het werken bij een bedrijf ervaren: de meting veiligheidsperceptie. Begin 2021 is een pilot afgerond en vervolgens is de meting uitgevoerd bij een tweede bedrijf. Bij beide bedrijven zijn de gemiddelde scores op de meeste veiligheidsimpulsen en -uitkomsten relatief hoog. De werkdruk – een veiligheidsbedreiger – wordt in beide bedrijven als redelijk hoog ervaren. Ook de communicatie binnen het bedrijf, bijvoorbeeld over het wel of niet opvolgen van meldingen, biedt aanknopingspunten om de veiligheid verder te verbeteren. Daarnaast moet blijvend worden geïnvesteerd in het vergroten van de psychologische veiligheid. Dit is van belang voor het aan- en uitspreken over (on)veilige situaties.

Aantal

Beoordelingen van de veiligheidscultuur worden ook uitgevoerd door de toezichthouders als onderdeel van de Wabo-inspecties. De meeste inspecties vonden plaats binnen de branche chemie, in totaal 46. In de branche tankopslag en tankoverslag werden dertig inspecties gedaan en binnen de branche raffinaderijen drie. Het grootste deel van de bedrijven bevindt zich in de uitvoerende fase.

50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

Veiligheidscultuurbeoordelingen door toezicht per branche (2021 ) Evaluerend Uitvoerend Startend Onbekend

Chemie

Raffinaderijen

Tank op- en overslag

Startend: van plan met een aanpak voor veiligheidscultuur te starten. Uitvoerend: gestart met of al een aantal jaar bezig met verbeteren veiligheidscultuur. Evaluerend: al langere tijd bezig met specifieke aanpak, deze evaluerend en verbeterend.

Benchmark op cybersecurity DCMR heeft onderzoek laten doen naar de digitale weerbaarheid van risicovolle bedrijven in ZuidHolland en Zeeland. Uit het onderzoek bij 39 bedrijven blijkt dat bij een relatief groot deel van de bedrijven de aandacht voor cybersecurity verder moet worden versterkt. Met dit onderzoek is niet aangetoond dat er acuut gevaar is voor het ontstaan van zware ongevallen. Uit het onderzoek blijkt dat een aantal grote bedrijven concreet invulling geeft aan cybersecurity en al maatregelen heeft genomen. Daarnaast blijkt dat bij een groot deel van de onderzochte bedrijven nog onvoldoende aandacht is voor cybersecurity. Het onderzoek wijst ook uit dat de bedrijven niet altijd weten hoe ermee om te gaan. Bedrijven moeten worden geholpen om digitaal weerbaar te worden. Dat begint al met het in kaart brengen van de eventuele risico’s van cyberaanvallen voor de veiligheid van werknemers en de omgeving. DCMR wil meer aandacht voor het onderwerp. Ook de bedrijven onderkennen het belang. DCMR kijkt ook samen met de Brzo+-partners – de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de veiligheidsregio’s en Rijkswaterstaat – hoe zij de bij dit onderzoek opgedane kennis en andere nationale en Europese handreikingen kunnen vertalen naar handelingsperspectief voor bedrijven.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

51 / 100

6.2.2

Veilig opslaan en omgaan met gevaarlijke stoffen

Opslag van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Om de risico’s zoveel mogelijk te beperken moeten bedrijven maatregelen nemen. Deze maatregelen staan in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). PGS-en bevatten doelen die de risico’s beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu beperken. Op dit moment worden veel PGS-en geactualiseerd. Het is belangrijk dat bedrijven de meest actuele PGS-en toepassen bij de opslag van gevaarlijke stoffen. Dit verkleint het restrisico voor de omgeving. Vooral relevant binnen dit focuspunt zijn de PGS 15 (opslag verpakte gevaarlijke stoffen), PGS 29 (opslag van brandbare vloeistoffen in tanks) en PGS 31 (opslag van gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties). De invoering van de nieuwe PGS 37 (opslag van lithiumbatterijen) wordt in 2022 verwacht. In het MJP 2017–2020 stonden bij focuspunt Implementatie PGS-sen het implementeren van de meest actuele beste beschikbare technieken centraal. In het MJP 2021–2024 is dit focuspunt opnieuw relevant omdat bijvoorbeeld de PGS 29 in 2021 opnieuw wordt herzien, en de tweede fase moet worden geïmplementeerd. Er zijn twee indicatoren voor het focuspunt implementatie PGS-sen bekeken: - Aantal bedrijven met een geactualiseerde vergunning. - Aantal controles en overtredingen bij bedrijven met PGS-en als aandachtspunt.

Wat is er bereikt? Geactualiseerde vergunningen PGS PGS 29: Een aandachtspunt is de opslag van instabiele stoffen. Tijdens een tankputbrand kan de betrokkenheid van een tank met instabiele stoffen leiden tot verdere escalatie. Hiervoor is geen richtlijn beschikbaar en hebben DCMR, de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), de gezamenlijke brandweer en betrokken bedrijven onderzocht welke maatregelen noodzakelijk zijn. De bedrijven hebben het rapport Instabiele stoffen in relatie tot tankputten opgesteld. In december 2020 hebben DCMR en de VRR ingestemd met het rapport. De bedrijven hebben nieuwe implementatieplannen ingediend waarin rekening wordt gehouden met het rapport. Na beoordeling van de plannen is aan de bedrijven het voornemen kenbaar gemaakt dat de omgevingsvergunningen worden geactualiseerd. Bij twintig bedrijven is in 2021 een ontwerpbeschikking gepubliceerd voor het ambtshalve wijzigen van de vergunning. Bij twee bedrijven moet dit nog gebeuren. De wijziging betreft het toevoegen van studie- en kaderstellende implementatievoorschrift(en) (‘Beheersen en bestrijden van plasbranden in tankputten met vastdaktanks voor stoffen van PGS29-klasse 0*, 1 en/of 2’). Controles en overtredingen bij bedrijven met PGS- als aandachtspunt In 2021 zijn 190 PGS 15-inspecties uitgevoerd. Dit aantal is lager dan in 2020.

Het aantal bedrijven met overtredingen lag fors hoger en ook het aantal overtredingen is significant meer dan in 2020. Het aantal PGS 29-inspecties bij opslagtanks is geïntensiveerd ten opzichte van 2020, maar het aantal overtredingen ligt beduidend lager. Jaarlijks worden andere thema’s en/of installaties geïnspecteerd en dat is de reden waarom de nalevingscijfers fluctueren. De gemene deler is wel dat er altijd veel overtredingen zijn op onderhoud van de tanks. Dat heeft ook de aandacht van DCMR. Naar aanleiding van de overtredingen wordt handhavend opgetreden. Tabel: Aantal inspecties PGS 15.

Jaar

Aantal controles

Aantal bedrijven met overtreding

Aantal overtredingen

2018 2019 2020

97 236 237

15 65 18

18 (niet ernstig) 62 (niet ernstig) 36 (niet ernstig)

2021

190

36

91

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

52 / 100

Tabel: Aantal inspecties PGS 29.

Jaar

Aantal controles

Aantal bedrijven met overtreding

Aantal overtredingen

2018 2019 2020 2021

54 59 65 95

8 7 12 8

10 (niet ernstig) 15 (niet ernstig) 53 (niet ernstig) 14 (niet ernstig)

6.2.3

Beperken van de gevolgen van incidenten

De overheid beoordeelt op basis van risicostudies (Quantitative risk assessment, QRA; Hazard operability, HAZOP) of een bedrijf zich op een locatie kan vestigen. Het gaat dan over bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vallen. In de risicostudies staan kritische veiligheidsvoorzieningen die bepalend zijn voor beperking van de omvang van een incident of de kans dat een incident kan voorkomen. Verder vindt er onderzoek plaats naar de omgeving: of er gevoelige objecten liggen binnen het risico-, invloeds-, of aandachtsgebied van het bedrijf. In de vergunning dienen de kritische veiligheidsvoorzieningen te staan. Deze moeten voldoen aan het criterium van de beste beschikbare techniek. Tijdens inspecties is onderzoek nodig of een bedrijf nog steeds aan de uitgangspunten van de risicostudies voldoet. Daarnaast is het van belang dat bedrijven leren van incidenten en ze steeds opnieuw de juiste voorzorgsmaatregelen nemen om incidenten te voorkomen en gevolgen te beperken. Wanneer bedrijven niet aan de eisen van de beste beschikbare technieken voldoen, ontstaan er vermijdbare veiligheids- en milieurisico’s. Er zijn drie indicatoren voor het beperken van gevolgen van incidenten bekeken: - Aantal en aard incidenten met gevaarlijke stoffen. - Aantal gewijzigde vergunningen op kritische veiligheidsvoorzieningen.

- Aantal inspecties en overtredingen ten opzichte van de uitgangspunten van de QRA. Wat is er bereikt? Aantal incidenten (ongevallen) bij Bevi-bedrijven Bedrijven in het Rijnmondgebied kunnen via het Centraal Incidenten Nummer (CIN) voorvallen melden die mogelijk om inzet van hulpdiensten vragen. Met een CIN-melding worden politie, brandweer, Rijkswaterstaat, Havenbedrijf Rotterdam en DCMR met een telefoongesprek gelijktijdig geïnformeerd. Bij de meeste meldingen is actie overigens niet nodig. In 2021 zijn er in totaal 257 CIN-meldingen binnengekomen bij DCMR. In onderstaande tabel is weergegeven om welke soort CIN-meldingen het ging. Het aantal CIN-meldingen zegt niet direct iets over het aantal incidenten. Het is wel een indicatie voor het meldgedrag van bedrijven. Ervan uitgaande dat de meldingsbereidheid niet is gewijzigd, kan mogelijk worden aangenomen dat het aantal incidenten afneemt. Bedrijven kiezen er zelf voor om transparant te zijn, maar DCMR tilt ook zwaar aan het niet of verkeerd melden door bedrijven. Tabel: CIN-meldingen.

2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Brand

126

158

140

101

146

151

186

149

196

220

150

219

133

Gevaar

13

10

15

6

25

33

26

20

30

37

29

37

23

Zonder gevaar

191

150

137

134

129

147

154

149

111

145

146

146

101

Totaal

330

318

292

241

300

331

366

318

337

402

325

402

257

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

53 / 100

Gewijzigde vergunningen op kritische veiligheidsvoorzieningen Er zijn in 2021 vier vergunningen behandeld om de kritische veiligheidsvoorzieningen uit nieuwe risicostudies van bedrijven te actualiseren. Met deze vergunningen worden de maatregelen en voorzieningen, die nodig zijn om de kans op een groot effect te minimaliseren, in voorschriften geborgd. Inspecties op de uitgangspunten van de QRA (kwantitieve risicostudies) Tijdens inspecties wordt onderzocht of een bedrijf nog steeds aan de uitgangspunten van de risicostudies voldoet. In 2021 zijn er 28 juistheidcontroles van de QRA uitgevoerd. Deze controles worden eens per vijf jaar uitgevoerd en zijn onderdeel van Brzo-inspecties. Naar aanleiding van een dergelijke juistheidscontrole geeft het adviesteam externe veiligheid een advies aan de Brzo-inspecteur met bevindingen (waarnemingen getoetst aan een norm). Deze worden door de Brzo-inspecteur opgenomen in de rapportage. Als er afwijkingen worden geconstateerd volgt er of een overtreding (indien de afwijking nadelige gevolgen heeft voor de risico’s) of een actie voor het bedrijf via het Brzo-spoor. In 2021 werd bij drie Brzo-bedrijven een overtreding geconstateerd. Bij achttien Brzo-bedrijven zijn afwijkingen geconstateerd die tot een of meer acties (niet zijnde een overtreding) voor het bedrijf heeft geleid.

6.3

Gezondheid

De beleidsopgave gezondheid kent vier focuspunten: 6.3.1

Uitstoot van zeer zorgwekkende stoffen verminderen

Een zeer zorgwekkende stof (ZZS) is een stof die gevaarlijk is voor mens of milieu omdat deze bijvoorbeeld carcinogeen, mutageen of reprotoxisch (CMR) is of zich in de voedselketen ophoopt. Het voorkomen van uitstoot van deze stoffen naar lucht, bodem, indirect naar afvalwater en/of afval- of afvalverwerking is dus belangrijk voor het behouden van een gezonde leefomgeving . ZZS kunnen in de bodem terechtkomen door het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen op of in de bodem. Dit wordt geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (verder Bbk), dat geen rekening houdt met ZZS. DCMR hanteert een brede definitie van ZZS, die verder gaat dan de huidige stoffenlijst van het RIVM. De volgende stoffen behoren tot de groep ZZS: - Opkomende stoffen zoals toegepast door de waterkwaliteitsbeheerders. Dit zijn stoffen waarvan de schadelijkheid nog niet bekend is. - Potentiële ZZS voor provinciale bedrijven. - Stoffen die het RIVM bestempelt als behandelen als ZZS of behandelen als pZZS (potentieel zeer zorgwekkende stof). - Door bedrijven zelf-geclassificeerde stoffen in CMR1A/B. Per opdrachtgever wordt bepaald hoe deze toegevoegde stoffen aan de groep ZZS worden toegepast. Er zijn vier indicatoren bekeken om vermindering van de uitstoot van ZZS te beoordelen: - Een actueel overzicht van de bedrijven die uitstoten en om welke ZZS het gaat. - Aantal geactualiseerde vergunningen op ZZS.

- Aantal uitgevoerde controles en overtredingen op ZZS. - Aantal bedrijven dat is geïnformeerd over regels, mogelijkheden en lessons learned met betrekking tot ZZS.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

54 / 100

Wat is er bereikt? Actueel overzicht van bedrijven die ZZS uitstoten en om welke ZZS het gaat Het RIVM werkt aan een landelijke database voor emissies en (in)directe lozingen van ZZS. DCMR heeft daarvoor een uitvraaglijst geleverd, gebaseerd op vragen aan provinciale bedrijven over hun ZZS-situatie. Onderdeel van deze database zijn de werkelijke en gemaximeerde emissies en (in)directe lozingen gebaseerd op de maximale vergunde productiecapaciteit. De verwachting is dat de database in de loop van 2022 in gebruik genomen wordt. De database zal aan het e-MJV (systeem voor het indienen elektronische milieujaarverslagen door bedrijven) worden gehangen, althans softwarematig, niet juridisch. Daarmee worden de ontwikkelingen in beeld gebracht. Er wordt nog gezocht naar de gewenste registratiemethoden en wettelijke verplichtingen op dat gebied. De database zal voorlopig alleen de gegevens uit de ZZS-uitvraag van de provinciale bedrijven bevatten, later volgt de toevoeging van gemeentelijke bedrijven. De nieuwe database is een stuk completer wat betreft de ZZS-informatie dan de informatie over ZZS in het e-MJV (wettelijk kader EU) omdat de drempelwaarden bij het e-MJV relatief hoog zijn en het aantal stoffen beperkt.

Laatste ontwikkelingen op dit gebied zijn dat er aangesloten gaat worden op de ZZS-informatieplicht op basis waarvan bedrijven iedere vijf jaar inzicht moeten geven in de tot dan toe gebruikte ZZS en hun inspanningen om dit gebruik te minimaliseren. De updates van de RIVM-database zullen daarmee ook vijfjaarlijks gedaan worden, tenzij er met een vergunningprocedure wijzigingen optreden met betrekking tot de ZZS-informatie. Aantal geactualiseerde vergunningen op gebied van ZZS Er zijn standaardvoorschriften opgesteld voor acceptatie en registratie van ZZS-houdende afvalstoffen. Er is een stel standaardvoorschriften voor de industriële bedrijven en een stel voor afvalverwerkende bedrijven. Voor type B-bedrijven en type C-bedrijven die niet onder de bevoegdheid van de provincie Zuid-Holland vallen moeten nog aparte voorschriften worden ontwikkeld. De verwerking van afval met ZZS moet aan het landelijk afvalbeheerplan (LAP3) voldoen en dit moet in de vergunning zijn vastgelegd door het bevoegd gezag. Voor de actualisatie wordt enerzijds gebruik gemaakt van de basisgegevens van de ZZS-uitvraag. In dit geval de uitvraag van de afvalverwerkende bedrijven waarbij zowel gevraagd is naar de ZZS-emissies naar lucht/de lozing van ZZS in het afvalwater als naar LAP3-informatie met betrekking tot afvalverwerking.

In 2021 is gestart met de screening van de gegevens/vergunningen op volledigheid van de aangeleverde gegevens. De daadwerkelijk actualisatie start in 2022. Van de ZZS-uitvraag bij de chemische industrie moeten van tenminste 46 bedrijven de vergunning worden aangepast. Dit betekent dat de bedrijven of een vergunning moeten aanvragen, omdat de (p)ZZS-stof niet in de aanvraag van de vigerende vergunningen zijn genoemd, of er moet een aanpassing van de vergunning komen omdat een stof ten tijde van het verlenen van de vergunning niet als (p)ZZS werd aangemerkt. De stand van zaken eind 2021 is als volgt: vijf zaken zijn afgesloten omdat de p(ZZS) van de lijst is verwijderd, zestien procedures zijn afgerond en bij zeven bedrijven wordt de ZZS-actualisatie meegenomen in de revisieaanvraag. De overige achttien zaken zijn nog in behandeling. In 2021 is gestart met een ZZS-cursus voor zowel toezicht als vergunningverleners. Dit zal doorlopen in 2022. Inmiddels zijn ook de beoordelingen bij de branches raffinaderijen en tankop- en tankoverslagbedrijven afgerond. Hieruit volgt dat er actualisatie van al deze vergunningen moet plaatsvinden. In het kader van het potentiële ZZS-beleid van de provincie Zuid-Holland zijn in veel procedures tot actualisatie van omgevingsvergunningen kritische zienswijzen ingediend.

Dit heeft geleid tot aanpassingen van de standaard ZZS-voorschriften en consideransteksten. Recentelijk zijn de eerste beroepsprocedures tegen de ZZS-actualisatie omgevingsvergunningen gestart. De gemeente Rotterdam heeft opdracht gegeven onderzoek te doen naar een twintigtal zeer zorgwekkende stoffen in de bodem. Ook het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gaat landelijk

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

55 / 100

soortgelijk onderzoek uitvoeren. DCMR is hierbij betrokken. Dit soort onderzoeken kunnen nieuwe inzichten opleveren die op termijn verwerkt kunnen worden in beleid en wetgeving en daaropvolgend vergunningverlening en toezicht. Aantal inspecties en overtredingen op gebied van ZZS Op de emissiegrenswaarde (EGW) lucht wordt een keer per twee jaar gecontroleerd op ZZS en op EGW afvalwater wordt een keer per twee jaar op ZZS gecontroleerd. Tabel: Aantal inspecties ZZS.

Jaar

Aantal bedrijven gecontroleerd

Aantal bedrijven met overtreding

Aantal bedrijven zonder overtreding

2018 2019 2020 2021

2 47 84 79

0 0 1 4

2 47 83 75

In 2021 is gecontroleerd op de emissiegrenswaarden van de lozing van ZZS in het afvalwater. Er zijn in totaal 79 controles uitgevoerd, waarbij vier overtredingen werden geconstateerd. Er is een nieuwe checklist ontwikkeld voor toezicht op de nieuwe voorschriften voor het acceptatie- en verwerkingsbeleid van ZZS in afvalstoffen. Vergunningplichtige bedrijven die afvalstoffen ontvangen moeten meestal beschikken over een acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en een beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC). Concreet houdt dit bijvoorbeeld in dat bedrijven jaarlijks een register moeten voorleggen met de ZZS die aanwezig zijn binnen het bedrijf en of hier wijzigingen of aanvullingen op zijn gekomen. Ook zullen de bedrijven hun A&V-beleid actueel moeten houden. Aantal bedrijven dat is geïnformeerd over regels, mogelijkheden en lessons learned met betrekking tot ZZS Er is nog geen sprake van een aanpak op dit gebied. Wel zijn er in 2021 intern cursussen georganiseerd waardoor toezichthouders, vergunningverleners en adviseurs nu goed op de hoogte zijn van actuele regelgeving op het gebied van ZZS. Zij kunnen die kennis dan overdragen op de bedrijven. Deze cursussen gaan door in 2022. In Zuid-Holland is in 2021 een kennisschakelpunt gestart voor kennis over zeer zorgwekkende stoffen in een circulaire economie.

Diverse overheden en uitvoeringsdiensten uit de regio werken hier aan nieuwe kennis over gebruik van afval waarin ZZS zitten. DCMR brengt omgevingsdiensten, waterschappen, de provincie, gemeenten en kennisinstellingen samen om kennis te delen en verder te ontwikkelen. Enerzijds om reststromen die verontreinigd zijn met ZZS toch circulair te kunnen inzetten. Anderzijds om te voorkomen dat de aanwezigheid van deze stoffen in processen leidt tot niet-herbruikbare afvalstoffen. In de eerste fase gaat het erom het netwerk zichtbaarder en actief te maken. Hiertoe is een promotietekst opgesteld voor de interne communicatie bij de vijf Zuid-Hollandse omgevingsdiensten. Bij Omgevingsdienst NL is een kennisnetwerk opgericht met verschillende functies waaronder een forumpagina. Er is een mailadres: kennischakelpunt-pzh@dcmr.nl. Er is een overzicht van binnengekomen vragen waarmee wordt geoefend met het delen en beantwoorden van vragen. Tot slot is er gewerkt aan een tool om het kennisnetwerk te visualiseren.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

56 / 100

6.3.2

Uitstoot van fijnstof en stikstof verminderen

Bij dit focuspunt gaat het om de vermindering van de uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2.5) en stikstof door bedrijven en activiteiten. Met stikstof gaat het om stikstofverbindingen, dus zowel om stikstofoxiden als om ammoniak. Fijnstof kan nadelige gezondheidseffecten veroorzaken, zoals longproblemen. Ook bij concentraties onder de wettelijke grenswaarden kunnen deze gezondheidseffecten optreden. De uitstoot van stikstofoxiden (NOx) draagt bij aan concentraties stikstofdioxide (NO2) op leefniveau. Bij hoge concentraties kan dit gezondheidsproblemen veroorzaken. Daarnaast draagt NO x, samen met ammoniak (NH3), bij aan de stikstofdepositie op kwetsbare natuurgebieden. Vanwege de ernst van deze effecten is besloten dit focuspunt voort te zetten en ook de komende jaren extra aandacht te geven. In mei 2019 ontstond de stikstofcrisis naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Als gevolg daarvan is het terugdringen van stikstofemissie noodzakelijk voor het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwplannen en industriële uitbreidingen. Daarnaast is het in het belang van de volksgezondheid. Het Schone Lucht Akkoord (SLA), afgesloten en ondertekend door het Rijk, gemeenten en provincies, benadrukt dit maatschappelijk belang.

Binnen het DCMR-gebied hebben verschillende participanten het SLA ondertekend en zijn de uitgangspunten door alle participanten onderschreven. De maatregelen uit het klimaatakkoord leiden ook tot een verminderde uitstoot van emissies van fijnstof, maar vooral van NOx. Het is de ambitie om zo dicht mogelijk aan de onderkant van de best beschikbare technieken (BBT)-range te vergunnen, met als doel de luchtkwaliteit te verbeteren en daarmee uitvoering te geven aan de industriemaatregelen uit het SLA. Wat is er bereikt? Eind mei 2021 heeft de gedeputeerde een pas op de plaats gemaakt met het geven van invulling aan het SLA, omdat hij een level playing field wilde met andere omgevingsdiensten. Ook was hij van mening dat Deltalinqs in de discussie moest worden betrokken. De actualisatietoetsen van vergunningen zullen verder worden afgerond zonder invulling te geven aan het SLA. Wel is in de afrondende brief aan de betrokken bedrijven een opmerking gemaakt over het SLA en is een voorbehoud gemaakt dat mogelijk aanvullende eisen kunnen worden gesteld als wel tot uitvoering van het SLA wordt overgegaan. 6.3.3

Voorkomen van gezondheidsrisico’s door asbest

Bij de sanering van asbest treden bijzonder grote risico’s op voor de gezondheid. Asbestsaneerders en personen in de omgeving kunnen bij slecht uitgevoerde asbestsaneringen asbestvezels inademen. Handelingen van de niet-gecertificeerden en particulieren leiden vaak tot een verontreiniging van de omgeving. De Rijksoverheid wil vanaf 2040 geen nieuwe asbestslachtoffers. Maatregelen voor veilige en gezonde asbestverwijdering zijn over het algemeen kostbaar en daarom niet geliefd bij saneerders en hun opdrachtgevers. Bij particuliere saneringen ontbreekt het regelmatig aan de juiste kennis. DCMR startte in 2018 met het toezicht op de asbestsanering. De ambitie is een uniform basisniveau van de uitvoering voor alle gemeenten in het Rijnmondgebied. Hierbij gelden de volgende ontwikkelingen en prioriteiten: - Door wetswijzigingen gaan de laagrisicosaneringen toenemen: ook niet-gecertificeerde aannemers mogen asbest gaan verwijderen. Dit verhoogt de kans op mindere kwaliteit van asbestverwijderen en daarmee een grotere kans op verspreiding van asbestvezels naar de leefomgeving. - Het verbod op asbestdaken is voorlopig van de baan. Maar (oude) asbestdaken leveren wel risico’s voor gemeenten. Een gezondheids- en milieurisico omdat deze daken in slechte staat kunnen verkeren en een financieel risico omdat verzekeraars saneringen na calamiteiten in de toekomst niet meer volledig dekken.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

57 / 100

-

Particulieren geven vaak aan dat zij het asbest al hebben verwijderd voordat zij de sloopmelding deden. Een risico hierbij is dat zij asbest verwijderen dat – vanwege gezondheidsrisico’s – niet is vrijgesteld voor particulieren.

Er drie indicatoren bekeken voor het focuspunt gezondheidsrisico’s door asbest voorkomen: - Aantal voorlichtingsacties. - Goedkeuringspercentage van aantal sloopmeldingen. - Aantal uitgevoerde controles en overtredingen op asbest. Wat is er bereikt? In de loop der jaren is DCMR asbesttaken voor steeds meer gemeenten gaan uitvoeren. Het werkgebied van de DCMR-asbestdeskundigen (ASD’s) wordt per 1 januari 2022 uitgebreid met de gemeenten Rotterdam en Goeree-Overflakkee. Voorlichtingsacties In 2021 was er een toename in het gebruik van de asbesttelefoon ten opzichte van 2020. De asbesttelefoon wordt steeds bekender en wordt vrijwel dagelijks gebruikt. Wekelijks is er een asbestdeskundige van DCMR beschikbaar voor de beantwoording van telefoontjes van burgers en bedrijven. Zij worden meestal direct geholpen en dat wordt erg gewaardeerd. DCMR zet in op goede samenwerking met diverse partijen binnen de asbestbranche en organiseert met dit doel ook voorlichtingen, zoals aan een groep deskundigen inventarisatie asbest (DIA’s). De DIA’s onderzoeken bouwwerken en objecten en maken de asbestinventarisatierapporten. Die informatie gebruikt DCMR voor de beoordeling van sloopmeldingen. Aan de asbestinventarisatiebureau’s is uitgelegd wat de asbesttaken van DCMR zijn en er zijn afspraken gemaakt om een goede samenwerking te bevorderen.

Het staat op de planning om een soortgelijke bijeenkomst te organiseren voor asbestsaneerders, door corona is dit helaas nog niet mogelijk geweest. Het plan is om dit in 2022 te organiseren. De laatste partij binnen de asbestbranche, waarvoor nog voorlichting georganiseerd moet worden, zijn de asbestlaboranten, die beoordelen of saneringen succesvol zijn verlopen. Voorlichting aan particulieren gebeurt nu vooral nog vanuit de gemeenten en daarin denkt DCMR mee. Dit wordt steeds meer een samenspel tussen DCMR en de gemeenten, bijvoorbeeld als het gaat over het informeren van burgers over de aanpak van asbestdaken Goedkeuringspercentage van aantal sloopmeldingen Jaar

Aantal goedgekeurd

Goedkeuringspercentage

2019

989

74%

2020

2.143

87%

2021

2.738

90%

Voorafgaand aan het verwijderen van asbest is het voor een bedrijf of particulier verplicht een sloopmelding te doen via het omgevingsloket. Die meldingen komen rechtstreeks bij DCMR binnen. DCMR beoordeelt deze sloopmeldingen en hierop volgt een goedkeuring of afkeuring. Na de sloopmelding volgt er nog een startmelding om de start van de werkzaamheden aan te geven. Bovenstaande tabel toont dat het aantal sloopmeldingen de afgelopen jaren is toegenomen omdat vanaf 2019 het aantal gemeenten is toegenomen waarvoor DCMR asbesttaken uitvoert. Het percentage goedgekeurde sloopmeldingen is ook met de jaren toegenomen. Een verklaring hiervoor is dat DCMR de afgelopen jaren veel meer contact heeft gehad met de bedrijven en particulieren, waardoor zij beter op de hoogte zijn van de vereisten om een asbestsanering in gang te zetten. Onder andere de goede bereikbaarheid van de asbestdeskundigen van DCMR via de asbesttelefoon heeft daaraan

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

58 / 100

bijgedragen. Door de aansluiting van de gemeenten Rotterdam en Goeree-Overflakkee begin 2022 zou het afkeuringspercentage weer kunnen oplopen. Vooral Rotterdam zorgt voor een grote toename in het aantal sloopmeldingen. Er moet nog worden gewerkt aan een goede informatieoverdracht van DCMR naar diverse partijen in de asbestbranche van deze gemeenten. Ook moeten deze gemeenten de weg naar de asbesttelefoon nog vinden. De sloopmeldingen die bij DCMR binnenkomen zijn van bedrijven of particulieren die asbest willen verwijderen. - Mutatie: Gaat om sloopmeldingen voor bedrijfsmatige asbestsaneringen. Dit geldt voor tijdelijk leegstaande woningen of bewoonde woningen die snel gerenoveerd moeten worden zodat de woning binnen korte termijn weer in gebruik genomen kan worden. Eventuele verwijdering van asbest moet daarom ook snel kunnen plaatsvinden. Om die reden geldt er voor de verwerking van dit soort meldingen een wettelijke termijn van vijf dagen - Regulier: Gaat om sloopmeldingen bedrijfsmatige saneringen. Geldt voor panden die in zijn geheel gerenoveerd moeten worden en waarbinnen asbest verwijderd moet worden. Voor deze sloopmeldingen geldt een wettelijke termijn van vier weken. - Particulier: Gaat om meldingen van asbestsaneringen die door particulieren uitgevoerd mogen worden. Voor deze sloopmeldingen geldt een wettelijke termijn van vijf werkdagen.

- Advies gemeenten: In sommige gevallen geeft DCMR advies aan gemeenten over sloopmeldingen. 2021

Aantal goedgekeurd

Goedkeuringspercentage

242

85%

Bedrijfsmatig - Mutatie

1.373

94%

Bedrijfsmatig - Regulier

726

89%

Particulier

397

85%

2.738

90%

Advies gemeente

Totaal

Uitgevoerde controles en overtredingen op asbest Sinds de start wordt gebruik gemaakt van landelijk vastgestelde checklists door Omgevingsdienst NL voor het risicogestuurd controleren op de uitvoering van asbestsaneringen. Per 2022 wordt een vernieuwde asbestchecklist in gebruik genomen die het mogelijk maakt om te achterhalen of saneringen door een gecertificeerd of niet-gecertificeerd bedrijf is uitgevoerd. Zoals eerder vermeld komt er een wetswijziging waardoor straks ook niet-gecertificeerde saneerders asbest mogen verwijderen met het risico dat zij het asbest minder professioneel en met minder zorg saneren. Dit wordt vanaf volgend jaar gemonitord. 6.3.4

Aanwezigheid van schadelijke stoffen in de bodem voorkomen

Het is wettelijk verplicht om de bodem te beschermen tegen de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Bij verschillende bedrijfsactiviteiten is het risico dat schadelijke stoffen vrijkomen en in de bodem terechtkomen. Om de impact op de bodemkwaliteit te beperken, moeten de bedrijfsactiviteiten, in lijn met de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming, voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico. Als bedrijven hier niet aan voldoen, bestaan er milieurisico’s voor de bodem bij het betreffende gebied. Het bedrijf kan voor bestaande situaties waar verwaarloosbaar bodemrisico niet kan worden bereikt met een maatwerkverzoek een aanvaardbaar bodemrisico aanvragen. Saneringsmaatregelen zijn vaak kostbaarder dan preventieve maatregelen. Een inventarisatie onder RIE-bedrijven (Richtlijn Industriële Emissies) toonde aan dat lang niet alle bedrijven aan deze wettelijke verplichting voldoen of maatwerk hebben aangevraagd. Als gevolg daarvan is er een aanpak nodig om de bodembescherming beter te borgen. Er zijn twee indicatoren bekeken voor het focuspunt schadelijke stoffen in de bodem voorkomen: - Aantal geactualiseerde vergunningen waarbij aanvaardbaar bodemrisico is vergund.

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

59 / 100

-

Aantal inspecties bij RIE4- of Brzo-bedrijven waar de benodigde maatregelen zijn genomen om verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken.

Wat is er bereikt? Geactualiseerde vergunningen met maatwerk voor aanvaardbaar bodemrisico In 2021 zijn bij vijftien bedrijven maatwerkbeschikkingen verleend waarmee aanvaardbaar bodemrisico voor bedrijven is vastgelegd. Op basis van de eerdere inventarisatie is bij 56 RIE-bedrijven de noodzaak van maatwerk voor aanvaardbaar bodemrisico niet uit te sluiten. Bij alle maatwerkverzoeken wordt een tijdelijk aanvaardbaar bodemrisico vergund. De hierbij geëiste financiële zekerheid dwingt bedrijven om toch verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren, zodat ze uiteindelijk alsnog aan verwaarloosbaar bodemrisico zullen gaan voldoen. Er zijn ook andere procedures doorlopen, te weten ambtshalve actualisaties, revisievergunningen en oprichtingsvergunningen. Op dit moment kan uit de DCMR-systemen niet worden achterhaald hoeveel dit er zijn geweest. Mogelijk is met het ontsluiten van een ontbrekend veld in de datawarehouse dit inzicht in de rapportage over 2022 wel mogelijk. Inspecties op maatregelen om verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken In 2021 is bij twintig inspecties geïnspecteerd op verwaarloosbaar bodemrisico. Hiervoor is de checklist verwaarloosbaar bodemrisico ingezet. Bij zes bedrijven (32%) zijn overtredingen geconstateerd.

6.4

Leefbaarheid

De beleidsopgave leefbaarheid kent drie focuspunten: 6.4.1

Geluidhinder voorkomen

Geluidhinder heeft een negatief effect op de gezondheid, de leefbaarheid van de woonomgeving en op de flora en fauna. Het maatschappelijk draagvlak voor geluidproducerende activiteiten neemt af. Tegelijkertijd is er sprake van bouw van nieuwe woningen in de buurt van geluidbronnen waarmee het risico op geluidhinder verder toeneemt. Het is belangrijk de balans tussen leefbaarheid en ruimtegebruik goed in de gaten te houden. Dit focuspunt bestaat uit twee onderwerpen: - Het voorkomen van hinder van nestgeluid van afgemeerde schepen. - Het verminderen van geluidhinder door vrijetijdsbesteding (horeca, sport en recreatie en evenementen). Geluidhinder in de horeca was ook een focuspunt in het vorige MJP (2017–2020). De aanpak gericht op preventie heeft al geleid tot minder geluidklachten in de horeca en is daarom met het huidige MJP doorgezet. De aanpak is verbreed naar geluidsoverlast voor de sport en recreatie en evenementen en de aanpak van nestgeluid. Nestgeluid is het geluid dat afgemeerde schepen produceren als er niet op of aan de schepen wordt gewerkt en er geen laad- en losactiviteiten plaatsvinden. Nestgeluid kan leiden tot geluidoverlast bij omwonenden. Naast het hinderaspect zijn er ook juridische aspecten. Veel bedrijven in het Rijnmondgebied waar schepen afmeren moeten een verandervergunning aanvragen om nestgeluid mee te nemen in de geluidvoorschriften.

Nestgeluid kan effect hebben op woningbouwplannen in de omgeving van bedrijven waar schepen aan de kade liggen, maar ook op de beschikbare geluidruimte en de ontwikkelingsmogelijkheden van de haven. De branches horeca, sport en recreatie en evenementen hebben een gemeenschappelijke uitdaging. Aan de ene kant zijn het branches die zorgen voor vermaak en ontspanning voor inwoners. Tegelijkertijd komt het merendeel van de geluidgerelateerde klachten (geluid, trilling- en contactgeluiden) uit

Jaarverslag en jaarrekening DCMR Milieudienst Rijnmond 2021

60 / 100

2

deze branches . De afgelopen jaren is er een toename aan evenementen, 24-uurs sportscholen en buiten sporten. Ook de horeca blijft een bron van geluidhinder voor inwoners. Met de toenemende 3 verdichting van de woonomgeving is de verwachting dat deze trend doorzet . Hierbij is het de uitdaging de balans tussen rust en reuring te bewaken. Dit voorkomt overbelasting van (woon)gebieden en blijven deze gebieden leefbaar. Er zijn vijf indicatoren bekeken voor de het focuspunt geluidhinder voorkomen: - Aantal klachten over nestgeluid. - Aantal voor nestgeluid geactualiseerde vergunningen. - Aantal lopende handhavingszaken met betrekking tot nestgeluid. - Percentage van bedrijven met klachten bij horeca, sport en recreatie. - Aantal geluidklachten door evenementen. Wat hebben we bereikt? Geluidklachten over nestgeluid Tot de zomer van 2021 werden nog geen klachten verzameld op nestgeluid. Aan de hand van verschillende subhaarden van geluid kon hiervan wel een inschatting gemaakt worden, maar geen betrouwbare. Om die reden heeft de meldkamer een aparte meldcategorie voor nestgeluid gemaakt waardoor sinds juli 2021 gericht data is verzameld en 31 klachten zijn geregistreerd. De klachten over de eerste helft van 2021 zijn daarin niet meegenomen. Deze praktijk is onlangs ingevoerd, de registratie van deze klachten wordt verder verbeterd.

Geactualiseerde vergunningen Binnen het project nestgeluid is samen met gemeenten gewerkt aan een aanpak voor nestgeluid van afgemeerde schepen. Er wordt een strategie opgesteld om op termijn nestgeluid op te nemen in omgevingsvergunningen voor het reguleren van nestgeluid bij bedrijven. Ook worden voorstellen geformuleerd voor nestgeluid in woningbouwplannen en in handhavingskwesties. De implementatie gebeurt in overleg met de gemeenten. Omdat bij de vaststelling van de geluidzones van industrieterreinen in de jaren ’90 geen rekening is gehouden met nestgeluid, kan dit tot knelpunten leiden. DCMR inventariseert de benodigde en beschikbare geluidruimte van bedrijven en industrieterreinen en kijkt of knelpunten oplosbaar zijn met maatregelen dan wel maatwerk. De gemeente Rotterdam heeft beleid ontwikkeld in het kader van het RAK (regionaal afsprakenkader) om nestgeluid mee te nemen in woningbouwplannen. De aanpak op vergunningverlening voor nestgeluid is nog volop in ontwikkeling. Gemeenten en de provincie Zuid-Holland zoeken naar een goede inpassing van nestgeluid in de vergunningen. De gemeente Rotterdam vervult een voortrekkersrol en trekt daarin op met de provincie. Rotterdam heeft vooralsnog besloten om nestgeluid nog niet op te nemen in de vergunningen als industrielawaai, omdat dit niet goed is in te passen in de geluidszones.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/843/documents/32067