Geerpolder Rijsoord - BP TOELICHTING.pdf
Tekst van het document
Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de plannen goed is en de plannen inspelen op de visie en het beleid van de gemeente. Binnen het thema ‘Meer variatie, de juiste woningen’ geeft de gemeente aan dat zij wil zorgen voor de juiste woningen op de juiste plek, voor de juiste doelgroepen. Hiermee kunnen verschillende doelen worden bereikt, zoals het op gang krijgen van doorstroming, het behouden van een draagkrachtige bevolking en het zoveel mogelijk vasthouden van jongeren en starters. Met inachtname van het voorgaande legt de gemeente in haar actuele woonvisie het accent van de woonopgave op de koopsector. En dan vooral op de goedkopere koop (tot € 250.000, prijspeil 2021), waarbij behoefte is aan zowel grondgebonden woningen als appartementen. Deze woningen zijn belangrijk om starters/jongeren voor Ridderkerk te behouden. Ook constateert de gemeente een behoefte aan koopwoningen in het duurdere segment (vooral grondgebonden, vanaf € 350.000,- (prijspeil 2021)), een segment dat relatief weinig voorkomt in Ridderkerk. Aanvullend hierop stelt de gemeente dat dit type woning zorgt voor het behoud van een draagkrachtige bevolking en tevens voor doorstroming. Ten behoeve van het op- en vaststellen van de Woonvisie heeft de gemeente de kwalitatieve woningbehoefte in beeld gebracht, een en ander op basis van de resultaten van het WoON20183.
Op basis van woonvoorkeuren per huishoudenstypen van Ridderkerk en de prognose van de ontwikkeling van die huishoudens in de komende jaren is een goede indicatie verkregen van de belangrijkste opgaven voor de woningvoorraad en de nieuwbouw. Dit in de vorm van een vraagaanbodbalans, waarin de behoefte is afgezet tegen het naar verwachting vrijkomend aanbod. De aldus uitgevoerde analyse heeft geleid tot het beeld dat er een (beperkte) behoefte is aan huurwoningen in de vrije sector en het accent vooral ligt in de koopsector. Er is een forse vraag geconstateerd naar grondgebonden woningen in diverse prijsklassen. De vraag is het sterkst in de categorie koopwoningen tot € 250.000 (prijspeil 2018), waaronder zeker ook voor starters. Maar er is ook behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het duurdere segment (vanaf € 350.000, prijspeil 2018). Bijvoorbeeld voor het op gang krijgen van doorstroming uit de ruimere voorraad minder dure koopwoningen. Het voorgaande is nader weergegeven in figuur 4.6.
3 WoON: landelijk woningbehoefteonderzoek dat eens in de 3 jaar wordt uitgevoerd.
50
Figuur 4.6: Indicatie kwalitatieve woningbehoefte in Ridderkerk, 2020-2030 (koopprijzen x € 1000).
Op hoofdlijnen komt op grond van het voorgaande het volgende beeld naar voren: ˗ Er lijkt geen grote uitbreidingsbehoefte in de sociale huursector te zijn. ˗ Ridderkerk zit ruim in de huurappartementen. ˗ Aan particuliere huurwoningen is beperkte behoefte in het grondgebonden segment; ˗ Accent ligt verder vooral in de koopsector. De vraag lijkt met name sterk te zijn in de goedkopere categorie (waaronder zeker ook voor starters), maar er is ook behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het duurdere segment. Dat segment komt relatief weinig voor in Ridderkerk, en kan zeker een goede strategische toevoeging zijn (ook met het oog op doorstroming uit de ruimere voorraad minder dure koopwoningen); ˗ Accent ligt binnen de koopsector sterk op grondgebonden woningen. Planvorming Geerpolder De situering van de beoogde 76 woningen in een woonlandschap met veel ruimte voor water en groen maakt dat de planvorming zowel kwantitatief als kwalitatief beantwoordt aan de ambities en opgaven, zoals gesteld in de Woonvisie. Getoetst aan de behoefte aan woningen voor starters en ouderen voldoet het plan aan gesteld ambities en doelstellingen van de gemeente. Van de te realiseren woningen zit 34% immers in het betaalbare segment. Daarnaast zijn er ook nog 12 rijwoningen (16%) ingebracht, die verkocht gaan worden onder de NHG-grens.
Maar er is, zo blijkt uit de kwalitatieve woningbehoefte die is gemaakt voor de Woonvisie, ook behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het duurdere segment. De Woonvisie stelt dat dit segment relatief weinig voorkomt in Ridderkerk en kan hiermee een goede strategische toevoeging worden gecreëerd, mede met het oog op doorstroming uit de ruimere voorraad minder dure koopwoningen. Resumerend kan worden gesteld dat het plan Geerpolder past binnen de kaders van de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026. Een bevestiging hiervan volgt uit het gegeven dat het plan tevens is opgenomen op het projectenoverzicht (zie figuur 4.7), dat gelijk met de Woonvisie door de gemeenteraad is vastgesteld, waardoor het plan onderdeel is geworden van deze visie.
51
Figuur 4.7: Projectenoverzicht Omgevingsvisie Ridderkerk.
Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming vormt geen significante strijdigheid met de gemeentelijke Woonvisie. Conclusie Zowel het plan Geerpolder-Rijsoord als de planvorming voor de locaties van derden aan de Rijksstraatweg zijn inpasbaar binnen de ambities en doelstellingen van het provinciale beleid.
52
5
OMGEVINGSASPECTEN
5.1
Bedrijven en milieuzonering Ruimtelijke ordening in Nederland is gericht op het creëren van zowel een aangenaam woon- en leefklimaat als een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Een goede ruimtelijke ordening voorkomt voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bedrijven. Daarnaast biedt het bedrijven voldoende zekerheid om hun activiteiten uit te kunnen voeren. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat over vestigingslocaties voor woningen enerzijds en bedrijven anderzijds. Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf en de omgeving. Hierbij gaat het vooral om de vraag welke afstand aanvaardbaar is tussen (nieuwe) bedrijven en (nieuwe) woningen. Steeds meer vormen van bedrijvigheid lenen zich overigens prima voor functiemenging. Anders gezegd: bepaalde bedrijven zijn verenigbaar met woningen in hetzelfde gebied. De (Rijks)overheid hanteert in dit verband als uitgangspunt: “functiemenging waar het kan, functiescheiding waar het moet”. Vanuit deze achtergrond wordt in dit bestemmingsplan aangesloten bij de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Voor het bepalen van de aan te houden afstand tussen woningen en bedrijven zijn in de VNGbrochure richtafstanden opgenomen.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Figuur 5.1 geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer. Figuur 5.1: Richtafstanden versus omgevingstypen (Bron: VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’).
* Omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’: een omgeving die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen hier vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. * Omgevingstype ‘gemengd gebied’: gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot gemengd gebied.
Planvorming Geerpolder Het plangebied bevindt zich in een omgeving, die conform het vigerende bestemmingsplan getypeerd kan worden als ‘gemengd gebied’. De aanwezigheid van meerdere gebiedsfuncties in dit deel van de gemeente Ridderkerk is gevisualiseerd in figuur 5.2(a+b).
53
Figuur 5.2a: Planologische omgeving plangebied Geerpolder-Rijsoord (Bron: vigerend bestemmingsplan).
Figuur 5.2b: Planologische omgeving Rijsoord (Bron: Beheersverordening Rijsoord 2013).
Conform de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een glastuinbouwbedrijf een bedrijf in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied, waarvan hier sprake is. Deze richtafstand betreft daarbij de afstand tussen de grens van het bedrijfsperceel en de gevel van nabijgelegen woningen. Op grond van bovenstaande referentiesituatie, waarin de huidige woningen direct grenzen aan percelen van zowel bestaande bedrijven als (te handhaven) kassen, kan worden gesteld dat het plan Geerpolder en daarmee de bouw van de nieuwe woningen in beginsel plaatsvindt op passende afstand van de bestaande bedrijvigheid in dit deel van Ridderkerk. Volledigheidshalve is in figuur 5.3 (onder meer) een overzicht opgenomen van de kassen, die in het kader van het plan Geerpolder worden gesaneerd. Deze kassen hebben binnen de vigerende enkelbestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘Glastuinbouw’. Zowel de
54
onderliggende enkelbestemming als de specifieke functieaanduiding komen voor de betreffende percelen te vervallen bij realisatie van het plan Geerpolder. Figuur 5.3 toont verder aan grenzend aan het plangebied Geerpolder één perceel met enkelbestemming ‘Agrarisch’ en functieaanduiding ‘Glastuinbouw’ gehandhaafd wordt. Geconstateerd kan worden dat de bedrijfsvoering van dit glastuinbouwbedrijf, met name de ontsluiting van het bijbehorende bedrijfsverkeer, georiënteerd is op de Lagendijk. Eveneens kan worden geconstateerd dat dit glastuinbouwbedrijf direct grenst aan een perceel aan de Lagendijk met een (reguliere) woonbestemming. Deze directe aansluiting van woonperceel op glastuinbouwperceel is in belangrijke mate bepalend voor de aanwezigheid van een verantwoord woon- en leefklimaat in dit deel van Ridderkerk c.q. Rijsoord. Gelet op de hier aanwezige directe aansluiting tussen woon- en glastuinbouwperceel kan worden gesteld een verantwoord woon- en leefklimaat eveneens van toepassing is op de beoogde woningen in het plan Geerpolder. Figuur 5.3: Bestemmingsplan (links), te saneren kassen (in groen, midden) en plan Geerpolder (rechts) .
Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming betekent impliciet het opheffen van hier aanwezige (agrarische) bedrijfsmilieuzones en het (verder) verbeteren van het aanwezige woonklimaat in dit deel van Rijsoord. Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.2
Geluid Het aspect Geluid is primair geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet richt zich vooral op een verantwoorde ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, ten opzichte van geluidsbronnen, zoals wegverkeer, railverkeer en industrie. Aanvullend heeft de gemeente Ridderkerk het Actieplan Geluid 2019-2023 vastgesteld met daarin plandrempels en ambitiewaarden voor de geluidsbelastingen van diverse geluidbronnen binnen de gemeentegrens.
55
Onder bepaalde omstandigheden is het onmogelijk om onder de Wgh woningbouw te realiseren en is - gezien de uitgebreide woningopgave - de Interimwet Stad en Milieubenadering ontstaan, waarbij onder bepaalde voorwaarden van de grenswaarden uit de Wgh kan worden afgeweken. Wet geluidhinder (Wgh) In de Wgh zijn eisen opgenomen voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegen. Bij deze toetsing wordt een aftrek verrekend volgens artikel 110g Wgh. Figuur 5.4 geeft een overzicht van de Wgh-eisen. De weergegeven grenswaarden zijn inclusief aftrek artikel 110g Wgh. (tussen haakjes de waarde zonder deze aftrek). Figuur 5.4: Grenswaarden Wgh voor wegverkeer en nieuwe woningen met (zonder) aftrek artikel 110g Wgh.
Actieplan Geluid gemeente Ridderkerk De gemeente Ridderkerk heeft het Actieplan Geluid 2019-2023 vastgesteld. Hierin zijn plandrempels en ambitiewaarden opgenomen voor geluidsbelastingen van diverse geluidbronnen. De plandrempel voor het stedelijk wegverkeer bedraagt daarbij 63 dB Lden en boven een cumulatieve waarde van 65 dB Lden is naar het oordeel van het College van B&W sprake van een onaanvaardbare geluidsbelasting en kan geen hogere waarde worden vastgesteld. Daarnaast heeft de gemeente Ridderkerk een ambitiewaarde van 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh) vanwege de rijksweg opgenomen, waarboven bij voorkeur geen nieuwe ontwikkelingen langs rijkswegen worden gerealiseerd. Dit alles om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Interimwet Stad en Milieubenadering De Interimwet Stad en Milieubenadering brengt de realisering van ruimtelijke initiatieven op milieubelaste plekken dichterbij. Dat is mogelijk door drie sterk samenhangende stappen te doorlopen: ˗ Stap-1: het in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming integreren van milieubelangen. Het zoveel mogelijk treffen van brongerichte maatregelen. ˗ Stap-2: het optimaal benutten van de ruimte binnen bestaande regelgeving. ˗ Stap-3: het afwijken van bestaande wettelijke milieunormen voor bodem, geluid, lucht, stank en ammoniak.
Dit kan alleen als met de eerste twee stappen geen doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit worden bereikt. Stap 1 en 2 zijn reeds mogelijk binnen de kaders van bestaande wetgeving (Wgh) en hebben betrekking op de optimalisering van het proces van de ruimtelijke planvorming. Stap 3, het afwijken van wettelijke milieunormen, is vastgelegd in de Interimwet Stad en milieubenadering. Hiervoor moet de gemeenteraad besluiten om, voor de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een nader te definiëren projectgebied, af te wijken van de milieukwaliteitsnormen voor geluid. Dit moet dan wel in het belang zijn van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van een optimale leefomgevingskwaliteit. Kort samengevat gelden voor een Stap-3 besluit de volgende inhoudsvereisten: ˗ De geluidsbelasting per geluidbron is hoger dan de maximaal toelaatbare waarden op grond van de Wgh. ˗ Er zijn geen maatregelen redelijkerwijs mogelijk om het plan inpasbaar te maken binnen de kaders van de Wgh. ˗ Voor het plan moeten compenserende maatregelen getroffen worden, waarbij kan worden gedacht aan de volgende vormen:
56
o o
o o
Het realiseren van extra geluidwering van de gevel, waardoor minder geluid van buiten naar binnen komt (GA,k + 5 dB). Het realiseren van een hogere waarde voor de luchtgeluidsisolatie tussen aaneengesloten bouwblokken (rijwoningen en tweekappers), zodat hierdoor minder hinder van ‘burengeluid’ zal optreden (DnT,A,k +5 dB). Hierbij moet ook gelet worden op geluid van installaties (zoals warmtepompen en airco-units). Per woning moet minimaal één geluidluwe zijde gerealiseerd worden, waarbij de (cumulatieve) geluidsbelasting maximaal 53 dB Lden (zonder aftrek art. 110g) bedraagt. De meeste slaapkamers en een buitenruimte moeten aan deze geluidluwe zijde worden gesitueerd.
Planvorming Geerpolder: realisatie nieuwe woningen In oktober 2022 verscheen het akoestisch onderzoek met betrekking tot het plan Geerpolder, uitgevoerd door adviesbureau DGMR. Door DGMR is onderzocht of de ontwikkeling op deze locatie mogelijk is onder de voorwaarden van de huidige wetgeving, gevormd door de Wgh en Interimwet Stad en Milieubenadering, en in lijn is met het Actieplan Geluid van de gemeente Ridderkerk. Het navolgende vormt een resumé van de belangrijkste resultaten van dit onderzoek, gerapporteerd in lijn met de 3 stappen van de Interimwet. De volledige rapportage van het akoestisch onderzoek is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Als bepalende geluidbronnen voor de ontwikkeling van het plan Geerpolder zijn in dit onderzoek meegenomen de rijkswegen A15/A16 en Geerlaan. De Lagendijk en Rijksstraatweg hebben een veel lagere verkeersintensiteit of liggen op grotere afstand van het plangebied. Kort samengevat leiden genoemde wegen tot de volgende geluidsbelastingen: ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Rijksweg bedraagt maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh). Bij 18 woningen binnen het plangebied is sprake van een geluidsbelasting vanwege de Rijksweg hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Voor de overige 58 woningen in het plangebied is de geluidsbelasting maximaal 57 dB Lden (zonder aftrek).
Voor deze woningen is een hogere waarde onder de Wgh vast te stellen. ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Geerlaan bedraagt maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh). Hiervoor is onder de Wgh een hogere waarde van ten hoogste 54 dB4 (na aftrek 5 dB art. 110g) vast te stellen. ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Lagendijk bedraagt maximaal 43 dB Lden (zonder aftrek 5 dB art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van de Wgh wordt niet overschreden. ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Rijksstraatweg bedraagt maximaal 51 dB Lden (zonder aftrek 5 dB art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van de Wgh wordt niet overschreden. De Wgh biedt op dit moment weinig ontheffingsruimte voor het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen langs een rijksweg. De maximale ontheffingswaarde is vastgesteld op 53 dB (= 57 dB zonder aftrek art. 110g Wgh). De Interimwet Stad en Milieubenadering komt hiermee in beeld. Stap-1: zo vroeg mogelijk integreren milieubelangen en brongerichte maatregelen nemen De rijkswegen A15 en A16 zijn in de huidige situatie al voorzien van het geluidsarme ZOABwegdek. Als 1e optie zou dit wegdek vervangen kunnen worden door het stillere 2-laags ZOAB, wat een geluidreductie op kan leveren van maximaal 2 dB. Hiervoor moet dit wegdek wel over een grote lengte (minimaal 1.800 meter) en de volledige rijbaanbreedte worden toegepast.
Dit is echter zo’n omvangrijke maatregel dat deze niet kosteneffectief is voor deze ontwikkeling. Doordat bronmaatregelen niet mogelijk zijn is als 2e optie onderzocht of met geluidsschermen langs de rijksweg A16 de geluidsbelastingen gereduceerd kunnen worden. Langs de A16 staan al diverse (lage) geluidsschermen, waarbij geconstateerd kan worden dat er nog een gat is tussen de bestaande geluidsschermen, en dat de schermen verhoogd kunnen worden. Onderzocht is wat het effect is van een drietal schermvarianten. Dit onderzoek heeft aangetoond dat met deze schermvarianten de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen in het plan Geerpolder 4
Maximale ontheffingswaarde voor een nieuwe woning langs een binnenstedelijke weg bedraagt 63 dB Lden (na aftrek).
57
met maximaal 3 dB kan worden gereduceerd. Twee van de drie onderzochte varianten zijn echter niet akoestisch/financieel doelmatig en vragen om een enorme investering en medewerking van Rijkswaterstaat. Bij de doelmatig gebleken schermvariant is het reducerend effect op de eerste verdieping van de nieuwe woningen echter nagenoeg nihil. Bij geen van de onderzochte schermvarianten kan echter bij alle woningen in het plan Geerpolder worden voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wgh, zodat het plan Geerpolder met deze maatregelen in akoestisch opzicht nog steeds niet volwaardig uitvoerbaar is. Als 3e optie is onderzocht of het oorspronkelijke plan Geerpolder zodanig kan worden aangepast dat de nieuwe woningen op een grotere afstand van de rijksweg worden gerealiseerd en daardoor de geluidsbelastingen lager worden. Vanwege de grote omvang van het plangebied (circa 9 hectare) is door de initiatiefnemer gezocht naar een verdichting van het inrichtingsplan op zo groot mogelijke afstand van de rijksweg, zonder het beeld en de uitstraling van de woningen te veel te veranderen. Deze verdichting heeft geleid tot het voorliggende plan Geerpolder 2022 met een totaal kaveloppervlak voor woningbouw van circa 3 hectare.
Met deze aanpassingen aan het inrichtingsplan is het gelukt de geluidsbelasting vanwege de rijksweg ter plaatse van de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh) in plaats van de 62 dB Lden bij het oorspronkelijke ontwerp. Een verdere verdichting/aanpassing van het plan om de geluidsbelastingen te reduceren tot maximaal 57 dB Lden, zodat de woningen gerealiseerd kunnen worden binnen het regime van de Wgh, is echter niet haalbaar gebleken. Met de maximale geluidsbelasting van 59 dB Lden is het plan nog steeds niet volledig uitvoerbaar onder het regime van de Wgh, maar wordt wel voldaan aan de ambitiewaarde van de gemeente. Stap-2: benutten akoestische ruimte bestaande regelgeving Mede op grond van Stap 1 kan worden gesteld dat de Wgh te weinig ontheffingsruimte biedt voor het realiseren van geluidsgevoelige bestemmingen binnen het plan Geerpolder langs de rijksweg. De maximale ontheffingswaarde is vastgesteld op 53 dB (= 57 dB zonder aftrek art. 110g Wgh). In het voorliggende inrichtingsplan Geerpolder 2022 bedraagt de geluidsbelasting op woningniveau maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek) en wordt de maximale ontheffingswaarde van de Wgh bij 18 van de 76 woningen niet gehaald. Stap 3 van de Interimwet Stad en Milieubenadering komt voor deze 18 woningen daarmee concreet in beeld.
Voor deze 18 woningen is volgens de Interimwet Stad- en Milieubenadering een geluidluwe gevel nodig om te zorgen voor een beter woon- en leefklimaat. Hiervoor wordt dan meestal de gecumuleerde geluidsbelasting (zonder aftrek) gebruikt, waarbij een waarde van 53 dB Lden (zonder aftrek) als geluidluw wordt beschouwd. Bij alle 18 woningen is in dit kader sprake van minimaal één geluidluwe gevel op de begane grond (= geluidluwe buitenruimte) en is bij 11 van deze woningen de cumulatieve geluidsbelasting op de eerste verdieping 1 dB hoger dan 53 dB Lden, zodat hier geen sprake is van een geluidluwe gevel. Voor de overige 58 woningen (vallend onder het regime van de Wgh) is bij nagenoeg alle woningen sprake van een geluidluwe gevel op de begane grond (= geluidluwe buitenruimte) en voor een enkele woning is de geluidsbelasting op de eerste verdieping hoger dan 53 dB Lden. Tot slot toont het akoestisch onderzoek aan dat bij de twee appartementencomplexen, zonder verdere ontwerpaanpassingen, vooralsnog geen sprake is van een geluidluwe gevel. Dit wordt mede veroorzaakt doordat de appartementen eenzijdig georiënteerd zijn, waardoor er geen geluidluwe gevel is.
Stap-3: compenserende maatregelen Aangezien (een deel van) het project onder de Interimwet Stad- en Milieubenadering wordt uitgevoerd dient de gemeenteraad van Ridderkerk te besluiten om, voor de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen het betreffende projectgebied, af te wijken van de milieukwaliteitsnormen. Concreet zal de gemeenteraad worden voorgesteld om af te wijken van deze normen voor het aspect geluid, waarbij het gaat om de geluidwaarde van 53 dB vanwege de rijksweg A15/A16 voor in totaal 18 woningen in het plangebied Geerpolder. Voor deze 18 woningen geldt binnen het Stap-3 besluit een maximale hogere waarde vanwege de rijksweg van 59 dB (zonder aftrek art. 110g Wgh). Figuur 5.5 geeft een overzicht van de hogere waarden binnen de kaders van zowel de Wgh als het Stap-3 besluit van de Interimwet Stad en Milieubenadering. De betreffende 18 woningen zijn nader aangeduid in figuur 5.6.
58
Figuur 5.5: Overzicht vast te stellen hogere waarden / Stap-3 besluit (Bron: DGMR adviseurs).
Figuur 5.6: Woningen (lichtblauw) vallend onder Stap-3 Interimwet Stad- en Milieubenadering (Bron: DGMR).
Aan het te nemen Stap-3 besluit zijn compenserende maatregelen verbonden om daarmee de woon- en leefkwaliteit in en bij woningen met een hogere geluidsbelasting dan de Wgh toestaat, te kunnen garanderen. Deze maatregelen betreffen onder meer het realiseren van een geluidluwe zijde, een geluidluwe buitenruimte en een betere luchtgeluidisolatie dan het vigerende Bouwbesluit voorschrijft. Ten aanzien van de 18 eerder genoemde woningen betreft het de volgende compenserende maatregelen: ˗ Elke woning zal aan de buitenzijde op de begane grond een geluidluwe zijde hebben, waar de geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB, gebaseerd op de cumulatieve geluidsbelasting (zonder aftrek). ˗ Ter compensatie van de verhoogde belasting op de gevel wordt, voor de achttien woningen onder de Interimwet Stad- en Milieubenadering, ingezet op een verbetering van de geluidwering van de gevel. Hierbij zal gestreefd worden, indien redelijkerwijs mogelijk, naar een karakteristieke geluidwering (GA,k) van de cumulatieve geluidsbelasting – 28 dB (dit is 5 dB strenger dan de eis uit het Bouwbesluit), met een minimum van 20 dB. ˗ Ter compensatie van de verhoogde belasting op de gevel wordt, voor de achttien woningen onder de Interimwet Stad- en Milieubenadering, ingezet op een verbetering van de
59
˗
luchtgeluidisolatie tussen de woningen. Hierbij zal gestreefd worden, indien redelijkerwijs mogelijk, naar een luchtgeluidisolatie (DnT,A,k) van maximaal 57 dB (dit is 5 dB strenger dan de eis uit het Bouwbesluit), met een minimum van 52 dB. Het openen van ramen of deuren voor het binnenhalen van verse lucht of het veranderen van het thermisch comfort (bijvoorbeeld koelen) kan leiden tot geluidhinder. Het ontwerp van de woningen is dusdanig (mede ook vanwege de BENG-eisen) dat gekozen wordt voor een gebalanceerd mechanisch ventilatiesysteem en koeling. Hierdoor is er geen noodzaak om ramen of deuren te openen voor het beïnvloeden van de ventilatie of temperatuur. Het openen van ramen of deuren is slechts bedoeld als spuivoorziening.
Resumé en conclusie Bij de ontwikkeling van het plan Geerpolder heeft het streven naar een zo optimaal mogelijke leefomgevingskwaliteit vanaf het begin voorop gestaan. Om een zo acceptabel mogelijk geluidklimaat te realiseren was het daarbij nodig om het plan in de loop der tijd aan te passen. Zo zijn de uitlopers in noordelijke richting geschrapt en heeft er een verdichting plaatsgevonden in het zuidelijke, minder geluidbelaste deel van het plangebied. Hierdoor is het gelukt om niet alleen te voldoen aan de plandrempels uit het Actieplan Geluid, maar ook aan de ambitiewaarde van de gemeente van 59 dB Lden. Aanvullend hierop worden in het kader van het Stap 3-besluit compenserende maatregelen getroffen. De betreffende woningen worden voorzien van een extra goede akoestische kwaliteit binnenshuis. Door de realisatie van groen- en bosstroken, herstel van watergangen en verweving met het landschap worden er ook voldoende niet-akoestische maatregelen getroffen zodat er, ondanks het geluid vanaf de snelweg, sprake is van een prettig woonmilieu. Al doende wordt door het Stap-3 besluit geborgd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Planvorming Geerpolder: reconstructie kruisingen In september 2022 is door DGMR-adviseurs akoestisch onderzoek uitgevoerd, afgestemd op de nieuwe te realiseren aansluitingen vanuit het plan Geerpolder op bestaande wegen.
Concreet zal voor de ontsluiting van het beoogde woonlandschap de kruising Geerlaan-Mauritsstraat worden aangepast en worden aan de zuidwestzijde van het plan parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan de inrit wordt aangesloten op de Rijksstraatweg. Het navolgende vormt een resumé van de belangrijkste resultaten van dit akoestisch onderzoek. De volledige rapportage is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Kruising Geerlaan Voor het plan Geerpolder wordt een ontsluiting op de Geerlaan ter hoogte van de kruising met de Mauritsstraat gerealiseerd. Hiervoor wordt de bestaande kruising aangepast, waarbij de rijlijnen/rijstroken van de Geerlaan worden verlegd. Uit het akoestisch onderzoek naar deze fysieke wijziging van de Geerlaan is gebleken dat hier, ten aanzien van de binnen de geluidszone gelegen woningen, geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. In het kader van het Actieplan Geluid van de gemeente Ridderkerk zal de Geerlaan vanaf 2024 voorzien worden van geluidsreducerend asfalt. Voor de onderzochte woningen betekent dit dat in de toekomstige situatie (2032) de geluidssituatie als gevolg van de Geerlaan met 2 dB of meer zal verbeteren.
Inrit Rijksstraatweg Voor de bewoners van het plan Geerpolder Rijsoord worden aan de Rijksstraatweg, ter plaatse van een huidige bedrijfsparkeerplaats, parkeerplaatsen gerealiseerd met inbegrip van een ontsluiting van het plangebied voor langzaam verkeer en hulpverlenende diensten. Er vindt géén fysieke wijziging aan de Rijksstraatweg ter plaatse van dit onderdeel van de planvorming plaats. Op grond van het aantal reeds beschikbare parkeerplaatsen is er geen relevante toename van verkeer op de Rijksstraatweg te verwachten. De transformatie naar parkeren voor bewoners, waarbij de fysieke ligging van de huidige inrit niet wijzigt, is geen reconstructie in de zin van de Wgh. De geluidssituatie ter plaatse van de woningen aan de Rijksstraatweg verandert door de realisatie van dit planonderdeel niet.
60
Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming betekent impliciet het opheffen van hier aanwezige (agrarische) geluidzones en het (verder) verbeteren van het aanwezige woonklimaat in dit deel van Rijsoord Conclusie Met inachtname van ‘Stap 3’ Interimwet Stad en Milieubenadering vormt het aspect ‘Geluid’ geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.3
Luchtkwaliteit De Rijksoverheid werkt samen met provincies en gemeenten om te voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. In Europees verband zijn normen vastgelegd voor de maximum concentratie van een aantal stoffen, zoals fijn stof en stikstofoxiden, in de buitenlucht. Kort samengevat hebben luchtkwaliteitsregels gevolgen voor het uitvoeren van (ruimtelijke) projecten. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Als er wel een overschrijding is, dan mag een project de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ verslechteren. Huidige luchtkwaliteit Om inzicht te krijgen in de heersende luchtkwaliteit zijn met name stikstofoxide (NO2) en fijn stof belangrijke componenten. De twee belangrijkste ‘maten’ voor fijnstof zijn PM10 (Particulate Matter, met een grootte tot 10 micrometer) en PM2,5 (fijnstof met een grootte tot maximaal 2,5 micrometer). PM2,5 is daarmee een deel uit de fractie PM10. De concentraties PM10 en PM2,5 hangen sterk met elkaar samen. In de praktijk blijkt dan ook dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarde van PM2,5 wordt nageleefd. Bij het bepalen van de luchtkwaliteit zijn voor de genoemde componenten de volgende grenswaarden van toepassing: ˗ NO2: 40 µg/m3 als jaargemiddelde (sinds 2015). ˗ PM10: 40 µg/m3 als jaargemiddelde.
˗ PM2.5: 25 µg/m3 als jaargemiddelde (sinds 2015). Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage’ (NIBM) Het Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage (NIBM)’ betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de heersende luchtkwaliteit, niet afzonderlijk getoetst hoeven te worden op de grenswaarden. Binnen de gestelde kaders is toetsing aan de grenswaarden van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. Elk project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit kan dus worden uitgevoerd. Op Rijksniveau is de definitie van ‘in betekenende mate’ vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In deze AMvB, te zien als luchtkwaliteitseisen, is vastgelegd dat projecten die leiden tot een toename van (concentratie-)grenswaarden van een stof met meer dan 3%, in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling. Onder deze 3% grens is dus sprake van NIBM. Deze 3%grens is in deze AMvB voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies op voorhand reeds gekwantificeerd. Ter indicatie: in relatie tot woningbouw is de NIBM-grens gekoppeld aan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg.
Planvorming Geerpolder Huidige luchtkwaliteit Om nader inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied is gebruik gemaakt van de Atlas Leefomgeving van het ministerie van IenW, opgesteld in samenwerking met RIVM, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. Op grond van deze Atlas kunnen met betrekking tot het plangebied de volgende jaargemiddelde concentraties over 2020 worden vermeld:
61
˗ ˗ ˗
NO2: PM10: PM2.5:
17-18 µg/m3 15-16 µg/m3 8-9 µg/m3
Uit bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat de concentraties van NO2, PM10 en PM2.5 (ruim) onder de betreffende grenswaarden liggen. De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed te noemen. Het is niet aannemelijk te veronderstellen dat de planvorming, mede gezien het voormalige gebruik op deze locatie, zal leiden tot een overschrijding van de grenswaarden van deze (meest) bepalende luchtkwaliteitscomponenten. Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage’ (NIBM) Om de bijdrage van ruimtelijke plannen op de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen en daarmee inzicht te krijgen of deze bijdrage wel/niet als NIBM kan worden aangemerkt, heeft het ministerie van IenM in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de NIBM-tool ontwikkeld. Om de mogelijke impact van het plan Geerpolder op de luchtkwaliteit te bepalen is deze NIBM-tool toegepast (zie figuur 5.7). Conform de kengetallen van het CROW wordt hierbij uitgegaan van een verkeersgeneratie, met maxima (worst-case) variërend van 6,0 tot 8,6 verkeersbewegingen per woning per dag. Figuur 5.7: Worst-case berekening bijdrage extra verkeer ten gevolge van plan Geerpolder op luchtkwaliteit.
Bron: NIBM-tool 2022.
Bovenstaande berekening bevestigt dat het plan Geerpolder een NIBM-ontwikkeling is. Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming heeft geen significante impact op de luchtkwaliteit in dit deel van Rijsoord Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Het gaat daarbij om risico’s als gevolg van werken met gevaarlijke stoffen, de opslag en het transport ervan over weg, water en spoor en door ondergrondse buisleidingen. Risico’s waar personen aan
62
blootgesteld worden zonder dat zij deel zijn van de activiteiten die deze risico’s veroorzaken. Het EV-beleid is erop gericht te voorkomen dat er nabij kwetsbare bestemmingen (zoals woningen) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat om vestigingslocaties voor woningen enerzijds en risicovolle (bedrijfs)activiteiten anderzijds. Bij deze afwegingen biedt de wet- en regelgeving twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Het betreft hier het persoons- c.q. plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Groepsrisico (GR) Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit. Het GR drukt daarmee de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit.
De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.
De gemeente Ridderkerk heeft in november 2011 de Visie Externe Veiligheid (hierna: EV-Visie) vastgesteld, waarmee zij inzet op een duurzame en zo veilig mogelijke ontwikkeling van Ridderkerk. Met deze EV-Visie wil het gemeentebestuur ervoor zorgen dat de gemeente veiliger wordt, door de risico’s te verkleinen en te beheersen. Het plaatsgebonden risico is hierbij een harde grenswaarde en is het groepsrisico aan de orde om het gemeentebestuur te laten bepalen welke risico’s zij nog aanvaardbaar vindt. Het gemeentebestuur heeft namelijk een wettelijke verantwoordingsplicht bij toename van het groepsrisico door een toename van personendichtheid of externe veiligheidsbronnen. De Visie richt zich dan ook voornamelijk op de uitwerking van deze kaders voor het groepsrisico. Binnen de EV-Visie hanteert de gemeente Ridderkerk de volgende ambities ten aanzien van externe veiligheid: 1. Ridderkerk is en blijft zo veilig mogelijk voor risico’s van gevaarlijke stoffen. Deze ambitie wordt als volgt bereikt: a. Waar mogelijk het advies van de VRR opvolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. b. Als dit niet mogelijk is dan wordt de MAL Groepsrisico toegepast (zie tekstkader) MAL Groepsrisico De MAL Groepsrisico is het digitale beleidsinstrument waarmee een bewuste bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico kan worden gemaakt.
Het instrument ondersteunt bij de voorbereiding voor de besluitvorming over de vestiging of uitbreiding van risicovolle bedrijven, ruimtelijke ontwikkelingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de bestuurlijke afweging van het groepsrisico gaat het om het evenwicht tussen de omgevingsfactoren economie, maatschappij en hulpvraag. Om die reden is een genuanceerde kijk op het groepsrisico nodig. De Mal Groepsrisico maakt het mogelijk om het groepsrisico af te wegen tegen de maatschappelijke kosten en baten van een risicovolle activiteit.
2. 3. 4.
Nieuwe risicobronnen worden in principe geweerd uit de gemeente, uitgezonderd op bedrijventerreinen, mits aan concrete voorwaarden wordt voldaan. Streven naar uitplaatsing van de risicobronnen uit de woonomgeving (tankstations). De gemeente brengt de beheersbaarheid op orde (inzet hulpdiensten, bereikbaarheid e.d.).
63
5. 6.
Aanpassen route gevaarlijke stoffen als ruimtelijke ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Voor risicocommunicatie wordt aangesloten bij de landelijke overheidscampagnes.
Voor nieuwe ontwikkelingen strekt het tot de aanbeveling om de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond (VRR) in de voorbereidingsfase te betrekken om eventuele risico’s zo goed mogelijk te kunnen beheersen. Verantwoording groepsrisico Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarmee bijvoorbeeld de bouw van woningen mogelijk wordt gemaakt, wordt tevens het groepsrisico in het EV-invloedsgebied van (in dit geval) de beoogde woningen verantwoord. De landelijke wet- en regelgeving hanteert hierbij een onderverdeling van situaties waarin een ‘volledige’ verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een ‘beperkte verantwoording’ kan worden volstaan. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: ˗ Indien het ruimtelijk besluit betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone (in geval van toxische stoffen tussen de 1% letaliteitszone en de afstand waarop het plaatsgebonden risico gelijk is aan 10-8). ˗ Als het groepsrisico onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde blijft. ˗ Als het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. ˗ De oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Invloedsgebied Het invloedsgebied is gedefinieerd als het gebied waarvoor verantwoording moet worden afgelegd bij een besluit dat onder het Bevi/Btev valt.
Het invloedsgebied is de grootste 1%-letaliteitsafstand van een scenario van een bedrijf. Veelal komt dit scenario voor bij het weertype F1,5 (stabiel weer, windsnelheid 1,5 m/s). 1% Letaliteitsafstand Afstand waarbij 1 % van de onbeschermd aanwezige personen komt te overlijden bij het optreden van een scenario. 100% Letaliteitsafstand Afstand waarbij 100 % van de onbeschermd aanwezige personen komt te overlijden bij het optreden van een scenario.
In een beperkte verantwoording van het groepsrisico dienen de volgende zaken aan de orde te komen: ˗ De personendichtheid in het invloedsgebied. ˗ De hoogte van het groepsrisico. ˗ De bestrijdbaarheid. ˗ De zelfredzaamheid. Ten aanzien van de inzet van hulpdiensten kan in algemene zin worden gesteld dat binnen de gemeente Ridderkerk deze diensten binnen de gestelde tijd op de plaats van het incident kunnen zijn. De brandweer kan overal binnen de gemeente binnen de wettelijk gestelde termijnen aanwezig zijn. Planvorming Geerpolder Op grond van de algemeen door gemeenten gehanteerde Signaleringskaart EV kan worden geconstateerd dat de noordelijk gelegen woningen binnen het plangebied grenzen aan het invloedsgebied van de Rijksweg A15/A16. Meer concreet betreft het hier de 200 meter zone ‘Basisnetroute weg’ (indicatief). Deze zone is door de Rijksoverheid ingesteld om de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen te garanderen. De beoogde woningen bevinden zich (ruim) buiten de 1% letaalzone (indicatief) langs de Aardgasleiding (A-555), verderop gelegen aan de zuid- en westzijde van het plangebied. Voornoemde zones zijn weergegeven in figuur 5.8.
64
Figuur 5.8: EV-Signaleringskaart: uitsnede plangebied en omgeving (beoogde woningen in rode cirkel).
Aan haar EV-Visie heeft de gemeente Ridderkerk een bijlage verbonden, met daarin een overzicht van alle risicobronnen en bijbehorende risico’s. Ten aanzien van het EV-aspect ‘Transport over de weg’ wordt hierin vastgesteld dat het groepsrisico van (onder meer) de Rijkswegen A15 en A16) ruim onder de oriënterende waarde blijft. Volledigheidshalve kan worden gesteld dat binnen het plan Geerpolder voorzien is in een ruim opgezette wegenstructuur met een specifieke ontsluiting voor nooddiensten aan de zuidzijde van het plangebied (aansluiting op de Rijksstraatweg). Op grond van het bovenstaande kan worden gesteld dat dat er geen GR-knelpunten zijn voorzien bij de realisatie van het plan Geerpolder en dat nader EV-onderzoek niet nodig wordt geacht. Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming heeft geen significante impact op het aspect Externe Veiligheid in dit deel van Rijsoord. Conclusie Het aspect ‘Externe Veiligheid’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
65
5.5
Bodem Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit. Planvorming Geerpolder In november 2019 heeft Arnicon een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van een bodemverontreiniging die een belemmering vormt voor het plan Geerpolder. Het onderzoek heeft geleid tot de volgende bevindingen: Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de bovengrond, verspreid over de locatie licht verhoogde gehalten diverse zware metalen, PAK, bestrijdingsmiddelen en plaatselijk PCB bevat. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten nikkel en kobalt gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en naftaleen gemeten. In de grond is (zowel tijdens het veldwerk als) bij laboratoriumonderzoek geen asbest aangetoond. Bij toetsing aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit is de bovengrond op meerdere (deel)percelen toepasbaar als klasse ‘industrie’. Plaatselijk is de bovengrond ‘niet toepasbaar’.
De bovengrond alsmede de ondergrond van een aantal (deel)percelen is ‘altijd toepasbaar’. Mede ten behoeve van de benodigde Omgevingsvergunningen ter realisatie van het plan Geerpolder vindt nader onderzoek teneinde meer zicht te krijgen over de toepasbaarheid van de eerder onderzochte bodemlagen. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen niet nodig is en dat de locatie geschikt wordt geacht voor de beoogde bestemming. De volledige rapportage van Arnicon is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Ten behoeve van de functionele omzetting van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar reguliere woonbestemming is getoetst op een eventuele impact op de aanwezige bodemkwaliteit. De resultaten voor de verschillende locaties zijn als volgt: Planlocatie Rijksstraatweg 52-54 Op basis van beschikbare informatie is de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging beschouwd als onverdacht voor bodemverontreiniging boven het in de bodemkwaliteitskaart vastgelegde achtergrondniveau (licht verontreinigd met zware metalen en/of PAK). De locatie wordt als niet-asbestverdacht aangemerkt.
Aansluitend wordt op basis van het uitgevoerde historische onderzoek geconcludeerd dat er geen reden is op de onderzoekslocatie een bodemverontreiniging te verwachten. Planlocatie Rijksstraatweg 60 Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging in de bovengrond wordt bevestigd. Voor verontreiniging in de ondergrond dient de hypothese ‘onverdacht’ te worden verworpen. Dit naar aanleiding van de aangetroffen lichte verontreiniging met diverse zware metalen en PAK. Deze verontreiniging geeft geen aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Kort samengevat wordt de locatie geschikt geacht voor de beoogde bestemming. Er is bij ongewijzigd gebruik van de locatie geen aanleiding om maatregelen te treffen.
66
Planlocatie Rijksstraatweg 100 Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese ‘verdacht’ voor de algehele locatie voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de licht verhoogde gehalten zware metalen, minerale olie, PCB en PAK. Deze verontreiniging geeft geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Aansluitend wordt op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd, dat de hypothese ‘verdacht’ ter plaatse van de noordwestelijke grens voor bodemverontreiniging met vluchtige aromaten dient te worden verworpen. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming. De volledige rapportages van Arnicon met betrekking tot de separate planlocaties zijn als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd. Conclusie Het aspect ‘Bodem’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.6
Water Het aspect Water betreft met name de waterhuishouding van een plangebied en zijn omgeving. Het gaat dan met name om de wijze waarop waterstromen in een gebied verlopen. Daarbij kan het gaan om de kringloop van het water in de natuur of om het afwateringssysteem, bestaande uit sloten, kanalen, meren en dergelijke. Waterhuishouding omvat daarnaast ook de (technische) organisatie van het afvoeren van regen- en afvalwater alsmede de zuivering daarvan. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om aan te geven óf en in welke mate deze ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden –> bergen –> afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken. ˗ Beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; ˗ Voorkomen van verspreiding van verontreinigingen.
Watertoets Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is de ‘Watertoets’ in het leven geroepen. Het doel van de watertoets is het bewerkstelligen van een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer en ruimtelijke plannen. De watertoets is vooral van toepassing bij bouwplannen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en een versnelde afvoer van (hemel)water het gevolg is. Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem. Hierdoor wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belastingtoename te reduceren hebben veel waterschappen vastgelegd dat er in dergelijke situaties compenserende voorzieningen moeten worden aangebracht. Het Waterschap Hollandse Delta heeft in dit kader bepaald dat de versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding binnen haar beheersgebied, waaronder Ridderkerk, moet worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Het waterschap heeft in haar ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’ echter opgenomen dat in sommige gevallen de eis tot volledige compensatie zwaar is ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel.
Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk
67
gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied vrijgesteld van compensatieplicht. Indien er meer verharding toename plaatsvindt, moet worden gecompenseerd. Planvorming Geerpolder Het plan Geerpolder brengt een afname van het verhard oppervlak met zich mee, naast de uitbreiding van de (open) waterstructuur. Het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige situatie bedraagt circa 28.700 m2. In de beoogd toekomstige situatie bedraagt dit oppervlak circa 13.000 m2, minder dan de helft derhalve. Aansluitend zal het hemelwater rechtstreeks op het oppervlaktewater (sloten) worden geloosd. Mede gezien de hoeveelheid opgenomen groen en water in het plan Geerpolder kan worden gesteld dat het aspect waterhuishouding op afdoende wijze is meegenomen in de planvorming en is er geen (extra) watercompensatie nodig. Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming heeft geen significante impact op het aspect Water in dit deel van Rijsoord. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.7
Archeologie Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. De Wamz is erop gericht om bodemverstoringen pas te laten plaatsvinden nadat er archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden, er is vastgesteld of het om belangrijke archeologische sporen gaat en vervolgens is vastgesteld hoe met die archeologische informatie het beste kan worden omgegaan. Het Verdrag van Valletta geeft aan dat het belangrijk is dat in de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met het belang van de archeologie. In de Wamz is daarom vastgelegd dat gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij vrijstellingen op bestaande plannen, aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe de gemeente daarmee denkt om te gaan. Planvorming Geerpolder Binnen het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied Geerpolder Rijsoord als dubbelbestemming de ‘Waarde - Archeologie 4’ toegekend.
Dit betekent dat de betreffende gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van de hierin te verwachten archeologische waarden. Deze dubbelbestemming brengt met zich mee dat voorafgaand aan de bouw van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en een fundering gelegen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld, een rapport moet worden overlegd, waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Vanuit deze achtergrond is door Hamaland Advies binnen het plangebied, conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Archeologie uitgevoerd, waarvan de rapportage verscheen in december 2019. Het navolgende vormt een weergave van het selectieadvies en het voorgestelde selectieadvies uit deze onderzoeken. De volledige rapportage van Hamaland Advies is als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd.
68
Op grond van het archeologisch onderzoek kan worden gesteld dat het plangebied waarschijnlijk te nat en te dynamisch was voor bewoning in het verleden. Een uitzondering vormt de top van het veen, waarvan de top in ongeveer de helft van het onderzoeksgebied veraard is en daardoor in potentie bewoonbaar was. Het hoogste voorkomen van het veraarde veenpakket in het plangebied bedraagt 75 cm-mv (1,81 m-NAP). Aanbevolen wordt dan ook om het plangebied tot een diepte van 75 cm-mv (1,81 m-NAP, het hoogste voorkomen van de veraarde top van het Hollandveen) vrij te geven (geen vervolgonderzoek). Bij diepere bodemingrepen kunnen in de veraarde top van het Hollandveen in theorie sporen van ‘kortstondige’ bewoning uit de periode van de IJzertijd, de Romeins Tijd en de Vroege Middeleeuwen verstoord worden. Vooralsnog zijn hiervoor geen aanwijzingen aangetroffen tijdens het verkennend booronderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van archeologisch materiaal of een ‘vuile laag’, maar deze kunnen op voorhand ook niet volledig uitgesloten worden. Advies Archeologie Rotterdam/BOOR Op 5 maart 2020 verscheen de rapportage van het archeologisch onderzoek, waarna deze ter beoordeling is voorgelegd aan Archeologie Rotterdam/BOOR. Archeologie Rotterdam/BOOR adviseerde op 2 april 2020 de gemeente Ridderkerk om het rapport goed te keuren met inachtname van het volgende beleidsadvies.
Beleidsadvies Op basis van de rapportage d.d. 5 maart 2020 is er in het plangebied sprake van een archeologische verwachting. Afhankelijk van het definitieve ontwerp van de nieuwbouw c.q. inrichtingsplan zullen eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden. Archeologie Rotterdam adviseert in geval van bodemingrepen dieper dan 75 cm onder maaiveld tot het uitvoeren van een karterend booronderzoek. De scope van een dergelijk onderzoek kan met behulp van de definitieve ontwerptekeningen op maat worden gemaakt. Op basis van de resultaten van het karterend onderzoek kan worden beoordeeld of de verstoring die de nieuwbouw zal veroorzaken acceptabel is of dat er toch aanvullend onderzoek in de vorm van bijvoorbeeld een proefsleuf nodig is. Het voorgaande laat onverlet dat de archeologische bescherming van het plangebied nog steeds geregeld is via de vigerende dubbelbestemming. Planvorming Rijksstraatweg locaties derden Het functioneel omzetten van bestaande bedrijfswoningen dan wel een reeds aanwezige plattelandswoning, een en ander met inbegrip van de eveneens op de afzonderlijke locaties aanwezige bijgebouwen, van een agrarische bestemming naar een reguliere woonbestemming heeft geen significante impact op het aspect Archeologie in dit deel van Rijsoord.
Conclusie Het aspect ‘Archeologie’ vormt vooralsnog geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.8
Ecologie Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. In de Wnb is nog steeds sprake van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden.
69
Planvorming Geerpolder Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen op ruime afstand van een Natura2000-gebied en grenst niet aan het NNN. Er zal daarmee geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) plaatsvinden op soorten die voor omliggende natuurgebieden zijn aangewezen. De meest nabij gelegen Natura2000-gebieden zijn ‘Boezems Kinderdijk’ en ‘Oude Maas’, beide gelegen op circa 3,6 kilometer van het plangebied (zie figuur 5.9). De meest nabijgelegen NNN-gebieden bevinden zich op circa 2,8 kilometer ten noorden en ten oosten van het plangebied (zie figuur 5.10). Figuur 5.9: Ligging plangebied t.o.v. Natura2000 (Bron: Provincie Zuid-Holland).
Figuur 5.10: Ligging plangebied t.o.v. NNN (Bron: Provincie Zuid-Holland).
Natura2000 versus stikstofdepositie In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld om economische ontwikkelingen te kunnen verbinden met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter beslist dat het PAS niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een toename van stikstof ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder (recreatie)woningbouw, die kunnen
70
leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Nu het ecologisch onderzoek (de ‘passende beoordeling’) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat het project of plan op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds voornoemde uitspraak niet meer worden gebruikt. Op 9 oktober 2019 verscheen vanuit BIJ12, de uitvoeringsorganisatie voor de 12 provincies, de publicatie dat nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld voor het verlenen van vergunningen op grond van de Wnb. Concreet kunnen er vanaf 11 oktober 2019 weer vergunningen verleend worden. Toestemming voor stikstofgerelateerde activiteiten wordt weer mogelijk, zolang de activiteiten niet leiden tot een stijging en in veel gevallen feitelijk tot een daling van stikstofbelasting. Kern van de nieuwe regels is dat door het wegvallen van het PAS nu van tevoren moet worden aangetoond dat emissie en depositie met zekerheid afnemen of niet stijgen.