Definitieve Jaarrekening GRJR 2025
Tekst van het document
Definitieve JAARSTUKKEN 2025 Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond AB 10 juli 2026
INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding, financieel overzicht en leeswijzer ....................................................................................... 1 2. Programmaverantwoording ............................................................................................................... 4 2.1 Achtergrond en algemene kaders GRJR ............................................................................................. 4 2.2 Kaders voor de GRJR .......................................................................................................................... 5 2.3 Doelen en inzet .................................................................................................................................. 7 2.4 Uitvoering ........................................................................................................................................ 27 3. Paragrafen ....................................................................................................................................... 32 3.1 Weerstandsvermogen en risicobeheersing ...................................................................................... 32 3.2 Bedrijfsvoering .................................................................................................................................
34 3.3 Financiering ..................................................................................................................................... 36 3.4 Openbaarheid (Wet open overheid) ................................................................................................ 36 4. Jaarrekening .................................................................................................................................... 38 4.1 Overzicht van baten en lasten ......................................................................................................... 38 4.2 Toelichting op baten en lasten ......................................................................................................... 39 4.3 Balans .............................................................................................................................................. 42 4.4 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling ....................................................................... 43 4.5 Toelichting op de balans .................................................................................................................. 44 4.6 Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen .............................................................................
48 4.7 Gebeurtenissen na balansdatum ..................................................................................................... 48 4.8 Rechtmatigheidsverantwoording .................................................................................................... 49 5. Vaststellingsbesluit .......................................................................................................................... 52 Bijlage A. Sisa verantwoording 2025 .................................................................................................... 53 1 1. Inleiding, financieel overzicht en leeswijzer De Jaarstukken 2025 zijn een verantwoording van de activiteiten en uitgaven van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR). Dit samenwerkingsverband is in 2014 opgericht door de gemeenten in de regio Rijnmond om samen te zorgen voor voldoende beschikbaarheid van jeugdzorg en Veilig Thuis (het meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling). Gemeenten en andere verwijzers zetten zelf jeugdhulp in, bijvoorbeeld vanuit wijkteams en vanuit jeugdbescherming, maar gemeenten kunnen en hoeven de beschikbaarheid van die hulp niet allemaal zelf te regelen. Bij de specialistische jeugdhulp is de GRJR verantwoordelijk voor inkoop en contractmanagement. Deze activiteiten en bijhorende organ isatiekosten worden verantwoord in de GR-jaarstukken.
Maar het beslissen over de inzet van de regionaal gecontracteerde hulp voor de eigen jeugdigen en gezinnen is een bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf. Daarom worden deze activiteiten en de jeugdzorgkosten die hieruit voortvloeien in de gemeentelijke jaarstukken verantwoord, niet in die van de GR. De GR levert hiervoor wel informatie aan in een afzonderlijke rapportage aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten. Een aantal onderdelen van de jeugdzorg is niet direct afhankelijk van individuele beslissingen van gemeenten. Dit betreft de crisishulp, acute dienst, jeugdbescherming/jeugdreclassering en Veilig Thuis. De (voornamelijk subsidie-) besluiten die de GRJR hierover neemt en bijbehorende kosten worden in de GR-jaarstukken verantwoord. Financieel overzicht Het financiële beeld over 2025 is als volgt. • De baten zijn per saldo € 1,2 mln lager dan begroot. De renteopbrengst was € 0,5 mln. hoger dan begroot, er kwamen voor € 1,1 middelen uit rijkssubsidies beschikbaa r. De uitgaven waren € 1,2 mln. lager. De gemeenten krijgen van hun bijdragen € 2,9 mln. terug. Hiermee sluit de jaarrekening met € 0 resultaat. • De totale lasten van de GRJR bestaan in de eerste plaats uit € 87,4 mln.
die in de tabel als “zorgkosten” zijn omschreven maar waaronder in dit geval wordt verstaan: crisishulp, subsidie Acute GGZ, subsidie Jeugdbescherming en subsidie Veilig Thuis. Deze kosten vallen € 5,2 mln. lager uit dan begroot. De grootste afwijking betreft € 3,7 mln. Veilig Thuis kosten voor wegwerken wachtlijsten die pas in 2026 zullen vallen. Dit bedrag wordt via een bestemmingsreserve doorgeschoven naar 2026. De kosten voor Jeugdbescherming vallen iets hoger uit (€ 0,3 mln.) vooral door meer dan verwachte omvang van buitenregionale Begroting na wijziging 2025 Realisatie 2025 Verschil begroting vs realisatie 2025 Totale Baten € 98.778.000 € 97.557.000 € 1.221.000 Zorgkosten € 92.635.000 € 87.419.000 € 5.216.000 Risico's Jeugdhulp € 1.000 € 0 € 1.000 Organisatie en overige kosten € 6.142.000 € 6.512.000 -€ 370.000 Totale Lasten € 98.778.000 € 93.931.000 € 4.847.000 Saldo Baten en Lasten € 0 € 3.626.000 € 3.626.000 Nagekomen kosten voorgaande jaren € 0 -€ 120.000 € 120.000 Bestemmingsreserve € 0 € 3.746.000 -€ 3.746.000 Totaal gerealiseerd resultaat € 0 € 0 € 0 2 jeugdbeschermingsmaatregelen. Verder zijn de kosten voor Crisishulp juist lager (€ 1,7 mln voordeel). Crisishulp werd minder en korter ingezet doordat jeugdigen sneller in de reguliere specialistische jeugdhulp instroomden. De hogere kosten van die hulp landen in de gemeentelijke jaarrekeningen.
• De organisatiekosten vallen lager uit doordat de meeste uitgaven konden worden gedekt uit het reguliere budget uitvoeringskosten dat de GRJR beschikbaar stelt voor uitvoering door Gemeente Rotterdam, in plaats van uit de afzonderlijke b udgetten 2025 voor onderzoek en inkoop. Daardoor vallen deze budgetten grotendeels vrij. Deze budgetten zullen voor 2026 en verder wel weer nodig zijn (voor diverse onderzoeken zoals de evaluatie inkoop 2023 en voorbereiding inkoop 2029). De overige kosten betreffen niet begr ote kosten voor de proeftuinen Toekomstscenario en Inzet Regionaal Expertiseteam (RET). Hier staat een subsidie van de rijksoverheid als baat tegenover waardoor deze overschrijding wordt geneutraliseerd. • Tot slot is er in de uiteindelijke afronding van afrekeningen met zorgaanbieders over eerdere zorgjaren en vrijval budget organisatiekosten per saldo een overlopend resultaat voornamelijk uit 2024 van € 0,1 mln. ontstaan. Het saldo in de rekening van de GRJR bedraagt daarmee € 2,9 mln. voordelig. Het saldo wordt bij definitieve rekeningvaststelling teruggeven aan gemeenten waardoor de definitieve jaarrekening op € 0 uitkomt. Leeswijzer Conform Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) bestaan de jaarstukken uit twee delen: het jaarverslag en de jaarrekening. Hoofdstukken 2 en 3 vormen samen het jaarverslag.
Hoofdstuk 2 is een inhoudelijke verantwoording van de activiteiten van de GRJR, hoofdstuk 3 bevat paragrafen die inzicht geven in diverse bedrijfsvoering aspecten van de GRJR. Hoofdstuk 4 is de jaarrekening, met een overzicht van baten en lasten met toelichting, de financiële positie (balans met toelichting) en enkele verplichte overzichten. In een aparte rapportage aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, die geen deel uitma akt van deze jaarstukken , is informatie te vinden ten behoeve van de gemeentelijke verantwoordin gen van de zorgkosten op regionale en landelijke jeugdhulpcontracten. 3 Hoofdstuk 2 Programmaverantwoording 4 2. Programmaverantwoording 2.1 Achtergrond en algemene kaders GRJR 2.1.1 Samen werken aan de jeugdzorg in Rijnmond De GRJR is een samenwerkingsverband van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee. De samenwerking heeft tot doel te zorgen voor voldoende aanbod van specialistische jeugdhulp en jeugdbescherming/jeugdreclassering en het zorgen voor een organisatie die de veilig thuistaken uitvoert. 2.1.2 Ambitie in de samenwerking De gemeenten hebben een gezamenlijke visie op de jeugdhulp: de Regiovisie Nabij en Passend.
In 2025 is op basis van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugd zorg gewerkt aan aanscherping van de regiovisie. Deze wordt begin 2026 voorgelegd aan de 13 gemeenteraden. De aanscherping is dat de gemeenten veel nadrukkelijker willen streven naar ondersteuning van kinderen in hun eigen omgeving door de mensen die dicht bij hen staan. Zo willen de gemeenten (inzet van) specialistische zorg voorkomen of verkorten, uithuisplaatsingen voorkomen en ervoor zorgen dat kinderen naar de school in de buurt blijven gaan. Belang van de (geactualiseerde) regiovisie De regiovisie maakt duidelijk dat het steeds meer geld kostende gebruik van specialistische jeugdhulp niet alleen binnen de inzet van regionaal gecontracteerde jeugdhulp kan en moet worden teruggedrongen. De noodzaak tot specialistische hulp hangt mede af van gemeentelijke uitdagingen en keuzes op aanpalende terreinen, zoals het pedagogische klimaat en stevige lokale teams. Uiteraard gaat de GRJR daar niet over, maar de GRJR moet daar met de regionale inkoop en subsidiëring op aansluiten. Bij de regiovisie komt een uitvoeringsplan, waarmee de gemeenten deze samenhang beter organiseren en voorzien in een basis voor de regionale inkoopstrategie en nieuwe inkoop per 2029. Ook de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek naar de GRJR uit 2025 en de lopende evaluatie van de GRJR worden meegenomen.
Specifieke bijdrage van de GRJR aan de ambitie De GRJR-ambitie is om het regionaal jeugdhulplandschap te overzien en zo in te richten met behulp van contracten en subsidies dat voor gezinnen en jeugdigen uit de 13 deelnemende gemeenten tijdig, nabij en betaalbaar passende hulp beschikbaar is. De GRJR s tuurt op het niveau van jeugdhulpaanbieders en het zorglandschap, waaronder ook de jeugdbescherming/jeugdreclassering en Veilig Thuis. De sturing op en coördinatie van daadwerkelijke inzet van jeugdhulp zijn taken van individuele gemeenten. Lokale teams va n de gemeenten zelf wijzen jeugdhulp toe en beoordelen zorgdeclaraties. 2.1.3 Taken GRJR De GRJR is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de bovenlokale taken door middel van: • Contracteren of subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet; • Contracteren of subsidiëren van uitvoerders jeugdbescherming en jeugdreclassering in het kader van de Jeugdwet en het organiseren van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis); 5 • Bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten over de uitvoering van de jeugdhulptaken. Hieronder valt ook het met informatievoorziening faciliteren van gemeenten in het leren van elkaar, en het gezamenlijk behartigen van gemeentelijke belangen. De uitvoering moet gebeuren binnen afspraken op bovenregionaal en landelijk niveau.
Opvolging van het rekenkameronderzoek naar effectiviteit van de GRJR-samenwerking Het rekenkameronderzoek uit 2025 beveelt aan om de taken en taakverdeling met gemeenten te verhelderen, omdat dit de effectiviteit van de regionale samenwerking zal bevorderen. Dat geldt in het bijzonder voor de sturing op de inzet van jeugdhulpaanbieders en de groeiende behoefte aan sturingsinformatie in de regio. Eerste besluitvorming over taken en taakverdeling wordt medio 2026 verwacht. 2.2 Kaders voor de GRJR 2.2.1 Jeugdwet Een gemeente heeft op grond van de Jeugdwet de verplichting om een jeugdige: a. Gezond en veilig op te laten groeien; b. In staat te stellen te groeien naar zelfstandigheid; c. In staat te stellen voldoende zelfredzaam te zijn en mee te doen in de maatschappij; d. En hiertoe een verordening op te stellen die het aanbod aan individuele en overige voorzieningen jeugdhulp op een voor de Jeugdige onderscheidende wijze beschrijft. Voor de nakoming van deze verplichting is een fijnmazige ondersteuningsstructuur ontwikkeld die voorziet in de nodige hulp. Dit stelsel heeft als doel om gezinnen die belemmeringen in opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen ondervinden, zo vroeg mogelijk te ondersteunen en waar nodig zwaardere hulp te bieden .
In deze ondersteuningsstructuur vormt de regionaal en landelijk gecontracteerde zorg het sluitstuk waarvoor de gemeenten in GRJR -verband vrijwillig samenwerken. In 2025 is de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg vastgesteld. Deze wet bevat wijzigingen van de Jeugdwet en daarmee ook van het kader voor de GRJR. Dit betreft onder meer verplichtingen over minimaal regionaal in te kopen zorgvormen en regionaal te beleggen administratieve taken met betrekking tot regionale contracten. De wijzigingen zijn toegelicht in de Kadernota van de GRJR die in december 2025 ter informatie aan de raden is verzonden . De uitwerking is onderdeel uit van de GRJR-evaluatie en het uitvoeringsplan bij de regiovisie. 2.2.2 Gemeentelijk beleid: Regiovisie Nabij en Passend en ontwikkelopgaven In 2023 zijn nieuwe jeugdhulpcontracten gesloten waarin expliciet een vertaling is gemaakt van de toenmalige Regiovisie. Aan de hoofdaannemers (z even systeemaanbieders ) zijn ontwikkelopdrachten gegeven. Deze zijn uitgewerkt in KPI’s en er wordt jaarlijks ontwikkelbudget voor beschikbaar gesteld. Met dit instrument stuurt de GRJR op het zorglandschap. 2.2.3 Kadernota en begroting GRJR Op grond van artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) stuurt de GRJR jaarlijks de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.
Het bestuur van de GRJR heeft al in een vroeg stadium de kaders voor de begroting 2025 aangegeven in de Kadernota GRJR 2025. Deze is na vaststelling op 15 december 2023 ter kennisname aan de raden gestuurd. In de kadernota staat onder meer hoe invulling wordt gegeven aan het realistisch begroten en hoe de budgetten worden g eïndexeerd. De begroting 6 2025 is al in april 2024 in ontwerp vastgesteld, voor zienswijze aan de raden voorgelegd en in september 2024 definitief gemaakt. Vanwege de wettelijk verplichte lange zienswijzeprocedure is gedurende 2025 slechts één keer een begrotingswijziging geweest ( april ontwerp, september definitief). De actuele begroting 2025 was als volgt: Begroting 2025 AB sept. 24 Mutatie Ontwerp Begrotingswijzigin g 2025 AB april 25 Mutatie Begrotingswijziging 2025 AB sept.
25 BATEN Bijdragen deelnemende gemeenten 96.396.911 -1.619.257 94.777.654 1.000.000 95.777.654 Rente baten 0 3.000.000 3.000.000 Totaal baten 96.396.911 -1.619.257 94.777.654 4.000.000 98.777.654 LASTEN F Crisishulp 9.507.794 -401.768 9.106.026 9.106.026 G Gecertificeerde instellingen 54.245.982 -1.245.982 53.000.000 53.000.000 G.1 JBRR 41.010.242 -2.360.242 38.650.000 38.650.000 G.2 WSS 10.230.654 919.346 11.150.000 11.150.000 G.3 LDH 3.005.086 194.914 3.200.000 3.200.000 H Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond (VTRR) 23.275.228 974.772 24.250.000 4.000.000 28.250.000 I Overige 2.844.673 -566.122 2.278.551 2.278.551 I.4 4. Acute dienst GGZ 827.695 -67.083 760.611 760.611 I.5 5.
Transformatiefonds/Innovatie 2.016.978 -499.039 1.517.939 1.517.939 J Uitvoeringskosten 6.523.235 -380.158 6.143.077 6.143.077 J 1)Bedrag onvoorzien (Risico's Jeugdhulp) 1.158 -158 1.000 1.000 J.2 2) Organisatiekosten GR 5.373.207 -300.000 5.073.207 5.073.207 J.3 3 )Specifieke ICT-kosten 209.368 0 209.368 209.368 J.4 4) Accountants- en bankkosten 242.483 -80.000 162.483 162.483 J.5 5) Werk en Onderzoek 421.355 0 421.355 421.355 J.6 6) Projectbudget Inkoop en Implementatie 275.665 0 275.665 275.665 z Totaal lasten 96.396.911 -1.619.257 94.777.654 4.000.000 98.777.654 SALDO 0 0 0 0 0 7 2.3 Doelen en inzet 2.3.1 Passend, nabij en betaalbaar zorglandschap Financieel Zoals eerder toegelicht wordt d e inzet van hulp op regionale en landelijke contracten niet in de jaarrekening van de GRJR verantwoord, omdat dat gemeentelijke activiteiten zijn. De activiteiten en kosten van de GRJR betreffen de sturing op het zorglandschap en passendheid van het aanbod van hulp. Deze kosten zijn verantwoord op de post ‘Transformatie/innovatie’. Dit budget is gedurende 2025 van €2,0 mln. naar €1,5 mln. verlaagd. Enerzijds is dat genoeg voor de aangegane verplichtingen, anderzijds is het onderdeel van besparingen met 5 -10% op nadrukkelijk verzoek van de colleges uit de regio. De uitgaven bestaan u it jaarlijkse vergoeding van ca.
€150.000 aan elk van de zeven systeemaanbieders voor capaciteitsinzet op ontwikkelopdrachten. Daarnaast wordt dit budget gebruikt voor een bijdrage van €400.000 aan het regionale Programmateam Jeugd. Toelichtin g Wat wilden we bereiken? De GRJR -ambitie is om het regionaal jeugdhulplandschap te overzien en zo in te richten dat gezinnen en jeugdigen tijdig en nabij voor passende hulp terecht kunnen (regionale jeugdhulpopdrachten A t/m F). Gemeenten en wettelijke verwijzers kunnen daarnaast hoog- specialistische zorgvoorzieningen inzetten waarvan het aanbod landelijk is georganiseerd (LTA). Naast beschikbaarstelling van benodigde hulp moet er gewerkt worden aan ontwikkeling van het aanbod en de samenwerking in het zorglandschap . De GRJR heeft met de systeemaanbieders contractuele afspraken gemaakt over ontwikkeling van het aanbod in lijn met de Regiovisie. De GRJR geeft de systeemaanbieders jaarlijks een vast bedrag om hier capaciteit voor in te zetten en de gewenste ontwikkelresu ltaten te leveren. De gemeenten werken samen in een regionaal programmateam waarmee de g emeenten ook zelf investeren in transformatie naar nabije, passende en betaalbare jeugdhulp. De GRJR organiseert de landelijke functies vanuit het RER (Regionaal expertiseteam Rijnmond). De functie s zijn consultatie en advies, procesregie, signaleren en adviseren en leren van complexe zorgvragen.
De eerste drie functies worden in Rijnmond uitgevoerd door het zorgbemiddelingsteam. Daar waar afstemming en sturing nodig is op een individuele zorgvraag van een jeugdige die niet simpel valt toe te wijzen aan één aanbieder, is het team zorgbemiddeling aan zet. Zorgbemiddeling functioneert met een integra le blik en bundelt kennis vanuit in ieder geval jeugdhulp, GGZ, LvB, sociaal domein en veiligheid. De Kerngroep RER geeft uitvoering aan de functie ‘leren van complexe zorgvragen’. Primitieve begroting 2025 Begroting na wijziging 2025 Realisatie 2025 Verschil begroting vs resultaat I5 Transformatiefonds/Innovatie 2.016.978 1.517.939 1.445.667 72.272 8 Wat hebben we daarvoor gedaan? Om te zorgen voor een passend, nabij en betaalbaar zorglandschap hebben we langs verschillende lijnen gewerkt: 1) Algemene ontwikkeling/bevordering van samenwerking in het zorglandschap 2) Ontwikkelopdrachten en ontwikkeling zorgalternatieven voor lacunes in het zorglandschap 3) Regionale bestuursopdracht kostenbeheersing 4) Zorginhoudelijke sturing op de regionaal gecontracteerde zorgopdrachten 5) Monitoren wachttijden in de regionaal gecontracteerde zorgopdrachten 1) Algemene ontwikkeling/bevordering van samenwerking in het zorglandschap Bij de aanbesteding 2023 heeft de GRJR zeven systeemaanbieders samen verantwoordelijk gemaakt voor een dekkend zorglandschap voor specialistische jeugdhulp.
Forensische jeugdhulp is apart gecontracteerd; dit zijn de prestatie -aanbieders. Tot slot zijn er flexaanbieders die (tijdelijk) worden ingezet als systeem - of prestatieaanbieders geen ruimte meer hebben om de hulp zelf tijdig te leveren of als zij de zorg niet kunnen leveren. In 2025 zijn nieuwe flexaanbieders gecontracteerd, ook om het aandeel Maatwerkovereenkomsten te verminderen. De GRJR organiseert zorglandschapstafels waarin de GRJR -systeemaanbieders, Gecertificeerde Instellingen en gemeenten bij elkaar komen. In 2025 is een kwaliteitsslag gemaakt op inhoud. Op de zorglandschapstafels worden signalen en analyses uit het zorglandschap besproken om zo tot gezamenlijk gedragen oplossingsrichtingen te komen, waarin gemeenten, aanbieders en de uitvoeringsorganisatie van de GRJR aan zet zijn om dit te realiseren. Ook wordt informatie gedeeld over ontwikkelingen en besproken wat die bet ekenen voor regio Rijnmond. Voorbeelden zijn: expertise uit het Boven Regionale Expertise Netwerk (BREN), de gevolgen van de Hervormingsagenda Jeugd en analyses van het zorglandschap vanuit de Kerngroep RER. In 2025 is gestart met een gezamenlijke zorglandschapstafel voor forensische zorg, met systeemaanbieders, prestatieaanbieders, gemeenten, GI’s en de uitvoeringsorganisatie. In 2025 is het thema ‘kinderen met forensische problematiek’ (zonder maatregel) aan bod gekomen.
Dit brengt verbinding en samenwerking tussen betrokkenen en een aanzet tot meer preventiegericht werken. In 2026 zetten we deze werkvorm door. 2) Ontwikkelopdrachten en ontwikkeling zorgalternaieven Met de zeven systeemaanbieders voor specialistische jeugdhulp zijn de ontwikkelopgaven in de Regiovisie vertaald naar opdrachten om hun zorgaanbod passender te maken. Elke aanbieder werkt op eigen wijze aan deze opdrachten, soms in samenwerking met de over ige systeemaanbieders, soms intern en met eigen onderaannemers. Aanbieders leveren per kwartaal een kwalitatieve rapportage en na afloop van het jaar verantwoorden zij de inzet van hun ontwikkelbudget van maximaal € 150.000 per aanbieder per jaar. Deze las ten zijn verantwoord op het budget Transformatie/innovatie (I5). Naast de individuele ontwikkelopdrachten vormden aanbieders een gezamenlijke ontwikkelagenda ter versterking van de individuele ontwikkelopdrachten. Deze gezamenlijke agenda is gericht op verbetering van toeleiding naar specialistische hulp, ontwikkelen va n passend zorgaanbod en leren van complexe casuïstiek, binnen de opdracht tot kostenbesparing. Om de resultaten meetbaar te maken bouwden aanbieders en GRJR aan betekenisvolle Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) per ontwikkelopdracht.
Onder regie van de programmamanager zorglandschap worden de inhoudelijke ontwikkelingen samen met de contractmanagers | mede aan de hand van deze KPI’s | gemonitord. | Op de ontwikkelopdrachten is onderstaand kwalitatief resultaat geboekt: KPI 1.1 | Hulp aan de jeugdige moet nabij en passend zijn Nabij: De hulp wordt zoveel mogelijk geboden binnen het sociale netwerk van de jeugdige, bijvoorbeeld via ambulante ondersteuning. Dit netwerk wordt actief betrokken en ingezet, zodat duurzame oplossingen kunnen ontstaan. Resultaat: Door inzicht te hebben in waar de hulp plaatsvindt ten opzichte van de woonplaats van de jeugdige (gemeente, subregio, regio of daarbuiten), ontstaat een duidelijker beeld van de vraag en het beschikbare aanbod. In totaal voldoen de aanbieders aan de getelde percentages en KPI voor 2025 voor dit onderdeel. Er worden steeds meer kinderen in hun eigen gemeente en subregio zorg geboden. Per opdracht: • | Opdracht A (pleegzorg) in 2025 83% van de zorg geleverd binnen de gewenste eigen gemeente of subregio. • | Opdracht B (opname) in 2025 62% behaald. Bij uitwerking van andere zorgvormen vanwege lacunes in het zorglandschap is dan ook de inzet dit binnen de regio te bieden. • | Opdracht C (verblijf) in 2025 70% eigen gemeenten en 29% binnen de subregio geleverd.
• | Opdracht D (dagbesteding) in 2025 50% binnen de eigen gemeenten geleverd, wat nog achterblijft op de norm, maar 51% vindt plaats binnen de subregio. • | Opdracht E (ambulant) in 2025 vindt 71% binnen de eigen gemeente plaats. *binnen de subregio is exclusief de eigen gemeenten. KPI 1.2 Zelfredzaamheid na stop zorg (passende zorg) Passend: De hulp wordt kortdurend en doelgericht ingezet om onnodige afhankelijkheid te voorkomen. Hierbij maken aanbieders gebruik van interventies, methodieken en richtlijnen die aansluiten bij de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige én bewezen effectief zijn, tegen zo laag mogelijke kosten. De aanbieders werken aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jongeren om na de zorg zelfstandig verder te kunnen. Dit meten de aanbieders door uit te vragen bij jongeren én ouders hoe zij de hulp ervaren en of zij voldoende kwalitatieve hulp hebben gekregen en erna zelfstandig verder kunnen. Het implementeren van juiste uitvraag blijkt lastig in praktijk om metingen eenduidig te kunnen vormgeven. Resultaat: De verschillen per aanbieder zijn groot, mede door de aard van de geleverde zorg. KPI 2. Regionaal sluit aan op lokaal De ontwikkelopdracht houdt in dat regionale jeugdhulp goed aansluit op lokaal aangeboden zorg en het lokale netwerk.
Zorgaanbieders en maatschappelijke partners weten elkaar te vinden en versterken elkaar op het gebied van kennis, vaardigheden en expertise. Doel is dat zij samen een sluitend geheel vormen, zodat jeugdigen een vloeiend verlopend hulptraject doorlopen richting herstel, ontwikkeling en een passende plek in de samenleving. Resultaat: Dit resultaat wordt gemonitord door het aantal hulpverleningsplannen waarin gescoord wordt op afweging/ betrokkenheid lokale inzet en afschaling. Uit deze KPI blijkt dat in de eerste vier maanden van 2025 meerdere aanbieders dit ingebouwd hebben in hun systemen waardoor metingen mogelijk worden. Voor totaal in 2025 is te zien in de monitor daar waar dit is ingebouwd in 90% van de hulpverleningsplannen dit is opgenomen. Naast het inbouwen (technisch) in systemen vraagt dit gedragsverandering van medewerkers. | Om deze laatste redenen zien we dat implementeren van werkwijze langer duurt om gewenste resultaten te behalen. KPI 3. Jeugdigen groeien zoveel mogelijk op binnen een (pleeg)gezin Als thuis wonen niet langer mogelijk is, streven we ernaar dat jeugdigen opgroeien in een pleeggezin of gezinshuis. Om dit te realiseren zijn twee zaken van cruciaal belang: • | Voldoende aanbod: Het aantal beschikbare pleegouders en gezinshuizen moet groot genoeg zijn om altijd, ook in deeltijd, een plek te kunnen bieden.
Waar nodig worden alternatieve gezinssituaties gecreëerd om tekorten te voorkomen. • | Behoud van pleegouders en gezinshuizen: De samenwerking tussen de opdrachtnemer en de casusregisseur wordt versterkt, zodat jeugdigen duurzaam in hun pleeggezin kunnen blijven wonen. Resultaat: 9 10 In 2025 is één van de aanbieders gestart met de inzet van het Mockingbird -model via het ontwikkelbudget. Tegelijkertijd blijft het werven van nieuwe pleegouders en gezinshuizen een uitdaging, wat in lijn is met de landelijke dalende trend. Een belangrijke oorzaak van de beperkte groei van pleegzorg is het wervingsprobleem van pleegzorgouders. Aanbieders zetten in op campagnes en er zijn wel nieuwe gezinshuizen gestart. Zeker bij gezinshuizen blijft het beschikbaar zijn van vastgoed een onderliggend knelpunt . Gemeenten kunnen hier een rol in spelen. Desalniettemin zien we een blijvende inzet bij de aanbieders. Het aantal ‘breakdowns” (ongewenste overplaatsingen naar andere zorg of stoppen van pleegzorg) is gedaald. Oorzaak is het inzetten van ondersteuning van pleegzorgouders. KPI 4. Minimale inzet van bedden Deze KPI richt zich op het beschikbaar hebben van voldoende flexibele bedden om jeugdigen tijdelijk op te vangen. Daarmee wordt voorkomen dat langdurige zorg of een uithuisplaatsing nodig is. Daarnaast wordt gemonitord hoe lang jeugdigen in verblijfzorg verblijven (ligduur).
Aanbieders zetten zich actief in om de ligduur te verkorten. Dit doen zij door vroegtijdig te kijken naar het toekomstperspectief van de jeugdige, beschikbare lokale alternatieven en mogelijkheden voor ambulantisering (afschalen van verblijf naar lichtere vormen van hulp). In het dashboard zien we grote verschillen tussen aanbieders, dit is namelijk ook afhankelijk van het soort zorg dat geboden wordt. We zien dat afbouw van gesloten jeugdhulp impact heeft op de mogelijkheden flexibele bedden beschikbaar te krijgen en te houden. Het ontwikkelen van alternatieve vormen van hulp ter opvulling van de lacunes moet een positief effect gaan krijgen op dit gewenste resultaat. Resultaat: • Het aantal flexibele bedden is in 2025 75. Hierdoor kunnen kinderen voor één nacht of een weekend opgevangen worden om daarna weer terug te gaan naar reguliere zorg of thuis. • De ‘trajectduur” (verblijf) is gemiddeld met 1 maand verkort t.o.v. 2024. De trajectduur is bij alle aanbieders gedaald, echter zitten er wel verschillen in. Van 3,1 maand korter tot een maand langer waardoor het geheel uitkomt op een vermindering van de trajectduur. Ontwikkelopdrachten forensische zorg De prestatieaanbieders werken met elkaar aan twee onderwerpen als ontwikkelpunten. De eerste betreft de doelgroep 18-/ 18+ en de tweede de transforensische zorg (jeugdhulp voor, tijdens en na detentie).
Beide onderwerpen komen terug op de zorglandschapstafel. Voor 18-/ 18+ zijn de aanbieders betrokken bij RADAR + en uitstroom vanaf 18 jaar. Beide punten zijn onderdeel geweest van de gezamenlijke zorglandschapstafels die in 2025 voor het eerst hebben plaatsgevonden. De acties die hieruit voortkomen lopen door in 2026. Ontwikkeling zorgalternatieven In 2025 is de sturing op de ontwikkeling van zorgalternatieven vanwege lacunes in het zorglandschap overgedragen van een externe projectleider naar de programmamanager zorglandschap als procesregisseur. Systeemaanbieders werken met elkaar aan het realisere n van alternatieve zorgvormen voor lacunes op basis van de analyse van zorgbemiddeling. Bij elke lacune is één van de zeven systeemaanbieder trekker. Wat niet zegt dat zij zelf alleen de zorg gaan leveren. De aanbieder die trekker is heeft de regie voor he t opleveren van een Maartschappelijke Business Case. Besluitvorming over de MBC’s vindt plaats in het AB. Een van de belangrijke punten is of de alternatieve zorgvorm goedkoper is dan de zorg voor dezelfde doelgroep in 2023. Eind 2025 is de het alternatief voor de lacune ‘kleinschalige forensische voorziening’ in besluitvorming voorgelegd en begin 2026 akkoord bevonden. In 2026 start deze voorziening mede als alternatief voor gesloten jeugdhulp.
Het alternatief gericht op ‘per soonlijke ontwikkelplek’ is afgerond in 2025 en de inzet “Kamers met aandacht’ start Q1 2026. Het alternatief ‘kleinschalige voorziening ortho -psychiatrie’ is in 2025 afgerond en wordt begin 2026 voorgelegd ter besluitvorming. In dit proces is de voorwaarde gesteld dat de kosten niet hoger mogen zijn dan de nulmeting van 2023. In 2025 heeft in het proces van beoordeling op de MBC een aanscherping plaatsgevonden. Dit zodat goed gecontroleerd en beoordeeld wordt of aan deze voorwaarden wordt voldaan. In 2026 zullen de overige alternatieven naar verwachting ingebracht worden ter besluitvorming. 11 3) Regionale bestuursopdracht kostenbeheersing Naar aanleiding van de aanhoudende kostenstijgingen op de regionaal en landelijk gecontracteerde jeugdhulp stelde het GRJR-bestuur begin 2024 de Regionale Bestuursopdracht Kostenbeheersing (RBOK) vast. De RBOK bevat begin 2024 ruim 50 maatregelen om de indicatiemethodiek (arrangementensystematiek) aan te scherpen, passendheid van het aanbod te verbeteren, oneigenlijk gebruik te beperken en de sturingsrandvoorwaarden te verbeteren. De uitwerking en effectuering van maatregelen is vanaf begin 2024 tot nu een intensief proces geweest. En daar blijven we samen met de gemeenten en aanbieders mee bezig.
Vanaf de start zijn ook veel indringende gesprekken gaande over de noodzaak om scherp te zijn op de kosten, op alle niveaus. Het kostenbewustzijn lijkt door alle aandacht te zijn toegenomen. In de vorige jaarrekening zagen we al de eerste resultaten. De vo orlopige zorgkosten - verantwoordingsinformatie 2025 (afzonderlijke rapportage) laat zien, dat de te verwachten stijging voor de regio als geheel lijkt af te vlakken. Er zijn echter veel verschillen tussen gemeenten, en naast de inzet vanuit de RBOK zijn ook andere factoren van invloed op de ontwikkeling. Kostenbeheersing blijft de komende jaren dan ook dringend nodig. De RBOK bevatte in 2025 ruim 20 maatregelen binnen het huidige stelsel van gecontracteerde jeugdhulp, geicht op doelmatige passende zorg. Maar in de RBOK is ook al aangegeven dat maatregelen nodig zijn in aanpalende beleidsterreinen, zoals onderwijs en pre ventie, zodat de instroom wordt beperkt en de uitstroom bevorderd. Deze lijn is in 2025 verder uitgewerkt in de actualisatie van de Regiovisie. De gezamenlijke inzet om deze visie waar te maken wordt concreet vormgegeven met een uitvoeringsplan van de colleges en de GRJR. De samenwerking in de RBOK en relevante beleidsopgaven is georganiseerd in een regionaal Programmateam Jeugd.
De GRJR draagt jaarlijks €400.000 bij aan de kosten van dit team , waarmee voor de organiserende gemeente de kosten van programmasturing en eventuele inhuur worden gedekt. Deze lasten zijn verantwoord op het budget Transformatie/innovatie (I5). 4) Zorginhoudelijke sturing in de regionaal gecontracteerde zorgopdrachten De GRJR -uitvoeringsorganisatie beschikt over contractmanagers die de verschillende gecontracteerde opdrachten monitoren en de aanbieders in deze opdrachten aansturen, zodat zij de contractverplichtingen nakomen. Door deze inzet draagt elke aanbieder met el ke gecontracteerde opdracht bij aan een zo goed mogelijk functionerend zorglandschap. Onderstaand worden de zorginhoudelijke ontwikkelingen in de verschillende opdrachten in het zorglandschap beschreven. Hieronder staan de ontwikkelingen op hoofdlijnen. De gedetailleerde informatie staat in een aparte rapportage zorgkosten Voorlopige Verantwoordingsinformatie gemeentelijke zorgkosten 2025. A Pleeghulp Voor pleegzorg (opdracht A) is de realisatie 2025 lager dan begroot en lager dan de realisatie 2024. Dit komt omdat het aantal kinderen dat pleegzorg ontvangt, substantieel lager is dan in 2024 en ook op de twee subsidies (Pleegzorg maatwerk en Buitenregio nale Plaatsingen pleegzorg) in opdracht A wordt een onderbesteding verwacht.
De daling in het aantal pleegzorgkinderen sluit aan bij de landelijke trend die in onze regio nog niet eerder zo zichtbaar was. Voor een deel ziet een aanbieder de daling ook als een gevolg van het verscherpt toezicht door de IGJ n.a.v. het incident met het pleegmeisje in 2024. 12 B Behandeling met verblijf In de regio wordt toegewerkt naar minder kinderen in behandeling met verblijf c.q. opname met behandeling. Een kind plaatsen in behandeling met verblijf is de laatste ultieme inzet. Het doel is dat de jeugdige (weer) thuis kan wonen binnen een afzienbare periode. Voor de opname met behandeling (opdracht B) is de realisatie 2025 fors hoger dan begroot. Aan deze stijging ligt een aantal oorzaken ten grondslag. Op basis van een kostprijsonderzoek, na vaststelling van de begroting 2025, heeft het AB het besluit genomen om het tarief voor gesloten jeugdhulp (Jeugdhulp Plus, JHP) te verhogen naar € 7.115,73 per week. Dit besluit was niet verwerkt in de begroting, waardoor deze zo’n € 5,8 miljoen te laag is. De jongeren die met een rechterlijke Maatregel Gesloten Jeugdhulp (MGJ) worden opgenomen in JHP hebben een zeer complexe zorgvraag en gaan niet altijd naar onderwijs. Dit zorgt ervoor dat deze aanbieders ondanks het hogere tarief ook inzet moeten doen voor 1 -op-1 begeleiding/behandeling.
Bij 1/3e van de jongeren is ook extra inzet nodig voor een dagprogramma, omdat deze jongeren nog niet naar onderwijs kunnen. Daarnaast wordt JHP nog steeds afgebouwd, maar alternatieven bij de systeemaanbieders zijn nog niet (voldoende) aanwezig. Het effect daarvan is dat de jongeren die normaal gesproken een MGJ zouden krijgen, nu opgevangen worden in regulier aanbod. Dit zorgt voor een stijging van de weektarieven op B3 (open residentiële zorg behandelsetting). In de begroting is ook rekening gehouden met het omzetten van MyPlace van B3 (open residentiële zorg behandelsetting) naar beschermd wonen (C3) en de Studio’s van B3 (open residentiële zorg behandelsetting ) naar training zelfstandig wonen (C2). Deze omzetting heeft niet vanaf 1-1-2025 plaatsgevonden, maar gedurende het jaar. Verder wordt vanaf 1-1-2025 strak gestuurd op een maximale duur van 28 dagen in crisisverblijf. De jongeren voor wie na 28 dagen nog geen passend regulier aanbod is gevonden, worden toegewezen aan systeemaanbieders en komen daarmee in behandeling met verbl ijf, tegen het arrangement van B3 (open residentiële zorg behandelsetting). C Langdurig verblijf Doorstroom vanuit behandeling met verblijf naar langdurig verblijf (opdracht C) is, mede door de complexiteit van de hulpvraag, vaak een uitdaging en tegelijkertijd vanuit kosten - en inhoudelijk oogpunt een gewenste ontwikkeling.
Opdracht C heeft een zeer diverse doelgroep: van jeugdigen voor wie een gezinshuis passend is, tot jeugdigen die zelfstandig leren wonen en jeugdigen die waarschijnlijk nooit zelfstandig kunnen wonen. Voor deze laatste twee doelgroepen is aansluiting op en uitstroom naar de Wet lan gdurige zorg (Wlz), zelfstandige huisvesting en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van groot belang. Het aantal jeugdigen dat beschermt woont (opdracht C3) is gestegen in 2025. Dit heeft deels administratieve oorzaken, zoals overgang van maatwerkcontracten naar de regionale contracten en de regionale verschuiving van zeer intensieve zorg in opdracht B naa r opdracht C, vanwege het langdurige karakter van deze zorg. De stijging in gezinshuizen (C1) is beleidsmatig gewenst vanuit de regiovisie als alternatief voor langdurig residentieel verblijf in opdracht B, maar is in 2025 niet gegroeid. D Daghulp Voor daghulp (opdracht D) is de realisatie 2025 lager dan begroot en zelfs lager dan de realisatie 2024. Dit komt omdat het aantal kinderen dat regionale daghulp ontvangt substantieel lager is dan in 2024. De oorzaak daarvan lijkt te zijn dat de knip van regionale zorg naar lokale zorg gerealiseerd wordt door in ieder geval de regionale aanbieders. De GRJR heeft geen inzicht in de lokale kosten voor daghulp om dit te kunnen bevestigen.
Tweede oorzaak is dat de stijging vanaf 2023 in het gebruik van forensische daghulp zich niet verder heeft doorgezet maar vanaf 2024 stabiel blijft. De grote regionale aanbieders van daghulp hebben kritisch gekeken naar de knip op D en de zorg programma’s, ook van hun onderaannemers. De knip op D is een knip op zorginhoud, waarbij daghulp die primair onderwijs gerelateerd of vervangend is, in het lokal | e aanbod thuishoort. Een deel van de zorgvragen is op zorginhoud omgebogen naar lokaal aanbod en of lokale contracten. Ook het aanbod van een aantal onderaannemers is naar lokaal omgebogen. E Ambulante hulp In absolute aantallen is het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van ambulante hulp na een lichte daling gedurende de jaarovergang naar 2025 stabiel. Echter is er wel een verschuiving te zien, waarbij forensische ambulante zorg stijgt in aantallen en ambula | nt bij de systeemaanbieders afneemt. Het aantal toewijzingen is wel licht gedaald en de duur van de toewijzingen is toegenomen. De gemiddelde toewijzingsduur is van 40 weken in 2024 gestegen naar 4 | 8 weken in 2025. Huisartsen blijven de belangrijkste verwijzers naar ambulante hulp. Het is van belang dat gemeenten de huisartsen ondersteunen bij het maken van de afweging tussen lokaal of regionaal aanbod, zodat de overgang naar lokaal aanbod zoveel mogelijk gerealiseer | d wordt.
Forensische zorg (prestatieaanbieders) In 2025 hebben 462 jeugdigen, versus 418 jeugdigen in 2024, | gebruik gemaakt van forensische zorg, | geleverd | door de prestatieaanbieders. Absoluut is dit een groei maar het aandeel forensische jeugdhulp in de totale specialistische jeugdhulp is stabiel tot licht gedaald van 4, | 47% in 2024 naar 4,45% in 2025. De helft van de jeugdigen in forensische zorg is veroordeeld voor een delict en heeft daarom een reclasseringstitel. De andere helft stroomt via de jeugdreclassering in, vanwege overtreding | van de Wet Leerplicht door schoolverzuim. De meeste jeugdigen (64%) krijgen ambulante hulp (E). Circa | 19% van de jeugdigen krijgt daghulp (D) | Circa 15%, | ongeveer 50 jeugdigen | krijgt forensische jeugdhulp met verblijf | , vrijwel altijd in de vorm van kamertraining (C2) of beschermd wonen (C3). Een kleine 1% zit in een in een behandelkliniek (B) forensische zorg. Maatwerkovereenkomsten en apart gecontracteerde flexaanbieders Net als in 2024 zijn de maatwerkovereenkomsten in 2025 geen aparte post in de begroting meer, maar onderdeel van de begrote zorgkosten in de opdrachten A t/m E. | Vanaf 2025 zijn nieuwe flexaanbieders gecontracteerd om het aantal maatwerkovereenkomsten en de administratieve belasting voor UO en gemeenten te laten afnemen.
| Uitgangspunt is om maatwerkcontracten regionaal niet meer af te sluiten, maar de zorg onder reguliere zorg (reguliere zorg, flexaanbieders óf via hoofdaannemer/ onderaannemerschap) te laten plaats vinden. | Tevens lopen er nog maatwerkcontracten door in 2025. Landelijk Transitie Arrangement (LTA) Uit de definitieve productieopgaven van de LTA-aanbieders blijkt dat het LTA binnen de begroting blijft. Opvallend | is | dat | het | zorgaandeel | van | de | JSGLVB | -aanbieders | (Jeugd | Sterk Gedragsgestoord Licht Verstandelijke Beperking) substantieel daalt ten opzichte van 2024 (circa - €1,8 mln). Het aantal jeugdigen in JSGLVB-zorg is met 8 gedaald ten opzichte van 2024. Deze daling zit bij twee aanbieders, een derde aanbieder laat een stijging zien. • | Wat betreft de GGZ-aanbieders in het LTA houdt de in 2024 gesignaleerde stijgende trend in 2025 aan. Er wordt meer zorg verleend door een aantal LTA-aanbieders die specialistische GGZ bieden met een kostenstijging als gevolg (circa €2,28 mln). Het gaat hier onder andere om een aanbieder met het GGZ-specialisme persoonlijkheidsstoornissen, en een aanbieder 13 14 die regionaal gecontracteerd is als systeemaanbieder maar waarvan de autismepoli en de behandeling van ernstige eetstoornissen in 2023 onder het LTA-contract is komen te vallen.
Opvallend is dat een grote in de regio gevestigde aanbieder van jeugdhulp in een universitair medisch centrum juist minder jeugdigen uit de regio heeft behandeld dan in 2024 en een kostendaling laat zien. Deze daling is afgaande op de cijfers niet opgevangen door regionaal gecontracteerde GGZ-aanbieders. Naast de grote GGZ -aanbieders in het LTA is er een wisselend beeld in productie van de kleinere GGZ-aanbieders. • Verder is een opvallende daling in het gebruik en de kosten zichtbaar in het LTA-specialisme ‘landelijke opvang en behandeling slachtoffers seksuele uitbuiting en eer gerelateerd geweld’. Dit betreft twee LTA-aanbieders die ook locaties in onze regio hebben. De resultaten van het UO (data) - onderzoek en de aanbevelingen richting gemeenten uit zomer 2024 zijn eind 2025 nogmaals gepresenteerd in gezamenlijke overleggen met gemeenten. 5) Wachttijden in de regionaal gecontracteerde zorgopdrachten Onderstaand wordt de ontwikkeling van de wachttijden per opdracht toegelicht op basis van Q4 cijfers. Pleegzorg (opdracht A) Heel 2025 hebben max. 10 jeugdigen gewacht op een pleegzorgplaatsing. Door de kleine aantallen fluctueert de wachttijd sterk. De gemiddelde wachttijd loopt hierdoor op van 12 weken naar 17 weken.
De zorgvraag betreft met name deeltijdpleegzorg en veelal jeugdigen die al elders in zorg zijn, maar waar ouders bijvoorbeeld geen toestemming geven of de juiste match nog niet is gevonden. Verblijf (opdracht B en C) In opdracht B en C zijn meestal geen lange wachttijden en aanbieders rapporteren kleine aantallen jeugdigen. Wanneer jeugdigen met hun behandeling in opdracht B klaar zijn maar nog niet thuis kunnen wonen, stromen zij door naar opdracht C. Deze (in zorg zi jnde, maar) wachtende kinderen zijn niet opgenomen in de dashboards aangezien er nog geen aanmelding is voor passende vervolghulp. Vrijwel alle wachtende kinderen in opdracht B en C ontvangen al een vorm van jeugdhulp. Echter, voor de kinderen met de meest complexe hulpvraag is het lastig passende hulp te vinden. Gedurende het jaar fluctueert het aantal jeugdigen en de wachttijd doordat het een gering aantal jeugdigen betreft. Het aantal wachtenden is eind 2025 ten opzichte van eind 2024 met 11 afgenomen tot 13 jeugdigen en de gemiddelde wachttijd is gedaald van gemiddeld 8 naar 5 weken. Dagbehandeling (opdracht D) Het aantal wachtenden voor dagbehandelingen is afgenomen van 83 jeugdigen eind 2024 naar 52 jeugdigen eind 2025. De wachttijd schommelt sinds het 2e kwartaal tussen de 17 à 18 weken. Dit betreft zowel de dagbehandeling vanuit de GGZ als jeugd - en opvoedhulp, bijvoorbeeld voor het jonge kind.
Ambulant (opdracht E) Het merendeel (88%) van de wachtende jeugdige voor ambulante hulp zijn aangemeld bij een GGZ-aanbieder. Die aanmeldingen komen voornamelijk (80%) via de huisarts. Deze aanmeldroute is met 2% toegenomen in plaats van afgenomen. Het aantal wachtenden eind 2025 is 994, wat een toename van 29 jeugdigen is ten opzichte van eind 2024. De wachttijd is vanaf het 2e kwartaal stabiel gebleven met 16 weken. Naast de wachttijd en wachtlijst monitort de GRJR de spreiding van de wachttijd; dus: hoe lang wachten de meeste jeugdigen? Idealiter ligt de piek op de eerste drie maanden en zullen de aantallen lang wachtenden steeds meer afnemen. De langst wachtenden wa | chten veelal op inzet van zeer specialistische schaarse hulp. De wachttijd blijft het langste voor GGZ | -hulp voor kinderen het jonge kind (0-6 jaar) met een breed scala van emotie regulatie zorgvragen. Ten behoeve van jeugd- | en opvoedhulp is de wachttijd het langst voor hechtingsproblematiek. Aanbieders maken de keuze om eventueel onderaannemers aan te trekken om de capaciteit (tijdelijk) | uit | te | breiden, | wachtenden | over | te | dragen | naar | een | andere | gecontracteerde zorgaanbieder óf maken de afweging eventueel hun eigen capaciteit uit te breiden, mocht het een aanhoudende hoeveelheid zorgvraag zijn in de regio, om aan de treeknorm te voldoen.
Wachtlijst opdracht E 350 300 | 235 250 | 183 | 2024 Q4 200 | 121 | 155 | 124 150 | 75 | 2025 Q1 100 | 64 | 32 | 2025 Q2 50 | 5 0 | 2025 Q3 0-2 | 2-4 | 4-8 | 8-12 | 3-6 | 6-9 | 9-12 | 12-18 | 18+ | 2025 Q4 weken | weken | weken | weken | maandenmaandenmaandenmaandenmaanden Spreiding wachttijd 2.3.2 Crisiszorg: Crisishulp, Crisis Interventie Team en Acute dienst GGZ Financieel De GRJR regelt en financiert de beschikbaar van hulp voor crisissituaties. De inzet verloopt niet via de gemeentelijke wijkteams. Crisishulp moet binnen 24 uur ingezet moet kunnen worden en daarvoor | te | allen | tijde | beschikbaar | zijn. | Daarom | werken | we | bij | de | crisishulp | met beschikbaarheidsfinanciering. In 2025 is voor deze opdracht voor €8,7 mln. toegezegd aan beschikbaarheidsfinanciering. Naar aanleiding van de definitieve verantwoording, zijnde € 7,4 mln., blijkt dat de realisatie ca. 14% lager ligt dat het afgegeven beschikbaarheidsfinanciering. Bij de voorlopige jaarrekening werd uitgegaan van ca. 10% lager. De GRJR subsidieert vanuit een afzonderlijk budget de Acute dienst GGZ. 15 Daarnaast is er een Crisis Interventie Team (CIT) waarvan de kosten onderdeel zijn van de subsidie aan Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond (zie 2.4.3) maar de inzet wel inhoudelijk samenhangt met crisishulp en Acute dienst GGZ. Toelichting Wat wilden we bereiken? Crisishulp is beschikbaar wanneer nodig.
Er is één toegang tot crisishulp. Crisishulp wordt tot een minimum teruggebracht door tijdige beschikbaarheid van reguliere hulp. Wat hebben we daarvoor gedaan? De GRJR maakt afspraken met de verschillende partijen die in crisissituaties een rol hebben en bewaakt de uitvoering van deze afspraken. | Wanneer een crisissituatie ontstaat maakt het crisisinterventieteam (CIT) een inschatting van de veiligheid van de situatie van de kinderen. Sinds juni 2023 is er voor crisishulp (F) door de zeven systeemaanbieders een coördinatieteam opgericht dat aansluit bij de interventies van het CIT. Zij gaan mee op inschatting en coördineren in gezamenlijkheid de juiste plaatsing indien dit voor het kind nodig is. Het CIT kan kiezen uit drie varianten van crisishulp: • | Crisisopvang (in een crisisopvanglocatie); • | Crisispleegzorg (opvang in een tijdelijk pleeggezin) | ; • | Ambulante crisishulp in de thuissituatie (soms ter voorkoming voor plaatsing in crisisopvang of als nazorg van de opvang). Algemeen beeld Sinds 2023 is het totaal aantal jeugdigen dat een beroep doet op crisishulp dalende. Deze daling heeft zich in 2025 voortgezet met ongeveer 10%.
Totaal | Ambulante | Crisis | Crisisgroep | Crisisopname Jaar | crisis | crisishulp | pleegzorg | open | GGZ 2021 | 625 | 284 | 92 | 222 | 27 2022 | 525 | 223 | 85 | 199 | 16 2023 | 590 | 247 | 93 | 243 | 7 2024 | 561 | 177 | 97 | 278 | 9 2025 | 509 | 221 | 65 | 216 | 7 Binnen de crisishulp (Opdracht F) is de samenwerking tussen het spoedteam met het Crisis Interventie Team (CIT) van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR) verbeterd. Hierdoor is het percentage jeugdigen dat ambulant geholpen wordt gestegen ten opzichte van de crisisbedden. Voor 0-12-jarigen is ruim 50% ambulant geholpen. Als een bed toch noodzakelijk is wordt bij voorkeur crisispleegzorg ingezet. Van de 13+ jarigen heeft ongeveer 60% gebruik gemaakt van een vorm van crisisopvang. 16 Crisishulp | is in eerste instantie bedoeld voor jeugdigen die nog | niet in | zorg zijn. Het crisiscoördinatiepunt van de systeemaanbieders bemerkt dat er vaker aanmeldingen zijn voor jeugdigen die al eerder crisishulp hebben ontvangen, maar waarvan de adviezen | na uitstroom niet zijn overgenomen. Ook wordt er regelmatig een beroep gedaan op crisishulp terwijl de hulpvraag bediend hoort te worden door middel van een (planbaar) B/C arrangement, zoals uitstroom van een justitiële jeugdinrichting of het niet verkrij | gen van een gesloten machtiging.
Ook de trend van buitenregionale crisisopvangplaatsingen in verband met veiligheid van de jeugdige zet door. Dit betreft vaak jeugd met forensisch gedrag die op verzoek buitenregionaal geplaatst wordt. In dergelijke situaties is 1-op-1 begeleiding soms nodig geweest naast de crisisopvang. Speerpunt is de duur van verblijf in crisishulp In 2025 is stevig ingezet op de afspraak dat crisisopvang maximaal 28 dagen kan worden ingezet. Betrokkenen zetten in op het snel helder krijgen van het perspectief en eventueel passende hulp na de crisishulp. Vanuit de crisisexpertise sluit daarom ook een vertegenwoordiger aan bij het zorgbemiddelingsoverleg over verblijfshulp. Dit heeft geresulteerd in slechts 4% die de maximale hulpduur hebben overschreden doordat deze jeugdigen reeds in 2024 waren ingestroom | d, terwijl dit in 2024 nog 32% betrof. | Hierdoor is de doorstroom sneller geworden en blijft het budget onderbenut. | Wanneer het best haalbare perspectief een vervolg verblijf betreft heeft de handhaving van de maximale hulpduur een ophogend effect in opdracht B. Crisishulp is in 2025 ingericht in het berichtenverkeer wat de sturingsmogelijkheden zal vergroten. Acute dienst GGZ De realisatie van de Acute Dienst GGZ 18- | is in 2025 | binnen de begroting gebleven | (na verrekening met MVS-gemeenten).
De totale kosten | ten laste van de GRJR | -begroting bedragen € 713.957 (exclusief MVS) en de totale realisatie bedraagt € 775.102 (inclusief MVS) terwijl er € 756.718 was toegekend inclusief MVS. De kosten van de beoordelingen voor MVS bedragen € 61.144 en komen niet ten laste van de GRJR-begroting maar worden verrekend met de MVS- gemeenten. De Acute Dienst van Antes Zorg (Parnassia) heeft meer beoordelingen uitgevoerd dan begroot (368 versus 300) de Acute Dienst van GGZ Delfland heeft minder beoordeling uitgevoerd dan begroot (47 versus 110). GGZ Delfland verwachtte 110 beoordelingen te moeten doen | . In 2025 heeft GGZ Delfland in totaal 110 crisismeldingen van jeugdigen uit Rijnmond getriageerd, daarvan zijn 47 jeugdigen na triage acuut beoordeeld door de crisisdienst. Bij 63 crisismeldingen is de triage niet opgevolgd door een acute beoordeling en deze vallen daardoor buiten de subsidieafspraak acute dienst GRJR. 28 van de 47 beoordelingen door GGZ D betreft de MVS- gemeenten. 17 18 2.3.3 Jeugdbescherming en jeugdreclassering (opdracht G) Financieel De GRJR financiert jeugdbescherming en jeugdreclassering door middel van subsidies. De inzet van deze diensten wordt bepaald door de rechtbank, niet door gemeenten. Daarom vallen deze kosten onder verantwoordelijkheid van de GRJR.
Bij het opstellen van de tekst voor de jaarrekening 2025 zitten we nog in het proces van vaststellingen subsidie 2025 voor de GI’s. Bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR) is de reguliere productie lager dan vooraf ingeschat, terwijl WSS in afstemming met de GRJR gedurende het jaar juist voor € 1,1 miljoen meer werk verrichte op uitvoering van wettelijke maatregelen. Leger des Heils had een iets lagere productie dan verwacht. De inzet van het zorgbemiddelingsteam van JBRR was in overleg met de GRJR hoger dan vooraf geraamd. Daarnaast zijn aanzienlijk meer jeugdbeschermingsmaatregelen van andere GI’s in het land op basis van het woonplaatsbeginsel via JBRR voor rekening gekomen van gemeenten in Rijnmond. Toelichting Wat wilden we bereiken? Jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen worden door een rechter opgelegd. De uitvoering van deze maatregelen is een wettelijke taak die alleen door gecertificeerde instellingen (GI’s) mag worden uitgevoerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk om GI ’s in staat te stellen deze taken uit te voeren. De GRJR heeft als subsidieverlener voor de GI’s de ambitie dat kinderen veilig en gezond opgroeien. De GI’s zorgen ervoor dat de wettelijk taken rondom jeugdreclassering en jeugdbescherming worden uitgevoerd.
De GRJR financiert de GI’s met subsidies, volgt de ontwikkelingen van de uitvoering door de GI’s en stuurt op bijstelling indien nodig. GI’s rapporteren aan de GRJR over de prestaties bij de uitvoering van deze taak. Hierbij is een financieel kader afgesproken. De ambitie is binnen de financiële kaders uitvoering te geven aan de wettelijke opdracht en de regionaal gewenste niet wettelijke taken van de GI’s. Wat hebben we daarvoor gedaan? Prestaties De GRJR subsidieert drie GI’s voor uitvoering van de jeugdbeschermings - en jeugdreclasseringstaak. Jeugdbescherming Rotterdam -Rijnmond (JBRR) heeft het grootste percentage jeugdigen in dienstverlening ; 65%. Het Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft 8% en de William Schrikker Stichting (WSS) heeft 27%. Sinds 2024 ontvangt WSS een eigen subsidie naast de twee andere GI’s. Primitieve begroting 2025 Begroting na wijziging 2025 Realisatie 2025 Verschil begroting vs resultaat G Gecertificeerde instellingen 54.245.982 53.000.000 53.320.616 -320.616 K1 Proeftuin-wij doen het beter 0 0 -760.307 760.307 k2 K2 Inzet Regionaal Expertiseteam (RET) 0 0 431.020 -431.020 19 De verdeelsleutel qua aantallen tussen de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) is gewijzigd: zelfs met een hogere inzet door WSS blijft opdracht G binnen de begroting.
De jeugdreclasseringsmaatregelen (JR) stijgen landelijk gezien, maar de regio Rijnmond lijkt sterker te stijgen dan het landelijk gemiddelde. De drie GI’s zoeken samen met de keten naar een mogelijke verklaring voor deze ontwikkeling. Ongeveer de helft van aantal JR-maatregelen betreft schoolverzuim. Binnen de regio groeit met name het aantal JR -maatregelen voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (LVB). De Raad voor de Kinderbescherming herkent deze doelgroep eerder door gebruik van een aangep ast screeningsinstrument. Daarnaast is de LVB - doelgroep oververtegenwoordigd in het plegen van delicten. De overschrijding op JR -maatregelen wordt opgevangen door de lichte daling van het aantal voogdijmaatregelen. Er worden landelijk minder verzoeken tot gezag beëindiging gedaan. Het is nog onbekend of dit effect zal hebben op de duur van een voorliggende ondertoezichtstellingsmaatregel (OTS). Het aantal OTS -maatregelen is na een periode van afname in de 2e helft van 2024 gestabiliseerd. Daarnaast is er in 2025 een stijging te zien in het aantal zaken waar het crisisinterventieteam van JBRR bij betrokken is. In 2025 is een start gemaakt met een integrale crisisdienst in samenwerking tussen JBRR/CIT en VeiligThuis. De doorontwikkeling van d it team zal in 2026 haar vervolg krijgen en is belegd binnen de afspraken van het Toekomstscenario.
De drie GI’s zijn per 2025 gestart met het gebruik van berichtenverkeer. In 2025 is gewerkt aan de inrichting van een regionaal dashboard over de GI’s. De aanlevering en betrouwbaarheid van gegevens is in 2025 sterk toegenomen waardoor er beter inzicht is over de inze t van GI per gemeente. Ook is hiermee de controle op het toepassen van het woonplaatsbeginsel voor gemeenten gemakkelijker gemaakt. Geen extra middelen in 2025 voor JBRR Vanaf 2022 tot en met 2024 heeft de GRJR extra middelen beschikbaar gesteld aan JBRR. Met als doel noodzakelijke verbetering in de bedrijfsvoering te kunnen doorvoeren waardoor JBRR de dienstverlening kon continueren. Dit heeft geleid tot betere resultate n eind 2024 op de afgesproken kpi’s. Voor 2025 heeft JBRR deze extra middelen niet aangevraagd. In 2025 is echter gebleken dat deze positieve ontwikkeling zich niet heeft doorgezet. Vanaf medio 2025 zijn hierover gesprekken gevoerd tussen de bestuurlijke stuurgroep JBRR en de bestuurder van JBRR. Voor 2026 heeft het algemeen bestuur van de GRJR ingestemd om opnieuw extra middelen beschikbaar te stellen. Hiermee verwacht de GRJR dat de wettelijke taak van jeugdbescherming en jeugdreclassering voor 2026 door kan gaan en dat de veiligheid van die kinderen en gezinnen die dit nodig hebben geborgd is.
Beperkte besparing GI’s in 2025 Bij de verlening van de GI-subsidies 2025 was al duidelijk dat er hooguit een beperkte besparing mogelijk is aangezien veel werkzaamheden van de GI’s plaatsvinden op basis van een wettelijke opdracht (maatregel rechter) voor een landelijk afgesproken tarief. Voor 2025 is een daling op inzet van de niet-wettelijke taken afgesproken. Dit geldt met name voor de inzet van de GI’s van consultatie- en adviesuren ten behoeve van professionals in het lokale veld. Met deze besparingen is zo veel mogelijk voldaan aan het verzoek van 12 van de 13 colleges in 2024 om 5-10% te bezuinigen op kosten van gemeenschappelijke regelingen. 20 Werken vanuit een subsidiekader GI’s Ten behoeve van de subsidieverlening 2026 is in 2025 voor het eerst gewerkt met een subsidiekader voor de GI’s. Daarvoor is in samenspraak met gemeenten en GI’s onderzoek gedaan naar de verwachte ontwikkelingen die effect hebben op de inzet en middelen die nodig zijn voor de GI’s. Het dagelijks bestuur van de GRJR heeft dit kader in mei 2025 vastgesteld en als onderlegger meegegeven aan de GI’s om hun aanvraag voor de subsidie 2026 voor 1 juli te kunnen indienen. Met deze werkwijze verwachten we een realist ische verlening voor de GI’s te kunnen realiseren. Deze werkwijze passen we ook toe voor de subsidie aanvraag 2027.
Landelijke kaders jeugdreclassering in verbinding Voor de jeugdreclassering is in 2025 een landelijk onderzoek uitgevoerd om te komen tot een kwaliteitskader, landelijke productbeschrijvingen en bijbehorende tarieven. Daarbij is de nieuw in te voeren methodiek van Jeugdbescherming in Verbinding (JRiV) het uitgangspunt geweest. Dit advies is voor de zomer aangeboden aan het Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland. De meerkosten van de invoering van deze nieuwe methodiek kwamen hierdoor goed in beeld. Gemeenten en Rijk zijn in 2025 niet overeengekomen hoe en door w ie deze kosten gedragen moeten worden. Hierdoor is er geen besluit genomen tot invoering van deze methodiek. Deze methodiek is dan ook niet opgenomen in de verlening 2026. VNG en Rijk vervolgen hierover de gesprekken in 2026. 2.3.4 Veilig Thuis Financieel De GRJR is verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van een meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiervoor subsidieert de GRJR de stichting Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond. De volledige financiering van de regionale wettelijke en niet wettelijke taken van Veilig Thuis verloopt via de GRJR en wordt via de GR -begroting in rekening gebracht bij de deelnemende gemeenten. Gemeenten ontvangen hiervoor middelen uit verschillende bronnen.